Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inventaris door A. J. P. M. Nieuwlaat Roosendaal, 1998

Dovnload 417.67 Kb.

Inventaris door A. J. P. M. Nieuwlaat Roosendaal, 1998



Pagina1/21
Datum21.09.2017
Grootte417.67 Kb.

Dovnload 417.67 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   21

inventaris door A.J.P.M. Nieuwlaat

Roosendaal, 1998
ga naar INLEIDING OP DE INVENTARIS

of klik op een van de volgende RUBRIEKEN :


A. PASTOOR

A.1. Organisatie, functionarissen, grenzen

A.2. Archief

A.3. Eigendommen en financiën

A.3.1. Algemeen

A.3.2. Onroerende goederen

A.3.3. Tienden

A.3.4. Cijnzen en renten

A.3.4.1. Leggers

A.3.4.2. Overige

A.3.5. Fundaties

A.3.5.1. Leggers

A.3.5.2. Overige

A.3.6. Belastingen

A.3.7. Overige

A.4. Zielzorg

A.4.1. Individueel

A.4.1.1. Bediening sacramenten

A.4.1.2. Overige

A.4.2. Parochiaal

A.4.2.1. Algemeen

A.4.2.2. Kerkdiensten

A.4.2.3. Relikwieën

A.4.2.4. Wijdingen en aflaten

A.4.3. Religieuze verenigingen en instellingen

A.4.3.1. Broederschap van de Roosendaalse bedevaart naar Onze Lieve Vrouwe van Berendrecht

A.4.3.2. Broederschap van de H. Franciscus Xaverius

A.4.3.3. Derde Orde van de H. Franciscus

A.4.3.4. Andere religieuze groeperingen

A.4.4. Niet-religieuze verenigingen en instellingen

A.5. Armenzorg

A.6. Stukken opgemaakt of ontvangen door de pastoor in zijn hoedanigheid van landdeken
B. GODSHUIS WASSERVAS

B.1. Organisatie

B.2. Eigendommen en financiën

B.2.1. Algemeen

B.2.2. Onroerende goederen

B.2.3. Renten

B.2.4. Fundaties en legaten

B.2.5. Belastingen

B.2.6. Effecten

B.3. Bewoners
C. KAPELANIEËN

C.1. Algemeen

C.2. Eerste kapelanie

C.2.1. Algemeen

C.2.2. Beneficie van het H. Kruis

C.2.3. Beneficie van de H. Catharina

C.3. Tweede kapelanie

C.3.1. Algemeen

C.3.2. Beneficie van de H. Maagd Maria

C.3.3. Beneficie van de H. Anna

C.3.4. Beneficie van de H. Barbara

C.4. Beneficie der Zeven Getijden
D. STUKKEN AFKOMSTIG VAN PAROCHIEGEESTELIJKEN
E. KERKBESTUUR

E.1. Algemeen

E.2. Bijzonder

E.2.1. Oprichting, opheffing, grondgebied, jubilea

E.2.2. Organisatie, functionarissen

E.2.3. Archief

E.2.4. Eigendommen

E.2.4.1. Algemeen

E.2.4.2. Onroerende goederen

E.2.4.2.1. Kerk

E.2.4.2.1.1. Financiering

E.2.4.2.1.2. Bouw

E.2.4.2.1.3. Beheer

E.2.4.2.2. Pastorie

E.2.4.2.3. Begraafplaats

E.2.4.2.4. Overige onroerende goederen

E.2.4.3. Goederen in kerk en pastorie

E.2.4.4. Cijnzen

E.2.4.5. Fundaties en schenkingen van geldbedragen

E.2.4.6. Belastingen

E.2.4.7. Effecten

E.2.4.8. Geldleningen

E.2.5. Financiën

E.2.5.1. Algemeen

E.2.5.2. Jaarstukken

E.2.5.3. Overige financiële stukken

E.2.6. Personeel in dienstbetrekking

E.2.7. Bemoeienis met instellingen en verenigingen
F. ARMBESTUUR

F.1. Algemeen

F.2. Bijzonder

F.2.1. Organisatie, functionarissen

F.2.2. Eigendommen

F.2.2.1. Algemeen

F.2.2.2. Onroerende goederen

F.2.2.3. Fundaties en schenkingen van geldbedragen

F.2.2.4. Geldleningen

F.2.3. Financiën

F.2.3.1. Algemeen

F.2.3.2. Jaarstukken

F.2.4. Armenzorg
G. ROOMS-KATHOLIEK GASTHUIS
H. STUKKEN WAARVAN HET VERBAND MET HET ARCHIEF NIET IS GEBLEKEN
I. DOCUMENTATIE


INLEIDING


Geschiedenis van de parochie

De archiefvormers

Verantwoording van de inventarisatie

Literatuur

Lijst van pastoors van de parochie

Geschiedenis van de parochie


Voorgeschiedenis - de abdij van Tongerlo
Tussen 1510 en 1979 werd de parochie van Sint Jan de Doper te Roosendaal bediend door de Norbertijnen of Premonstratenzers van de abdij van Tongerlo. De Norbertijnen vormen de belangrijkste orde van de reguliere kanunniken. Regulier zijn zij, omdat zij een regula (kloosterregel) volgen, en wel de regel van Augustinus. Deze legt hen een gemeenschappelijk leven op, met inachtneming van de traditionele kloostergeloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. De benaming kanunniken wil zeggen, dat zij zich verplichten tot het gemeenschappelijke koorgebed: het zingen van de zeven getijden is bedoeld als een permanente lofzang op God.
De Norbertijnen hebben vanaf hun ontstaan in het begin van de twaalfde eeuw sterk de nadruk gelegd op het belang van een goede zielzorg. Dit onderscheidde hen van de oudere orden van de Benedictijnen, die zich bij voorkeur afzonderden van de wereld. Deze pastorale inzet combineerden de Norbertijnen met werkzaamheden op het gebied van de ontginning en exploitatie van woeste gronden.
De zielzorg werd, behalve in Tongerlo zelf, ook uitgeoefend in de kerken die aan de abdij geschonken waren. De prelaat van de abdij bezat in deze parochies het patronaats- of begevingsrecht, waardoor hij de kandidaat-pastoor mocht voordragen. De eigenlijke aanstelling gebeurde door de aartsdiaken of afgevaardigde van de bisschop. Het voorrecht van de abdij om haar parochies door eigen kloosterlingen te laten bedienen werd meermaals door de pausen hernieuwd en bekrachtigd.
De pastoor was aan de bisschop verantwoording verschuldigd over het geestelijk beheer van de parochie, terwijl hij voor het tijdelijk beheer en voor de kloosterlijke beleving verantwoording af moest leggen aan zijn prelaat.
Omstreeks 1130 schonk Giselbertus van Castelre, een vermogend landeigenaar te Tongerlo in de Kempen, een deel van zijn bezittingen aan de orde van St. Norbertus om daar een abdij op te richten. Daartoe werd een beroep gedaan op de abt van de in 1124 gestichte St. Michielsabdij van Antwerpen. Door haar aandeel in de stichting verkreeg St. Michiels de titel van moederabdij over Tongerlo met de daaraan verbonden rechten. De nieuwe abdij, die zou uitgroeien tot de machtigste van de Kempen, werd gesteld onder de bescherming van O.L. Vrouw. In de jaren daarna zou het bezit van de abdij zich door schenkingen snel uitbreiden.
De parochie Nispen
De kleine bezitskern van de abdij werd in de eerste vijftig jaar door enkele grote schenkingen en door aankopen sterk uitgebreid. Voor Roosendaal zijn van belang de schenkingen door Arnulf de Brabander en diens zoon. Arnulf bezat namelijk een eigen familiegoed (allodium) gelegen onder Nispen, dat hij omstreeks 1150 schonk aan de abdij van Tongerlo. Daarna schonk zijn zoon, eveneens Arnulf geheten, met goedkeuring van Godefridus van Schoten heer van Breda twee derde delen van de tienden van Nispen aan de abdij (1), evenals het patronaatsrecht van de kerk van Nispen.
Omdat Nispen in het bisdom Luik (aartsbisdom Keulen) gelegen was, vroeg de abt van Tongerlo in 1157 de bisschop van Luik om bevestiging van de nieuw verworven bezittingen, hoewel de abdij zelf onder de jurisdictie van het bisdom Kamerijk (aartsbisdom Reims) viel.
De schenking van 1157 was van groot belang voor de ontwikkeling van West-Brabant. De parochie Nispen omvatte het gebied van het huidige Roosendaal en Zegge, en (in het huidige België) de dorpen Essen, Kalmthout, Nieuwmoer, Achterbroek en Wildert.
Roosendaal - appendix van de parochie Nispen
De grote oppervlakte van de parochie, gecombineerd met de sterk toenemende bevolking, was er oorzaak van dat er na verloop van tijd hulpkerken in verschillende dorpen opgericht werden. In 1266 richtten bewoners van de buurtschappen Kalsdonk, Hulsdonk en Langdonk zich tot de abt van Tongerlo, met het verzoek om een eigen, dichtbij gelegen kerk op te mogen richten, vanwege de slechte en onveilige verbindingswegen naar de kerk van Nispen. De abt van Tongerlo speelde het verzoek door naar de bisschop van Luik, onder wiens jurisdictie West-Brabant viel. Deze liet daarop door de landdeken van Hilvarenbeek een onderzoek instellen. Het resultaat van dit onderzoek was, dat de bisschop het verzoek van de inwoners van de donken inwilligde. Op 5 november 1268 schonken de aanvragers negen bunders bos en wei voor het onderhoud van de kerk. Vier dagen later hechtte Arnold van Gaasbeek of van Leuven, de toenmalige heer van Breda, zijn goedkeuring aan deze schenking aan de kapel, gelegen in loco dicto Rosendale (in de plaats die Roosendaal genoemd wordt). De kerk werd toegewijd, zoals die van Nispen en Tongerlo, aan O.L. Vrouw, en omdat de kerk van Nispen de moederkerk was, behoorde het patronaatsrecht van de nieuwe kerk aan de abdij van Tongerlo. De kleine kapel zou de voorloper zijn van de huidige Sint-Janskerk.
Het is niet bekend wanneer Joannes de Doper de patroonheilige van de kerk van Roosendaal geworden is, maar vermoedelijk is dat voor 1459 geweest; in dat jaar wordt het geboortefeest van St. Jan namelijk als parochiefeest gevierd. In de Luikse pouillé (2) uit 1438 is sprake van slechts één beneficie, namelijk een Mariabeneficie. In de pouillé uit 1459 worden vier nieuwe beneficies genoemd, waaronder het beneficie van St. Jan de Doper dat het jaar daarvoor gesticht was. Vermoedelijk werd dus in of kort voor 1459 een nieuwe kerk (gewijd aan St. Jan de Doper?) gebouwd met stichting van verschillende nieuwe altaren of zelfs kapellen.
Roosendaal - zelfstandige parochie
Onder supervisie van de abdij werd de ontwikkeling van de landbouw ter hand genomen en werd een begin gemaakt met de ontginning van de veengronden. De turf die in de Zundertse, Kalmthoutse en Essense moeren werd gestoken, werd naar Roosendaal vervoerd. Daar werd de turf op verschillende plaatsen - de turfhoofden - overgeslagen en verkocht, en ten slotte verscheept naar de afnemers in Vlaanderen, Holland, Zeeland en zelfs Londen. Het hoogtepunt van de turfnering lag in de vijftiende en zestiende eeuw.
De centrale plaats van Roosendaal als overslaghaven leidde ertoe dat de bevolking sterk groeide, en al spoedig had het jongere Roosendaal het moederdorp Nispen ver achter zich gelaten qua inwonertal en welvaart. Deze dominante positie van Roosendaal ten opzichte van Nispen verklaart ook, waarom er in stukken uit de vijftiende eeuw soms sprake is van de 'parsoen' of pastoor van Roosendaal, hoewel Roosendaal tot het jaar 1510 formeel ondergeschikt zou blijven aan de kerk van Nispen.
In het archief van de abdij van Tongerlo bevindt zich een afschrift van een bul van paus Julius II, Sacrosanctae quam, van 1 november 1510, waarbij de bisschop van Luik op verzoek van de abt van Tongerlo gemachtigd werd om de kerk van Roosendaal te verheffen tot parochiekerk.
Roosendaal viel kerkrechtelijk onder het bisdom Luik (kerkprovincie Keulen, bisdom Luik, aartsdiakonaat Kempenland, dekenaat Hilvarenbeek of Beke). In 1559 veranderde dit door het concordaat tussen Rome en Filips II. In de bul Super universas van 12 mei van dat jaar verordende paus Paulus IV een nieuwe kerkelijke indeling in de Nederlanden. De indeling was afgestemd op de toenmalige politieke verhoudingen. Een van de nieuw op te richten bisdommen was het bisdom van Antwerpen, als suffragaanbisdom van de Mechelse kerkprovincie. De oprichting werd definitief geregeld in 1561. Het nieuwe bisdom omvatte onder meer het noordwestelijk gedeelte van het oude bisdom Luik. Roosendaal ging daardoor vanaf 1561 deel uitmaken van het bisdom Antwerpen. In 1571 werd het bisdom verdeeld in vier dekenaten, waaronder het dekenaat Bergen op Zoom. Hier ging Roosendaal toe behoren. Verschillende pastoors van de parochie van Sint Jan de Doper zijn tevens landdeken van Bergen op Zoom geweest (zie bijlage: naamlijst van pastoors).
In de Tachtigjarige Oorlog kreeg Roosendaal het zwaar te verduren. De dekenaten Bergen op Zoom en Breda lagen in de frontlinie. Op 31 mei 1572 werd de kerk verwoest door brand als gevolg van oorlogshandelingen. De ramp werd veroorzaakt door het feit dat de pastoor, de andere geestelijken en de kerkmeesters, die zich hadden teruggetrokken in de kerk, zich zo goed verdedigden tegen de watergeuzen dat zij de kapitein van de Brielse soldaten in het been schoten. Als represaille werd de stad door de geuzen in brand gestoken, waarbij behalve de kerk ook het raadhuis en 105 huizen in vlammen opgingen. In 1583 werd Roosendaal opnieuw getroffen door brand, onder meer door de soldaten van het leger van de prins van Parma. Het gevolg was dat praktisch de gehele kom van Roosendaal in as lag.
De kerk werd kleiner herbouwd, maar viel in 1600 opnieuw ten prooi aan de vlammen (3). Bovendien werd Roosendaal tot twee keer toe, in de jaren 1603 en 1622-1623, getroffen door de pest. De desolate toestand van de plaats blijkt onder andere uit het feit dat er premies uitgeloofd werden voor het doden van wolven, die vaak hun hol hadden in de verlaten huizen.
De periode van de schuurkerken
Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) werd de kerk hersteld. Tot 1648 konden de Roosendalers hun godsdienstige plichten in deze kerk vervullen. De bisschop van Antwerpen, Gaspar van den Bosch, die na de uitvaardiging van de retorsie-plakkaten (1633-1642) en de val van Breda (1637) blijkbaar voorzag op welke moeilijkheden de vrije uitoefening van het katholieke geloof in de toekomst zou stuiten, gaf reeds in 1640 aan een van de Roosendaalse kapelaans, Albertus Ursino, opdracht om een schuurkerk te bouwen net over de grens bij Steenpaal.
Na de Vrede van Münster in 1648 werd een openlijke beleving van de katholieke religie door de overheid verboden. De Roosendaalse katholieken moesten hun kerkgebouw aan de protestanten afstaan, en de heren van Breda legden beslag op de goederen van de abdij. De abdij protesteerde in Den Haag tegen deze aantasting van haar rechten. In 1653 werd uiteindelijk beslist dat de abdij haar goederen mocht behouden op voorwaarde dat zij het tractement van de hervormde predikant zou betalen en verantwoordelijk bleef voor het onderhoud van de inmiddels protestantse kerken, die voorheen aan haar waren toevertrouwd. Verder moest voortaan een derde deel van de inkomsten uit tienden afgestaan worden aan de Prins van Oranje.
Waarschijnlijk zochten de Roosendaalse katholieken tot 1671 hun toevlucht in de schuurkerk op Steenpaal. Omstreeks die tijd werd de houding van de autoriteiten ten opzichte van de katholieken toleranter ten gevolge van de Franse dreiging. In deze gewijzigde omstandigheden werd het de katholieken toegestaan om een nieuwe kerk te bouwen op het grondgebied van de pastorie, achter de oude kerk. De nieuwe kerk werd, evenals de schuurkerk bij Steenpaal, opnieuw in hout opgetrokken.
Toch bleef de achterstelling van katholieken voortduren. Tot 1795 bleven zij in de regel uitgesloten van openbare ambten. Het uitoefenen van hun godsdienst was slechts mogelijk tegen betaling van zogenaamde recognitiegelden, en in een kerkgebouw dat aan de buitenkant niet als zodanig herkenbaar was. Pastoors en kapelaans konden uitsluitend met goedkeuring van de Raad van State worden benoemd; Norbertijnen uit Tongerlo uitsluitend in plaatsen waar voordien al reguliere geestelijken werkzaam waren. In elke plaats mocht maar één pastoor en één kapelaan worden aangesteld. Regelmatig werd ontheffing verleend om in Roosendaal een tweede kapelaan aan te stellen. De invloed van Tongerlo moet tot in Den Haag voelbaar zijn geweest. Niet voor niets verrees in 1762 aan de Molenstraat op de plaats van de oude pastorie een nieuw imposant gebouw, dat op geen enkele wijze de achterstelling van het katholieke volksdeel verried, en dat de plaatselijke protestantse autoriteiten zonder twijfel een doorn in het oog geweest moet zijn.
Intussen bleef de oude kerk in gebruik bij de protestanten. In 1793 maakten ze plannen om het gebouw, dat inmiddels in verval geraakt was, te restaureren. Na onderhandelingen tussen de gemeente en de abdij van Tongerlo over een bijdrage van de abdij aan het herstel, werd op 24 november 1793 voor notaris Fercken te Roosendaal een overeenkomst getekend, waarin bepaald werd dat de abdij fl. 20.000,- aan de gemeente zou betalen, doch verder niet meer verplicht kon worden tot bijdragen voor onderhoud of herstel van de kerk. De uitvoering van deze plannen werd echter verhinderd door de komst van de Fransen.
In 1795 werd de Bataafse Republiek uitgeroepen. In augustus 1796 verklaarde de Nationale Vergadering dat er in de Bataafse Republiek geen bevoorrechte kerk meer zou zijn. Deze voor de katholieken in Noord-Brabant gunstige ontwikkelingen staan in schril contrast met de ontwikkelingen in het door Frankrijk geannexeerde België.
In de additionele artikelen van de Staatsregeling van 1798 waren bepalingen opgenomen waarin de teruggave van de kerken geregeld werd. Het plaatselijk bewind moest een schikking treffen tussen de verschillende kerkgenootschappen, waarbij naar rato van het aantal leden de kerkelijke bezittingen verdeeld zouden worden. Omdat men niet tot overeenstemming kon komen - onder meer doordat het bedrag van fl. 20.000,-, dat door de abdij van Tongerlo wel toegezegd maar nooit uitbetaald was, een complicerende factor vormde - weigerden de protestanten om de kerk aan de katholieken terug te geven.
Op 16 oktober werd een nieuwe grondwet geproclameerd. Het dertiende artikel daarvan bepaalde dat 'ieder kerkgenootschap onherroepelijk in het bezit bleef van hetgeen met den aanvang dezer eeuw door hetzelve wierd bezeten'. Daarmee waren de protestanten wettig eigenaar van de kerk. Op 16 augustus 1804 sloten zij een akkoord met de gemeente waarin overeengekomen werd dat de hervormde kerkeraad het kerkgebouw tot afbraak mocht verkopen en van de opbrengst een nieuwe kerk bouwen. De toren, eigendom van de gemeente, een deel van de muur en de fundamenten moesten behouden blijven. Het terrein waar de kerk had gestaan werd bestemd tot kerkhof. Op 3 maart 1807 werd de kerk verkocht voor fl. 4.330,- en kon de afbraak beginnen.
De periode vanaf de bouw van de nieuwe kerk
Op 1 mei 1809 bezocht koning Lodewijk Napoleon Roosendaal. Dit vormde aanleiding voor het katholieke kerkbestuur om de koning een verzoekschrift te overhandigen, waarin hem gevraagd werd het terrein waarop de inmiddels gesloopte kerk gestaan had aan de katholieken terug te geven. Slechts drie dagen later willigde de koning het verzoek van het kerkbestuur in. Hij schonk hun de grond met een subsidie van / 20.000,-. Nog datzelfde jaar werd een bouwcommissie ingesteld, die de bouw van de nieuwe kerk zou begeleiden. Onder meer door financiële problemen zou het tot 1835 duren voordat eindelijk met de bouw van de nieuwe kerk begonnen kon worden. De wijding ervan vond plaats op 23 mei 1839 door het toenmalige hoofd van de Nederlandse katholieken, mgr. C.L. baron van Wijckerslooth van Schalkwijk, bisschop van Curium i.p.i.
Kort daarop besloot het kerkbestuur om de oude schuurkerk te verbouwen tot gasthuis. Een deel van het voor de verbouwing benodigde geld schonk pastoor Lebon zelf, de rest moest, in de vorm van leningen of schenkingen, door de parochianen opgebracht worden. De commissie die de bouw van de nieuwe kerk had begeleid was inmiddels ontbonden, maar werd nu opnieuw benoemd om samen met het kerkbestuur de bouw van het nieuwe ziekenhuis te begeleiden. Het gasthuis werd waarschijnlijk in 1841 in gebruik genomen.
In 1832 hadden zich, op verzoek van de toenmalige pastoor van Roosendaal, enkele zusters Franciscanessen van de congregatie van penitenten-recollectinnen uit Etten te Roosendaal gevestigd. Ze waren actief in het onderwijs aan meisjes, en in 1834 begonnen ze op verzoek van verschillende Roosendalers met een pensionaat. Na de totstandkoming van het nieuwe gasthuis namen zij bovendien de ziekenverzorging op zich. Op 9 september 1844 werd, op initiatief van pastoor Kuijlen en Mère Marie Joseph van Jezus van de penitenten-recollectinnen, een nieuwe congregatie opgericht, de congregatie van gasthuiszusters van de regulieren van de orde van St. Franciscus van Assisi. De zusters van deze congregatie zouden speciaal voor het gasthuis gaan werken. Op dezelfde dag werd het door het kerkbestuur opgestelde reglement van het gasthuis door de bisschop goedgekeurd. Het kerkbestuur werd daarin belast met het beheer van en het toezicht op het gasthuis. Verder diende het kerkbestuur uit zijn midden een commissie te benoemen van drie leden, waarvan twee als regenten en een als amanuensis (te vergelijken met de functie van secretaris) zouden fungeren. Hoofd van de commissie was de pastoor.
Het gasthuis heeft dienst gedaan tot 1907, toen de functie ervan werd overgenomen door het door de zusters Franciscanessen opgerichte Charitas aan de Kalsdonksestraat, dat zowel zieken als bejaarden opnam. Daarmee veranderde ook de institutionele structuur. De verantwoordelijkheid voor het beheer van het gasthuis, die altijd gelegen had bij het uit leken bestaande kerkbestuur van de parochie van de Sint Jan de Doper, werd overgenomen door de religieuzen van de congregatie Charitas.
In de loop van 1908 werd het oude gasthuis ingericht als verenigingsgebouw van de Katholieke Kring, en aan de nieuwe vereniging om niet ter beschikking gesteld. De statuten bepaalden dat bij ontbinding van de vereniging zowel de onroerende als de roerende goederen zouden vervallen aan het parochiefonds van Sint Jan de Doper (4).
In 1865 kwamen er enige broeders van de congregatie van St. Louis te Oudenbosch naar Roosendaal, om daar catechismus-onderwijs te komen geven. Aanleiding daartoe was het overlijden in 1863 van de heer Sandeling, die hoofd was van een lagere school achter de Sint-Janskerk. Een familielid van hem had een fundatie gedaan aan het bisdom van Breda, waarvan de jaarlijkse rente van / 120,- besteed moest worden voor het katechismus-onderwijs aan de Roosendaalse jeugd. De rente werd jaarlijks uitgekeerd door het bisdom aan de parochie van Sint Jan de Doper. De toenmalige pastoor van Roosendaal, Petrus Johannes Kuijlen, had reeds herhaalde malen geprobeerd om de broeders naar Roosendaal te krijgen, maar zijn pogingen waren altijd tevergeefs geweest. Dankzij de fundatie van Sandeling besloten de broeders op 18 mei 1865 nu wel in te gaan op zijn verzoek. Ze openden hun broedersschool Sainte Marie in de voormalige lagere school van Sandeling.
In de loop van de twintigste eeuw ontstonden er in Roosendaal vele nieuwe parochies, waardoor het grondgebied van de parochie van Sint Jan steeds kleiner werd. In de jaren zestig begon een omgekeerde beweging: door de toenemende ontkerkelijking en de daarmee gepaard gaande teruggang van het kerkbezoek voelde het bisdom zich gedwongen een aantal parochies op te heffen en kerken te slopen.
Ook organisatorisch is er in de laatste decennia nogal wat veranderd. Onder invloed van het Tweede Vaticaans Concilie werd de noodzaak ingezien om de parochianen meer te betrekken bij het bestuur en de activiteiten van de plaatselijke kerk. Het meest in het oog springende voorbeeld van deze ontwikkeling is de instelling van een parochieraad, die later omgevormd werd tot parochievergadering.
Per 1 januari 1997 is er formeel een einde gekomen aan het bestaan van de parochie. Op die datum werd zij namelijk samengevoegd met de parochie Roosendaal-West tot de nieuwe parochie St. Jan en H. Kruis. Feitelijk was dit een formalisering van een ontwikkeling die al enkele jaren gaande was: reeds vanaf augustus 1983 werden beide parochies bediend door één pastoraal team, en ook de beide kerkbesturen waren in de jaren voorafgaande aan de samenvoeging in toenemende mate gaan samenwerken.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   21

  • INLEIDING

  • Dovnload 417.67 Kb.