Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Israël en katholiciteit

Dovnload 66.25 Kb.

Israël en katholiciteit



Datum28.10.2017
Grootte66.25 Kb.

Dovnload 66.25 Kb.

Israël en katholiciteit

De Protestantse kerk in Nederland als postiljon tussen Jeruzalem en Rome


door Henk Vreekamp
Op het eerste gezicht horen protestants en katholiek niet bij elkaar. Een protestant is iemand die niet katholiek is, zegt de volksmond. Dat een protestant bovendien niet naar de synagoge maar ter kerke gaat, lijkt nogal evident. Desondanks beweert de Protestantse Kerk in Nederland dat zij niet alleen onbetwistbaar katholiek maar ook onopgeefbaar met Israël verbonden wil zijn. Wat mag deze dubbel boude bewering wel inhouden?
In november 1981 spreekt een gezamenlijke vergadering van hervormde en gereformeerde synodes uit dat gescheiden kerken dichter tot elkaar komen wanneer zij met Israël in gesprek treden. De ontmoeting tussen kerk en synagoge moet dan ook prioriteit hebben, want ‘sleutel van de oecumene is Israël’. Deze sleutelpositie van Israël bepaalt ook het katholieke karakter van de kerk. In de zesde WARC-stelling horen we dat ware katholiciteit veronderstelt en impliceert dat de kerk deel heeft aan de belofte aan Israël gegeven.1 Betekent dit dat zonder de sleutel Israël elke bijdrage in deze bundel ten diepste een gesloten boek moet blijven?

We willen de stelling onderbouwen dat de Protestantse Kerk in Nederland katholiek is, niet Rooms-katholiek, ook niet Wittenbergs- of Geneefs-katholiek, maar Jeruzalems-katholiek. Om te beginnen gaan we na hoe indertijd B. M. Schuurman het begrip Jeruzalems-katholiek als hart van alle katholiciteit van het stof der eeuwen wist te ontdoen. Vervolgens roepen we in herinnering wat rond de invoering van de katholiek getoonzette hervormde kerkorde van 1951 het baanbrekende was in de nieuw geformuleerde relatie tot het Joodse volk. Tenslotte houden we de afgelopen halve eeuw tegen het licht van ‘1951’. Dat laatste doen we vooral aan de hand van een weerbarstig fenomeen dat sinds 1949 onze erediensten is binnengedrongen: de jaarlijkse Israël-zondag.


Jeruzalems-katholiek
Barend Martinus Schuurman, geboren in 1889 in een gereformeerde pastorie, werkte vanaf 1922 tot aan zijn dood in Japanse gevangenschap in 1945 als zendeling-leraar op Java in dienst van het Nederlands Zendelinggenootschap. In november 1919 publiceert hij het uitdagende artikel ‘Discipelschap en Apostolaat’.2 De openingszin luidt: ‘Het probleem, waarmee de Christelijke kerk van de aanvang van haar bestaan geworsteld heeft en nog worstelt, is dat omtrent voortgang en groei van het eenmaal gegeven godsdienstige leven.’ Zo stevig als de kerk haar uitgangspunt, het discipelschap, koestert, zo zwak is zij in het stellen van een doel, namelijk het apostolaat. Hier stoten we op de grote impasse die het christendom kenmerkt: de geboorte schijnt zich te keren tegen de groei. Gevolg is dat het christelijk leven tot stilstand dreigt te komen.
Er gaan, zegt Schuurman, twee bewegingen van vreugde door het Nieuwe Testament. In de eerste plaats de verborgen vreugde van Bethlehem - in Pasen bevestigd en verdiept - dat God behoort aan Israël en Israël aan God. Ten tweede de Pinkstervreugde dat Gods gemeenschap niet alleen voor Israël maar voor de ganse wereld bestemd is.

Van Jeruzalem, de plaats waar God is verschenen, gaat de weg naar Rome, het centrum van de wereldcultuur. De discipelen behoren tot Jeruzalem en juist daarom gaan ze als apostelen op weg naar Rome. Maar als ze zich van Rome zouden afkeren, verliezen ze daarmee ook Jeruzalem. ‘En in iedere stap op deze apostolische weg en op iedere bladzijde van ‘de Handelingen der Apostelen’ ligt een belijdenis van een Jeruzalems-Katholicisme’.


Dan voltrekt zich het onverwachte. Van vervolgde minderheid wordt de kerk tot erkende godsdienst in het Romeinse Rijk. Dat heeft grote gevolgen. In dit langzaam groeiend Jeruzalems-Katholicisme sluipt dan een innerlijke verstoring en ontreddering binnen. Tegen de gedreven zending van de kerk is de vervallen cultuurwereld van die dagen niet bestand gebleken, maar heeft zich ter kerstening zelfs veel te vroeg aan haar overgegeven. Deze kerstening was daarom meer anticipatie dan gerijpte werkelijkheid. Rome, dat uiterlijk tegenover Jeruzalem bezweek, ging nu onherboren binnen de muren van Jeruzalem over. In een onontknoopbare verwarring vermengen zich nu ‘discipelschap’ en ‘apostolaat, maar ook bestrijden zij elkaar en brengen ten slotte als gemeenschappelijk resultaat het Rooms-Katholicisme voort.
De Reformatie stelde opnieuw de antithese tussen kerk en wereld. Maar ze ging niet ver genoeg. Ze heeft tegenover het Rooms-katholieke waar ze uitbrak, niet het Jeruzalems-katholieke hervonden. Ze ontdekte het discipelschap opnieuw, de bron van de Schrift boorde ze weer aan en keerde in die zin terug naar Jeruzalem, maar de beweging vanuit Jeruzalem naar de einden der aarde hervond ze niet of nauwelijks. Het discipelschap ging niet onafscheidelijk vergezeld van het apostolaat. Aanraking van christendom en wereld wordt al spoedig uitsluitend gezien als gevaar.

Feitelijk richt dan al wat ‘wereld’ is zich op zijn beurt missionair op het christendom, past de oude zendingsmethode van toenadering en aanpassing toe door het goede uit de christelijke religie over te nemen maar met de opzet haar innerlijk op die wijze te overtroeven. De verwarring wordt nu niet minder groot dan in de Middeleeuwen, maar dan in omgekeerde zin. ‘Gold het toen het discipelschap, thans is het het ontbreken van het apostolaat, dat het wezen der Kerk zelf aantast’. In plaats van de zending treedt nu de kerkelijke kwestie. Deze wordt steeds dieper begeleid door aanvallen op de christelijke religie zelf.

In onze tijd, aldus Schuurman in 1919 (!), wordt de kerk gedwongen tot een open ontmoeting met de grote godsdiensten der wereld. De kerk wint deze strijd reeds ten halve als zij ontdekt dat haar zekerheid en kracht niet is gelegen binnen de muren van Jeruzalem op zich, ‘maar juist op de weg die uitgaat van Jeruzalem en gericht is naar Rome’. Schuurman besluit zijn artikel met de hartekreet: ‘Maar de zuiverheid der genade, die in Christus’ gebroken lichaam gegeven en ervaren wordt, die is er enkel om gebroken te worden – tot overvloed. Want het huis moet vervuld worden van de reuk der zalf’.

Rond de kerkorde van 1951

Arnold A. van Ruler bouwt naar eigen zeggen voort op ‘het uiterst belangrijke artikel’ van Schuurman.3 De reformatie, aldus Van Ruler, brengt met zich mee een principieel nieuw begrip van katholiciteit. De kerk zelf omvat namelijk niet alles van het rijk van God, maar omgekeerd is de kerk in alles van het rijk van God opgenomen. Naar reformatorische visie omsluit de kerk bijvoorbeeld niet het volk Israël, de Heilige Schrift, de staat en het hele rijk van God, maar is zij als één van de tekenen van het rijk van God temidden van deze andere tekenen opgenomen. De katholiciteit is dus niet zozeer een katholiciteit van de kerk maar van het rijk van God. Het katholieke van de kerk bestaat dan daarin, dat zij de véélheid van de tekenen van het rijk van God zorgvuldig respecteert en ook wezenlijk op die àndere tekenen is gericht.

Gevolg is dat Israël een aparte plaats moet hebben in de apostolische roeping van de kerk. ‘De kerk kan zichzelf en haar positie in de wereld alleen recht verstaan, wanneer zij een voortdurende ontmoeting en confrontatie met Israël heeft. Zij schouwt dan in den spiegel van Israël iets van de bedoelingen Gods met de wereld en de kerk. Zij kan dan misschien tegenover de roomse katholiciteit de jeruzalemse terugvinden.’ Israël heeft bovendien niet alleen een aparte maar bepaald ook de eerste plaats in het apostolaat. Het Joodse volk blijft eerstgezondene als licht voor de volken. De WARC-stelling zet de katholiciteit van de kerk dan ook terecht in met Gods belofte aan Abraham en de bevestiging daarvan in het getuigenis van de profeten.

Vruchten van Schuurman’s bezinning rijpen via Van Ruler en anderen in een aantal synodale besluiten. We roepen die in herinnering door te verwijzen naar ‘de drie boekjes’ die volgens Van Ruler met elkaar bepalend zijn voor de identiteit van de kerk: de kerkorde, de belijdenis en het dienstboek.4


De kerkorde

Met de nieuwe kerkorde van 1951 wordt de notie van het Jeruzalems katholieke opgenomen in de grondwet van de kerk. De kerk vervult haar apostolische opdracht in de verwachting van het Koninkrijk Gods. Onder die apostolische roeping van de kerk treffen we dan als eerste aan het gesprek met Israël. Dit gesprek fungeert als scharnier in de zending van de kerk en de kerstening van het volksleven. Zonder ontmoeting met de synagoge hangt het apostolaat van de kerk eenvoudig in de lucht.


De belijdenis

De commissie die de nieuwe kerkorde voorbereidde, was al vroeg ervan overtuigd dat het tot een 'opnieuw belijden' van de kerk moest komen. Duidelijk zou moeten uitkomen dat belijden altijd op de eigentijdse geschiedenis betrokken wil zijn. Uitgangspunt van de in 1949 door de synode aanvaarde Proeve van hernieuwd reformatorisch belijden ‘Fundamenten en Perspectieven van belijden’5 is de prediking van het Koninkrijk Gods. Dit onderwerp was tot nu toe in de bestaande belijdenisgeschriften op de achtergrond gebleven. Vanuit de prediking dat God de Koning is van zijn koninkrijk dat kómt en dat er in Christus en door de Geest ook al ìs, komen tot nu toe verwaarloosde stukken van de leer meer in het licht, zoals: de geschiedenis, het persoonlijke leven en de bestemming van Israël. Artikel 3 van de Proeve is gewijd aan de verkiezing van Israël. In de toelichting wordt gezegd dat in dit artikel de grondlijnen van het Oude Testament worden getrokken. In artikel 17 komen heden en toekomst van Israël ter sprake. In de toelichting bij dit artikel lezen we dat men de inhoud in oude belijdenissen tevergeefs zal zoeken, maar dat het uitdrukkelijk belijden van de blijvende plaats van Israël in verband staat met het weer oplevend antisemitisme na de Eerste Wereldoorlog. In elk geval moet de gangbare gedachte dat de uitverkiezing van Israël door die van de gemeente vervangen is, worden afgewezen.6



Het dienstboek


Op 20 mei 1949 wordt in de synode het verzoek van de Raad voor Kerk en Israël besproken om 'een bepaalde Zondag, de Zondag voor de Grote Verzoendag bij voorkeur, te bestemmen voor opwekking van liefde voor Israël. Op die Zondag kome in de prediking7 uit, wat de plaats en de toekomst van het Joodse volk is in de heilsgang van het Koninkrijk Gods. De dienst drage in hoge mate het karakter van een gebedsure.' Zonder noemenswaardige discussie besluit de synode aan dit verzoek gehoor te geven.

Met ingang van 1949 zal dus jaarlijks de Israël-zondag worden gevierd, voorafgaand aan Israëls Grote Verzoendag. Deze laatste bepaling is echter al in 1950 gewijzigd in een vaste datum. De eerste zondag van oktober zal voortaan Israël-zondag heten. Vanaf 1985 participeren de Gereformeerden officieel in de viering, terwijl in 1988 de Lutheranen volgen. Daarmee is de Israël-zondag kerkbreed verankerd in de Protestantse Kerk in Nederland.



Van Jeruzalem naar Rome – en weer terug.
We slaan de drie boekjes ruim een halve eeuw later open. Hoe staat het vandaag met het Jeruzalems-katholieke karakter van onze kerk?
Kerkorde

In het openingsartikel van de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland heeft Israël‘bepaald de eerste plaats’ gekregen. Wel hangt er een prijskaartje aan. De grondnotie van het apostolaat is verdwenen. Hoe kwam het zover?

In de kerkorde van 1951 is, zoals we zagen, sprake van een drievoudig apostolische roeping, waarbij ‘uitwendige’ en ‘inwendige’ zending draaien rond het scharnier van het gesprek met Israël. Veertig jaar later, op 14 maart 1991, stelt de synode deze grondwet bij. Dan zegt zij haar apostolische opdracht – waarbij het gesprek met Israël het primaat behoudt – te willen vervullen ‘delend in de aan Israël geschonken verwachting van het Koninkrijk Gods’. Het nieuwe is dat de kerk uitspreekt niet op eigen benen te kunnen en willen staan in haar toekomstverwachting. Zij deelt in de aan Israël geschonken verwachting van het Koninkrijk.

Dit ‘delen in’ verhuist mee naar de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland. De context is evenwel een andere geworden. Het apostolaat van de kerk is verdwenen evenals de apostolische roeping tot kerstening van de samenleving.8 De openingszin van de kerkorde laat nu horen dat de Kerk zich, delend in de aan Israël geschonken verwachting, uitstrekt naar de komst van het Koninkrijk van God. Was het in 1991 dat de kerk deelt in de aan Israël geschonken verwachting van dat Koninkrijk, nu is het (weer) de kerk zelf die zich uitstrekt naar het Koninkrijk, daarbij onderweg delend in de aan Israël geschonken verwachting. Verwachting van wat? Dat blijft een open vraag. Het ‘gesprek met Israël’, oorspronkelijk scharnier in het apostolaat, is verhuisd naar het zevende onderdeel in Artikel I van de kerkorde waar het als een losse zwerfsteen geklemd ligt tussen het belijden en de dienst in de wereld.


Belijden

We kozen met opzet het woord ‘geklemd’ om de nieuwe plaats van het gesprek met Israël in de kerkorde aan te duiden. Wanneer het belijden al bij voorbaat is ingevuld ‘in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht’, dan is het de vraag of het daarna vermelde gesprek met Israël nog de krachten kan vrij maken die de hele kerkorde in al haar onderdelen in het licht van de Jeruzalemse katholiciteit zet. In ‘Fundamenten en Perspectieven’ van 1949 werd tenminste de moed getoond tot een ‘opnieuw belijden van de kerk’ te willen komen. Kerkbreed werd die noodzaak – na de Sjoa en na de stichting van de staat Israël – ingezien.

Hoop gloort in ordinantie 1 van de kerkorde, over het belijden van de kerk, waar als eerste het te zoeken gesprek met Israël vermeld wordt. Iets van de scharnierfunctie lijkt hier weer zichtbaar te worden.
Dienstboek

Met spijt stel ik vast dat in het Dienstboek – Een Proeve van 1998 de Israël-zondag zich geen plaats wist te verwerven. En dat terwijl het Dienstboek een helder uitgangspunt hanteert ten aanzien van de verhouding tot Israël: ‘De gemeente van Jezus Christus weet zich in haar eredienst verbonden met Israël. God heeft immers in zijn omgang met dit volk zijn dienst aan ons en onze dienst aan Hem gestalte gegeven’9. De Israël-zondag is een vreemde eend in de liturgische bijt, die zich niet naadloos laat invoegen in de klassieke bedding van het liturgische jaar. Maar dat is nu precies waarom alles draait. Het gesprek met Israël laat zich niet inpassen in bestaande kerkelijke kaders. In het kader van het ‘oecumenisch-katholieke’ waarin het gereformeerde Dienstboek zegt te willen staan, moet het verzwijgen van de Israël-zondag een gemiste kans genoemd worden.

Juist aan de hand van deze zondag krijgen we namelijk zicht op het Jeruzalems-katholieke karakter van onze kerk. De viering fungeert als een barometer die ons informeert over het klimaat in de ontmoeting tussen de kerk en het Joodse volk. We willen dat bezien aan de hand van een zevental momenten die met elkaar deze zondag ‘vormen’:
De Israël-zondag is bijgeschreven op de kerkelijke kalender vanwege de onopgeef­bare verbondenheid met het Joodse volk.

De Protestantse Kerk in Nederland waagt in haar grondwet de uitspraak dat zij zich geroepen weet gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël.10

Niet in de laatste plaats vanwege deze beleden ‘onopgeefbare verbondenheid’ is de afgelopen jaren de viering van de Israël-zondag onder druk komen te staan. De gevoerde politiek van achtereenvolgende Israëlische regeringen ten aanzien van het Palestijnse volk, brengt de gemeente in grote verlegenheid. De naam ‘Israël’ staat sinds 1948 in onze wereld weer concreet voor zowel volk, als land als staat. En de staat is bepaald het meest weerbarstige onderdeel in deze drieslag. Een woord als ‘onopgeefbaar’ kan echter per definitie niet afhankelijk zijn van het nieuws van de dag. Het heeft als kern in zich een verbondenheid die geldt in voorspoed en tegenspoed, in leven en sterven. De WARC-stelling herinnert aan het onberouwelijke karakter van Gods belofte aan Israël. Daarin ligt de onopgeefbare verbondenheid verankerd.

De Israëlzondag is een zondag als alle andere zondagen in de kerk, namelijk de dag na de sabbat.

De gemeente van Christus weet op de dag na de sabbat zich geroe­pen in de licht­kring van de naam Jezus - het ‘nieuwe’ van het Nieuwe Testa­ment. De WARC-stelling fundeert het deelhebben van de kerk aan de belofte aan Israël gegeven in haar geloof in Jezus Christus, die ‘de Messias van Israël’ is.

De kerk heeft opnieuw ontdekt dat Jezus een geboren Jood is. Jezus zou met zijn moeder Maria (Mirjam) naar Auschwitz zijn gevoerd. Wat betekent het Jood-zijn van Jezus voor de kerk? Met een woord van Samuël Gerssen: 'Dat Jezus uit een joodse moeder geboren werd is niet een toevallige omstandigheid, laat staan dat men dat als iets gênants zou mogen beschouwen. Het is veeleer het hart van de bijbelse boodschap, dat Hij midden in de geschiedenis van Israël staat en dat Hij een eeuwige verbintenis met dit volk heeft aangegaan.' 11

In dit verband halen we een vergeten titel van Jezus naar voren: 'Dienaar van de besnijde­nis', Diaken van het Joodse volk (Rom. 15:8).12 Jezus bevestigt en bezegelt de beloften aan Israël gegeven. En zó - in zijn dienst aan Israel - is Jezus de redder der wereld. Dit houdt in:

- Israël is 'formele' christologie. Alles wat van Jezus wordt uitgesproken, is in de Schriften van Israël gezegd. Denken we bijvoorbeeld aan de naam 'Zoon van God'. De Eeuwige zegt van zijn volk: 'Mijn zoon, Mijn eerstgebo­rene, is Israël' (Ex. 4:22).

- Jezus is de Jood in de kerk, desnoods als enige. Maar in elke generatie, ook de onze, zijn er de Joodse volgelingen van Jezus.


De Israël-zondag is een zondag in de buurt van het Loof­huttenfeest.

Wat bedoelt de WARC-stelling met de zinsnede ‘dat de kerk deel heeft aan de belofte aan Israël gegeven’?

De betekenis van het werkwoord 'delen' wil afgelezen worden aan de metafoor die Paulus waagt over de wilde olijf, die mee-deelt in het sap van de wortel van de tamme olijf (Rom. 11:17). Deze vergelijking van tamme en wilde olijf is gericht op de praktijk: Jeruzalem, de moedergemeente, draagt de gemeenten uit de heidenvolken - en niet omgekeerd (Rom. 15:25vv.). Tegelijkertijd ziet Paulus de moedergemeen­te in het licht van de ‘rest’, gehei­ligd met het oog op 'geheel Israël'. En geheel Israël zal behouden zijn wanneer de volheid van de heidenen als pelgrim Jeruzalem zal zijn binnengetrokken.

De kerk uit de volken deelt dus in de intimiteit van het verbond tussen de Eeuwige en Israël. Paulus vreest echter dat de heidenen op den duur hun plaats niet meer zullen kennen en Israël zullen verdringen. Dit ‘delen’ kan dan ook enkel geschieden op basis van de attitude van de vreze des Heren als tegenweer tegen heidense hoogmoed (Rom. 11:20).

Het is allereerst in de eredienst dat dit delen gestalte aanneemt. De kerk deelt ook in de tijd zoals aan Israël toevertrouwd. Omstreeks de tijd dat de Israël-zondag valt, viert het Joodse volk de grote feesten van het najaar, waaronder Soekkot, Loofhuttenfeest. Het delen in Israëls verwach­ting betekent een herken­nen van de weg door de woestijn en van het wonen in de tent. Het laatste bijbelboek biedt een uitvoerige orde van dienst op de wijze van het loofhuttenfeest.
De Israël-zondag valt aan het begin van de herfst wanneer we op weg gaan naar de drie grote feesten van de kerk, Kerstfeest om te beginnen.

Vanaf Simchat Thora, het feest van de Vreugde om de Thora, herneemt de synagoge de lezing van Genesis, het boek van 'de wording van Israël temidden van de volkeren'13. Deze lezing biedt de kerk een bijbelse opmaat naar het feest van Christus' geboorte, op de wijze zoals Matteüs inzet met de ‘wording van Jezus temidden van Israël’.

Dat is wel nodig, omdat ons Kerstfeest van heidense huize is. Wij komen in Noord-Europa de lange winternacht niet door zonder een feest van licht. Schuurman wees er op dat de kerk niet bestand is tegen heidense druk. Dat gold in de eerste eeuwen in het Romeinse Rijk. Ten aanzien van de Germaanse wereld gold dit in nog veel sterker mate. De Germaanse cultuur heeft een eigen stempel op het Europese christendom gezet.14 Van Ruler noemt het ‘een zeer milde kant’ aan de katholiciteit van de kerk dat zij ten volle ingaat in alle momenten van het leven, dat zij de kleur van haar omgeving aanneemt.15 Uitgaande van Jeruzalem, de moedergemeente, spreekt de Geest in alle talen. Zo draagt in de Heliand Christus een Saksisch gewaad.16 We spreken niet voor niets van de Protestantse Kerk in Nederland.

Hoe ver gaat de aanpassing? De viering van de geboorte van Christus doet in Noord-Europa wel heel sterk denken aan het oude Joelfeest. Vandaar de heilzame correctie van de liturgie: vanaf Israël-zondag op weg naar Kerstfeest in het licht van het boek Genesis.


De Israël-zondag is ooit 'vast'gelegd op de eerste zondag in oktober.

Waarom veranderde al na een jaar de aan de kalender van de synagoge gerelateerde datum van de Israël-zon­dag in een vaste datum? Blijkbaar wil de heiden-christelijke kerk vastheid op haar kalender. Kerstfeest is voorbeeld van zo’n vaste dag op de zonne-kalender. Het is om verschillende redenen elk jaar weer lastig op de Loeach, de Joodse maan-kalender, te moeten kijken wanneer Grote Verzoendag valt. Het is uitgerekend dit ‘lastige’ dat de wereldkerk verbindt met Jeruzalem. Befaamd is in dit verband de kwestie van de al of niet vaste paasdatum.


De Israël-zondag markeert het begin van het nieuwe kerkelijke jaar.

Er is veel voor te zeggen de Israël-zondag te beschouwen als begin van het kerkelijke jaar, als sleutel tot dat jaar. De vier adventsweken als opmaat naar het Kerstfeest zouden we een flink eind naar voren kunnen halen.

Voor de 'goede verstaan­der' begint in de kerk een nieuwe jaarkring, evenals voor Israël, met de zevende maand, rond september dus. Tussen zomer en herfst valt de voelbare cesuur in het jaar. De eerste maand in de lente is nieuw­jaar voor Israël. De zevende maand in de herfst - wanneer Pasen een half jaar achter ons maar tegelijk een half jaar vóór ons ligt - is nieuwjaar voor de schepping: de wereld staat aan haar begin.
De Israël-zondag staat voor de liturgische vertaling van de pelgrimage van de volken naar Jeruzalem.

De kerk is geroepen als voorhoede van een nieuwe gemeenschap uit Israël en de volkeren op weg te gaan naar Jeruza­lem. Op de eerste dag van het loofhuttenfeest roept de synagoge met de woorden van Zacharja 14 de volken op als pelgrim mee op te trekken naar Jeruzalem, om ter plekke de ene Naam te eren en het feest van de loofhutten te vieren.17 De viering van de Israël-zondag betekent gehoor geven aan dit profetisch appèl.



En nu – anno 2007?
Op 12 december 2002 bespraken de drie Samen op Weg-kerken het rapport ‘Keuzes zichtbaar maken’, een reorganisatie-voorstel voor de landelijke dienstenorganisatie. Een amendement met als strekking de herkenbare en duurzame presentie van het gesprek met Israël in de nieuwe organisatie, kreeg niet meer dan een kwart van de stemmen. De aanvaarding van dit rapport valt te duiden als een breuk met vijftig jaar Kerk en Israël. De gevolgde redenering dat vanwege noodzakelijke bezuinigingen een ieder moet inleveren, en dus ook Kerk en Israël, betekent feitelijk een loslaten van het uitgangspunt van de kerkorde van 1951. Israël valt nu juist niet onder algemene categorieën, maar is vanwege zijn verkiezing de markante uitzondering.
We sluiten evenwel niet af met een verdrietige klaagzang maar met een loflied in verwachting. In Nederland zijn wij gezegend met eredienstvaardige voortrekkers die ‘het delen in de aan Israël geschonken verwachting’ liturgisch in het oog hadden soms lang voordat theologen deze relatie dogmatisch zagen zitten.

Zo schetst in een lezing uit 1959 Willem Barnard de liturgische contouren van het Jeruzalems-katholieke karakter van de kerk.18 In de loop van de kerkgeschiedenis zijn er twee brandpunten: synagoge en kerk. Wat de protestantse gestalte van die kerk betreft, geestelijk gesproken ligt Geneve tussen Jeruzalem en Rome. Is dit midden tussen beide brandpunten te handhaven of dreigt het protestantisme zelf weer een nieuw centrum te worden? Vanuit het protestantse standpunt, dat in de ogen van Barnard meer een ‘springpunt’ is, kan nu gezegd worden:

- Het is de last der Joden om de Schriften te hoeden in de tale Kanaäns.

- Het is de taak van Rome om de apostolische traditie hoog te houden.

- Het is de taak en de last van de protestanten om heen en weer tussen Jeruzalem en Rome postiljonsdienst te bewijzen. Tussen het Hebreeuws van de Schriften en het Latijn19 van de kerk klinkt de spreektaal, naar analogie van de drie talen op het kruis van Jezus. In de spreektaal, de taal voor de oecumene, de gehele bewoonde wereld, wil de lof aan God worden verkondigd, wanneer Hebreeuws en Latijn ‘tot rust’ zijn gekomen. Jeruzalem wordt uitgestrooid over heel de aarde. Dat is de diaspora, het zaad van het goede woord Gods vanuit Jeruzalem gestrooid in de akker der wereld. ‘Wij kunnen met de Schriften niet omgaan zonder met de synagoge om te gaan, zonder Hebreeuws en talmudische wijsheid’. Dat is de grootheid van het calvinisme geweest: de Psalmen werden niet nieuw-testamentisch bewerkt en in ons land ontvingen we de hebraiserende Statenbijbel. Rome is dan het tweede brandpunt, een uitzaaiing in de tijd, door de geslachten heen.
De protestant is van huis uit dus een gedreven postiljon, altijd in beweging zodat de katholiciteit zich niet ergens op aarde kan vastzetten20 in een vermeend geografisch centrum. Met Barnard kunnen we de identiteit van onze Protestantse Kerk in Nederland optimaal omschrijven in het profiel van de postiljon die onafgebroken heen en weer trekt tussen Jeruzalem en Rome. Altijd onderweg is de protestant om de Jeruzalemse katholiciteit naar de vier windstreken open te houden.

------------



Dr H. Vreekamp (geb. 1943) is theoloog en publicist. Was vanaf 1971 hervormd predikant in twee Veluwse gemeenten, Oosterwolde en Epe. Werkte sinds 1984 als predikant voor Kerk en Israël. Ontdekte de afgelopen jaren zijn (Noord-Europese) heidense wortels.


1 Zie in deze bundel, p…

2 Het artikel, oorspronkelijk verschenen in Eltheto, jaargang 1919-1920, is te vinden in de bundel Over alle bergen, Geschriften van Dr B.M. Schuurman, zendeling-leraar op Java, ’s-Gravenhage 1952, p. 100-113.

3 A.A. van Ruler, Het apostolaat der kerk en het ontwerp-kerkorde, Nijkerk 1948, p. 57-59, 125-129.

4 Zie voor een overzicht van ‘1951’ mijn: Zonder Israël niet volgroeid, Visie op de verhouding tussen kerk en Joodse volk van hervormde zijde, Tweede, herziene en bijgewerkte druk, Kampen 1992, p. 28-46.

5 Documenten Nederlandse Hervormde Kerk 1945-1955, ’s-Gravenhage z.j., p. 78-111.

6 K.H. Miskotte schreef een diepgaand commentaar op ‘Fundamenten en Perspectieven’: De kern van de zaak, Nijkerk 1950.

7 De zesde WARC-stelling vraagt eveneens aandacht voor de prediking. Het ‘ook en meer nog’ aandacht voor de plaats van Israël binnen de kerk dan voor Israël zelf, mag natuurlijk geen tegenstelling zijn. Zie in deze bundel, p.

8 Jongeneel bespeurt hier een gereformeerd verzet tegen de term ‘apostolaat’(J.A.B. Jongeneel, ‘De apostolaatstheologie van A.A. van Ruler, in contrast met die van J.C. Hoekendijk’, in: Gerrit Klein / Dick Steenks (red.), De waarheid is theocratisch, bijdragen tot de waardering van de theologische nalatenschap van Arnold Albert van Ruler, Baarn 1995, p. 85-94. De ironie van de geschiedenis is dat de van huis uit gereformeerde Schuurman de term introduceerde.

9 Dienstboek – Een Proeve, Schrift, Maaltijd, Gebed, Zoetermeer 1998, p. 5.

10 Simon Schoon, Onopgeefbaar verbonden, Op weg naar vernieuwing in de verhouding tussen de kerk en het volk Israël, Kampen 1998.

11 S. Gerssen, Grensverkeer tussen Kerk en Israël, ‘s-Gravenhage 1986, p. 200v.

12 WARC-stelling 4 stelt dat Jezus Christus de dienaar van allen is geworden. Dat is Hij geworden als dienaar van Israël. Zie in deze bundel, p…

13 F.H. Breukelman, Bijbelse theologie, Deel I,2, De theologie van het boek Genesis, Kampen 1992.

14 Zie bij H. Berkhof, De katholiciteit der kerk, Nijkerk 1962, p. 78. Zie ook mijn: Zwijgen bij volle maan, Veluwse verkenning van Edda, Evangelie en Thora, Zoetermeer, derde druk 2005, p. 87-120.

15 A.A. van Ruler, Ik geloof, De Twaalf Artikelen van het geloof in morgenwijdingen, Nijkerk 1968, p. 140. Uitvoeriger in: A.A. van Ruler, Theologie van het apostolaat, Nijkerk z.j., p. 28-34.

16 Heliand, Een Christusgedicht uit de vroege middeleeuwen, Uit het Oudsaksisch vertaald, geannoteerd en ingeleid door Jaap van Vredendaal, aangevuld met de fragmenten van de Oudsaksische Genesis vertaald door Redbad Veenbaas, met medewerking van Willem van der Meiden, Amsterdam 2006.

17 Zie uitvoeriger: D. Monshouwer / H. Vreekamp, Zacharja – Een profeet om te gedenken, Van Loofhutten naar Pasen, Zoetermeer 1994.

18 W. Barnard, Binnen de tijd, Het zinsverband der liturgie, Haarlem / Hilversum z.j., p. 11-15.

19 Kennis van zowel het Hebreeuws als het Latijn behoort dus tot het basispakket van de theologische opleiding.

20 Beker en Hasselaar verwijzen in ‘De katholieke kerk en haar eenheid’ naar de door J.H. Gunning Jr. zo genoemde katholieke ‘nesteling’ van de kerk in ruimte en tijd als een typisch kerkelijke zonde. Zie: E.J. Beker / J.M. Hasselaar, Wegen en kruispunten in de dogmatiek, Deel 5, Kampen 1990, p. 118.



  • Rond de kerkorde van 1951
  • Het dienstboek

  • Dovnload 66.25 Kb.