Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Jaargang IV, Nr. 146 Parasjat Korach

Dovnload 24.92 Kb.

Jaargang IV, Nr. 146 Parasjat Korach



Datum05.12.2018
Grootte24.92 Kb.

Dovnload 24.92 Kb.



Jaargang IV, Nr. 146

Parasjat Korach

25 Siwan 5765

1/2 juli 2005
Sjabbat Weekblad voor Nederland

KOverzicht Korach

orach, Datan en Aviram, en 250 van de leiders van Israël rebelleren tegen de authoriteit van Mosjé en Aharon. De rebellie heeft als resultaat dat zij door de aarde worden verzwolgen. Velen van het volk zijn kwaad over de dood van Korach en diens volgelingen, en zij houden daar Mosjé voor verantwoordelijk. De „boosheid” van Hasjem is manifest in een plaag die het volk treft, en vele duizenden komen daarbij om. Mosjé bemiddelt nogmaals voor het volk, en geeft Aharon instructies om verzoening te doen voor hen, waarna de plaag stopt. Hasjem gebiedt dan dat staven, ieder met de naam van een andere stam erin gegraveerd, in het Misjkan worden geplaatst. De volgende ochtend zijn uit de staf van de stam Levi, waarop naam van Aharon staat, knoppen en bloemen en rijpe amandelen voortgesproten. Dit voorziet in de G-ddelijke bevestiging dat de stam Levi is uitverkoren voor het pries­ter­schap, en bevestigt ook Aharons positie als de Kohen Ĝadol, de Hoge Priester. De specifieke plich­ten van de Levieten en de kohaniem worden beschreven. De kohaniem zouden geen landeigenaars worden, maar gingen hun levensonderhoud krijgen uit de tienden en andere voorgeschreven giften die hen door het volk gebracht worden. Ook worden de wetten voor de eerste vruchten gegeven, voor de lossing van de eerstgeborene en andere offers.



Door Ohr Somayach in Jeruzalem, Israël

©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden

Inzicht in Parasjat Korach

Uit: Peninim on the Torah door: Rabbi A. Leib Scheinbaum



Korach, de zoon van Jitschar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi scheidde zich af. (16:1)

Zo begint één van de meest tragische gebeurtenissen uit de Joodse geschiedenis, een die ons tot vandaag toe plaagt. Machlokes, ruzie, tegenstellingen, debatten, politieke gevechten: dat zijn allemaal woorden die de situatie van Korach en zijn volgelingen in iedere generatie daarna kenschetsen. We kunnen onszelf nooit bevrijden van discussies. Soms is het l'sjeem Sjamajim, serieus voor de zaak van de Hemel: om gehoorzaamheid te bevorderen aan Tora en mitswot, om godsdienstige afwijkingen uit te bannen en om de uitdagers van Tora te weerstaan. Maar meestal is het hoofdzakelijk uit een zucht tot erkenning en een gevecht om de macht. Sommigen gaan zover, om uit eigenbelang de Tora-wetten te verklaren op een manier die henzelf het beste dient, daarbij de ware bedoelingen van Tora ver­draaiend en de boodschap ervan ondermijnend, zodat zij zichzelf en hun eerloze boodschap kunnen presenteren in een positief licht. Dat is precies wat Korach deed.

Rasji haalt Chazal aan, die de kritiek van Korach op Mosjé Rabbeinoe verklaren. Korach deed het voor alsof hij een godsdienstig dispuut had: hij had een vraag over de wet. Hij kwam met zijn misleidde volgelingen voor Mosjé, gekleed in een mantel die geheel van techelet was, een purperkleurige wol. Volgens Tora moet één van de tsietsiet-draden zo gekleurd zijn. Zij vroegen Mosjé: „Heeft een talliet dat helemaal van techelet is, ook tsietsiet nodig?” Mosjé antwoordde bevestigend. Daarom begonnen zij hem uit te lachten. „Hoe is dat mogelijk? Als een kleding­stuk van een andere stof is gemaakt, wordt het vrijgesteld met één enkele draad techelet, zou dan een kledingstuk dat helemaal van techelet is gemaakt, niet zijn vrijgesteld van deze vereiste?”

Zo begonnen ze, door Tora te misbruiken voor hun ketterij. Wat was Korachs fout? Hij was geen dwaas. Hij was geleerd genoeg om te weten dat een talliet dat geheel van techelet was, tsietsiet moest hebben.

In de Be'eer Mosjé, legt de Ozrover Rebbe, zl. uit, dat Korach's fout was, dat hij alleen naar de kleur van zijn talliet keek, maar niet naar het onderliggende motief voor de mitswa. Hasjem is niet geïnteresseerd in kleuren; Hij wil dat wij Zijn mitswot doen en daarmee Zijn G-ddelijk decreet uitvoeren. Dus aan een talliet van techelet moeten nog steeds tsietsiet bevestigd worden, want Hasjem heeft gezegd dat een vierhoekig kledingstuk tsietsiet moet hebben, ongeacht de kleur.

Korach vroeg of een huis vol seforiem, godsdienstige boeken een mezoeza nodig heeft. De Tora-afdelingen welke in de mezoeza zitten, staan toch geschreven in al die boeken! Ook hier miste Korach de betekenis. De Tora gebiedt ons een mezoeza aan onze deurpost te bevestigen, om ons eraan te herinneren van wie dat huis is. Hasjem is de werkelijke eigenaar van dit huis; Hij beschermt het huis en zijn inwoners. De mezoeza helpt ons daar voortdurend aan te herinneren. De inhoud van het huis is daar irrelevant voor. Korach keek naar de buitenkant en zag een kleur en een mezoeza. Hij gebruikte zijn hersenen niet om dieper na te denken, om door het oppervlak heen te graven. Dat is precies het probleem dat zo velen plaagt, die zichzelf van Tora hebben afgewend.



DE MITSWOT VAN DE WEEK

In het Nederlands vertaald door Zwi Goldberg



Deel II: De Mitswot Lo-Ta’asei [de verboden]  nrs. 12-15

Overgenomen uit Sefer haMitswot hakatsar van de Chafeets Chaïm. [Wat tussen rechte haken staat, is door de samensteller toegevoegd.]

-------------------------------------------------------------------------------------------------------

12. Het is een verbod om een afgod te dienen op de gebruikelijke manier

zoals er geschreven staat (Sjemot 20:5): „Je zult ze niet dienen.” Zelfs als dat gebeurt op een verachtelijke manier – bijvoorbeeld door zich te ontbloten en zich te ontlasten voor Pe’or, of door een steen te gooien naar Markoelis – dan is dat strafbaar met steniging. Wanneer het gedaan werd zonder voorafgaande waarschu­wing, wordt het gestraft met kareet [G-ddelijke uitroeiing]. En wanneer het uit onwetendheid gebeurde, is men een chataat [zondoffer] schuldig. Maar als iemand zich ontblootte voor Markoelis, dan is hij vrij van straf, want dat is niet de normale manier waarop die afgod gediend wordt, het is dan een manier van minachting tonen.

Als iemand een afgodsbeeld omhelst of kust of als hij het zand op de grond ervoor aanveegt, of als hij een andere handeling verricht die eerbied betuigt, en hij doet dat voor één van alle afgodsbeelden, dan overtreedt hij een verbod, maar hij wordt er niet voor gegeseld, omdat het een algemeen verbod is [d.w.z. dat allerlei ongespecificeerde handelingen verboden zijn, en voor overtreding van een dergelijk verbod wordt men niet gegeseld]. Wanneer er water stroomt uit een afgodsbeeld, dan mag hij niet van dat water drinken, want dat zou erop lijken alsof hij de afgod kust.

Het geldt overal en altijd, zowel voor mannen als voor vrouwen.



13. Het is een verbod dat men niet mag zweren bij de naam van een afgod

zoals er geschreven staat (Sjemot 23:13): „Noem de naam van andere goden niet.” Men mag ook geen eed afleggen in naam van een afgod. Tot dit verbod hoort ook dat men een heiden niet mag laten zweren bij het object van zijn verering. En zelfs het noemen van de naam van de afgod, zonder dat men zweert, is verboden. Dat wil zeggen, dat men tegen een ander niet mag zeggen: „Wacht op mij naast dat afgodsbeeld.” Wanneer de naam van een afgod geschreven staat in heilige geschriften, dan mag men die naam uitspreken, zoals Pe’or, Bel, Nebo, enz. Het is verboden om anderen te laten zweren bij de naam van een afgod.

Het geldt overal en altijd, voor zowel mannen als voor vrouwen.

14. Het is een verbod om een stad in Israël te verleiden tot afgoderij

zoals er geschreven staat (Sjemot 23:13): „Laat het ook niet uit je mond gehoord worden.” Als iemand een ander overtuigt om afgoderij te plegen, dan wordt hij een mesiet – een ophitser – genoemd. Wanneer hij velen overtuigt, wordt hij een verleider genoemd; hij moet met steniging gedood worden, zelfs al heeft hij zelf geen afgod gediend, maar heeft hij anderen overtuigd totdat zij hem wel dienden.

Het geldt overal en altijd, voor zowel mannen als voor vrouwen.

15. Het is een verbod om iets te eten of te drinken van de offers aan een afgod

zoals er geschreven staat (Sjemot 34:12, 15): „Neem je in acht, dat je geen verbond sluit met de bewoners van het land… en men je zal roepen en je dan zult eten van hun offers.” Hierbij is inbegrepen het drinken van de wijn die gebruikt was voor plengoffers aan een afgod. Het is ook verboden om enig profijt te hebben van een offer aan een afgod of van de wijn die als plengoffer gebruikt is. Wanneer iemand iets eet of drinkt van een offer aan een afgod of van de wijn die als plengoffer gebruikt is, moet hij gegeseld worden. Als algemene regel geldt dat alle wijn van niet-Joden verboden is door de Geleerden. Wie er een revi’iet van drinkt, die zal gegeseld worden. Van wijn van een Jood, die door een niet-Jood met opzet is aangeraakt, is het verboden profijt te hebben. Het is ook verboden om te eten op het feest dat een niet-Jood maakt ter gelegenheid van het huwelijk van zijn zoon of dochter. Zelfs al eet men zijn eigen voedsel en een bediende staat erbij, om er over te waken, dan is het nog verboden.

Het geldt overal en altijd, voor zowel mannen als voor vrouwen.

    




  • 1/2 juli 2005 Sjabbat Weekblad voor Nederland K Overzicht Korach
  • Inzicht in Parasjat Korach
  • DE MITSWOT VAN DE WEEK
  • ------------------------------------------------------------------------------------------------------- 12.

  • Dovnload 24.92 Kb.