Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Johannes XXII (1316-1334)

Dovnload 1.01 Mb.

Johannes XXII (1316-1334)



Pagina1/22
Datum05.04.2017
Grootte1.01 Mb.

Dovnload 1.01 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22



Johannes XXII (1316-1334)

Het zou onjuist zijn te beweren, dat de `pausen van Avignon' de verlangens van de Franse vorst zonder meer inwilligden. Sommigen onder hen hebben zich misschien in een aantal zaken te inschikkelijk getoond (zoals in het besluit tot opheffing van de Tempeliersorde), maar dat geldt zeker niet voor allen. Wat men deze pausen vooral kan verwijten is het invoeren van een al te ver doorgedreven belastingstelsel. Uitblinker op dat punt was vooral Johannes XXII. Hij was gekozen, nadat de pauselijke troon twee jaar en drie maanden onbezet was gebleven. Men koos hem als

een overgangspaus: bij zijn verkiezing was hij 72 jaar oud en hij had een wankele gezondheid - maar dat belette hem niet om nog 18 jaar lang zijn functie uit te oefenen. Omdat de schatkist nagenoeg leeg was, begon hij uit te zien naar nieuwe bronnen van inkomsten en daarin bleek hij zeer vindingrijk, ook al bestonden er al heel wat fiscale verplichtingen die in vroegere tijden waren ingevoerd. Zo moesten de bisschoppen bij hun benoeming of overplaatsing een nauwkeurig bepaalde belasting betalen; men kende een belasting



138

De pausen in Avignon

Na een conclaaf dat elf maanden had geduurd omdat de twee tegenover elkaar staande partijen - de Italiaanse

kardinalen die de politiek van Bonifatius VIII wilden voortzetten, en de Fransen die zich tegenover koning Filips inschikkelijker wilden tonen - geen duimbreed wilden toegeven, werd uiteindelijk Clemens V (1305-1314) tot paus gekozen. Het was een compromis-keuze: hij was een Fransman, maar anderzijds overwoog men dat hij de opvattingen van Bonifatius deelde. Omdat hij het in Rome niet veilig vond, verlegde hij het centrum van de christenheid van Rome

naar Avignon. Het was niet de eerste keer, dat een paus buiten Rome verbleef en bovendien was Avignon geen bezit van de koning van Frankrijk; niettemin kan moeilijk worden ontkend, dat de christenen in het besluit van de paus zich in Avignon te vestigen een al te grote tegemoetkoming tegenover de

Franse koning zagen.


voor de verzending, de verzegeling of de registratie van brieven; een belasting bij ieder bezoek van een bisschop aan de curie; belastingen voor het verzenden van de bullen waarmee de paus het pallium verleende; boetegelden, te betalen door clerici of leken die om de een of andere reden door een pauselijk tribunaal veroordeeld waren. De voornaamste bron van inkomsten vormden de zogenoemde `annatae' : de eerste jaaropbrengst van een beneficie diende naar de paus te gaan. Gedurende de tijd dat een bisdom vacant bleef, waren alle inkomsten daaruit voor Avignon.

En zo waren er nog vele andere vormen van afpersing. Als dwangmiddel voor het betalen van belastingen en heffingen gebruikte men geestelijke straffen en de belastingambtenaren van Avignon waren berucht om de strenge doorvoering van de maatregelen.



Reacties op de pauselijke financiële politiek

Het ontstemde de mensen, dat de betrekkingen met de H. Stoel nagenoeg alle van financiële aard waren. Men proefde weinig van een

Gezicht op Avignon met het Pausenpaleis op een rots aan de Rhóne (uit Seppelt & Hóffler, Papstgeschichte).



139


bezorgdheid over het geestelijk welzijn. In Engeland bood het parlement krachtig weerstand. Men stelde daar niet alleen vast dat er op die manier kapitalen uit het land wegvloeiden, maar ook dat de vroomheid afnam. In Frankrijk zelf werkten de financiële aanspraken van de paus nog veel nadeliger vanwege de hachelijke toestand van dat land, geteisterd door oorlog, hongersnood en pest als het was. Hoe dan ook, van een paus verwacht men dat hij andere doeleinden dan financiële zou nastreven. De Kerk heeft zich in die periode gehaat gemaakt en aanleiding gegeven tot kritiek. Haar houding heeft weliswaar de protestantse scheuring niet rechtstreeks veroorzaakt, maar ongetwijfeld kracht bijgezet aan de roep om hervorming.

Discussies rond het armoedeprobleem

Deze discussies hielden verband met de hervorming. Ze speelden zich o.m. af in de franciscanerorde tussen de rigoristische spirituelen, die het armoede-ideaal van hun stichter tot het uiterste wilden doorvoeren, en de meer gematigde conventuelen. Toen de strijd alle perken te buiten leek te gaan, kwam Johannes XXII tussenbeide. Hij sprak zich tegen de spiritualen uit en verzocht hen, zich neer te leggen bij de koers van de conventuelen die de leiding van de orde hadden. Het merendeel gehoorzaamde, maar de strijd laaide opnieuw op in verband met de stelling die door een franciscaan, P. Talon, werd verdedigd, nl. dat noch Christus noch de apostelen enig persoonlijk of gemeenschappelijk bezit hadden gehad. Hoe vinnig dergelijke discussies konden zijn, kan men opmaken uit een hoofdstuk uit Eco's meesterlijke roman `De naam van de roos'. De paus besloot de stelling te laten onderzoeken, maar nog voordat de beslissing gevallen was had het generaal kapittel van de Franciscanen de thesis al aanvaard als een vaststaande waarheid. In 1323 verklaarde de paus haar evenwel tot onjuist. Toen barstte de bom. Enkele invloedrijke franciscanen weigerden zich te onderwerpen. Ze vluchtten naar de grote politieke tegenstrever van de paus, Lodewijk van Beieren, en zo groeide een strijd die eerst alleen binnen de orde was gestreden en waarbij pas later de paus werd betrokken, uit tot een politieke strijd.

Terug naar Rome?

Johannes XXII had in Avignon enkele opvolgers die ingrijpend van elkaar verschilden: Benedictus XII (1334-1342), een man van strenge levensopvatting die aanvankelijk plannen maakte om terug te keren naar Rome, maar uiteindelijk begon met de bouw van het


pauselijk paleis in Avignon; Clemens VI (1342-1352), die als een `grand seigneur' leefde, maar tijdens de grote pestepidemie

van 1348-1349 blijk gaf van organisatietalent en zelfopoffering; Innocentius VI (1352-1362), een heerser met groot doorzettings­vermogen die kardinaal d'Albornoz naar Rome stuurde om er de rust te herstellen. D'Albornoz slaagde er in de kerkelijke staat weer onder de macht van de paus te brengen. Zo was de weg bereid voor Urbanus V (1362-1370) die zich, o.m. aangespoord door de H. Brigitta van Zweden, in Rome ging vestigen. Na de dood van d'Albornoz werd het er echter weer zo onveilig dat Urbanus zich gedwongen zag opnieuw naar Avignon te vluchten. De laatste paus uit deze periode was Gregorius IX. Op aandrang van Catharina van Siena - een tertiarisse van St. Dominicus (uit de derde orde

dus), die een groot aanzien had verworven door haar toewijding tijdens de grote pestepidemie - besloot hij Avignon te verlaten. Met zijn aankomst in de Eeuwige Stad (1377) kwam de 'babylonische gevangenschap der pausen' tot een einde. Reeds het jaar daarop echter overleed de paus en voor het eerst na zoveel jaren zou een conclaaf opnieuw in Rome plaatsvinden.

Het grote westerse schisma

Het conclaaf van 1378 kende een bewogen verloop. De Romeinse bevolking sprak een dreigende taal. Ook het stadsbestuur drong er bij de kardinalen op aan, dat men een Romein of tenminste een Italiaan zou kiezen. Op 8 april viel de keuze op Prignano, de aartsbisschop van Bari, die geen deel uitmaakte van het kardinaalscollege en derhalve nog op de hoogte gesteld moest worden. Na een tijd van verwarring en onzekerheid werd het officieel bekend dat Prignano de benoeming aanvaard had en de naam Urbanus VI (1378-1389) had gekozen. Niemand opperde bezwaren. Zelfs in de brieven die de Franse kardinalen naar de Franse koning schreven is geen spoor van aarzeling of twijfel terug te vinden. Hierin kwam verandering nadat op 24 april 1378 kardinaal de la Grange in Rome was aangekomen; hij had door onvoorziene reisperikelen drie weken tijd verloren en daardoor het conclaaf niet bijgewoond. Drie dagen na zijn aankomst vinden we de eerste sporen van een oppositie tegen de keuze van Urbanus. De weinig tactvolle houding van deze laatste werkte trouwens de oppositie nog in de hand. Urbanus had een onbehouwen en impulsief karakter.

Hij kondigde forse hervormingen aan en verweet de kardinalen hun grote luxe en weelderige levensstijl. Catharina van Siena smeekte hem tevergeefs, barmhartiger op te treden.



De Franse kardinalen trokken zich terug in Anagni om er van gedachten te wisselen over een mogelijk nieuw concilie. Toen de



Italiaanse kardinalen weigerden op de uitnodiging, zich bij hen te voegen, in te gaan, besloten de Fransen een nieuw conclaaf te houden. Zo werd op 20 september 1378 te Fondi kardinaal Robert van Genève tot paus verkozen. Hij koos de naam Clemens VII (1378-1394) en vestigde zich in Avignon.

De historici oordelen verschillend over de oorzaak van het schisma. Sommigen leggen de nadruk op de `dwangpositie' waarin het eerste conclaaf had verkeerd. Anderen stellen de geldigheid van de keuze van Urbanus boven alle twijfel, vooral omdat de eerste drie weken na de verkiezing geen spoor van twijfel te vinden was geweest. Bovendien kan de geldigheid van een keuze niet afhangen van de niet-gemanifesteerde intenties van de stemgerechtigden.

Intussen zat de christelijke Kerk nu met twee pausen, waardoor de gelovigen wel in grote verwarring werden gebracht.

Het einde van de scheuring

Er werden verschillende vergeefse pogingen gedaan om het schisma ongedaan te maken. Clemens kreeg nog een opvolger: Benedictus XIII (1394-1417). In 1409 leek een oplossing in zicht te komen. Op het concilie van Pisa, waar zowel Rome als Avignon vertegenwoordigd waren, zette men beide pausen af en ging over tot de verkiezing van een nieuwe: de franciscaan Alexander V. Maar noch de paus van Rome, noch die van Avignon wilde hem erkennen en zo werd de christenheid met drie pausen opgescheept. De verwarring in de christelijke wereld was groter dan ooit. Uiteindelijk zou aan de scheuring een einde worden gemaakt op het concilie van Konstanz (1414-1418), waarvan ons een uitgebreid geïllustreerd `dagboek' is nagelaten van de hand van de ooggetuige ridder von Reichenthal. De paus van Rome trad uit vrije wil af; die van Pisa (Johannes XXIII, opvolger van Alexander V en bijeenroeper van het concilie) werd afgezet; de paus van Avignon had na zijn dood geen opvolger gekregen. Op 11 november 1417 werd Otto Colonna tot paus van Rome gekozen; hij nam de naam Martinus V (1417-1431) aan en zat vanaf het ogenblik van zijn verkiezing het concilie voor.

Als een bijzonderheid van dit concilie mag nog vermeld worden, dat daar de klachten tegen de Broeders des Gemenen Levens (de stichting van Geert Groote van Deventer) aan de orde kwamen en verworpen werden.

De pijnlijke geschiedenis van het schisma van Avignon doet ons ten overvloede inzien dat het prestige van het pausdom zeer diep gedaald was, een element dat ook bij het ontstaan van het protestantisme een rol zou spelen.

142


Herfsttij van

de middeleeuwen

Johan Huizinga gaf aan zijn bekende cultuurhistorische werk de rake titel `Herfsttij der Middeleeuwen'. Hij poogde daarin de atmosfeer te schetsen die in Europa heerste van ca.

1300 tot ca. 1500, twee eeuwen waarin duidelijk werd dat de roep om hervorming steeds scherpere vormen aannam en waarin tegen de privileges van de Kerk steeds heftiger werd geprotesteerd.

Wantoestanden

Er was een grote echtheid en eenvoud in de beleving van het geloof. De vroomheid was ontroerend en vol piëteit. Hoe langer hoe meer echter ging de uiterlijkheid een voorname plaats innemen. Van uiterlijkheid naar uitwassen was niet zo'n grote stap. De kwantitatieve uitbreiding van religieuze praktijken vervulde vele theologen met schrik. Ze stelden vast dat de tekenen of kanalen van Gods genade hoe langer hoe talrijker werden; de sacramenten werden verwaarloosd of kregen een mechanisch karakter. Dat was vooral het geval met de biecht, waar het boete-element op de achtergrond raakte en de vergeving van de zonden tot een soort

automatisme uitgroeide. Ook de eucharistieviering gaf aanleiding tot misbruiken. In de oude Kerk had de actieve deelname aan een gemeenschappelijk offer centraal gestaan. In de late middeleeuwen zag men een grote toename van privé-missen, waarvoor een stipendium (een bepaalde vergoeding) werd gevraagd. Tijdgenoten klaagden zowel over priesters die reeds een vast inkomen (bijv. uit een prebende of beneficie) hadden en zich tevreden stelden met niet meer dan vier keer per jaar het misoffer op te dragen, als over arme priesters die dit meermalen per dag deden terwille van de daaraan verbonden giften. Met het verdwijnen van de actieve deelname werd ook het communiceren weggelaten. Zo groeide de eucharistieviering uit tot een gebeuren aan het altaar, dat de gelovigen passief meemaakten en waarbij ze vaak zelfs niet aanwezig waren.



Naast de sacramenten groeiden overal ook de sacramentaliën en de zegens; men vereerde alle mogelijke relikwieën, men ging medailles

143


en scapulieren dragen (waaraan een overdreven kracht werd toegeschreven) en er werd op een overdadige wijze omgesprongen met wijwater. Voor alle gelegenheden werden gebeden en litanieën opgesteld. Bij gebrek aan authentiek geestelijk voedsel werd de volksvroomheid met allerlei surrogaten in leven gehouden. De Heilige Schrift was niet langer een rechtstreekse inspiratiebron. De innerlijke geestelijke behoefte werd veeleer gevoed door een overwoekering van devoties en praktijken die hun kiemkracht moesten ontlenen aan hevigheid van gevoelens, maar steeds verder losraakten van de eigenlijke geloofswerkelijkheid. Met de dag won de galerij van heiligen aan kleur en variëteit. Die heiligen gingen van lieverlee de plaats van Christus innemen en om de een of andere toevallige reden werden zij voorsprekers tegen allerlei ziekten en kwalen. De kruisweg, de verering van de vijf wonden, het angelusgebed - het stamt alles uit de late middeleeuwen. Nu was het niet allemaal zonder meer te veroordelen, de devotie werd zelfs door een grote oprechtheid gekenmerkt, maar er was een overwoekering waartegen onvermijdelijk protest moest komen.

De middeleeuwse mens was sterk doordrongen van de doodsgedachte. Hiervan getuigt deze `dodendans' uit 1493 (Michael Wohlgemut).



144


Protest tegen misbruiken

Nicolaas van Clémanges schreef een tractaat tegen de instelling en de viering van steeds nieuwe feesten met een apocrief karakter en hij keurde een maatregel van de bisschop van Auxerre goed die een groot aantal van deze nieuwe feestdagen van de kalender had geschrapt.

Pierre d'Ailly schreef een Latijnse studie over de broodnodige hervorming. Ook hij nam stelling tegen het steeds toenemende aantal feesten, de vieringen van heiligen, de overvloed van beelden en voorstellingen. In dat boek nam hij eveneens stelling tegen de buitengewone lengte van de officies en tegen het binnendringen van apocriefe geschriften in de liturgie. Diezelfde Pierre d'Ailly schreef bovendien tegen de toenemende tendens om het gebruik van aflaten te vermenigvuldigen. Tot het midden van de dertiende eeuw was de theorie over de aflaten nog vaag en onzeker geweest, maar kerkleraren als Thomas van Aquino zetten de leer systematisch uiteen. Volgens hen bestond ook de mogelijkheid, de aflaten toe te passen op de zielen in het vagevuur. Voor het verkrijgen van een volle aflaat werd de biecht vereist. Biecht en aflaat samen vergaven zonde en scholden straf kwijt. De misbruiken begonnen echter, toen de zogenoemde aflaatbrieven in omloop kwamen. Oorspronkelijk gaf zo'n geschreven stuk aan de bezitter het recht, zich een biechtvader te kiezen door wie men zich eenmaal in het leven en bij het sterven, na een berouwvolle biecht, kon laten absolveren. Al spoedig ontstond echter een `handel' in dergelijke aflaatbrieven. Na verloop van tijd werd tegen dergelijke misbruiken door niet weinigen geprotesteerd.

Ontstaan van een laïcistische mentaliteit

Het is niet verwonderlijk dat de uitwassen in het vroomheidsleven die te lang door de Kerk werden geduld en de sterke fiscale instelling waarvan ze blijk gaf, ook aanleiding hebben gegeven tot een anti-clericale laïcistische mentaliteit.

Tussen 1297 en 1300 verscheen een anoniem geschrift dat begint met de woorden `Antequam essent clerici' (d.w.z.: voordat er geestelijken waren). De auteur wijst er op dat men goed moet letten op het onderscheid tussen Kerk en clerus. De Kerk omvat alle gelovigen, leken zowel als geestelijken. Welnu, er is geen enkele reden waarom de geestelijken privileges zouden moeten hebben. Ze moeten niet vrijgesteld zijn van het betalen van belastingen, maar - net als alle burgers - het hunne bijdragen tot de verdediging van de staat. De

145


geldelijke bijdragen die men van de clerus vraagt (en die overigens in verhouding staan tot hun inkomsten) zijn geen afpersingen, maar een rechtvaardige bijdrage tot het algemeen welzijn van het land.

In een ander werkje uit die tijd, `Discussie tussen een geestelijke en een soldaat', wordt dezelfde stelling aangesneden en in bijna identieke termen uitgedrukt. De soldaat, die in feite de opinie van de schrijver zelf vertolkt, antwoordt er op argumenten van de geestelijke, die de opvatting van de paus weergeeft. De soldaat legt uit dat niemand het recht heeft wetten uit te vaardigen die buiten zijn bevoegdheid liggen. De Franse koning heeft geen macht in het Duitse keizerrijk. En zoals wereldlijke vorsten zich niet met geestelijke zaken moeten inlaten, zo moeten ook de geestelijken zich buiten de tijdelijke aangelegenheden houden.

Een derde tractaat, `De Vredelievende Vorst', behandelt de macht van de paus. Met allerlei argumenten wordt aangetoond dat wie zich aan de dienst van God wijdt, zich van wereldlijke bezigheden moet onthouden.

Die gelegenheidsgeschriften bewijzen duidelijk, dat de leken hoe langer hoe meer de geestelijkheid uit haar geprivilegieerde positie wilden verdringen. Op het concilie van Vienne (1311) deden bisschoppen uit alle delen van Europa er hun beklag dat de leken zich begonnen te roeren. Te midden van die langzaam rijpende mentaliteit verscheen een figuur die deze laïcistische geesteshouding tot een systeem zou maken en daardoor een bijzondere betekenis zou krijgen in de geschiedenis van Europa: Marsilius van Padua, die ook wel eens de uitvinder is genoemd van de scheiding tussen Kerk en staat.

Marsilius van Padua (ca. 1275-ca. 1343)

Hij was een zeer veelzijdig man die in Parijs, Orléans en Padua had gestudeerd en vooral bekendheid verwierf door zijn boek `Defensor Pacis' (d.w.z.: de Verdediger van de Vrede). Die verdediger van

de vrede was in zijn visie de staat. Tegenover de staat stelde hij de Kerk, als de oorzaak van alle getwist. Hij wilde niet, dat de regeringen onder de invloed van de Kerk zouden staan. Maar hij schreef vanuit wat men nu zou noemen een laïcistische mentaliteit. Hij bracht weliswaar de Heilige Schrift ter sprake, maar zonder liefde en alleen om zijn tegenstanders op hun eigen terrein te kunnen bestrijden. Daarin was hij duidelijk anders dan Dante die, niettegenstaande ook hij kritiek op de Kerk uitoefende, steeds eerbied voor haar toonde.



Marsilius, hoewel geen verdediger van de democratie in de moderne

146


zin van het woord, was een voorstander van een soort volkssouvereiniteit, maar dan gezien als leken-maatschappij. Een aantal stellingen van Marsilius, die lange tijd lijfarts van Lodewijk van Beieren is geweest, is door Johannes XXII in 1327 officieel veroordeeld.

Het boek, dat in het Latijn geschreven was, werd reeds in 1330 in het Frans vertaald; in 1363 vanuit het Frans in het Italiaans. Later kwamen er ook uitgaven in Engeland en in Duitsland. Naast de volkssouvereiniteit verdedigde Marsilius de suprematie van de keizer tegen de inmenging van de Kerk en de superioriteit van een concilie boven de paus. Zo zou het boek ook op het ontstaan van de reformatie, met name in het Duitse rijk, zijn invloed uitoefenen.

De moderne devotie

Een periode van verval is nooit geheel zonder een lichtpunt. De veertiende en vijftiende eeuw waren duister en dreigend voor het kerkelijk leven; de vroomheidsbeweging kende uitwassen; geloofsonderricht en zielzorg werden verwaarloosd; een degelijke priesteropleiding bestond er eigenlijk niet; in vele gevallen genoten de bisschoppen de inkomsten van meer dan één beneficie; ketterse sekten waren nauwelijks te onderscheiden van hervormingsbewegingen die allerwegen de kop opstaken; in vele kloosterorden trof men naast observanten-communiteiten (groepen die wel de strenge kloosterregel navolgden) ook gemeenschappen van niet-observanten aan; de pausen zelf droegen door hun verblijf in Avignon en door het westerse schisma nog tot de verwarring bij. In die sombere tijd die men niet ten onrechte `het herfsttij der middeleeuwen' heeft genoemd, ontstond niettemin een hoopgevende beweging die bekend staat onder de naam `moderne devotie'.

Geert Groote (1340-1384)

Zoals in de middeleeuwen wel vaker voorkwam kreeg hij, als begaafde student, een veelzijdige opleiding. In Parijs studeerde hij

147


wijsbegeerte, geneeskunde, rechten en theologie. Na een korte tijd in Keulen, Aken en Utrecht gewoond te hebben, vestigde hij zich rond zijn dertigste jaar in zijn geboorteplaats Deventer. Hij had toen reeds een bewogen innerlijke strijd achter de rug. Er was een periode geweest dat hij naar eer en aanzien had gedongen en er op uit was geweest allerlei inkomsten te bemachtigen. In Deventer voltrok zich een beslissende ommekeer in zijn leven. Een ernstige ziekte bracht hem ertoe, zichzelf vragen te stellen. Op zijn 35e jaar nam hij zijn intrek in het karthuizerklooster van Monnikhuizen (bij Arnhem), waar een oud-studiegenoot van hem uit Parijs prior was. Het lag niet in zijn bedoeling monnik te worden, maar hij wilde de nodige tijd nemen om helderheid te krijgen over zijn eigen situatie.

Waar ging het in het leven om? Wat waren de echte waarden? Wat was in het menselijk bestaan essentieel en wat was bijkomstig? Langzamerhand ontstond bij hem een levenshouding die zou uitgroeien tot een beweging, een stroming van levensverdieping en geloofsverdieping, een vernieuwde innerlijkheid.



Als reactie op het in zijn tijd zo gebruikelijke jagen op kerkelijke inkomsten begon hij zich in te spannen om de mensen attent te maken op het belang van het innerlijk leven, waarbij de Heer Jezus als voorbeeld werd genomen: `De wortel van uw studie en de spiegel van uw leven zij allereerst het evangelie van Christus...'. Het kwam er niet zozeer op aan uiterlijk de drie traditionele geloften af te leggen, maar wel evangelisch te leven.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22

  • Reacties op de pauselijke financiële politiek
  • Discussies rond het armoedeprobleem
  • Het grote westerse schisma
  • Het einde van de scheuring
  • Herfsttij van de middeleeuwen
  • Protest tegen misbruiken
  • Ontstaan van een laïcistische mentaliteit
  • Marsilius van Padua (ca. 1275-ca. 1343)
  • Geert Groote (1340-1384)

  • Dovnload 1.01 Mb.