Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Judit nebukadnessars gezag uitgedaagd en bevestigd 1

Dovnload 91.95 Kb.

Judit nebukadnessars gezag uitgedaagd en bevestigd 1



Datum04.06.2018
Grootte91.95 Kb.

Dovnload 91.95 Kb.


JUDIT
Nebukadnessars gezag uitgedaagd en bevestigd

1: 1 Deze geschiedenis begint in het twaalfde jaar van het koningschap van Nebukadnessar, die in de grote stad Nineve regeerde over de Assyriërs, in dezelfde tijd dat Arpachsad in Ekbatana regeerde over de Meden. 2 Deze Arpachsad had rond Ekbatana een muur opgetrokken van gehouwen stenen, die drie el breed en zes el lang waren. Zeventig el hoog had hij hem laten maken en vijftig el breed, 3 en naast de poorten had hij torens van honderd el laten zetten, op fundamenten van zestig el breed. 4 De poorten zelf waren maar liefst zeventig el hoog en veertig el breed, met het oog op het uitrukken van het keurkorps van helden en het opstellen van zijn voetvolk.

5 In dat jaar bond koning Nebukadnessar de strijd aan met koning Arpachsad in de grote vlakte die in het gebied van Ragau ligt. 6 Alle bewoners van het bergland sloten zich bij hem aan, evenals degenen die aan de Eufraat, de Tigris en de Hydaspes woonden, en de bewoners van de vlakte waarover Arjoch, de koning van de Elymeeërs, heerste. Zo stelden vele volken zich met de Cheleüdieten op voor de strijd.

7 Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, stuurde gezanten naar de inwoners van Perzië en naar iedereen die in het westen woonde: de bevolking van Cilicië, Damascus, de Libanon en de Anti-Libanon en alle bewoners van de kuststreek, 8 de bevolking van de Karmel, van Gilead, Boven-Galilea en de grote vlakte van Esdrelon, 9 de mensen in Samaria en de steden daar, de bewoners van het gebied aan de overkant van de Jordaan tot aan Jeruzalem, Batane, Chelus, Kades en de rivier van Egypte, de bevolking van Dafne, Rameses en het hele land Gosen 10 tot voorbij Tanis en Memfis, en alle inwoners van Egypte tot aan de grens met Ethiopië. 11 Maar de bevolking van dat hele gebied lachte om de oproep van Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, om met hem ten strijde te trekken, want ze hadden geen ontzag voor hem: ze beschouwden hem als een gewoon mens. Ze stuurden zijn gezanten met lege handen terug, overladen met schande. 12 Toen ontstak Nebukadnessar in hevige woede tegen die volken. Hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk zich op het hele gebied van Cilicië, Damascus en Syrië te zullen wreken, en alle inwoners van Moab en Ammon en van heel Judea en Egypte tot aan het gebied van de twee zeeën uit te roeien.

13 In het zeventiende jaar van zijn regering trok hij met zijn leger ten strijde tegen koning Arpachsad en behaalde de overwinning. Hij sloeg het hele leger van Arpachsad en al zijn ruiters en zijn strijdwagens uiteen. 14 Hij nam zijn steden in bezit en stootte door tot Ekbatana, waar hij de torens veroverde en de straten plunderde; zo maakte hij dit sieraad tot een voorwerp van spot. 15 Arpachsad zelf nam hij gevangen in de bergen van Ragau; hij doodde hem met zijn speer en maakte zo voorgoed een einde aan zijn heerschappij. 16 Daarna keerde hij met al zijn troepen, een onafzienbare legermacht, terug naar Nineve, waar hij zich met zijn leger overgaf aan uitbundige feesten, honderdtwintig dagen lang.


Nebukadnessars wraak

2: 1 In het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag van de eerste maand, werd in het paleis van Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, het bevel uitgevaardigd dat er wraak genomen moest worden op de hele wereld, zoals hij aangekondigd had.2 Hij riep al zijn dienaren en zijn edelen bijeen en bracht hen van zijn geheime besluit op de hoogte: hij sprak het vonnis uit dat hij over de hele wereld had geveld. 3 Zij deelden zijn opvatting dat iedereen die geen gevolg had gegeven aan zijn oproep, uitgeroeid moest worden.

4 Nadat Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, zijn besluit bekrachtigd had, ontbood hij Holofernes, de opperbevelhebber van zijn leger en tweede man in zijn rijk. Hij zei tegen hem: 5 ‘Dit zegt de grote koning, de heer van de hele aarde: Trek weg van hier, en neem ervaren soldaten met u mee, honderdtwintigduizend man voetvolk en twaalfduizend ruiters met hun paarden. 6 Trek op tegen de volken in het westen, want ze hebben aan mijn oproep geen gehoor gegeven. 7 Zeg hun uit mijn naam dat ze ten teken van overgave aarde en water gereedmaken, want in mijn woede zal ik tegen hen optrekken en met mijn legermacht heel hun gebied onder de voet lopen en plunderen. 8 Ravijnen en bergstromen zullen zich met hun gewonden vullen, rivieren boordevol doden buiten hun oevers treden, 9 en de gevangenen zal ik wegvoeren naar de uiteinden van de aarde. 10 Trek eropuit en bezet hun hele gebied voor mij. Degenen die zich aan u overgeven, moet u sparen tot de dag komt dat ik hen zal straffen. 11 Maar degenen die zich blijven verzetten, mag u niet ontzien: u moet hen in het hele gebied prijsgeven aan dood en plundering. 12 Zo waar ik leef en bij de macht van mijn koningschap: ik heb gesproken en ik zal het ten uitvoer brengen. 13 Wat u aangaat: laat niets na van hetgeen uw heer u geboden heeft, maar voer alles volledig en zonder aarzelen uit zoals ik heb bevolen.’

14 Holofernes verliet het hof van zijn heer. Hij riep alle vorsten, veldheren en oversten van het Assyrische leger bijeen,15 rekruteerde overeenkomstig het bevel van zijn heer honderdtwintigduizend man voor zijn keurtroepen en twaalfduizend boogschutters te paard, 16 en stelde hen op zoals dat bij een grote strijdmacht gebruikelijk is. 17 Voor het vervoer van hun uitrusting zette hij een zeer groot aantal kamelen, ezels en muilezels in. Verder nam hij ontelbare schapen, runderen en geiten mee om alle soldaten te voeden, 18 naast een grote hoeveelheid andere proviand en zeer veel goud en zilver uit het koninklijk paleis. 19 Toen trok Holofernes aan het hoofd van zijn legermacht op om, voor koning Nebukadnessar uit, het hele westelijke gebied te bedelven onder zijn strijdwagens, zijn ruiters en zijn beste voetvolk. 20 Er trok een ongeregelde menigte met hen mee, zo talrijk als een zwerm sprinkhanen en als zandkorrels op de aarde, een menigte die niet te tellen was.

21 Vanuit Nineve trokken ze drie dagmarsen in de richting van de vlakte van Bektilet. Op enige afstand van Bektilet legerden ze zich bij het gebergte ten noorden van Boven-Cilicië. 22 Van daar trok hij met zijn hele legermacht – voetvolk, ruiters en strijdwagens – het gebergte in. 23 Hij brak door de gelederen van Libië en Lydië en plunderde alle Rassieten en Ismaëlieten die aan de rand van de woestijn ten zuiden van Cheleon woonden. 24 Daarna stak hij de Eufraat over, trok door Mesopotamië en maakte alle versterkte steden aan de rivier de Abrona tot aan zee met de grond gelijk. 25 Hij bezette het gebied van Cilicië, slachtte iedereen die verzet bood af en trok verder tot aan het gebied van Jafet in het zuiden, aan de grens met Arabië. 26 Hij omsingelde de Midjanieten, stak hun tenten in brand en plunderde hun schaapskooien. 27 Daarna daalde hij af naar de vlakte van Damascus, ten tijde van de tarweoogst. Hij liet daar alle akkers platbranden en de veestapel vernietigen. Hij plunderde de steden, verwoestte de velden en bracht alle jongemannen om.


28 Angst en ontzetting maakten zich meester van de bewoners van de kuststreek: de hele bevolking van Sidon en Tyrus, van Sur, Okina en Jemnaä, van Azotus en Askelon verkeerde in doodsangst voor Holofernes.

3: 1 Ze stuurden gezanten naar hem toe met deze vredegroet: 2 ‘Wij, dienaren van Nebukadnessar, de grote koning, liggen hier in onderwerping voor u. Doe met ons zoals het u behaagt. 3 Onze nederzettingen, al onze dorpen, onze korenvelden, onze veestapel, de schaapskooien bij onze tenten, dat alles is u onderworpen. Doe ermee wat u wilt. 4 Onze steden en hun inwoners staan tot uw beschikking. Kom er uw intocht houden zoals het u behaagt.’ 5 Bij Holofernes aangekomen brachten de mannen hem deze woorden over.

6 Daarop trok hij met zijn leger naar de kuststreek. Hij bezette de versterkte steden en lijfde er dappere strijders bij zijn hulptroepen in. 7 Hij werd daar en in de wijde omtrek onthaald met kransen, dans en tromgeroffel. 8 Hij haalde hun grensstenen omver en velde de bossen die aan hun goden gewijd waren, want hem was de macht verleend alle inheemse goden te vernietigen, opdat alle volken alleen Nebukadnessar zouden dienen en alle mensen hem als god zouden aanroepen.

9 Holofernes trok verder naar Esdrelon, nabij Dotea, aan de voet van de grote bergketen van Judea. 10 Hij legerde zich tussen Gebe en Skythopolis en bleef daar een maand lang om de hele uitrusting van zijn leger in orde te brengen.
Alarm in Judea en Jeruzalem

4: 1 De Israëlieten die in Judea woonden, hoorden wat Holofernes, de opperbevelhebber van Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, de andere volken had aangedaan, en hoe hij al hun heilige plaatsen had geplunderd en aan de vernietiging had prijsgegeven. 2 Ze werden door grote angst voor hem bevangen en maakten zich ernstig zorgen over Jeruzalem en de tempel van de Heer, hun God. 3 Want het was nog maar kort geleden dat ze uit de ballingschap waren teruggekeerd en dat het hele volk van Judea was herenigd. Het tempelgerei, het altaar en de tempel zelf, die ontheiligd waren geweest, waren pas onlangs opnieuw gewijd.

4 Daarom stuurden ze gezanten naar het gebied van Samaria, naar Kona, Bet-Choron, Belmaïn en Jericho, naar Choba, Esora en het dal van Salem. 5 Onmiddellijk werden alle hoge bergtoppen bezet en de bergdorpen ommuurd; ter voorbereiding op een belegering werden voedselvoorraden aangelegd. Kort tevoren was de oogst binnengehaald.

6 Jojakim, die in die tijd hogepriester in Jeruzalem was, schreef een brief aan de inwoners van Betulia en Betomestaïm, dat aan de andere kant van de vlakte van Dotan ligt, tegenover Esdrelon, 7 met de opdracht de bergpassen te bezetten. Die vormden de toegang tot Judea, en omdat elke pas zo nauw was dat er hoogstens twee man tegelijk door konden, zou het eenvoudig zijn de vijand de toegang te beletten. 8 De Israëlieten deden wat hun werd opgedragen door de hogepriester Jojakim en de raad van oudsten van heel het volk van Israël, die in Jeruzalem zetelde.

9 Alle Israëlieten riepen onophoudelijk God aan en deden boete door volhardend te vasten. 10 Mannen en vrouwen, hun kinderen en hun vee, de vreemdelingen, de dagloners en de slaven, allen hulden zich in een boetekleed. 11 Ook alle Israëlitische mannen, vrouwen en kinderen die in Jeruzalem woonden, wierpen zich voor de tempel ter aarde en gooiden stof over hun hoofd. Ze spreidden ten overstaan van de Heer hun boetekleed uit; 12 ook bedekten ze het altaar met een boetekleed. Als uit één mond riepen ze onophoudelijk de God van Israël aan, dat hij toch zou verhinderen dat hun kinderen zouden worden geroofd en hun vrouwen buitgemaakt, dat de steden die hun toebehoorden zouden worden verwoest en het heiligdom ontwijd, prijsgegeven aan de spot en hoon van de andere volken. 13 En de Heer hoorde hun gebed en zag hun nood.

De hele bevolking van Judea en Jeruzalem vastte dagenlang voor het heiligdom van de almachtige Heer. 14 De hogepriester Jojakim en alle dienstdoende priesters en tempeldienaars van de Heer droegen, gehuld in een boetekleed, al die tijd het dagelijks brandoffer op, evenals de gelofteoffers en de vrijwillige gaven van het volk, 15 en met stof op hun tulband riepen ze uit alle macht de Heer aan, dat hij zich toch het lot van heel het volk van Israël zou aantrekken.
Rumoer rond Achior

5: 1 Aan Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger, werd gemeld dat de Israëlieten zich op een aanval hadden voorbereid: ze hadden de bergpassen afgesloten, versterkingen aangebracht op alle hoge bergtoppen en in de vlakten hindernissen opgeworpen. 2 Holofernes raakte buiten zichzelf van woede. Hij ontbood alle leiders van Moab, de veldheren van Ammon en alle satrapen van het kustgebied 3 en zei tegen hen: ‘Mannen van Kanaän, vertel mij, wat is dat voor een volk daar in de bergen? In wat voor steden wonen ze? Hoe groot is hun leger? Waarop berust hun kracht en macht? Wie is hun koning, wie voert hun leger aan? 4 En hoe wagen ze het mij niet te ontvangen zoals alle andere bewoners van het westen?’

5 Toen nam Achior, de aanvoerder van de Ammonieten, het woord: ‘Heer, sta uw dienaar toe iets te zeggen. Laat mij u naar waarheid inlichten over het volk dat niet ver van hier in de bergen woont; geen leugen zal over mijn lippen komen.

6 Het zijn afstammelingen van de Chaldeeën, 7 maar ze komen uit Mesopotamië, waar ze indertijd als vreemdelingen hebben gewoond omdat ze geen volgelingen wilden zijn van de goden van hun voorouders in het land van de Chaldeeën. 8 Ze weken af van de weg van hun voorouders en aanbaden de God van de hemel, de God die ze waren gaan erkennen. Daarom werden ze door de Chaldeeën verdreven, bij hun goden vandaan; ze vluchtten naar Mesopotamië en woonden daar lange tijd als vreemdelingen. 9 Toen gaf hun God opdracht uit het vreemde land te vertrekken en naar Kanaän te gaan. Daar vestigden ze zich en verwierven veel goud en zilver en zeer veel vee. 10 Maar toen Kanaän gebukt ging onder een zware hongersnood, trokken ze weg naar Egypte, waar ze als vreemdelingen woonden zolang ze daar te eten hadden. Ze breidden zich uit tot een volk dat niet meer te tellen was. 11 Daarom keerde de koning van Egypte zich tegen hen en trof een sluwe maatregel: hij liet hen dwangarbeid verrichten in steenbakkerijen; zo werden ze vernederd en tot slaven gemaakt. 12 Toen riepen ze hun God om hulp, en die trof heel Egypte met plagen waartegen niets bestand was; daarom verdreven de Egyptenaren hen uit hun land.13 Diezelfde God legde voor hen de Rode Zee droog 14 en leidde hen naar de Sinai en Kades-Barnea. Ze verdreven alle woestijnbewoners 15 en gingen in het land van de Amorieten wonen. Ook roeiden ze, machtig als ze waren, alle Chesbonieten uit. En na de Jordaan te zijn overgestoken, namen ze het hele bergland in bezit 16 en verdreven de Kanaänieten, Perizzieten, Jebusieten, Sichemieten en Girgasieten uit dat land, om zich er voor lange tijd te vestigen. 17 Zolang ze niet zondigden tegen hun God was het geluk met hen, want ze worden bijgestaan door een God die onrecht verafschuwt. 18 Maar toen ze de weg verlieten die hij voor hen had bepaald, werden ze in tal van oorlogen verpletterend verslagen en ten slotte in ballingschap weggevoerd naar een vreemd land. De tempel van hun God werd tot de grond toe afgebroken en hun steden werden door hun vijanden ingenomen. 19 Maar ze zijn naar hun God teruggekeerd en nu zijn ze uit hun ballingsoord teruggekomen. Ze hebben Jeruzalem, waar hun heiligdom is, in bezit genomen en zich weer gevestigd in het bergland dat ze verlaten hadden.

20 Welnu, machtige heer, als dit volk dwaasheden begaat en zondigt tegen zijn God, dan zullen wij zorgen dat zij daardoor ten val komen: wij zullen tegen hen optrekken en strijd voeren. 21 Maar als ze de wet van hun God niet overtreden, laat hen dan met rust, heer, anders zal hun Heer en God hen beschermen en ons tot een mikpunt van spot voor de hele wereld maken.’

22 Toen Achior uitgesproken was, begon iedereen rond de tent te protesteren, en Holofernes’ edelen en de bewoners van het kustgebied en van Moab riepen dat hij een afranseling verdiende. 23 ‘Wij laten ons toch geen angst aanjagen door die Israëlieten? Zij missen toch ten enenmale de kracht voor een veldslag? 24 Daarom: eropaf! Ze zullen voor uw leger een makkelijke prooi zijn, machtige Holofernes!’
6: 1 Toen het rumoer onder de mannen in de vergadering verstomd was, richtte Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger, zich ten overstaan van alle vreemdelingen en van de Moabieten tot Achior: 2 ‘Wie denk je wel dat je bent, Achior met je huurlingen van Efraïm, dat je zoals vandaag bij ons de profeet komt spelen? Denk jij ons te kunnen vertellen dat wij geen oorlog moeten beginnen tegen het volk van Israël omdat hun God hen beschermt? Alleen Nebukadnessar is god. Híj zal zijn macht doen gelden en hen van de aardbodem wegvagen. Hun God zal hen niet kunnen redden. 3 Integendeel, wij, dienaren van Nebukadnessar, zullen hen in één klap verpletteren. Tegen de macht van onze paarden zullen ze niet bestand zijn, 4 want als een vloedgolf zullen die hen overspoelen. Hun bergen zullen dronken worden van hun bloed, hun vlakten zullen bezaaid worden met hun doden. Ze zullen ons geen strobreed in de weg kunnen leggen, maar jammerlijk ten onder gaan – zo spreekt koning Nebukadnessar, de heer van de hele aarde. Hij heeft gesproken, en zijn woorden zullen geen loze woorden zijn.

5 Maar jij, Achior, Ammonitische huurling, hebt vandaag door zo te spreken je vonnis getekend: je zult mij niet meer zien van deze dag af totdat ik me gewroken heb op dat volk uit Egypte, 6 en bij mijn terugkeer zul je door het zwaard van mijn soldaten en door de lans van mijn dienaren worden doorboord, en dan zal ook jij tot hun slachtoffers gerekend worden. 7 Mijn mannen brengen je nu naar het bergland en laten je bij een van de steden aan een bergpas achter. 8 Je zult gespaard blijven totdat je met de mensen daar wordt omgebracht. 9 En mocht je nog de hoop koesteren dat zij niet in onze handen zullen vallen, laat dan het hoofd niet hangen. Maar ik heb gesproken, en alles wat ik heb gezegd zal uitkomen.’

10 Daarop gaf Holofernes de mannen bij zijn tent bevel om Achior gevangen te nemen en naar Betulia te brengen om hem aan de Israëlieten uit te leveren. 11 Ze namen hem gevangen en brachten hem vanuit de legerplaats naar de vlakte en van daar naar het bergland, tot ze bij de bronnen onder Betulia kwamen. 12 Zodra de mannen van de hoger gelegen stad hen zagen, grepen ze hun wapens en gingen de stad uit naar de top van de berg. Slingeraars beletten Holofernes’ mannen naar boven te komen door stenen naar hen te werpen. 13 De Assyriërs zochten dekking aan de voet van de berg en knevelden Achior. Ze lieten hem daar liggen en keerden terug naar hun heer.

14 Toen de Israëlieten uit de stad afdaalden en bij Achior waren gekomen, maakten ze hem los en namen hem mee naar Betulia. Ze leidden hem voor aan de toenmalige stadsbestuurders: 15 Ozias, de zoon van Micha, uit de stam Simeon, Chabris, de zoon van Gotoniël, en Karmi, de zoon van Melchiël. 16 Die riepen alle oudere mannen van de stad bijeen, en ook alle jongemannen en de vrouwen kwamen naar de vergadering. Nadat ze Achior in het midden van het verzamelde volk hadden gezet, ondervroeg Ozias hem over wat er gebeurd was. 17 Daarop vertelde hij wat er allemaal in de vergadering bij Holofernes was gezegd, over wat hij zelf had gezegd ten overstaan van de Assyrische leiders, en over Holofernes’ grootspraak ten aanzien van het volk van Israël. 18 Toen boog het volk zich eerbiedig neer en bad tot God: 19 ‘Heer, God van de hemel, zie toch hun hoogmoed en ontferm u over ons, nu wij zo vernederd worden. Sla nu acht op degenen die u toegewijd zijn.’ 20 Ze spraken Achior moed in en prezen hem zeer. 21 Na de vergadering nam Ozias hem mee naar zijn huis, waar hij de oudsten een maaltijd aanbood. En de hele nacht riepen ze de God van Israël om hulp.


Betulia in het nauw

7: 1 De volgende morgen gaf Holofernes aan heel zijn leger en al het volk dat hem in de strijd vergezelde het bevel om naar Betulia op te trekken, de bergpassen te bezetten en de strijd aan te binden met de Israëlieten. 2 Diezelfde dag nog braken alle manschappen op; ze vormden een troepenmacht van honderdzeventigduizend man voetvolk en twaalfduizend ruiters, nog afgezien van de legertros en de overige mannen die te voet met hen meetrokken – een enorme menigte. 3 Ze betrokken stellingen in het dal, vlak bij Betulia, bij de bron; hun linies strekten zich in de breedte uit van Dotan tot Belbaïm en in de lengte van Betulia tot Kyamon, dat tegenover Esdrelon ligt. 4 Toen de Israëlieten die menigte zagen, waren ze hevig verontrust en zeiden tegen elkaar: ‘Ze komen het hele land afstropen; bergtoppen, ravijnen en heuvels zullen onder hun druk bezwijken.’5 Ze gordden hun wapens aan, ontstaken vuren op de torens en bleven de hele nacht de wacht houden.

6 De volgende dag liet Holofernes voor het oog van de Israëlieten in Betulia heel zijn ruitermacht uitrukken. 7 Hij inspecteerde de toegangswegen naar de stad en maakte een ronde langs de waterbronnen. Hij bezette ze en plaatste er wachtposten; daarna reed hij terug naar zijn troepen. 8 Toen kwamen alle leiders van de Edomieten, de aanvoerders van de Moabieten en de veldheren van het kustgebied bij hem en zeiden: 9 ‘Heer, sta ons toe u iets te zeggen om te voorkomen dat er een bres wordt geslagen in uw leger. 10 Dat volk, de Israëlieten, vertrouwt niet op zijn speren maar op de hoogte van de bergen waar ze wonen, want het is niet eenvoudig de bergtoppen te bereiken. 11 Welnu, heer, voer geen oorlog tegen hen als in een gebruikelijke veldslag, dan zal er aan uw kant geen man vallen. 12 Blijf in uw legerkamp en zorg dat ook uw manschappen daar blijven. Maar laat uw dienaren de waterbron bezetten die aan de voet van de berg ontspringt, 13 want daar putten de inwoners van Betulia hun water; dan zullen ze omkomen van de dorst en hun stad overgeven. Intussen zullen wij met onze mannen stellingen innemen op de bergtoppen rondom, om erop toe te zien dat niemand de stad verlaat. 14 Ze zullen van honger sterven, zijzelf, hun vrouwen en hun kinderen; nog voor het zwaard hen treft, liggen de straten van hun stad bezaaid met hun lichamen. 15 Zo zult u hen zwaar laten boeten omdat zij zich verzet hebben en u niet vreedzaam hebben ontvangen.’16 Hun voorstel beviel Holofernes en zijn gevolg, en hij gaf bevel het uit te voeren. 17 En zo trok een afdeling Ammonieten uit, samen met vijfduizend Assyriërs. Ze betrokken stellingen in het dal en bezetten de bronnen die de Israëlieten van water voorzagen. 18 De Edomieten trokken intussen met de overige Ammonieten de bergen in en kozen stelling in het gebergte tegenover Dotan; een aantal van hen werd naar het zuiden en naar het oosten gestuurd om stellingen in te nemen tegenover Egrebel, nabij Chus bij de bergrivier de Mochmur. De rest van het Assyrische leger betrok stellingen in de vlakte. Een onafzienbare troepenmacht met tenten en uitrusting vulde het hele gebied; het was een enorme menigte.

19 De Israëlieten riepen de Heer, hun God, aan, want ze begonnen de moed te verliezen: ze waren omsingeld door al hun vijanden en hadden geen kans om aan hen te ontkomen. 20 Vierendertig dagen hield het hele Assyrische leger met al zijn voetvolk, strijdwagens en ruiters hen in zijn greep. De watervaten van de inwoners van Betulia raakten leeg 21 en ook hun regenputten kwamen droog te staan. Er was geen dag dat ze naar behoefte water konden drinken, want ze waren op rantsoen gesteld. 22 Kinderen kwijnden weg, vrouwen en jongemannen raakten uitgeput van de dorst, en aan het eind van hun krachten bezweken ze in de straten van de stad en in de poorten.

23 Toen kwam het volk – jongemannen, vrouwen en kinderen – samen bij Ozias en de andere stadsbestuurders, en ze riepen de oudsten luidkeels toe: 24 ‘Laat God nu maar oordelen tussen u en ons, want u hebt ons groot onrecht aangedaan door te weigeren met de Assyriërs over vrede te spreken. 25 Er is niemand die ons helpt, integendeel, God heeft ons aan hen uitgeleverd: we vergaan voor hun ogen, we komen om van de dorst. 26 Buig maar voor hen en geef de stad over; laat Holofernes’ leger de stad maar buitmaken, 27 want we zijn beter af wanneer we geplunderd worden. Dan worden we wel slaven, maar we blijven tenminste in leven en hoeven niet te zien hoe onze kleintjes sterven, hoe onze vrouwen en kinderen omkomen. 28 De hemel en de aarde zijn onze getuigen en onze God, de Heer van onze voorouders, die ons straft voor onze zonden en voor die van onze voorouders – moge hij ons dat nu besparen.’ 29 Als uit één mond steeg een grote jammerklacht op uit de kring van allen die daar waren samengekomen en ze riepen met luide stem de Heer, hun God, aan. 30 Ozias zei tegen hen: ‘Houd moed, broeders en zusters, laten we het nog vijf dagen volhouden. In die tijd zal de Heer, onze God, zich wel over ons ontfermen, want hij zal ons niet voor altijd verlaten. 31 Maar mocht die tijd verstrijken zonder dat er hulp komt, dan zal ik doen wat u vraagt.’ 32 Daarna stuurde hij de mannen weg, ieder naar zijn post, en ze gingen terug naar de muren en torens van de stad; de vrouwen en kinderen werden naar huis gestuurd. In heel de stad heerste grote verslagenheid.


Betulia’s bestuurders door Judit terechtgewezen

8: 1 Dit kwam Judit ter ore. Judit was een dochter van Merari, die een zoon was van Ox, de zoon van Josef, de zoon van Uzziël, de zoon van Helkia, de zoon van Ananias, de zoon van Gideon, de zoon van Rafaïn, de zoon van Akiton, de zoon van Elia, de zoon van Chilkia, de zoon van Eliab, de zoon van Natanaël, de zoon van Salamiël, de zoon van Sarasadai, de zoon van Israël. 2 Haar man Manasse, die uit dezelfde stam en familie afkomstig was, leefde niet meer. Terwijl hij bij de gersteoogst 3 toezicht hield op de schovenbinders in de vlakte, was hij getroffen door een zonnesteek. Hij stierf na een ziekbed in zijn woonplaats Betulia en werd begraven bij zijn voorouders op het veld tussen Dotan en Balamon. 4 Sindsdien leefde Judit als weduwe alleen, nu al drie jaar en vier maanden. 5 Op het dak van haar huis had ze voor zichzelf een tent gemaakt. Ze ging als weduwe gekleed en droeg een rouwkleed om haar middel. 6 Sinds de dood van haar man vastte ze iedere dag, behalve op sabbat en de dag daarvoor, daags vóór en op nieuwemaan en tijdens de feest- en hoogtijdagen die door het volk van Israël werden gevierd. 7 Zij was een opvallend mooie vrouw, een elegante verschijning. Haar man Manasse had haar goud en zilver nagelaten, slaven en slavinnen, vee en akkers, waarover zij het beheer op zich nam. 8 Niemand had iets op haar aan te merken, want ze leefde in groot ontzag voor God.

9 Toen Judit vernam wat het volk, door watergebrek moedeloos geworden, tegen de stadsbestuurder had durven zeggen, en wat Ozias allemaal had geantwoord en hoe hij hun had gezworen de stad na vijf dagen over te geven aan de Assyriërs, 10 liet ze de stadsoudsten Ozias, Chabris en Karmi roepen door de slavin die de zorg had voor haar bezittingen. 11 Toen zij bij haar waren gekomen, zei ze tegen hen: ‘Bestuurders van Betulia, ik heb u iets te zeggen. Het was niet goed wat u vandaag tegen het volk hebt gezegd en met een eed tegenover God hebt bekrachtigd: dat u de stad overgeeft aan onze vijanden als de Heer ons niet binnen vijf dagen te hulp komt. 12 Wie bent u wel dat u God vandaag zo op de proef hebt durven stellen en u als mensen verheft boven God? 13 U tracht de almachtige Heer te doorgronden, maar nooit zult u iets te weten komen. 14 U kunt niet eens de diepte van een mensenhart peilen of bevatten wat er omgaat in zijn geest. Hoe zou u dan God, de maker van dat alles, doorzien of inzicht hebben in zijn geest en zijn gedachten begrijpen? Nee, broeders, u moet de woede van de Heer, onze God, niet opwekken. 15 Ook als hij weigert ons binnen die vijf dagen te helpen, is hij wel bij machte ons op zijn tijd te hulp te komen óf ons voor de ogen van onze vijanden te vernietigen. 16 Maar het is niet aan u om vooruit te lopen op de besluiten van de Heer, onze God. Want God laat zich niet als een mens onder druk zetten, hij laat zich niet dwingen. 17 Laten we daarom, in de verwachting dat hij ons zal redden, tot hem om hulp roepen. Als het hem behaagt, zal hij ons verhoren.

18 Tot op de dag van vandaag is het bij ons toch niet voorgekomen dat een stam of familie, in welke stad of landstreek ook, zelfgemaakte goden heeft aanbeden, zoals dat in vroeger dagen gebeurde? 19 Om die reden zijn onze voorouders toen prijsgegeven aan dood en plundering en smadelijk ten onder gegaan voor de ogen van onze vijand. 20 Maar wij erkennen geen andere god dan hem. Daarom mogen we verwachten dat hij ons en ons volk niet over het hoofd ziet.

21 Als wij in handen van de vijand vallen, wordt heel Judea in onze val meegesleept. Dan wordt ons heiligdom geplunderd; voor die ontheiliging zal God ons verantwoordelijk houden. 22 Ook zal hij, wanneer wij eenmaal als slaven onder vreemde volken leven, het ons aanrekenen dat onze volksgenoten zijn gedood, dat we in ballingschap zijn weggevoerd en ons land verloren hebben; dan worden we het mikpunt van de spot en hoon van onze meesters. 23 Want op onze slavernij zal dan geen verlossing volgen, maar de Heer, onze God, zal ons aan onze schande overlaten. 24 Daarom, broeders, laten we onze volksgenoten tonen wat we waard zijn, want hun leven hangt van ons af, evenals het lot van de heilige stad, de tempel en het altaar. 25 Maar laten wij bovenal de Heer, onze God, danken, die ons op de proef stelt zoals hij dat met onze voorouders heeft gedaan. 26 Bedenk toch hoe hij heeft gehandeld met Abraham en hoe hij Isaak op de proef heeft gesteld, en wat Jakob overkwam in Syrisch Mesopotamië toen hij de schapen van zijn oom Laban weidde. 27 Want zoals hij hen als in vuur louterde om hun hart te doorgronden, zo is het hem er ook nu niet om begonnen ons te straffen: de Heer slaat zijn dienaren om hen aan te sporen.’

28 Daarop zei Ozias tegen haar: ‘Alles wat u hebt gezegd getuigt van een zuiver hart, en niemand zal het tegenspreken.29 Het is niet voor het eerst dat u blijk geeft van uw wijsheid; al sinds uw vroegste jeugd staat u bekend om uw inzicht, en alles wat u uitdenkt is goed. 30 Maar het volk lijdt zo’n hevige dorst dat het ons een belofte heeft afgedwongen, een eed die wij niet kunnen breken. 31 Daarom, u als vrome vrouw, bid voor ons, dat de Heer regen zendt om onze putten te vullen, zodat we in leven blijven.’ 32 Judit antwoordde: ‘Luister. Ik ga iets doen dat tot in lengte van dagen in de herinnering van ons volk zal blijven voortleven. 33 U moet vannacht bij de poort staan, dan zal ik met mijn slavin de stad uit gaan. Voor de dagen zijn verstreken dat u volgens uw belofte de stad aan onze vijanden zult overgeven, zal de Heer zich door mijn toedoen over Israël ontfermen. 34 Vraag niet verder wát ik ga doen, want ik zal het u pas zeggen wanneer ik het uitgevoerd heb.’ 35 Toen zeiden Ozias en de andere stadsbestuurders tegen haar: ‘Ga in vrede. Moge de Heer, onze God, voor u uit gaan om zich te wreken op onze vijanden.’ 36 Daarna verlieten ze de tent en keerden terug naar hun post.
Judits gebed

9: 1 Judit boog zich neer, wierp stof over haar hoofd en ontkleedde zich tot op het rouwkleed dat ze droeg. En op hetzelfde moment dat in Jeruzalem in het huis van God het reukoffer van die avond werd opgedragen, begon Judit met luide stem de Heer aan te roepen: 2 ‘Heer, God van mijn stamvader Simeon. Hem hebt u een zwaard in de hand gegeven om de vreemdelingen te straffen die de schoot van een maagd hadden geopend om haar te bezoedelen, haar dijen ontbloot om haar te onteren, haar schoot tot haar schande geschonden. Want ofschoon u gezegd had dat iets dergelijks niet mag, deden zij het toch. 3 Daarom hebt u hun leiders prijsgegeven aan de dood, en het bed dat zich schaamde voor hun verleiding maar nu zelf werd misleid, met bloed laten besmeuren. Zowel de dienaren als hun vorsten hebt u verslagen, zowel de vorsten als hun heerschappij. 4 Hun vrouwen hebt u laten buitmaken, hun dochters gevangen laten nemen, hun eigendommen laten verdelen onder uw geliefde kinderen, die met grote toewijding aan u en vol afkeer van de ontering van hun familie tot u om hulp riepen. God, mijn God, luister ook naar mij, een weduwe. 5 U bent het immers die al die dingen hebt teweeggebracht, met wat eraan voorafging en wat eruit voortkwam. Wat nu gebeurt en wat nog staat te gebeuren is allemaal door u bedacht. Wat u voor de geest staat, wordt werkelijkheid 6 en de dingen waartoe u besluit, dienen zich aan met de woorden: “Hier zijn we.” Want al uw wegen zijn gebaand en wat u beslist, hebt u al voorzien.

7 De Assyriërs hier hebben een geweldige legermacht; ze zijn trots op hun paarden en ruiters, gaan prat op de kracht van hun voetvolk, vertrouwen op hun schilden en lansen, hun bogen en slingers. Ze weten niet dat u de Heer bent die wapentuig in stukken breekt – 8 uw naam is Heer! Breek dan hun sterkte met uw kracht en verbrijzel hun macht in uw woede. Want zij willen uw heiligdom ontwijden, de woonplaats van uw roemrijke naam ontheiligen en de horen van uw altaar met geweld afhouwen.9 Zie hun hoogmoed en stort uw woede over hen uit. Geef mij, weduwe, een vaste hand om uit te voeren wat ik heb bedacht.10 Versla door mijn misleidende woorden de dienaar met zijn heer, de heer met zijn gevolg. Vernietig hun hoge aanzien door toedoen van een vrouw. 11 Want niet de macht van het getal bepaalt uw kracht, niet op geweldenaars steunt uw heerschappij. U bent juist de God van de vernederden, de helper van onaanzienlijken, de steun van zwakken, de beschermer van moedelozen, de redder van wanhopigen. 12 God van mijn stamvader, God van uw Israël, Heer van hemel en aarde, schepper van de wateren, koning van heel uw schepping – hoor toch mijn gebed 13 en geef dat mijn misleidende woorden hén verwonden en striemen die gruwelijke dingen in de zin hebben tegen uw verbond en uw gewijde tempel, tegen de Sion en het huis dat uw kinderen toebehoort. 14 Breng heel uw volk, ja alle volken, tot de erkenning dat u God bent, de God van alle kracht en macht, en dat alleen u het volk van Israël beschermt.’


Op weg naar Holofernes

10: 1 Nadat Judit was uitgesproken en haar gebed tot de God van Israël had beëindigd, 2 richtte ze zich op uit haar geknielde houding. Ze riep haar slavin en ging naar beneden, haar huis in, waar ze altijd de sabbat en de feestdagen doorbracht. 3 Ze legde het rouwkleed af dat ze droeg, evenals haar weduwedracht. Daarna baadde ze zich en wreef zich in met kostbare mirre. Ze maakte haar haar op, deed een hoofdband om en trok haar mooiste kleren aan, die ze had gedragen toen haar man Manasse nog leefde. 4 Verder deed ze sandalen aan en tooide zich met enkelringen, armbanden, ringen, oorhangers en andere sieraden. Ze maakte zich zo mooi op, dat ze verleidelijk was voor iedere man die haar zou zien. 5 Ze gaf haar slavin een veldfles met wijn en een kruik olijfolie. In een reiszak deed ze wat meel, gedroogde vruchten en fijn brood. Nadat ze ook al haar vaatwerk had ingepakt, gaf ze haar slavin alles te dragen. 6 Samen gingen ze op weg naar de stadspoort van Betulia, waar Ozias stond met de andere stadsoudsten, Chabris en Karmi.

7 Toen zij zagen hoe volkomen anders Judit eruitzag, raakten ze diep onder de indruk van haar schoonheid. Ze zeiden tegen haar: 8 ‘Moge de God van onze voorouders u genadig zijn en uw plannen doen slagen, opdat Israël zegeviert en Jeruzalem in ere hersteld wordt.’ En ze aanbaden God. 9 Daarna zei Judit tegen hen: ‘Laat nu de poort voor mij openmaken, dan ga ik de stad uit om dat te volbrengen.’ Op dit verzoek gaven zij de jongemannen opdracht de poort te openen, 10 en vervolgens ging Judit de stad uit, samen met haar slavin. De mannen in de stad volgden haar met de ogen zoals ze daar ging, de berg af, het dal door, tot ze haar niet meer konden zien.

11 Judit ging dwars door het dal, totdat een voorpost van de Assyriërs haar aanhield 12 en gevangennam. Ze ondervroegen haar: ‘Tot welk volk behoort u, waar komt u vandaan en waar gaat u heen?’ Judit antwoordde: ‘Ik ben een Hebreeuwse, maar ik vlucht bij hen vandaan omdat zij ieder ogenblik aan u ten prooi kunnen vallen. 13 Ik ben onderweg naar Holofernes, de opperbevelhebber van uw leger, om hem betrouwbare inlichtingen te verschaffen. Ik zal hem een weg wijzen waarlangs hij kan gaan, zodat hij het hele bergland in bezit kan nemen zonder dat ook maar een van zijn mannen het leven erbij inschiet.’ 14 De mannen, die naar haar keken terwijl ze luisterden, waren onder de indruk van haar schoonheid, en zeiden tegen haar: 15 ‘Het is uw redding dat u zo snel naar onze heer bent gekomen. Ga nu naar zijn tent; een aantal van ons zal met u meegaan en u aan hem overdragen. 16 Als u voor hem staat moet u niet bang zijn. Vertel hem wat u net hebt gezegd en hij zal u goed behandelen.’ 17 Daarna kozen ze honderd mannen uit om haar en haar slavin te begeleiden. Zo werden ze naar de tent van Holofernes gebracht.

18 Omdat het gerucht van haar komst alle tenten was rondgegaan, liep de hele legerplaats te hoop. Iedereen kwam om haar heen staan toen zij buiten Holofernes’ tent wachtte, terwijl men hem op de hoogte bracht. 19 Hun bewondering voor haar schoonheid leidde tot bewondering voor de Israëlieten, en ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zou het volk minachten dat zulke vrouwen telt? Nee, het is niet goed om ook maar één van hun mannen in leven te laten, want als ze ontkomen, dan kunnen ze de hele wereld naar hun hand zetten.’ 20 Toen kwamen de lijfwachten en de dienaren van Holofernes naar buiten en brachten haar de tent binnen.


Ontmoeting met Holofernes

21 Holofernes lag te rusten op zijn bed, waar een purperen draperie omheen hing, met goud doorweven en versierd met smaragd en andere edelstenen. 22 Nadat ze Judit hadden aangekondigd, kwam hij naar de voorste ruimte van de tent, terwijl men zilveren lampen voor hem uit droeg. 23 Toen Judit voor hem en zijn gevolg verscheen, maakte haar schoonheid grote indruk. Ze boog zich ter aarde en bewees hem eer, waarna zijn dienaren haar oprichtten.


11: 1 ‘Wees maar gerust,’ zei Holofernes tegen haar, ‘wees niet bang. Ik heb nog nooit een mens kwaad gedaan die zich vrijwillig heeft onderworpen aan Nebukadnessar, koning van de hele aarde. 2 En als uw volk, dat in de bergen woont, mij niet zo had geminacht, zou ik de wapens niet tegen hen hebben opgenomen. Maar ze hebben het zichzelf aangedaan. 3 Vertel me eens waarom u van hen bent weggevlucht en naar ons toe bent gekomen. Het is u zeker om redding te doen? Vertrouw me maar, u blijft in leven, vannacht en ook daarna, 4 want niemand zal u iets doen. Integendeel, u zult goed behandeld worden, zoals ieder die mijn heer, koning Nebukadnessar, dient.’

5 Judit antwoordde hem: ‘Wees zo goed naar de woorden van uw dienares te luisteren. Sta mij toe tot u te spreken, dan zal ik mijn heer deze nacht inlichten zonder te liegen. 6 Als u de raad van uw dienares opvolgt, zal wat God met u onderneemt volledig slagen en zal mijn heer niet in zijn opzet falen. 7 Zo waar Nebukadnessar, koning van de hele aarde, leeft en bij de macht van hem, die u heeft gezonden om orde te scheppen onder al wat leeft: niet alleen mensen zijn door u aan hem onderworpen, ook de wilde en tamme dieren en de vogels zullen door uw kracht leven voor Nebukadnessar en heel zijn huis.8 Want wij hebben van uw wijsheid gehoord en u hebt naam gemaakt met uw daden. Overal op aarde wordt verkondigd dat er niemand in het hele koninkrijk zo bekwaam is als u, zo geniaal en zo indrukwekkend als strateeg.

9 Wij zijn op de hoogte van de dingen die Achior in uw vergadering heeft gezegd, want de mannen van Betulia hebben hem gespaard en hij heeft hun precies verteld wat hij toen gezegd heeft. 10 Sla zijn raad niet in de wind, machtige heer, neem zijn woorden ter harte, want het is waar: ons volk is onkwetsbaar en het zwaard kan niets tegen hen uitrichten, tenzij ze zondigen tegen hun God.

11 Welnu, mijn heer hoeft niet te vrezen voor een teleurstelling of mislukking, want ze zijn ten dode opgeschreven: de zonde heeft vat op hen gekregen en ze zullen de woede van hun God opwekken zodra ze doen wat verkeerd is. 12 Omdat hun voedsel op is en het water schaars is geworden, zijn ze van plan zich aan hun vee te vergrijpen en willen ze alles gaan eten waarvan God hun in zijn wetten geboden heeft zich te onthouden. 13 De eerste opbrengst van de graanoogst en de tienden van de wijn en de olijfolie, die ze apart gehouden hebben en die bestemd zijn voor de priesters die in Jeruzalem dienstdoen voor onze God, willen ze gebruiken, hoewel het niemand van het volk geoorloofd is die offergaven zelfs maar aan te raken.14 Ze hebben mensen naar Jeruzalem gestuurd – want ook daar deed men zulke dingen – om van de raad van oudsten ontheffing te verkrijgen. 15 Wanneer ze die hebben en ernaar handelen, zullen ze u diezelfde dag nog in handen vallen.

16 Daarom ben ik, uw dienares, toen ik dit allemaal te weten kwam, van hen weggevlucht. God heeft mij gezonden om dingen met u te doen waarvan de hele wereld versteld zal staan. 17 Want uw dienares is een vrome vrouw, die dag en nacht de God van de hemel is toegewijd. Laat mij bij u blijven, heer, dan zal ik ’s nachts naar het ravijn gaan om daar tot God te bidden. Hij zal mij zeggen wanneer zij gezondigd hebben 18 en dan zal ik u verslag komen doen. Als u dan uitrukt met heel uw leger zult u geen enkele tegenstand ontmoeten. 19 Ik voer u dwars door Judea naar Jeruzalem; midden in de stad zal ik uw troon plaatsen. Dan jaagt u hen op als schapen zonder herder, en geen hond zal zijn tanden tegen u ontbloten. Dat het zo zal gaan is mij tevoren onthuld, en ik ben gezonden om u te vertellen wat mij is verteld.’

20 Deze woorden bevielen Holofernes en zijn gevolg, en ze waren onder de indruk van haar wijsheid. Ze zeiden: 21 ‘Er is op de hele wereld geen vrouw te vinden die zo mooi is en zo verstandig spreekt.’ 22 Holofernes zei tegen haar: ‘Uw God heeft goed gehandeld door u uit uw volk naar ons toe te sturen om ons de macht in handen te geven, terwijl zij die mijn heer minachten ten val komen. 23 U bent een bekoorlijke vrouw en u spreekt wijze woorden. Als u doet wat u gezegd hebt, zal uw God mijn God zijn. Dan zult u in het paleis van koning Nebukadnessar wonen en beroemd zijn over de hele wereld.’


12: 1 Daarna gaf hij bevel haar naar het vertrek te brengen waar zijn tafelzilver lag, en haar te vergasten op de uitgelezen gerechten en de wijn die voor hem bestemd waren. 2 Maar Judit zei: ‘Nee, ik eet daar niet van, want dat brengt ongeluk. Alleen wat we zelf hebben meegenomen mag mij worden voorgezet.’ 3 Holofernes antwoordde: ‘Maar als dat op is, waar moeten wij dan zulk voedsel voor u vandaan halen? Want we hebben hier niemand van uw volk.’ 4 Toen zei Judit tegen hem: ‘Zo waar mijn heer leeft, ik zal niet opmaken wat ik bij me heb voordat de Heer door mijn toedoen ten uitvoer brengt wat hij heeft besloten.’

5 Nadat Holofernes’ gevolg haar naar haar tent had gebracht, sliep ze tot middernacht. Tegen de morgenwake stond ze op6 en liet Holofernes vragen haar toestemming te verlenen om buiten het kamp te gaan bidden. 7 Holofernes gaf zijn lijfwachten bevel haar niets in de weg te leggen. Zo verbleef ze drie dagen in de legerplaats. ’s Nachts ging ze naar het ravijn van Betulia en baadde zich bij de waterbron in het kamp daar. 8 Daarna smeekte ze dan de Heer, de God van Israël, om haar te leiden, zodat haar volk in ere hersteld zou worden. 9 En nadat ze gereinigd was teruggekeerd, bleef ze in haar tent totdat tegen de avond haar eten werd gebracht.


Afrekening met Holofernes

10 Op de vierde dag gaf Holofernes een feestmaal, waarvoor hij alleen zijn dienaren uitnodigde en geen enkele bevelhebber.11 Tegen Bagoas, de eunuch die de zorg had voor zijn persoonlijke bezittingen, zei hij: ‘Probeer jij eens die Hebreeuwse vrouw die bij jou is zover te krijgen dat ze hierheen komt en samen met ons eet en drinkt. 12 Want het zou toch een schande zijn als we zo’n vrouw laten schieten zonder van haar gezelschap te hebben genoten. Als we haar niet aan onze tafel kunnen begroeten, zal ze ons gewoonweg uitlachen.’ 13 Bagoas ging van Holofernes naar Judit en zei tegen haar: ‘Aarzel toch niet naar mijn heer te gaan, schoonheid, en wees zijn eregast. Kom vrolijk wijn met ons drinken en wees vandaag net als zo’n Assyrische vrouw die Nebukadnessar in zijn paleis ter beschikking staat.’ 14 Judit antwoordde: ‘Wie ben ik dat ik tegen de wil van mijn heer in zou gaan? Zou ik mij niet haasten om alles te doen wat hem behaagt? Dat zal mij een vreugde zijn tot de dag dat ik sterf.’ 15 En dadelijk begon ze zich om te kleden en mooi te maken met allerlei vrouwelijke opschik.

Haar slavin ging Holofernes’ tent binnen en legde tegenover Holofernes de vachten op de grond die Judit van Bagoas had gekregen om erop aan te liggen bij haar dagelijkse maaltijd. 16 Daarna kwam Judit zelf binnen en ging aanliggen. Holofernes’ hart sloeg over toen hij haar zag en hij raakte buiten zinnen van verlangen naar haar. (Sinds de dag dat hij haar voor het eerst zag had hij al naar een goede gelegenheid gezocht om haar te verleiden.) 17 Hij zei tegen haar: ‘Kom, drink met ons en wees vrolijk.’ 18 Judit antwoordde: ‘Dat zal ik zeker doen, heer, want voor mij is dit de heerlijkste dag van mijn leven.’ 19 En voor zijn ogen at en dronk ze wat haar slavin voor haar had klaargemaakt. 20 Holofernes was verrukt van haar en dronk heel veel wijn, meer dan hij ooit in zijn leven op één dag gedronken had.
13: 1 Toen het avond was geworden haastten Holofernes’ dienaren zich te vertrekken. Bagoas sloot de tent van buiten af en stuurde ook de bedienden weg. Ieder zocht zijn slaapplaats op, uitgeput door het overmatig drinken. 2 Alleen Judit bleef achter in de tent, met Holofernes, die voorover op zijn bed lag, stomdronken. 3 Haar slavin had ze opgedragen buiten het slaapvertrek te wachten totdat zij zoals elke dag naar buiten zou komen om, naar ze zei, eropuit te gaan voor haar gebed. Ook tegen Bagoas had ze iets dergelijks gezegd.

4 Iedereen was nu weg. Er was helemaal niemand meer achtergebleven in het slaapvertrek. Judit stond naast het bed van Holofernes en bad in stilte: Heer, God van alle kracht, sla in dit uur acht op wat mijn hand zal verrichten opdat de eer van Jeruzalem wordt hersteld. 5 Nu is het moment aangebroken om het volk dat u toebehoort te hulp te komen door mij mijn plannen te laten uitvoeren, om zo de vijand te breken die zich tegen ons heeft gekeerd. 6 Toen liep ze naar de bedstijl vlak bij Holofernes’ hoofd, nam daar zijn zwaard weg, 7 ging naar het bed toe en pakte hem bij zijn haren beet. Ze zei: ‘Geef me nu kracht, Heer, God van Israël!’ 8 en hakte met al haar kracht Holofernes met twee slagen het hoofd af. 9 Ze rolde zijn lichaam van het bed en haalde de draperie van de stijlen. Even later kwam ze naar buiten en overhandigde Holofernes’ hoofd aan haar slavin, 10 die het in de reiszak deed waar haar voedsel in had gezeten. Daarna vertrokken ze samen, zoals gebruikelijk, naar de plek waar ze steeds gingen bidden. Ze gingen door het kamp, liepen om het ravijn heen en begonnen de klim naar Betulia, in de richting van de stadspoorten.



11 Al van verre riep Judit de wachters bij de poorten toe: ‘Doe open! Open de poort! God staat ons bij, onze God! Nog steeds toont hij zijn grote macht ten gunste van Israël en tegen onze vijanden, zoals hij ook vandaag heeft laten blijken!’ 12 Toen de mannen in de stad haar stem hoorden, haastten ze zich naar beneden, naar de poort, en riepen de stadsoudsten. 13 Alle inwoners, jong en oud, stroomden samen, want ze konden nauwelijks geloven dat zij terug was. Ze openden de poort en verwelkomden hen. Met vuur maakten ze licht, waarna ze in een kring om hen heen gingen staan. 14 Met luide stem riep Judit hun toe: ‘Juich voor God! Juich hem toe! Juich voor God, die zijn ontfermende blik niet van het volk van Israël heeft afgewend, maar onze vijand vannacht door mijn toedoen heeft vernietigd.’ 15 Toen haalde ze uit de reiszak het hoofd tevoorschijn, liet het hun zien en zei: ‘Kijk, het hoofd van Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger! En hier, de draperie van het bed waarop hij zijn roes uitsliep! Door toedoen van een vrouw heeft de Heer hem verslagen. 16 Zo waar de Heer leeft, die over mij heeft gewaakt op de weg die ik ben gegaan: mijn uiterlijk heeft hem verleid en ten val gebracht, zonder dat hij zich aan mij heeft bezondigd, waardoor ik zou zijn bezoedeld en onteerd.’ 17 Het hele volk was buiten zichzelf van vreugde. Ze bogen zich neer om God eer te bewijzen en riepen eenstemmig: ‘Gezegend zij onze God, die op deze dag de vijanden van zijn volk heeft vernederd.’ 18 Ozias zei tegen Judit: ‘Gezegend bent u door de allerhoogste God, gezegend boven alle vrouwen op aarde. En gezegend zij God, de Heer, die de hemel en de aarde heeft geschapen en die u zo leidde dat u de aanvoerder van onze vijanden het hoofd kon afslaan. 19 Uw vertrouwen op God zal voor altijd in de herinnering voortleven, zolang er mensen zijn die zijn machtige daden gedenken. 20 Moge God in goedheid op u neerzien, opdat u voor eeuwig met de hoogste eer wordt bekleed. Want om de vernedering die ons volk werd aangedaan, hebt u zichzelf niet ontzien: u hebt onze ellende gewroken en daarbij in Gods ogen de juiste weg bewandeld.’ En heel het volk riep: ‘Amen! Amen!’
Overwinning op de vijand

14: 1 Daarna zei Judit: ‘Luister, broeders. Neem dat hoofd en hang het aan de borstwering van de stadsmuur. 2 Bij het eerste licht van de dageraad, zodra de zon opgaat over de aarde, neemt ieder van u zijn wapens. Dan trekken alle weerbare mannen de stad uit; stel een leider over hen aan. Doe alsof u naar de vlakte afdaalt, naar de voorpost van de Assyriërs, maar u gaat niet echt. 3 Zij zullen dan hun wapens pakken, naar hun legerplaats gaan en de veldheren van het Assyrische leger wekken. Die verzamelen zich bij de tent van Holofernes, maar treffen hem niet aan. Ze zullen door angst overvallen worden en voor u op de vlucht slaan. 4 Dan achtervolgt u hen, samen met iedereen uit de andere gebieden van Israël, en u verslaat hen op hun vlucht.5 Maar breng eerst, voor u dit gaat doen, de Ammoniet Achior bij me. Dan kan hij zien wat er geworden is van de man die zo’n minachting had voor het volk van Israël en meende hem bij ons een zekere dood in te sturen.’

6 Ze lieten Achior halen uit het huis van Ozias. Toen hij het hoofd van Holofernes zag, dat door iemand in de volksvergadering werd vastgehouden, viel hij bewusteloos voorover. 7 Nadat ze hem overeind geholpen hadden, boog hij zich voor Judit neer en bewees haar eer: ‘Men zal uw lof zingen in elke Judese tent, ja, onder alle volken, die bij het horen van uw naam zullen beven.8 Wees nu zo goed me te vertellen wat u de afgelopen dagen gedaan hebt.’ En omringd door heel het volk vertelde Judit hem alles wat ze had gedaan, vanaf de dag van haar vertrek tot aan dit moment dat ze tegen hen sprak. 9 Toen ze uitgesproken was barstte het volk uit in luid gejuich; hun vreugdekreten weerklonken in de hele stad. 10 Toen Achior besefte wat de God van Israël allemaal had gedaan, begon hij vurig in hem te geloven. Hij liet zich besnijden en werd opgenomen in het volk van Israël, en zo is het tot op de dag van vandaag.


11 Toen de ochtend aanbrak hingen de mannen het hoofd van Holofernes buiten aan de stadsmuur. Daarna greep ieder zijn wapens en in legereenheden trokken ze de stad uit naar de bergpassen. 12 Toen de Assyriërs hen opmerkten, waarschuwden ze hun aanvoerders, die zich op hun beurt meldden bij hun veldheren en bevelhebbers over duizend man, bij alle leden van de staf. 13 Bij Holofernes’ tent aangekomen zeiden ze tegen degene die zijn persoonlijke zaken behartigde: ‘Maak onze heer wakker, want die slaven wagen het hierheen af te dalen om tegen ons te strijden en zich totaal te laten verpletteren.’14 Bagoas ging de tent binnen en sloeg tegen het gordijn, want hij meende dat Holofernes samen met Judit lag te slapen.15 Maar toen er geen reactie kwam, schoof hij het gordijn open en ging het slaapvertrek binnen. Zo vond hij zijn heer, liggend bij de ingang, dood, en zonder hoofd. 16 Hij begon luidkeels te roepen en te kermen en te schreeuwen: één grote jammerklacht, en hij scheurde zijn kleren. 17 Hij ging de tent binnen waarin Judit was ondergebracht, maar hij vond haar niet. Daarop rende hij naar buiten, naar de anderen, en tierde: 18 ‘Ze hebben ons in de val laten lopen, die slaven! Een Hebreeuwse vrouw heeft het huis van koning Nebukadnessar van zijn eer beroofd! Kijk dan, Holofernes ligt daar op de grond en zijn hoofd is eraf!’ 19 Toen ze dat hoorden, de leiders van het Assyrische leger, scheurden ze hun kleren. Ze raakten helemaal in paniek en in het legerkamp weerklonk hun luide gejammer en geschreeuw.
15: 1 Toen de manschappen in hun tenten hoorden wat er was gebeurd, waren ook zij totaal ontredderd. 2 Angst en ontzetting maakten zich van hen meester, en geen van hen bleef nog langer waar hij was. Als één man haastten ze zich het kamp uit en ze vluchtten over alle mogelijke wegen door de vlakte en het bergland. 3 Ook degenen die gelegerd waren op de bergen rondom Betulia sloegen op de vlucht. Toen wierpen alle weerbare Israëlitische mannen zich op hen.

4 Ozias had herauten naar Betomestaïm, Choba, Kola, naar alle gebieden van Israël gestuurd, met het bericht over de gebeurtenissen en met de oproep aan iedereen om zich op de vijand te storten en hem te vernietigen. 5 Toen de Israëlieten de boodschap hoorden, vielen ze als één man op de vijand aan en maakten korte metten met hen, tot aan Choba toe. Ook de inwoners van Jeruzalem mengden zich in de strijd, evenals de bewoners van het hele berggebied (want ook zij hadden bericht gekregen over wat er in het vijandelijke legerkamp was gebeurd). De inwoners van Gilead en die van Galilea vielen de vijand genadeloos in de flank aan en dreven hen tot voorbij Damascus en het bijbehorende gebied. 6 De overigen, de inwoners van Betulia, drongen het Assyrische legerkamp binnen, plunderden het en maakten grote rijkdommen buit. 7 De rest viel in handen van de Israëlieten na hun terugkeer uit de slag. Ook de dorpen en nederzettingen in het berggebied en in de vlakte bemachtigden een grote buit, want er was geweldig veel.


De overwinning bezongen

8 De hogepriester Jojakim en de raad van oudsten van de Israëlieten kwamen vanuit hun woonplaats Jeruzalem om met eigen ogen de weldaden te zien die de Heer aan Israël had bewezen en om Judit met een bezoek te vereren. 9 Ze gingen bij Judit naar binnen en prezen haar eensgezind. Ze zeiden tegen haar: ‘In u is Jeruzalems eer hersteld, in u zegeviert Israël, in u verwerft ons volk zich grote roem. 10 Door uw toedoen is dit alles verricht. U hebt Israël deze weldaden bewezen en God heeft er zijn goedkeuring aan gehecht. Moge de zegen van de almachtige Heer op u rusten tot in eeuwigheid.’ En heel het volk zei: ‘Amen!’

11 Dertig dagen lang haalde heel het volk buit weg uit de legerplaats. Aan Judit gaven ze de tent van Holofernes met al het tafelzilver, de bedden, de schalen en al het verdere toebehoren. Ze nam alles in ontvangst en laadde het op haar muilezel. Ze liet haar wagens inspannen en laadde ook die vol. 12 Alle vrouwen van Israël liepen uit om haar te zien. Ze bejubelden haar en er werd ter ere van haar gedanst. Judit had met loof versierde stokken bij zich en deelde die uit aan de vrouwen om haar heen.13 Ook zetten zij en alle anderen in haar gezelschap olijfkransen op hun hoofd. Voor heel het volk uit leidde Judit al de vrouwen in de reidans, en alle mannen van Israël volgden zingend, getooid met hun wapens en met kransen.

14 Zo klonk het danklied dat Judit te midden van het volk van Israël aanhief, en de lofzang waarmee heel het volk luid instemde.


16: 1 Judit zong:
‘Hef een lied aan voor mijn God met tromgeroffel,

zing mijn Heer lof toe met cimbalen.

Laat psalm en lofdicht samen klinken.

Verhef zijn naam en roep hem aan.

2 Want heer is alleen God, die wapentuig breekt;

hij redde mij uit de handen van mijn vervolgers

en bracht mij naar zijn legerplaats te midden van het volk.
3 Assur kwam over de bergen in het noorden,

hij kwam met de tienduizenden van zijn legermacht;

hun menigte deed bergstromen stokken,

hun ruiters overdekten de heuvels.

4 Hij dreigde mijn land plat te branden,

mijn jongemannen uit te roeien,

mijn zuigelingen tegen de grond te gooien,

mijn kinderen buit te maken,

mijn meisjes te roven.

5 Maar de almachtige Heer blies hem omver

door toedoen van een vrouw.

6 Want hun held is niet gevallen door jongemannen,

geen titanenzonen hebben hem verslagen,

geen sterke giganten hebben hem aangevallen,

maar Judit, de dochter van Merari, verlamde hem

door de schoonheid van haar gezicht.

7 Zij heeft haar weduwedracht afgelegd

om de verdrukten van Israël op te richten.

Zij heeft haar gezicht ingewreven met mirre,

8 een hoofdband om haar haar gebonden

en een linnen gewaad aangetrokken

om hem te verleiden.

9 Haar sandaal verrukte zijn oog,

haar schoonheid nam zijn hart gevangen,

het zwaard doorkliefde zijn nek.

10 De Perzen huiverden van haar durf,

haar moed bracht de Meden in paniek.

11 Toen juichten de vernederden:

mijn verzwakte volk begon te roepen –

en zij waren verbijsterd;

mijn volk verhief zijn stem –

en zij werden verdreven.

12 De kinderen van jonge vrouwen doorstaken hen,

verwondden hen als kinderen van opstandelingen;

de strijdmacht van de Heer, mijn God, vernietigde hen.
13 Ik zing voor mijn God een nieuw lied.

Heer, groot bent u en hoog verheven,

wonderbaarlijk in kracht, niet te evenaren.

14 Heel uw schepping moet zich aan u onderwerpen.

Want u sprak en het was er,

u zond uw geest en hij bracht het tot stand.

Wie zou uw stem kunnen weerstaan?

15 Bergen en wateren, ze zullen schudden op hun grondvesten,

rotsen zullen voor uw ogen smelten als was,

maar wie ontzag heeft voor u, zult u genadig zijn.

16 Een offer dat gebracht wordt om zijn geur is gering,

vet dat voor u wordt verbrand betekent niets,

maar wie ontzag heeft voor de Heer zal altijd groot zijn.

17 Wee de volken die zich tegen mijn volk verheffen.

De almachtige Heer zal zich op hen wreken op de dag van het oordeel,

hun lichamen geeft hij prijs aan vuur en wormen.

Wanneer ze tot inzicht komen, zullen ze weeklagen

tot in eeuwigheid.’



Slot

18 Na aankomst in Jeruzalem aanbaden ze God. En nadat het volk gereinigd was, brachten ze hun brandoffers en hun vrijwillige offers en gaven. 19 Judit wijdde alle bezittingen van Holofernes die het volk haar had gegeven aan God; ook de draperie die ze zelf had meegenomen uit zijn slaapvertrek, gaf ze hem als wijgeschenk. 20 Drie maanden lang vierde het volk in Jeruzalem feest, voor het heiligdom, en Judit bleef bij hen.



21 Daarna vertrok iedereen naar zijn eigen gebied. Ook Judit keerde terug naar Betulia en ging weer op haar eigen grond wonen. Voor de rest van haar leven was haar roem alom gevestigd. 22 Ze werd door velen begeerd, maar zolang ze leefde heeft geen man met haar geslapen sinds de dag dat haar man Manasse stierf en met zijn voorouders werd verenigd. 23 Ze bereikte een zeer hoge leeftijd: honderdvijf jaar oud werd ze in het huis van haar man. Haar slavin gaf ze de vrijheid terug. Judit stierf in Betulia en werd begraven in de grot waar ook Manasse begraven was. 24 Het volk van Israël rouwde zeven dagen over haar. Voordat ze stierf had ze haar bezittingen verdeeld onder de familie van haar man Manasse en haar eigen familie.25 Niemand joeg de Israëlieten nog angst aan zolang Judit leefde, en nog vele jaren na haar dood.




  • Nebukadnessars wraak 2
  • Alarm in Judea en Jeruzalem 4
  • Rumoer rond Achior 5
  • Betulia in het nauw 7
  • Betulia’s bestuurders door Judit terechtgewezen 8
  • Judits gebed 9
  • Op weg naar Holofernes 10
  • Ontmoeting met Holofernes
  • Afrekening met Holofernes
  • Overwinning op de vijand 14

  • Dovnload 91.95 Kb.