Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Kennisportfolio Jaar 1 Jaar 2 Lian Thijssen 2067094

Dovnload 4.47 Mb.

Kennisportfolio Jaar 1 Jaar 2 Lian Thijssen 2067094



Pagina22/22
Datum28.10.2017
Grootte4.47 Mb.

Dovnload 4.47 Mb.
1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   22

Recht

Art 6:162 BW !! -> rechtshandelingen
alle 5 aan voldoen vereisten:
- onrechtmatige daad (lid 2)
- Toerekening (lid 3)
- Schade (lid 1)
- Causaal verband (lid1) = dien te gevolgen
- Relativiteitseis (art 6:163 BW)

Onrechtmatige daad (lid2) LEREN
A De onrechtmatigheid ontplooit zich door: (maar 1 nodig, kan meerdere)
- inbreuk op recht van een ander (Indien je iemand slaat is dat inbreuk op lichamelijke integriteit)
- Doen of nalaten in strijd met wettelijke plicht
- Doen of nalaten in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid
categorie 1: Gevaarzetting: wegen hier de belangen van de pleger zwaarder, dan is er geen sprake van onrechtmatige daad. Dus alleen sprake van onrechtmatige daad wanneer de belangen van de benadeelde zwaarder wegen.
Bij gevaarzetting moet op de eerste 3 criteria het antwoord groot zijn. Als dit zo is, kan je nauwelijks meer onder onrechtmatige daad uit.
b onrechtmatig behoudens:
Rechtvaardigheidsgronden:
1 Overmacht (als er staat dat je niet over t gras mag lopen, maar daarachter is n kind aant verdrinken dan wordt t gerechtvaardigd)

Toerekening. (lid 3) LEREN

- Risico: Zoontje trapt bal door de raam van buren / hond bijt een ander -> jouw risico over degene waar jij verantwoordelijk over bent. Een valse hond, daar kan je niks aan doen.
- Schuld: als je de hond zit op te jutten. Schuld niet verwarren met opzet, want kan ook onopzettelijk!

Schade: als er geen schade is, dan valt er niks te claimen van de schadevergoeding.
2 soorten schade:
- vermogensschade
- Ander nadeel (immaterieel)

Causaal verband (art.6:98BW)
- Voorzienbaarheid
- Redelijkheid

Relativiteitseis (art6.163BW)
Wie heeft de wetgever in gedachte gehad om te beschermen? Leidt deze schade? dan is het onrechtmatige daad. (dit leren is makkelijker want in de wet staat ’t moeilijker).
Tandarts voorbeeld! Vroeger moest een tandarts een certifcaat van de wet hebben. Eentje had deze niet. Andere tandartsen hadden hierdoor minder klanten. Is er sprake van relativiteit? Nee want de wet is bedoelt om de klanten te beschermen en niet om de conccurentie.

Schade door werknemer, kan werkgever aansprakelijk gesteld worden.


Art 6:170+171 BW zie sheet

lid 1 7:658 BW


werkgever verplicht dat de werknemer zijn werk veilig kan doen -> zorgverplichting werkgever.
(nooit overschrijven maar verwijzen naar zorgverplichting)
lid 2
werkgever aansprakelijk voor de door de werknemer geleden schade.
- Tenzij de werkgever aantoont dat hij volgens lid 1 er alles aan heeft gedaan dat de werknemer zo veilig mogelijk kan werken. Voldaan aan zorgverplichting
- Tenzij opzet/roekeloosheid werknemer.
lid 3 -> kan je niet van af wijken
lid 4 -> zonder arbeidsovereenkomst.
Hoe vaker een situatie zich voor doet, hoe groter de zorgverplichting werkgever wordt.
Het dagelijks verkeren in een bepaalde werksituatie leidt tot vermindering van benodigde voorzichtigheid. Werkgever is dan extra verplicht iets te doen.

Werkgever bewijst:


- schade
-causaal verband
- bedrijfsongeval

Werkgever kan zich verweren door


- zorgverplichting is nagekomen
- opzet of bewuste roekeloosheid door werknemer

Productaansprakelijkheid: Schade die veroorzaakt is door een product. Meestal ga je schade verhalen bij producent.
Productaansprakelijkheid is alleen voor de VERVOLGschade. Niet voor de schade aan het product.
- Welke producent spreek je aan-> art 6:187 lid 2 tm 4)
Fabrikant eindproduct OF fabrikant onderdeel OF producent grondstof OF quasi-producent OF importeur EG, maar als je slim bent allemaal.
- Product -> art 6:187 lid 1 BW
vereisten: moet een roerende zaak zijn of elektriciteit/gas/water.
- Gebrek -> art 6:186
Wanneer is het een gebrek? Als het niet de veiligheid heeft die men mag verwachten. Gelet op: presentatie (verpakking, productinformatie,gebruiksaanwijzing)
redelijkerheid verwachten gebruik (op welke manier vindt iedereen dat een product gebruikt moet worden),
tijdstip waarop product in het verkeer werd aangebracht. (gedurende jaren slijt het product)
- Schade art 6:190
Gevolgschade, Persoonsschade, Zaakschade (minimale schade van zaakschade is €500,-)

- Consument -> 6:190

Boek 3, 6 en met name 7 -> mate van bescherming (in hoeverre mag je er vanaf wijken)
- dwingend recht -> afwijking niet mogelijk. Zoals het in de wet staat zo klopt het, staat het in anders in overeenkomst, is dat nietig (= nooit bestaan)
7:626 BW & 7:651 BW
- driekwart dwingend -> afwijking alleen mogelijk bij CAO. Arbeidsovereenkomst klopt niet, maar is pas vernietigbaar als er iets van wordt gezegd. Vernietigbaar
7:639lid 2 & 7:634 lid 3
- semi-dwingend -> deze is vernietigbaar
7:640 lid 2 & 7:641 lid 4 BW
- aanvullend -> hier kan je gewoon van afwijken. Als je niks hebt geregeld over loon, dan doe je zoals in de wet staat of je kiest zelf iets.
7:622 BW
Periode 4

Bedrijfseconomie


Btw komt boven op de prijs en dus betaalt de consument de btw. Dit gaat naar de staat/ fiscus.
Alle btw die iemand betaalt als onderneming vraag je terug aan de fiscus. Alle btw die je ontvangen hebt, moet je afdragen. Het verschil draag je af.
Van kosten wordt je armer, van uitgaven niet want krijg je iets voor terug. Btw zie je niet terug op RR, maar op LO. Verbanden zie sheet les 1.

Inventaris 50


btw 20%
Te betalen = 60
Begin balans 31-3-13 (1e kwartaal)
Inventaris 50 Crediteuren 60
Nog te ontvangen btw 10

Verkoop van fietsen 120, daar komt de btw nog bij (= voor ’t gemak 20%)


120 + 20% = 144€
Begin balans
Inventaris 50 Eigen vermogen 120
Nog te ontvangen btw 10 Te betalen btw 24
Kas 144 Crediteuren 60

1 april ga je kijken wat je nu aan btw hebt ontvangen en in de hele maand april moet je het betalen.


Begin balans (na aangifte)
Inventaris 50 Eigen vermogen 120
Nog te ontvangen btw 0 Te betalen btw 0
Kas 144 Crediteuren 60
Af te dragen btw 14

Factuurstelsel: je mag van de crediteuren veronderstellen dat je de btw al betaald hebt. Daarom mag je de ‘nog te ontvangen btw’ van de nog te betalen btw af trekken.



Verzekeringskosten altijd exclusief BTW!!
Europees recht
Instrumenten


  • Vorderingen verbindend in alle onderdelen en toepasbaar in iedere lidstaat.

  • Richtlijn Verbindend t.a.v. het te bereiken resultaat

  • Beschikking verbindend. Het is een besluit van geen algemene schikking.

  • Aanbeveling rechtshandeling van de EU. Niet bindend als juridisch instrument.


Instellingen

  • Europees parlement 736 afgevaardigden van de leden van de EU die de belangen behartigen van de bevolking van de 28 lidstaten (afhankelijk). Taken als vaststellen van wetten, vaststellen budget EU, controleren van activiteiten van EU.

  • Europese raad Hierin zitten een voorzitter, de leden, en de commissie. De regering van de 28 lidstaten wordt vertegenwoordigd (afhankelijk). Taken als assisteren, adviseren, ondersteunen, notuleren.

  • Hof van Justitie Hierin zitten 28 rechters, de president van het Hof en 8 advocaten-generaal. Dit is een dwingend recht en zij vertegenwoordigen de lidstaten en de commissies. Ze zorgen voor goede toepassing van de regels en wetten. (Onafhankelijk)

  • De Raad Bestaat uit vertegenwoordigers van de Raad die gekozen worden per onderwerp. Taken als beslissen over het primaire recht, het secundaire unierecht en gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.

  • Rekenkamer Hierin zit per lidstaat 1 lid, dus 28 leden. Deze worden gekozen op vaardigheden van extern te controleren. Taken als het controleren van de financïen van de EU, bijdragen aan een beter financieel beheer, verslag over bestedingen van openbare middelen.

  • Europese commissie per lidstaat 1 eurocommissaris. Taken als bevorderen van algemeen belang van de EU, begroting uitvoeren en programma’s beheren, externe vertegenwoordiging van de Unie


4 stadia van economische integratie
1. Vrijhandelszone, staat vrij verkeer van goederen tussen lidstaten toe.
2. Douane-unie, gemeenschappelijke tarieven voor import van goederen.
3. Interne markt, staat toe productiefactoren zich vrij te bewegen tussen de lidstaten.
4. Economische & monetaire unie, gemeenschappelijke munt en gecoördineerd economisch
beleid. (zitten we nu in)
Marktentee-vormen

  • Distributie koopt rechtstreeks in bij exportonderneming en verkoopt zelf aan afnemers in zijn vertegenwoordigingsgebied. De naam ligt niet vast, kan ook wel eens anders genoemd worden. Er is sprake van een distributieovereenkomst als samenwerkingsverband tussen de distributeur en de leverancier. In deze overeenkomst zijn aspecten opgenomen zoals de vaste afname, de concurrentieproducten(verboden), de prijs (niet vast) en de kwaliteitseisen.

Bij gebrek aan een rechtskeuze is het recht van het land van vestiging van toepassing of het arrest van Häker Bosma. Bij problemen wordt de overeenkomst beëindigd, maar geldt er wel het Europees mededingingsrecht.
Juridische structuur:

Exporteur (NL) ---------------------------> Distributeur (FR) -----------------------------> Klant (FR)


koopovereenkomst nationaal recht
(Internat. Weens verdrag)


  • Franchise overeenkomst tussen franchisegever en franchisenemer waarbij de nemer de formule mag exploiteren. Hier is sprake van intellectueel eigendomsrecht zoals auteursrecht, merkenrecht. Dit is verdergaand dan distributie en niet gebonden aan wettelijke regelingen.

    Juridische structuur:


    Exporteur (NL) ---------------------------> Franchise (FR) -----------------------------> Klant (FR)
    franchiseovereenkomst nationale koopovereenkomst
    (Internat. overeenkomst)



  • Handelsagent Onafhankelijk persoon die bemiddelt bij het tot stand brengen van een overeenkomst. Hij is geen partij. Namens de leverancier mag hij overeenkomsten met derden sluiten en de leverancier dus binden.
    - wettelijke regeling: art 7:428 ev. BW (gebaseerd op Europese richtlijn)
    - gevolg: binnen EU soortgelijke regeling, is afhankelijk van de lidstaat.
    Bij problemen wordt de agentuurovereenkomst beëindigd (arrest Ingmar Eaton) en heeft de agent na de provisie ook nog recht op goodwillvergoeding en klantenvergoeding (art. 7:442 BW).

    Juridische structuur:



Internationale koopovereenkomst
Exporteur (NL) ----------------------------------------------> Klant (FR)
|
| internationaal
| agentuurovereenkomst
|
\/
Handelagent (FR)

Incoterms

EXW = Ex works  Hierbij loop de verkoper het minste risico van ze allemaal. De koper is verantwoordelijk voor alle kosten en risico’s vanaf het verlaten van het bedrijfspand.

FCA = Free Carrier  De verkoper levert de goederen en draagt ze over aan de vervoerder op de overeengekomen plaats. Vanaf dan is de verkoper verantwoordelijk voor de kosten risico’s

FAS = Free alongside Ship  De verkoper is verantwoordelijk tot het schip met uitvoervergunning. Vanaf dan is de koper verantwoordelijk voor alle risico’s van verlies of schade en moet hij een vervoersovereenkomst en zeetransportverzekering.

FOB = Free on Board  de verkoper is verantwoordelijk tot over de reling van het schip. Dan heeft hij zijn leveringsplicht voldaan. Vanaf dat moment is de koper verantwoordelijk. Dus als de goederen van het schip worden gehaald en er iets gebeurd, is dit voor de rekening van de koper.

CFR = Cost and freight  verkoper betaald kosten en transport om bij bestemmingshaven te krijgen, maar risico van verlies of schade is voor de koper wanneer de goederen de scheepsreling passeren in de verschepingshaven.

CIF = Cost, insuranceand freight  dezelfde als hierboven maar dan moet de verkoper nog een zeetransportverzekering afsluiten voor het risico van verlies of schade tegen de minimale dekking.

CPT = Carriage Paid To  verkoper betaald vrachtprijs voor vervoer naar de genoemde bestemming. Verantwoordelijkheid gaat over wanneer de goederen zijn overgedragen aan de eerste vervoerder.

CIP = Carriage and Insurance Paid To  Hetzelfde als hierboven maar dan met extra verplichting dat de verkoper een vrachtverzekering moet afsluiten tegen de minimale dekking voor de risico’s van schade of verlies.

DAF = Delivered at Frontier  verkoper heeft aan leveringsplicht voldaan als de goederen in het genoemde punt bij de grens beschikbaar zijn gesteld. (goederen wel ingeklaard)

DES = Delivered Ex Ship  Verkoper heeft leveringsplicht voldaan als de goederen ter beschikking worden gesteld aan boord van het schip op de genoemde bestemming. (goederen niet ingeklaard)

DEQ = Delivered Ex Quay  Verkoper heeft aan leveringsplicht voldaan als de goederen beschikbaar zijn op de kade van de genoemde bestemming (goederen niet ingeklaard).

DDU = Delivered Duty Unpaid  Verkoper aan leveringsplicht voldaan wanneer goederen beschikbaar zijn in het land van invoer op de genoemde plaats



DDP = Delivered Duty Paid  verkoper aan leveringsplicht voldaan wanneer goederen op de genoemde plaats in het land van invoer beschikbaar zijn. Verkoper draagt alle risico’s en kosten. Maximale verplichtingen.
Cases

  • Dassonville
    Het Hof overweegt dat iedere handelsregeling van de lidstaten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren, is als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen te beschouwen.


Het overweegt vervolgens dat zolang een communautaire regeling ontbreekt waarin de consument waarborgen voor de echtheid van de benaming van oorsprong van een product worden geboden, een staat ter voorkoming van op dit gebied bedreven oneerlijke mededinging slechts redelijke maatregelen mag nemen, terwijl de handel tussen lidstaten niet bewijsvoorschriften mag worden belemmerd. Hier moet wel aan de voorwaarde voldaan worden dat van de voorgeschreven bewijsmiddelen door alle onderdanen van de staten gebruik moet kunnen worden gemaakt.


 

Verder overweegt het Hof dat die maatregelen, ongeacht of zij onder artikel 36 VWEU vallen, in ieder geval krachtens het beginsel in de tweede volzin van dit artikel omschreven geen middel tot willekeurige discriminatie noch ook een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten mogen vormen.

 

Het Hof stelt dat dit het geval kan zijn wanneer een lidstaat het bewijs van de oorsprong van een product afhankelijk stelt van formaliteiten waaraan zonder op ernstige moeilijkheden te stuiten vrijwel alleen door rechtstreekse importeurs kan worden voldaan.

 

Het Hof concludeert daarom dat wanneer een lidstaat een certificaat van echtheid verlangt dat door importeurs van het originele product dat in een andere lidstaat langs reguliere weg in het vrije verkeer gebracht is, minder gemakkelijk kan worden verkregen dan door importeurs die het rechtstreeks uit het land van oorsprong betrekken, sprake is van een met het verdrag onverenigbare maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking.


  • Conegate




  • Spaanse aardbeien

Het vrije verkeer van goederen is een fundamenteel beginsel van het gemeenschapsrecht. Artikel 30 EG-verdrag verbiedt kwantitatieve beperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten. Dit verbod omvat (dus) ook belemmeringen van het vrije goederenverkeer, waarvan de oorzaak buiten de sfeer van de overheid ligt. Zonodig dient een lidstaat handelend op te treden. Een lidstaat is verplicht alle noodzakelijke en passende maatregelen te treffen om het vrije verkeer van goederen op zijn grondgebied te verzekeren.

KIB  kwantitatieve invoer beperking. Is een regel die de hoeveelheid goederen die geïmporteerd mag worden beperkt. Dit is verboden.

MGW  Maatregel gelijke werking. Dit is een maartegel die de import niet beoogt te beperken, maar het wel doet. Deze is toegestaan als het gerechtvaardigd wordt én proportioneel is.
Gerechtvaardigd: als het aan de uitzonderingen voldoet om toch de beperkingen te mogen doorvoeren. Art 36 of rule of reason exception.
proportioneel: als het niet op een andere manier beter gekund had.

VM  Verkoopmodaliteit. Dit is regel die betrekking heeft op de wijze van verkopen van een bepaald product, zoals openingstijden, prijzen, arbeidsrechten van het personeel. Dit is gerechtvaardigd als de beperking even groot is voor binnenlandse als voor buitenlandse producten.
Arresten:
Keck:
verkoopmodaliteiten blokkeren de toegang tot de markt niet volledig en de toegang

voor de buitenlandse producten is even beperkt als die voor de binnenlandse producten.

Daar zijn het geen MGW en dus toegestaan.

Buiten het arrest: een verkoopmodaliteit is niet toegestaan als het te erg beperkt, dan wordt het gezien als een MGW en is het dus verboden als het met onderscheid is).



Dassonville:
alle geïmporteerde sterkedrank moest een certificaat hebben waaruit bleek dat deze drank echt was. Dus moest de geïmporteerde drank aan een extra eis voldoen en werd daardoor duurder, waardoor het waarschijnlijk was dat er minder werd geïmporteerd. Er werd beslist dat dit een MWG was zonder onderscheid en ook geen uitzondering had waardoor het verboden was.

Cassis de Dijon:
Alle in Duitsland verkochte vruchtenlikeur moest een minimale alcoholpercentage hebben. Dit hield de Franse buiten de deur want die hadden meestal een lager percentage. Dit was een MGW zonder onderscheid en moesten dus proportioneel én gerechtvaardigd worden om legaal te zijn. Gerechtvaardigd werd het, omdat het goed was voor de gezondheid van de mens, maar proportioneel was het niet omdat het veel handiger was geweest om het alcoholpercentage gewoon op de fles te vermelden.
Begrippen:
VVvG  KIB, MGW, VM
VVvWN  Tijd, gezag, vergoeding
VVvD  vergoeding, verplaatsing, tijdelijk

Marketing
Motieven om te exporteren
- Reactief 
- Als er vraag is vanuit een land, dan ga je exporteren
- Als je overcapaciteit hebt, waarom niet ander land?
- Incidentiele orders
- Marktverzadiging
- Proactief 
- Doelstelling en cultuur
- Uniek product
- Marktkansen
- schaalvoordelen

Vormen van export


- Traditioneel gericht  als er vraag naar is. Reactief
- Export-marketinggericht  meer strategisch, je gaat landen selecteren. Reactief
- Internationale marketing  Meer beleidsmatig. Exportafdeling opzetten & productie verhuizen. ?? Tussenin
- Multimarket-marketing  zoveel mogelijk beslissingsbevoegdheid verplaatsen naar exportlanden. Om zo snel mogelijk marketing uit te voeren in de markt waar je actief bent. Proactief.
- Globalmarketing gericht  daar zie je de hele wereld als grote afzet markt. Je gaat veel meer
uit van overeenkomst vanbehoeften als van verschillen. Proactief

Voorbeeld: McDonals is multimarketinggericht en globalmarketinggericht. UCC is tussen exportmarketinggericht en internationale marketing

Hoe kijken ondernemingen tegen internationalisering aan? EPRG-model van Perlmutter
Ethnocentrism:
Zwaar reactief. Pas als er vraag naar is. Kijkt alleen naar zichzelf.
Polycentrism: Zijn wat meer klantgericht. Kijken naar andere markten en kijken daar met name naar verschillen. ‘’Hoe anders zijn andere markten/culturen en hoe moet ik daar mijn business op aanpakken?’’
Regiocentric:
Ziet ook verschillen met culturen, maar kijk ook naar overeenkomsten. Bijv. Nederland, Belgie, Luxemburg en Duitsland wordt niet gezien als land afzonderlijk, maar als westeuropa.

Exportplan = Beleidsplan waarin op strategisch niveau de langetermijnplanning van alle exportactiviteiten wordt vastgelegd.
Verschil met ondernemingsplan is dat je ondernemingsplan eerst doet, is de basis. Een keuze daarin zou kunnen zijn dat je wil gaan exporteren. Ondernemingsplan hangt niet af van exportplan



Marktdefinitie
Uitgangspunten
Type organisatie (EPRG)
Type marketing
Motieven






Indeling exportplan

Marktdefinitie


Interne analyse
Landenselectie
Externe analyse
SWOT-analyse en CM
Strategie en doelstellingen
Financiële aspecten


Model Abell & Hammond
Hoofdvraag; in welke markt willen we actief zijn?
Beschrijving ‘business domain’ (exportmarkt) vanuit 3 dimensies:
Wie (afnemers, doelgroepen)  UCC(B2B): supermarkten, groothandels, detaillisten.
Wat (behoeften) Koffie (B2B): prijs, kwaliteit, levertijd,
B2C: lekkere smaak, gezelligheid, energie, dorstlesser
Hoe (technologieën)  Koffie: kant-en-klaar-pakje, restaurants, automaten (pads, cups etc.)



Interne analyse
Hoofdvraag
Is de onderneming geschikt om te gaan exporteren?

Model Sterke-Zwakte analyse


Onderzoekselementen

  1. De organisatie

  • Innovatie

  • Productie

  • Organisatie

  • Marketing en marktpositie

  1. Exportpotentieel

  • Producteigenschappen

  • Geprecipieerde kwaliteit

  • Afnemersbehoeften



  1. Management (kennis,kunde)

  • Exportmarketing

  • Logistiek

  • Taal

  • Bedrijfsvoering

  1. Financiële aspecten

  • Investeringscapacteit

  • scholingstrajecten

  1. Exportcultuur

  • Internationele geörienteerdheid

  • Waarden en normen


Externe analyse= afnemersanalyse +bedrijfstakanalyse + concurrentienanalyse + distributieanalyse
Wordt onderzocht door het ABCD-model (4 dimensies) (afnemers, bedrijfstak, concurrentie,distrib)

Afnemersanalyse
Segmenteren = het opdelen van de exportmarkt in homogene doelgroeppen met als doel: juiste relatie met de juiste klant. Dit wordt gedaan volgens SDP-model = Segmenteren, doelgroepen bepalen en positionering.

Segmentatiecriteria

- Geografisch  Klimaat
- Demografisch(de bevolking)  leeftijd, geslacht
- Sociaal-economisch
- Psychologisch  lifestyle
- Productgebruik  moment, smaak, non-user, heavy-user

Segmentatievoorwaarden
1. Homogeniteit binnen de groep
2. Heterogeniteit tussen de groep
3. Meetbaar & herkenbaar
4. Voldoende omvang
5. Voldoende bereikbaarheid
6. Voldoende bewerkbaarheid

Klantprofiel: Ieder segment heeft zijn eigen klantprofiel
Multi-attribute attitudemodel = wat zijn de belangrijkste productkenmerken?

5W-model
1. Wie zijn de klanten?
2. Wat is de value proposition?
3. Waar wordt ’t product gekocht?
4. Wanneer wordt ’t product gekocht?
5. Waarom wordt het product (niet) gekocht?

Segmentatie-strategieën
1. Ongedifferentieerd
Massa. Alle segmenten zijn identiek
2. Gedifferentieerd
Segment. Er zijn meerdere segmenten
3. Geconcentreerd
Niché. Er is 1 segment
4. Individueel
Micro. Alle segmenten zijn verschillend.
Op welke wijze ga waarde leveren aan je afnemer en op welke aspect wil je excelleren? (Op klant, product of kosten?)
Treacy & Wiersema
- Customer intemacy  beleving die de klant heeft
- Product leadership ?
- Operational excellence  Kosten drukkend
Alle drie moeten ze op orde zijn en vervolgens moet je uitblinken op 1

Positionering gaat om consument en concurrent (positioneringsdiagram). Het innemen van een plaats in de beleveringswereld van de conusment t.o.v. de concurrent o.b.v je waarde aanbod.



UBR Unique buying reason
USP Unique selling point
1e is beter als je vanuit de ogen van de klant kijkt.
B2B
Branche
Markt Segment
Voedingsmiddelenbranche  koffiemarkt  private label
B2C
Klant
Productgebruik(heavy-user/non-user etc.) Merk (A of B etc.)

Bedrijfstakanalyse
= bepalen van de aantrekkelijkheid van de bedrijfstak, om dit te bepalen kijk je naar 2 aspecten.
1. Aantrekkelijkheid van de exportmarkt
2. Kansen en bedreigingen binnen de bedrijfstak
1. Aantrekkelijkheid van de exportmarkt macro = omgevingsfactoren (DESTEP)
2. Kansen en bedreigingenmeso = markt waarop het bedrijf actief is. (5-krachtenmodel van Porter)
Het 5-krachtenmodel van Porter zegt iets over de concurrentie-intensiteit en dus over de marktaantrekkelijkheid. Afnemers hebben pas veel macht als ze krachten samen bundelen.

Concurrentieanalyse
Binnen de bedrijfstakanalyse wordt er gekeken naar de concurrentie binnen de branche in zijn geheel, in de concurrentieanalyse kijk je naar slechts 1 kracht hiervan, de interne concurrentie.
Soorten concurrentie:
1. Productvorm  zelfde segment (merk)
2. Productcategorie  vergelijkbare eigenschappen
3. Generiek  vergelijkbare behoeften
4. Budget  klantbesteding (bijv. koffie is primair dus is altijd budget voor)

Distributieanalyse
Gaat om de entreestrategie. ‘’hoe komt een product in het buitenland? Via welk kanaal?’’

2 Hoofdvormen (3e is niet echt belangrijk)
1. Direct  Zelf
2. Indirect  via een ander
3. Productie in het buitenland

Keuze voor entreestrategie wordt bepaald door:


Interne factoren Externe factoren
- Bedrijfsgrootte - Sociaal-cultureel
- Aard bedrijf - Marktomvang + marktgroei
- Aard product - Situatie export markt
- Ervaring - Marktdoelstelling
Als de markt groter wordt, verschuift het van direct naar indirect.
Direct via Indirect via
Eigen verkoper Agent
Eigen verkoopkantoor Distributeur
Kantoor met derden Franchise of joint venture
Voordelen Voordelen
- direct contact met klanten - niet/nauwelijks extra personeel nodig
- hoge winstmarges - tussenpersoon heeft marktkennis
- geen afhankelijkheid van buitenlandse partners - grotere marktdekking mogelijk
Nadelen Nadelen
- grote financiële risico’s - lagere winstmarges
- investering van tijd en personeel - afhankelijk van inzet partner
- beperkte marktdekking - geen direct contact met klanten

Waarom produceren in het buitenland?

  • Lage productiekosten

  • Snelle(re) levering

  • Vermijden van invoerbelasting
    Dat kan via:

  • Licentie

  • Franchising

  • Lokale productie

Alternatieven

  • E-commerce

  • Fusies en overnames

  • Strategische allianties

Confrontantiematrix
Dit wordt gedaan via een stappenplan via;
1. Analyseren door middel van SWOT
2. Confrontreren van extern naar intern en elke combi puten geven (van 1, 3 of 5).
3. Combineren  maximaal drie issues formuleren en dan SFA analyse uitvoeren
4. Strategie  generieke concurrentie (porter) & waardedisciplines (treacy en wiersema)

Kansen en sterkten = groeien  exporteren


Zwakten en kansen = versterken  Export intern
bedreigingen en sterkten = verdedigen  internationaliseren
bedreigingen en zwakten =samenwerk  exportpartners
SFA Analyse = Suitable, feasible, Acceptable. (past het, kan het, wordt ‘t geaccepteerd?)
Suitable = Past het binnen het (strategisch) beleid?
Feasible = Kan het?
F = Financieel
O = Organisatorisch
E = Economisch
T = Technologisch

S = Sociaal

J = Juridisch
E = Ecologisch
Acceptable = wordt het geaccepteerd? Gedragen extern en intern?

Exportmarketingplan de 8 p’s
Prijs, product, plaats, promotie, prestentatie, physical distribution, politiek, personeel.

Product: Verschillende niveau’s
1. Core = smaak
2. Actual = naam, verpakking
3. Augment


Pricingmethoden:


  1. Kosten-georiënteerd

  2. Concurrentie-georiënteerd

  3. Vraag-georiënteerd (Afromen, peneteren, differentiëren)


Physical distribution Het juiste artikel op het juiste moment via het juiste kanaal bij de juiste persoon

Landenanalyse
Begrippen bij ontwikkelingslanden
Poverty trap
Armoede, als mensen zo arm zijn dan gaat het niet lukken om daar iets te verkopen.
Take off
als je iets van de grond wilt krijgen, bijvoorbeeld een kantoor of fabriek opzetten/bouwen.
Emerging markets =Bric: Brazilië, Rusland, India, China. Opkomende markten, landen die zwak waren, maar nu als een speer aan het groeien zijn.
Triade = Rijke, gevestigde landen. Die al langer op het hogere platform staan. Zoals de VS, West-Europa, Japan, Australië.

Exportrisico’s

  • Landenrisico Onvoldoende deviezen in het land aanwezig of beschikbaar

  • Wisselkoersrisico In de Europese Unie zelf heb je hier geen last van, maar als je bijv. in Zwitserland geld op de bank zet, dan zou bijvoorbeeld de Frank hoger of lager geworden zijn, waardoor je misschien iets van je geld verliest.

  • Culturele risico’s o.a. betalingsmoraal (debiteurenrisico) Zwitserse debiteur die betaald bijna meteen bijvoorbeeld. Als je misschien een Zuid-Europees land geld leent, kan je het misschien nooit meer terug zien doordat het daar nu zo slecht gaat.

  • Transportrisico door vaak een grotere afstand. Criminelen in een land, als jij ligt te slapen en zij jouw spullen jatten.

  • Aansprakelijkheidsrisico recht


Landenrisico: Het risico dat handelspartners in het buitenland door een te kort aan deviezen (=buitenlandse munt die in een land aanwezig ) hun betalingsverplichtingen niet kunnen nakomen.
Het landenrisico kan je meten door:
- Invoerdekking  internationale reserves / import
- Debt ratio  buitenlandse schuld / export
- Debt service ratio  rente + aflossing / export

Bereken de invoerdekking en de debt-ratio van onderstaand land:
Waarde goud + deviezen 500

Buitenlandse schuld 1500 (rente 5%, aflossing 100 per jaar)

Import (2013) 100

Export (2013) 500


Antwoord: 500/100= 5 invoerdekking

1500/500= 3 debt ratio

75+100/500= 0,35 debt-service ratio
Wisselkoerssystemen:
- vrije wisselkoers  ook wel zwevende wisselkoers genoemd. Appreciëren/deprecciëren.
= in waarde omhoog / omlaag
- vaste wisselkoers  Revalueren / devalueren (financieel meer waard/ minder waard)
- Vaste wisselkoers met bandbreedte
- Een munt
Het risico is bij de laatste het minst en loopt op tot aan de bovenste, daar is die het hoogst.

Welke risico’s en problemen zijn er verbonden aan het exporteren naar het buitenland?



* Andere regels
* Verschillende culturen.

* Spreken een andere taal.

* Oorlog

* Wetgeving

* Grote afstanden

* Politieke situatie





Landenanalyse les 2
Wisselkoersrisico (=valutarisico): Risico dat de toekomstige winst van een onderneming wordt beinvloed door wisselkoersschommelingen.
Hoeveel valutarisico hangt af van:
- Valuta-exposure  in hoeverre de winst wordt beïnvloed door wisselkoersschommelingen
- Valuta-volatiliteit  maatstaf voor de beweging naar beneden of naar boven.

4 vormen van valutarisico

  • Pretransactierisico = ‘offerterisico’
    Klant kan er over nadenken, maar tegen die tijd is de koers alweer veranderd.

  • Transactierisico = ‘kredietermijnrisico’
    Klant krijgt de rekening en krijgt 30 dagen de tijd om te betalen. De koers is in de tussentijd veranderd.

  • Translatierisico = ‘omrekenrisico (vaste) activa op de balans’
    Je hebt 1000 dollar, maar wat is het waard? Elke dag anders

  • Economisch of structureel risico = ‘concurrentierisico’
    Je doet zaken in het buitenland en daar zitten risico’s aan vast.

Philips verkoopt een dochterbedrijf in de VS  3e
AH hoeft de geleverde frisdrank pas over een maand te betalen aan haar Duitse leverancier.  2e
BMW verkoopt steeds meer auto’s in China  4e

Valuta-instrumenten
Interne valuta-instrumenten (besparing transactiekosten)

  • Netting (in-house banking)  salderen vreemde valutaposities.

  • Matching inkomsten en uitgaven op zelfde tijdstip

  • Leading en lagging  betalingen en/of inningen versneld of vertraagd uitvoeren.

  • Balansbeheer  Afstemming bezittingen en schulden in vreemde valuta’s

Externe valuta-instrumenten

  • Valutatermijncontract (via een bank af te sluiten!)

Contante koers: 1€ = $ 1,23
3-maandstermijnkoers: 1€ = $ 1,25

  • Transacties op de geldmarkt
    tegenover een bezitting in een vreemde valuta wordt een schuld gecreeerd of omgekeerd.

opgave: een Amerikaans bedrijf ontvangt over een half jaar € 100.000. De debetrente (=leenrente) in Europa bedraagt 5% en de creditrente (=spaarrente) in de VS 2%, beide per jaar. De contante koers van een $ is 0,76€.
A. Hoeveel euro zal het Amerikaans bedrijf nu lenen? (En direct omzetten in $!)
1$ = 0.76€  ?$ = 100.000€ = 131.578.947$ (100.000 / 0.76)

B. Wat is de zekere opbrengst voor het bedrijf in dollars?


100.000 / 0.76= 131.578.947 x 1.01 = 134.210.53 / 1.25 = 127.819.55 $



  • Valutaoptie

‘Recht’ om een bepaalde valuta te kopen (call) of te verkopen (put) tegen een vastgelegde koers (uitoefenprijs)

WAAROM EEN OPTIE-CONTRACT i.p.v. EEN TERMIJNCONTRACT?



Opdracht: een Amerikaan koopt een calloptie op de euro met een uitoefenprijs van €0,75. Op de expiratiedatum is de koers €0,78. Zal hij de optie uitoefenen?Ja

  • Valutaswap

Tijdelijke ruil van valuta’s (contante valutatransactie + tegenovergestelde valutatransactie op termijn.)

  • Koersrisicoverzekering

Is af te sluiten bij een kredietverzekeraar (vb. Atradius)

Economische ontwikkeling/groei verloopt in 3 fasen:

Factorgedreven groei (landen die maar net opstarten en grondstoffen hebben die ze kunnen verkopen)  Investeringsgedreven groei (landen die producten verkopen waar wel potentieel in zit, prijs-kwaliteit verhouding is goed)  Innovatiegedreven groei (landen die de allerbeste producten hebben)


Ghana  China  VS

Landenanalyse es 3 sheets

Internationaliseringsvormen:
1. Export
Direct = zelf zorgen dat het in het land van bestemming terecht komt.
Nadeel is dat je zelf nog de markt moet onderzoeken.
Indirect = via een agent of importeur die zorgen dat het in het land terecht komt.
2. Productie ter plekke
Licentieverlening = als UCC Coffee iets heeft wat lekker is en dat je daar dan
gebruik
mag van het recept.
Joint venture = geen zeggenschap
Directe investering = wel zeggenschap
Eigendomsvoordelen Superieure kwaliteit, technologie, sterk merk
Kostenvoordelen zoals grote schaalvoordelen of ervaringsvoordelen
Landenvoordelen voordelen van ter plekke gevestigd zijn, zoals omzeilen van
importheffingen, het hebben van lage productiekosten, lokale voorkeuren
geen handelsbelemmeringen, geen wisselkoers etc.
Internationalisatievoordelen

 Voordelen van zeggenschap hebben over het bedrijf, zoals zekerheid dat er geen kennis weglekt naar concurrenten,




Betalingsbalans
= overzicht van alle ontvangsten uit en betalingen aan het buitenland

Lopende rekening = alle geldstromen door export en import van goederen en diensten

Kapitaalrekening = alle geldstromen door beleggingen, leningen en investeringen uit en aan
het buitenland.


Landenanalyse les 4
Regionale economische integratie = Landen gaan steeds meer met elkaar handelen en samenwerken en dan meestal regionaal. Je ziet bijvoorbeeld weinig samenwerking tussen Japan en Nederland. Economisch gezien dus niet samen echt een blok vormen. Regionaal is dus landen die dicht bij elkaar in de buurt liggen.

Handelsschepping= dan is het qua welvaart in je land gunstig. binnenlandse productie wordt vervangen door import uit het land met de laagste kosten binnen douane-unie.
Handelsverschuiving= dan is het qua welvaart in je land ongunstig (welvaartverlies). Import uit een land met lage kosten buiten douane-unie wordt vervangen door import uit een land met hogere kosten binnen de unie.

De 4 fases van regionale economische integratie:
1. Vrijhandelsgebied:
Geen onderlinge importtarieven meer heffen, waarom zouden landen dit kunnen afspreken? = Voor de consumenten in beiden landen is het gunstig. Er komt meer concurrentie en dat drukt de prijs verder omlaag en de importtarief zit er ook niet meer op.
2. Douane-unie: Er zijn geen onderlinge tarieven + er is een gemeenschappelijk buitentarief. Via omwegen handeldrijven wordt zo voorkomen.
3. Gemeenschappelijke markt: Er zijn geen onderlinge tarieven + er geldt een gemeenschappelijke buitentarief + vrije verkeer van productiefactoren. Ook productiefactoren mogen vrij over. (vrij verkeer van arbeid, kapitaal). Je kan zo in een ander land gaan werken (wel wat papieren invullen, maar dat is geen belemmering). Het voordeel is een te krappe arbeidsmarkt in het noorden en werkloosheid in het zuiden als bijvoorbeeld mensen uit Spanje naar Nederland toe gaan om te werken. Vrij verkeer van kapitaal= GELDkapitalen, leningen en beleggingen mogen vrij de grens over, er zijn geen beperkingen. Voordeel is er een lagere rente door meer concurrenten en je kan een veel groter bedrag lenen als je in verschillende landen terecht kan. Je hebt meer mogelijkheden.
4. Economische Unie: Geen onderlinge tarieven + gemeenschappelijk buitentarief + vrije verkeer van productiefactoren + gemeenschappelijk economisch beleid. De overheden maken ook nog veel afspraken van het te voeren van het economische beleid. En in dit geval krijg je dan een Europese Unie. Bijvoorbeeld een land mag geen hoger tekort dan 3% van het BBP is afgesproken in de Europese Unie.
Fiscaal recht

Vermogensvergelijking

Eindvermogen balans


- beginvermogen balans
+ onttrekkingen
+ kapitaalterugbetalingen
- kapitaalstortingen
= vermogensmutatie
- objectieve vrijstellingen
+ niet of beperkt aftrekbare kosten
+ giften
- investeringsaftrek
+/- fiscale reserves
- correctie deelnemingsvrijstelling
= fiscale winst
- aftrekbaar deel van de giften
= belastbare winst
- te verrekenen verliezen
= belastbaar bedrag

Onttrekkingen:
-
Winstuidelingen -> art 10 lid 1 wet VPB
- ingehouden bronbelasting -> art. 10
- verkapt dividend -> art. 10

Kapitaalstortingen:


1. Nominaal gestort kapitaal
2. Agio
3. Informeel kapitaal

aftrekbare kosten:
1. Winstuitdelingen
2. Oprichtingskosten
3. Kosten van wijzigingen kapitaal

Niet of beperkt:
niet -> rentevergoeding op bepaalde leningen, fictief loon
beperkt -> giften, commissarisbeloning, aanmerkelijk belang.

Deelnemingsvrijstelling:
Dezelfde winst mag niet twee keer belast worden of twee keer afgetrokken worden.
Verschil tussen binnenlands en buitenlands.

Uitzondering deelnemingsvrijstelling
Dat komt alleen voor bij liquidatieverlies, maar toch aftrekbaar bij moederonderneming.

Omzetbelasting
Algemeen tarief -> 21 %
Verlaagd tarief -> 6%
Nul tarief -> 0%

Ondernemersschap -> een ieder die een bedrijf of beroep zelfstandig uitvoert/uitoefent
1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   22


Dovnload 4.47 Mb.