Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Kitsoer sjoelchan aroech

Dovnload 34.14 Kb.

Kitsoer sjoelchan aroech



Datum03.10.2018
Grootte34.14 Kb.

Dovnload 34.14 Kb.


KITSOER SJOELCHAN AROECH – HOOFDSTUK 2

KITSOER SJOELCHAN AROECH

HOOFDSTUK 2: Het overgieten van de handen.

1. Aangezien de mens, wanneer hij 's morgens van zijn bed opstaat, als een nieuwgeboren schepsel is [te beschouwen]1 voor de dienst van de Schepper, gezegend is Zijn Naam, behoort hij zichzelf te heiligen en zijn handen te overgieten [met water] uit een beker, net zoals een priester dat [in de Tempel] deed. De priester heiligde iedere dag zijn handen [met water] uit het wasbekken vóór zijn dienst in de Tempel. Een aanduiding voor dit overgieten van de handen vindt met in Tenach. Immers er is gezegd [Tehilliem 26:6,7]: ,,ik zal mijn handen in reinheid wassen en ik zal Uw altaar rondgaan, G-d, om luid een dankbetuiging te laten horen", enz. Er is nog een reden voor dit overgieten [van de handen]. Namelijk tijdens de slaap gaat de heilige ziel van de mens weg en dan komt er een onreine geest en deze rust op zijn lichaam2. Zodra men uit zijn slaap wakker wordt, verdwijnt de onreine geest van zijn hele lichaam, behalve van zijn vingers. Hiervan gaat dat pas weg, nadat men drie maal water over zijn handen heeft gegoten. Het is verboden om vier ammotִ [ongeveer twee meter] te lopen zonder eerst zijn handen te overgieten,3 tenzij er een dringende reden is4.

2. Als eerste kledingstuk moet men het talliet katan [het kleine talliet met de vier tsietsiet of arba kanfot] aantrekken5, zodat men geen vier ammot [ongeveer twee meter] zonder tsietsiet loopt. Aangezien zijn handen nog niet rein zijn, mag men daarvoor geen beracha uitspreken6.

3. Het overgieten van de handen 's morgens verricht men op de volgende manier: Men neemt de beker in zijn rechterhand op en geeft deze over naar zijn linkerhand. Eerst giet men [het water] over de rechterhand7, daarna neemt men de beker in zijn rechterhand en giet men over zijn linkerhand. Zo doet men drie maal8. Het is het beste om het water te gieten tot over het polsgewricht9. Echter in noodgeval is het voldoende [om het water te gieten] tot en met het einde van de vingers. Men moet ook zijn gezicht wassen ter ere van zijn Schepper. Immers er is gezegd [Berésjiet 9:6]: ,,Want naar het evenbeeld van G-d heeft Hij de mens gemaakt”. Ook behoort men zijn mond te spoelen, wegens de aanwezige slijmslierten10. Immers men behoort de Grote Naam in heiligheid en reinheid uit te spreken. Daarna droogt men de handen af. Men dient er op te letten het gezicht goed af te drogen.

4. Men moet de handen boven een bak [of wastafel] overgieten. Het is verboden van het reeds gebruikte water [opnieuw] gebruik te maken, omdat er een slechte geest op rust. Men laat het water weglopen daar waar geen mensen komen.

5. Voor het overgieten mag men niet de mond, neus, ogen, oren, anus, etenswaren of de plaats van het aderlaten [bloedtransfusie of wond] aanraken11, omdat de slechte geest, die vóór het overgieten nog op de handen aanwezig is, daar schade kan toebrengen12.

6. Het is het beste om erop te letten, dat men bij het overgieten van de handen 's morgens een beker [vat, voorwerp], water en menselijke kracht gebruikt, zoals bij het handen overgieten voor een maaltijd (zie verderop hoofdstuk 40). Als men echter in noodgeval aan de [bovengenoemde drie] voorwaarden niet volgens het voorschrift kan voldoen en men wil gaan dawwenenִ, mag men zijn handen overgieten met behulp van elk voorwerp en met elke soort water en zonder menselijke kracht13. Daarover mag men [ook] de beracha al netilat jadajiem [betreffende het overgieten van de handen] uitspreken. Wanneer men dichtbij een rivier is, of eventueel sneeuw bij de hand heeft, is het [in noodgeval] beter dat men zijn handen driemaal daarin onderdompelt, maar als men in het geheel geen water heeft, dient men zijn handen met iets af te vegen en dan de beracha al nekiejoet jadajiem [betreffende de reinheid van de handen] uit te spreken. Dit is voor het het dawwenen voldoende. Als men later geschikt water en een geschikt voorwerp [bijv. een beker] tegenkomt, moet men zijn handen nogmaals volgens de regel overgieten, maar dan zonder de beracha uit te spreken.

7. Er staat geschreven [Tehilliem 103:1]: „Laat mijn ziel Hasjem zegenen en laten al mijn ingewanden Zijn Heilige Naam zegenen”. Aangezien de mens de Naam [van G-d] met alles wat in hem is moet zegenen, mag men geen beracha uitspreken [of dawenen] voordat men zijn ingewanden en blaas heeft geledigd. 's Morgens, wanneer men opstaat, moet men gewoonlijk zijn behoefte doen of tenminste plassen14. Daarom mag men de beracha al netilat jadajiem niet uitspreken bij het handen over­gieten, voordat men zich gereinigd heeft [d.w.z. naar de w.c. is ge­weest]15. Daarna wast men zijn handen nogmaals. Pas dan spreekt men de beracha al netilat jadajiem uit16 en daarna de beracha asjèr jatsar [die gevormd heeft] en men vervolgt met de beracha over het leren van Tora en met de beracha Elokaj nesjama [mijn G-d, de ziel. . .] enz.17.

8. Als men vroeg is opgestaan en zijn handen geheel volgens voor­schrift heeft overgoten, terwijl het nog nacht was, en wakker blijft tot het dag begint te worden of wanneer men later voor de tweede maal in slaap valt, terwijl het nog nacht was18, en zo ook iemand, die overdag zestig ademhalingen lang19 slaapt, en ook iemand, die de hele nacht wakker blijft en [zelfs] niet gedurende een tijd van zestig ademhalingen heeft geslapen, in al deze gevallen bestaat er een twijfel of men wel of niet zijn handen moet overgieten20. Daarom moet men [toch] zijn handen drie maal afwisselend overgieten, zoals boven beschreven is in paragraaf 3, echter zonder de beracha erover uit te spreken21.

9. Na de volgende gebeurtenissen moet men zijn handen met water overgieten22: iemand die

  1. opstaat [na geslapen te hebben]23;

  2. de wc24 of

  3. de badkamer verlaat24;

  4. zijn nagels knipt24;

  5. zijn haren knipt24;

  6. zijn schoenen [met blote handen] uittrekt25;

  7. echtgemeenschap heeft gehad24;

  8. een luis heeft aangeraakt23;

  9. zijn kleren van ongedierte reinigt en uitschudt, ook als men de luis niet heeft aangeraakt24;

  10. zijn hoofdhaar wast of erin krabt24;

  11. zijn lichaam aanraakt op de [gewoonlijk] bedekte plaatsen23;

  12. een begraafplaats verlaten heeft24;

  13. een dode [naar zijn laatste rustplaats] begeleid heeft24;

  14. in een huis is geweest waar een dode lag24;

  15. ader heeft gelaten [bloed heeft gegeven]24.



1. Dit is de mening van de Rasjba, want er staat geschreven [Ecca 3:23]: „Zij zijn iedere ochtend nieuw, groot is uw vertrouwen”. De Rosj heeft een andere mening en schrijft: „Omdat de handen van een mens actief bezig zijn, en het onmogelijk is dat de handen ‘s nachts niet in aanraking zouden komen men onreine lichaamsdelen, daarom hebben de geleerden, z.l. een beracha ingesteld voor het overgieten van de handen voordat met het Sjema en de Tefilla zegt. Voor de halacha accepteren wij beide verklaringen voor de strenge toepassing van het overgieten [M.B. 4:1].

2. Maar indien de slechte geest de enige reden was voor het overgieten, dan had men daarvoor geen beracha ingesteld; daarom zijn ook de eerder genoemde redenen [zie ook noot 1] nodig [M.B. 4:8].

In traktaat Joma 77b staat: „De school van R. Menasje leert dat R. Sim’on ben Gamliël heeft gezegd dat een vrouw [op Jom Kippoer] een hand in water mag wassen om een klein kind te eten te geven. Er wordt ook vermeld dat Sjammai de Oudere nooit brood met één hand at …en Abajé zei daarop: dat is vanwege Sjiewta”. Rasji verklaart: „Er rust een kwade geest op de handen vóór het handenwassen voor sjacharit, en die slechte geest heet Sjiewta”. Tosefot geeft daarop als commentaar dat tegenwoordig niemand meer benauwd is voor deze kwade geest omdat deze kwade geest niet meer actief is. Jalkoet Joseef citeert Jabi’a Omer die verschillende acheroniem aanhaalt, o.a. Eliahoe Rabba, die beweren dat op grond van bovenstaande discussie in de gemara er heden ten dage geen reden meer is om voor deze kwade geest bang te zijn. En hij brengt daarbij ook de Lechem Misjné die van mening was dat ook de Rambam daar zo over dacht. [Jalkoet Joseef 1:1].



3. En het is ook verboden te blijven liggen zonder zijn handen eerst te hebben overgoten met water. Maar in een noodsituatie mag men in het hele huis zijn handen overgieten, zelfs als het water verder van hem verwijderd is dan vier ammot [M.B. 1:2].

4. Men dient er nauwkeurig in te zijn om zijn handen onmiddellijk te wassen, zelfs al blijft men in bed liggen (Sj. A. HaRav).

5. Nadat men zijn handen gewassen heeft [M.B. 8:1]

6. En als men ook het grote talliet omdoet, maakt men een berachaִ over het grote talliet en daarmee maakt men tevens de beracha voor het kleine talliet. Zo doet men ook wanneer men wel zijn handen reeds overgoten heeft. Zie voor de reden hiervoor in de Misjna Broera, 8:24.

7. Ook een linkshandige gooit het water eerst over wat voor iedereen de rechter hand is [M.B. 4:22].

8. Volgens Ma'asé Rav was de Gra [de Gaon van Vilna] gewoon vier maal over te gieten (M.B. 4:10).

9. Op 9 Av [M.B. 554:21] en op Jom Kippoer [Sj.A. 613:2] wast men niet verder dan de knokkels van de hand

10. Maar niet op een algemene vastendag [M.B. 4:9].

11. Men moet ook oppassen niet zijn kleren aan te raken voordat men zijn handen gewassen heeft (Sj. A. HaRav 1:7).

12. Daarom moet men erop toezien dat ook kleine kinderen hun handen met water overgieten. Ook vrouwen moeten erop letten dat zij hun handen met water overgieten zoals mannen, want zij bereiden in de regel het voedsel [M.B. 4:10].

13. Maar wel met een minimum hoeveelheid water van één revi'iet [volgens de Chafets Chaiem 86 ml, volgens Igrot Moshé 121 ml., volgens de Chazon Iesj 150 ml].

14. En als men niet naar de w.c. hoeft, overgiet men zijn handen en zegt de beracha al netilat jadajiem en ook de beracha asjèr jatsar, enz. [Rema op Sj.A.4:1] (Zie ook noot 15).

15. Als men niet anders kan mag men zijn handen ook overgieten nadat men alleen geplast heeft (M. B. 6:9).

16. Het verdient de voorkeur te wachten met de beracha al netilat jadajiem en die welke men zegt nadat men zijn behoefte heeft gedaan totdat men dit voor het laatst gedaan heeft vóór de tefilla (M.B. 4:4) (en als men nadat men reeds al netilat jadajiem gezegd heeft een plaats op het lichaam heeft aangeraakt die normaal bedekt is (zie hoofdstuk 12), dan overgiet men zijn handen voor een tweede maal).

17. In de Misjana Broera 6:12 staat geschreven dat men Elokaj nesjama [mijn G-d, de ziel. . .] moet zeggen direct achter de beracha asjèr jatsar [die gevormd heeft]. Maar elders (Toer) staat geschreven dat hieromtrent verschillende minhagiem zijn.

18. Wanneer men voor de tweede keer ’s nachts in slaap valt, nadat men reeds bij de eerste keer ontwaken zijn handen gewassen had, moet men zeker nog eens ’s ochtends zijn handen wassen vanwege de kwade geest. Maar daarvoor zegt men geen beracha. Maar wij zeggen de beracha vanwege de overwegingen van de Rasjba, die meent dat de mens ’s ochtends nieuw geschapen wordt, en men wordt maar één maal per dag opnieuw geschapen, dus zegt men maar één maal de beracha, n.l. wanneer men ’s nachts zijn handen gewassen heeft [M.B. 4:32].

19. Volgens Rav Moshé Feinstein is dat een half uur. En sommigen zeggen drie uur, en anderen zeggen iets meer dan drie minuten (in de Misjna Broera worden deze drie meningen aangehaald en ieder handelt naar zijn eigen vermogen. Zie Biejoer Halacha op M.B. 4:21) [Men haalt normaal ongeveer vijftien maal per minuut adem].

20. Het is namelijk niet duidelijk of het slapen of de nacht de oorzaak is van de kwade geest. Maar als men korter dan zestig ademhalingen heeft geslapen, dan brengt dat zeker niet de kwade geest mee, zelfs niet ‘s nachts [M.B. 4:34].

21. Sommigen menen dat men wel een beracha moet zeggen, ook als men de hele nacht gewaakt heeft. Echter, wanneer men zijn behoeften heeft gedaan voor de ochtend tefilla dan zijn alle Acheroniem ermee eens dat hij zijn handen moet overgieten en de beracha al netilat jadajiem moet zeggen [M.B. 4:30].

22. Dit is om de slechte geest , die deze handelingen op de handen gebracht hebben, te verwijderen. Wanneer zijn handen echter met modder of iets dergelijks bevuild zijn en er dus geen sprake is van een slechte geest, dan hoeft men de bevuilde plaats alleen maar schoon te maken [M.B. 4:38].

23. Dit is om de handen schoon te maken en de slechte geest te verwijderen. Daarom moet men zich haasten met overgieten. Wanneer men niet zijn handen heeft overgoten, is het verboden Tora te leren of zich met welke heilige zaak dan ook bezig te houden. Men kan zijn handen met alles schoonmaken, maar voor de verwijdering van de slechte geest is overgieten met water noodzakelijk. Als men van zijn bed opstaat, kleeft er een slecht geest aan hem. Daarom mag men geen beracha uitspreken en geen Tora leren voor men de handen met water heeft overgoten. Echter, als men geen water heeft, maakt men zijn handen schoon met alles wat kan schoonmaken, zegt de beracha en leert, opdat men geen tijd voor Tora leren verliest (M.B. 4:39). (Zie verderop, hoofdstuk 12:5 voor de voorschriften betreffende het overgieten van de handen voor de tefilla).

24. Dit overgieten is vanwege de slechte geest. Daarom moet men zich haasten om te overgieten. Als men echter niet heeft overgoten, mag men zich wel met Tora of andere heilige zaken bezig houden, [mits men zijn handen wel heeft schoongemaakt (M.B. 4:39)] (En voor wat betreft de Tefilla van Sjemoné Esré, zie hfd. 12. En wanneer men dan plaatsen aanraakt die gewoonlijk bedekt zijn, zie noot 3 hierboven. En zie voorts ook eind hoofdstuk 4). [In het commentaar van de Machatsiet Hasjekel op noot 17 van de Mageen Awraham 4:18 wordt het commentaar van Eliahoe Raba op de Sjoelchan Aroech aangehaald, die op zijn beurt de Makor Chajiem citeert. Deze schrijft dat men drie maal over iedere hand moet gieten, maar dat dit niet speciaal moet met een beker. De Kaf Hachajiem citeert o.a. de Mageen Awraham, die op zijn beurt andere halachische authoriteiten aanhaalt, waaronder de Mikdasj Melech, die verklaard hebben dat het niet nodig is drie maal water over de handen te gieten bij het verlaten van de wc en de Mageen Awraham is het daarmee eens. Dat wordt (volgens de Kaf Hachajiem) ook geschreven in Esjel Awraham, commentaar op hfd. 4 en ook in Mikdasj Melech. Echter de Chieda (R. Chajiem Josef David Azulai, 18e eeuw) schrijft uitdrukkelijk dat wie uit de wc komt niet met een beker hoeft te overgieten en ook niet drie maal over iedere hand en zijn woorden worden weergegeven in de Kaf Hachajiem,.4:1, waar wordt verklaard dat zo goed als volgens alle poskiem er geen noodzaak is om van een beker gebruik te maken.

25. Dit overgieten is om de handen schoon te maken. Men wast met water of ieder ander schoonmaak middel, en alleen de plaats die vuil is. Heeft men niet schoongemaakt dan is het verboden zich met Tora of andere heilige zaken bezig te houden (M.B. 4:41).


Dovnload 34.14 Kb.