Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Klassieke talen didactische achtergrond en uitleg

Dovnload 56.67 Kb.

Klassieke talen didactische achtergrond en uitleg



Datum06.12.2018
Grootte56.67 Kb.

Dovnload 56.67 Kb.

DPB- Gent / PEDIC

Nascholing : DE DA VINCI CODE

Woensdag 17 januari 2007


KLASSIEKE TALEN
DIDACTISCHE ACHTERGROND EN UITLEG

Geert Kentane



geert.kentane@vsko.be



ONDERZOEKSOPDRACHTOPDRACHTEN en de LEERPLANNEN

Onderzoeksopdrachten passen in de tendens om meer nadruk te leggen op de vaardigheidsontwikkeling en op de eigen verantwoordelijkheid van de leerlingen.

In de tweede en derde graad moeten de leerlingen geleidelijk meer bekwaam worden om onderzoeksopdrachten uit te voeren. Het spreekt vanzelf dat deze werkvorm tijdens de les moet aangeleerd en ingeoefend worden onder begeleiding van de leraar.
Onderzoeksvaardigheden bestaan uit het zelfstandig uitvoeren van een beperkte opdracht.

Het is daarbij van belang dat de leerlingen zich bewust zijn van de diverse procedures in hun leerproces:



  • het nauwkeurig lezen en analyseren van de vraag en/of stelling van het onderzoek

  • een werkwijze bepalen om de opdracht uit te voeren;

  • gericht informatie verzamelen, selecteren, ordenen; functioneel een computer gebruiken

  • vastgestelde tekorten of fouten bepalen en hulpmiddelen gebruiken om ze te

verbeteren.

  • het resultaat overbrengen of de eigen bevindingen rapporteren;

- over de gevolgde werkwijze reflecteren

Het leerproces moet gemotiveerd worden door de leerlingen en die verantwoording wordt door de leraar in zijn beoordeling betrokken.


Actieve en zelfstandige opdrachten bieden de kans om afwisselende werkvormen te gebruiken (naast bv. instructie).

Het is ook nodig dat aan de onderzoeksvaardigheid expliciet aandacht wordt geschonken. Maar dit kan gebeuren via gebruikelijke opdrachten die een beroep doen op het tekstbegrip van de leerlingen en hun culturele en esthetische oordeelsvorming. Deze activiteiten hoeven dus niet omvangrijk te zijn en kunnen zowel te maken hebben met taalverwerving als lectuur.



UITLEG BIJ DE DA VINCI-CODE en KLASSIEKE TALEN

Doel en uitgangspunten

Bedoeling is de oudste niet-christelijke vermeldingen van Jezus Christus te onderwerpen aan een historisch-kritische analyse. Leerlingen kunnen daarbij gebruik maken van encyclopedieën, specifieke naslagwerken en het internet. Bij deze laatste informatiebron is het belangrijk dat aan leerlingen geleerd wordt om op een kritische en verantwoorde manier om te gaan met websites.


We moeten er ons wel van bewust zijn dat voor integristische christenen geloofswaarheden en historische feiten samenvallen, maar dat dit voor andere christenen en voor niet-christenen anders ligt, omdat ze niet a priori aannemen dat geloofswaarheden overeenkomen met wetenschappelijk-historischei feiten.

In de moderne wetenschap vertrekken de meeste wetenschappers van materiële feiten.

Dit is ook het uitgangspunt bij wetenschappelijk onderzoek en bij het opstellen van wetenschappelijke theorieën. Bij de interpretatie van die wetenschappelijk verworven gegevens, komen dan filosofische (ethische) en religieuze aspecten aan bod.
Een stappenplan en logboek voor de leerlingen bevinden zich in bijlage.
VOORSTELLEN VAN ANTWOORDEN BIJ DE VRAGEN
VOORAF

1. Het blijft verbazing wekken dat nog geregeld om zuiver ideologische redenen ofwel een hyperkritische ófwel een kritiekloze interpretatie van de bronnen wordt gegeven.

De enen aanvaarden nagenoeg alle mogelijke getuigenissen, terwijl anderen nagenoeg een fysiek bewijs van de persoon Jezus eisen:

- M. GLEGHORN, Ancient Evidence for Jesus from Non-Christian Sources. Evidence from Tacitus, internet. (http://www.probe.org/index2.php?option=com_content&do_pdf=1&id=18)

‘Although there is overwhelming evidence that the New Testament is an accurate and trustworthy historical document, many people are still reluctant to believe what it says unless there is also some independent, non-biblical testimony that corroborates its statements.’
- De bijbelwetenschapper James Tabor besteedde dertig jaar aan de zoektocht naar de historische Jezus en kwam tot een afwijkend beeld: hij was niet de grondlegger van het christendom, maar een politiek activist. (De Standaard 17/11/2006)
- ‘De historiciteit van Jezus staat voor de kerk en voor de wetenschap buiten kijf.’ Jürgen Mettepenningen. (Leuvens theoloog in De Standaard 17/11/2006)
- ‘De vraag of Jezus een historische figuur is, is definitief beantwoord. Jezus is de historisch overgeleverde Divus Julius.’(= Julius Caesar), internet. (http://www.carotta.de/subseite/texte/nlsumma.html)
- ‘Hat Jesus wirklich gelebt? Historische Beweise mit absoluter Schlagkraft gibt es nicht.’ Internet. (http://www.karl-leisner-jugend.de/Flavius_Josephus.htm)

3. Geen enkele profane bron vermeldt bv. de moord op honderden onschuldige kinderen in opdracht van Herodes, terwijl dit feit toch een aanzienlijke rol speelt in het NT.

Vanuit het standpunt van het keizerlijke Rome was het christendom in de eerste honderd jaar van zijn bestaan een obscuur, oosters bijgeloof in de periferie van het Romeinse rijk. Als het al in officiële stukken terechtkwam, waren dat hoogstwaarschijnlijk politierapporten, die (net als heel veel andere geschriften uit de eerste eeuw) verdwenen zijn.

Sommige originele referenties naar Jezus zijn verloren of zijn bewust vernietigd door de jonge kerk (bv. kritische stemmen over het christendom).

4. Om objectieve informatie te verwerven moet men niet enkel canonieke maar ook niet-canonieke christelijke, Joodse, Romeinse teksten en archeologische bronnen onderzoeken. Niet-christelijke getuigenissen of vermeldingen in Romeinse staatsdocumenten vormen onafhankelijke (of zg. objectieve) bronnen.

5. Er zijn zowel niet-christelijke joodse bronnenii (zoals de Talmoed en Flavius Josephus) als niet-christelijke Romeinse bronnen (zoals die van Plinius de Jongere, Suetonius, Tacitus, Lucianus van Samosata). Zij spreken in de eerste eeuw over een geloofsgemeenschap die Christus als hun God beschouwden, maar sommige van deze bronnen (bv. Flavius Josephus) zijn niet betrouwbaar.

6. - Sommige teksten zijn interpolaties (zie Josephus) of aanpassingen van onzorgvuldige kopiisten.

- (Authentieke) bronnen kunnen gebaseerd zijn op christelijke apologisten.

- Pro-christelijke en andere teksten kunnen niet precies gedateerd worden of zijn overgeleverd in verschillende versies.

Dus: behoedzaamheid is vereist!


TEKSTEN
FLAVIUS

7. Deze tekst is het zg. Testimonium Flavianum, en wordt soms geciteerd door gelovige christenen (bv. De Nederlandse Evangelische Omroep en vele anderen) alsof het hier gaat om een onafhankelijke bevestiging van Jezus’ leven en opstanding. Vandaag wordt echter algemeen aangenomen dat het om een interpolatie of aanpassing gaat van Josephus’ originele tekst.


De latere christelijke schrijver Origines vertelt ons dat Josephus, Jezus niet erkende als Messias. Deze vaststelling is in strijd met het zg. tekstuittreksel van Josephus.

De tekst van Josephus is erg pro-christelijk. Het is nauwelijks te geloven dat een farizeïsche jood zich presenteert als een echte christen en dergelijk lovende commentaar zou schrijven over iemand die terechtgesteld was voor godslastering.


Een andere vermelding van Jezus door Flavius Josephus, wordt wél aangevoerd als authentiek historisch bewijs. Het gaat om welgeteld 4 Griekse woorden: "so he [Ananus, son of Ananus the high priest] assembled the sanhedrin of judges, and brought before him the brother of Jezus, who was called Christ, whose name was James, and some of his companions and when he had formed an accusation against them, he delivered them to be stoned." (Antiquities 20,9,1)

Flavius heeft het hier over een broer van Jezus, die Jacob heet, en in het jaar 62 met enkele anderen tot de dood door steniging was veroordeeld. Er zijn goede argumenten om deze tekst als betrouwbaar te beschouwen, omdat christelijke kopiisten nooit de uitdrukking "...Jezus die Christus genoemd wordt..." hebben gebruikt.



PAULUS

8. Tijdens Nero’s bewind gebeurt o.a. het volgende:

- Britannicus wordt te Rome vermoord tijdens een keizerlijke feestdis in 54,

- Agrippina wordt door Anicetus en Obaritus omgebracht in haar villa in 59,

- de brand van Rome grijpt plaats in 64,

- de samenzwering van Piso in 65.




9. Volgende woorden krijgen een bijzondere waarde:

- hebzucht

- vol nijd,

- bloeddorst,

- bedrog en kwaadaardigheid,

- vermetel,

- verwaand,

- vindingrijk in het kwaad,

- ongehoorzaam aan hun ouders,

- zonder liefde en zonder mededogen

- juichen die ze die ook toe bij hen die ze begaan.

TACITUS
10. Deze tekst bevat wél redenen om aan te nemen dat Tacitus informatie verzamelde van christenen in Rome.

Hij verwijst vooreerst naar Pilatusiii met de foute titel. Die was praefectusiv en geen procurator. De vermelding ‘per procuratorem Pontium Pilatum’ zou afkomstig zijn van een voor-Niceaanse, dus oudere christelijke geloofsbelijdenis.

Ten tweede verwijst Tacitus naar Jezus enkel met ‘Christus’, zijn christelijke naam. Niet-christelijke Romeinse bronnen zouden allicht de andere naam vermeld hebben.
De zin ‘quos per flagitia invisos’ echter wijst erop dat Tacitus zich in elk geval niet louter baseerde op wat hij van christenen over Jezus wist.
Hier wordt dus in elk geval bevestigd dat er christenen waren te Rome in Tacitus’ tijd en dat zij geloofden dat Pontius Pilatus Jezus had laten terechtstellen tijdens het bestuur van keizer Tiberius.
Dat historische kritiek een heikele onderneming is, wordt bovendien geïllustreerd door het feit dat éénzelfde analyse tot tegengestelde conclusies kan leiden.v

SUETONIUS

11. - Chresto: Het is niet zeker wie deze Chrestus was.

- tumultuantes: Wellicht was de twist onder de joden in Rome het gevolg van de Christelijke boodschap die toen voor het eerst aan de joden in Rome werd gebracht. Suetonius had gegevens gevonden over joodse onenigheid over een zekere Chrestus. Niet-joodse auteurs schreven wel vaker Chrestus in plaats van Christus. Ofwel trok Suetonius de foute conclusie dat die Jezus zelf in Rome was ten tijde van keizer Claudius ofwel was er iemand toen te Rome die ‘Chrestus’ heette.

Deze tekst bevestigt nogmaals de aanwezigheid van christenen in Rome in de 1ste eeuw n.C.




PLINIUS DE JONGERE


A. Over de brief als geheel

1. Stijl


Plinius heeft de retorenschool gevolgd en hanteert alle stijlwetten van die school.

In deze brief: valt vooral op:

- de zucht naar nadrukkelijke tweeledigheid, hetzij als antithese hetzij als

parallellisme.

- En naast de tweeledigheid: de drieledigheid in de opsommingen.

Tweeledigheid wiegt de stijl, drieledigheid geeft volume, soms pathos.


2. Inhoud

Als we de gedachtegang van de brief reconstrueren krijgen we het volgende:

a. christen zijn is blijkbaar een misdrijf. Plinius weet niet goed waarom, stelt zich ook eerst niet de vraag. Door het misdrijf te vervolgen wordt hij hoe langer hoe meer in een juridische warwinkel verstrikt: het gaat om een misdrijf zonder echte inhoud

: door de toename van de aanklachten moet hij niet alleen méér te straffen, maar ook nagaan wat het misdrijf is. Hij kan toch geen hele volksgroepen uitroeien omdat ze ‘christen' heten, als er geen ander misdrijf is (dan hoogstens ‘bijgeloof').


Conclusie: de princeps raadplegen, wiens 'legatus' hij immers is. De inhoud van de raadpleging (= begin van de brief) is dus psychologisch het einde van de boven geschetste en

in de brief beschreven gang van zaken. De vervolging helemaal stopzetten durft hij ook niet, zowel wegens de blijkbaar onbestreden stelling dat men geen christen màg zijn, als wegens de gunstige gevolgen van een kordaat optreden.



B. Commentaar bij het tekstuittreksel

- ante lucem: waarschijnlijk zondagmorgen die een werkdag was. Met het opkomen van de dag werd de verrijzenis liturgisch gevierd; daarom ook ‘carmen Christo’

- invicem: dus in twee koren, in beurtzang; misschien iets zoals het Gloria


- iureiurando: heeft misschien iets te maken met doopbeloften

- non in scelus aliquod: dat de christenen hun liturgie voor ingewijden reserveerden, maakte hen zoals elke secte, verdacht. Daarop ontwikkelden zich allerlei verzinsels over hen (o.a. rituele kindermoord, kannibalisme: zie innoxium).


- ministrae: d.i. Plinius’ vertaling van het Griekse ‘diakonissae’. De taal van het christendom, zeker in het oosten, was Grieks. Plinius probeert de Griekse termen te verlatijnsen.




_ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ __ __ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ __ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _


ALGEMENE CONCLUSIE VAN DE ONDERZOEKSOPDRACHT

De niet-christelijke bronnen over Jezus zijn schaars en bewijzen niet dat Hij mirakels verrichtte of verrees na Zijn dood. Ze leveren wél het bewijs dat Jezus een historische figuur is geweest en wellicht door de Romeinse autoriteiten is terechtgesteld. De meeste historici baseren zich op de vele sporen die Jezus heeft nagelaten in de godsdiensten van het Midden-Oosten en op de tekstkritiek van de bestaande bronnen.

Ook al bestaat hierover een ruime consensus, toch zijn er nog enkele moderne historici die deze evidenties in twijfel trekken. Anderzijds blijven sommige gelovigen algemeen aanvaarde vervalsingen (zoals Josephus, Antiquities, 18,63-64) als authentiek verdedigen.
Tegenwoordig is het historisch onderzoek naar Jezus niet meer zo sterk gericht op het bewijzen van zijn bestaan, maar op de historische omstandigheden waaronder het christendom wortel kon schieten, en op de historische kern(en). Inmiddels wordt het nut van historisch-kritisch onderzoek door alle grote kerken erkend, maar plaatsen zij ook kritische kanttekeningen.



i Wetenschappelijke kennis verklaart verschijnselen, verwerft kennis met een objectieve methode en leidt tot

toetsbare en toepasbare theorieën.




ii De eerste niet-joodse schrijver die van belang is, schijnt een zekere Thallus te zijn. Hij schreef omstreeks 52 n.C. een geschiedeniswerk dat verloren ging. Hierover zijn we enkel geïnformeerd via citaten van Julius Africanus, een christelijke schrijver omstreeks 221 n.C. Bij de bespreking van de duisternis die over het land kwam tijdens de kruisiging van Christus, zegt die: ‘Thallus verklaart … de duisternis eenvoudig als een zonsverduistering - maar dat lijkt mij ongegrond’ (ongegrond, natuurlijk, er kan geen zonsverduistering zijn in de tijd van de volle maan, en toen Christus stierf was het de tijd van de volle maan van Pasen).

Uit deze opmerking van Julius Africanus leidt men af (a) dat het evangelieverhaal, of tenminste het traditionele lijdensverhaal, in niet-christelijke kringen in Rome bekend was omstreeks het midden van de eerste eeuw; en (b) dat de vijanden van het Christendom probeerden die christelijke overlevering te weerleggen door een natuurlijke verklaring te geven voor de feiten uit dat verhaal.

Afgezien van deze Thallus wordt er in de nog bestaande niet-christelijke, niet-joodse geschriften van de eerste eeuw nergens naar het Christendom verwezen.

Er is in het Brits Museum wel een brief die na het jaar 73 n.C. geschreven is, maar we weten niet hoevéél jaren daarna. Die brief heeft een zekere Syriër, Mara Bar-Serapion, geschreven aan zijn zoon Serapion. Mara Bar-Serapion zat toen in de gevangenis, maar hij schreef zijn zoon om hem aan te moedigen de wijsheid te zoeken, en hij wees erop dat zij die wijsgeren vervolgen door het onheil worden getroffen. Als voorbeeld noemt hij de dood van Socrates, van Pythagoras en van Christus: ‘Wat leverde het de Atheners op dat ze Socrates doodden? Hongersnood en ziekte kwamen over hen als een oordeel over hun slechte daden. Wat hadden de mensen van Samos eraan dat ze Pythagoras verbrandden? In een ogenblik werd hun land met zand bedekt. Wat hadden de Joden eraan dat ze hun wijze Koning ter dood brachten? Heel kort daarna is hun koninkrijk vernietigd. God heeft deze drie wijze mensen op rechtvaardige wijze gewroken: de Atheners kwamen om door de honger; de bewoners van Samos werden door de zee verzwolgen; de Joden, beroofd en uit hun land verdreven, zijn overal verspreid. Maar Socrates stierf niet definitief; hij leefde voort in de leer van Plato. Pythagoras is niet voorgoed dood; hij leefde voort in het standbeeld van Hera. Ook de wijze Koning is niet voorgoed dood. Hij leefde voort in de leer die Hij gegeven had’.



Deze schrijver kan haast geen Christen geweest zijn, want dan zou hij gezegd hebben dat Christus voortleeft doordat Hij uit de doden is opgestaan. Het is waarschijnlijker dat hij een niet-joodse filosoof was, die als eerste deed wat later door velen gedaan is - hij plaatse Christus op één lijn met de grote wijsgeren van de klassieke oudheid.


iii Afgezien van de joodse en christelijke schrijvers, is Tacitus de enige auteur uit de oudheid die Pilatus vermeldt. Het mag de ironie van de geschiedenis heten dat de enige keer dat Pilatus door een Romeinse geschiedschrijver genoemd wordt, dit gebeurt in verband met de rol die hij speelde in de terechtstelling van Jezus!


iv Praefectus: titel van burgers die in opdracht van de keizer een militair commando aanvoerden of een burgerlijke bestuursfunctie uitoefenden. Van 26 tot 36 na Ch. was de Romeinse ridder,Pontius Pilatus, praefectus in Judea. Een procurator was tijdens de keizertijd o.a. een gouverneur van een kleine provincie.

v F.F. BRUCE, De betrouwbaarheid van de geschriften van het Nieuwe Testament. Hoofdstuk x - Bewijsmateriaal van vroege niet-joodse schrijvers. internet.( http://www.godswoord.nl/bruce/10.asp)


‘ Dit verslag wekt niet de indruk dat het ontleend is aan … christelijke bronnen, want deze laatsten zouden Jezus niet Christus genoemd hebben. Voor Tacitus, een heiden, was Christus eenvoudig een eigennaam; … voor de christenen, was het [ = Christus] niet een naam maar een titel, het Griekse equivalent van het Semitische Messias (de Gezalfde).’



  • Doel en uitgangspunten
  • PLINIUS DE JONGERE

  • Dovnload 56.67 Kb.