Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Kohlbrugge en de afscheiding

Dovnload 255.44 Kb.

Kohlbrugge en de afscheiding



Pagina1/6
Datum28.10.2017
Grootte255.44 Kb.

Dovnload 255.44 Kb.
  1   2   3   4   5   6

KOHLBRUGGE EN DE AFSCHEIDING


KOHLBRUGGE EN DE AFSCHEIDING

Dr. H. F. Kohlbrugge, 1803-1875

Predikant te Elberfeld, Duitsland
Door
Dr. J.C.S. Locher, (1867-1940)

Predikant van de Nederlands Hervormde gemeente te Leiden

Vereniging tot uitgave van Gereformeerde geschriften, Amsterdam, 1934

STICHTING DE GIHONBRON

Voltaweg 18

MIDDELBURG

2010

INHOUD
Voorbericht
INLEIDING
I. DE AFWIJZING VAN DE AFSCHEIDING IN NEDERLAND
II. DE NEDERLANDS GEREFORMEERDE GEMEENTE TE ELBERFELD
III. DE VERHOUDING TOT DE NEDERLANDSE KERKELIJKE TOESTANDEN IN DE

TIJD NA DE VESTIGING IN ELBERFELD

Waarin vermeld: Brief van Kohlbrugge aan C. van de Oever, leraar bij de

Gereformeerde Gemeente, ‘onder het kruis’, te Rotterdam, 15 Dec. 1859.
BIJLAGE
1. Brief van dr. H. F. Kohlbrugge aan Ds. H. de Cock inzake zijn schorsing
2. Brief van Ds. A. BRUMMELKAMP te Hattem aan Dr. H. F. KOHLBRUGGE
3. Antwoord aan Ds. A. BRUMMELKAMP te Hattem van Dr. H. F. KOHLBRUGGE
4. Aan Hr. F. Lucas te Westmaas bij Oud-Beijerland
5. Kohlbrugge en Capadose, beiden uit de Réveilkring, over Afscheiding etc.


VOORBERICHT

Nu het honderd jaren geleden is, dat de Afscheiding begon, achtten wij het dienstig, deze studie in het licht te geven. We betuigen daarbij onze hartelijke dank aan Prof. Dr. J. H. F. Kohlbrugge, die ons veel belangrijke gegevens verschafte, waaruit de studie voor een groot deel is opgebouwd, en ons in de gelegenheid stelde, verschillende brieven uit het Kohlbrugge-Archief te Utrecht te raad­plegen. We danken ook het Presbyterium van de Niederländisch Reformierde Gemeinde te Elberfeld voor de gegevens ons vandaar ver­strekt.

Daar ons geschrift vooral voor Nederlandsche lezers van belang is, hebben wij de aanhalingen uit Duitse werken, die wij in de tekst opnamen, in het Nederlands vertaald.

Dezelfde reden leidde er ons toe, ons af te vragen, hoe wij de naam Kohlbrugge zou drukken, met u of ü. Na overleg met de kleinzoon van Kohlbrugge, Prof. Dr. J. H. F. Kohlbrugge te Utrecht, besloten wij het eerste te kiezen, en wel om de volgende redenen:

1°. al in oude kerkboeken van Ankum (Hzegau) in de buurt van Osna­bruck, waar de familie Kohlbrugge sedert p.l.m. 1648 woonde, komt de schrijfwijze zonder Umlaut voor, evenals men b.v. eertijd ook schreef: Osnabrugge;

2°. Voor Nederland is Umlaut op de u volstrekt niet nodig, daar wij de u zonder Umlaut nooit als oe uitspreken;

3°. Het geslacht Kohlbrugge werd vóór het einde van de vorige eeuw in Nederland ingeburgerd;

4°. Kohlbrugge zelf voelde zich tot aan het einde van zijn leven als Nederlander;

5°. De genoemde Prof. Dr. Kohl­brugge schrijft zijn familienaam sedert tientallen jaren zonder Umlaut.

Een uitzondering maken wij, waar wij de titels van andere werken aanhalen.


DE SCHRIJVER.

INLEIDING

In dit jaar 1934 is het honderd jaar geleden, dat heel Kerkelijk Nederland beroerd werd door de Afscheiding, Sommigen herdenken dat feit als aanvang van de vrij­making van de Kerk van Nederland; andere betreuren het ten zeerste als een scheuring van het lichaam van Christus.

Er was een man, die meer dan velen van de Synodale hiërarchie had te lijden gehad, namelijk Dr. H. F. Kohlbrugge, die men een paar jaren tevoren willekeurig had belet tot de Nederlands Hervormde Kerk toe te treden, zodat hij, brandende van begeerte om het Evangelie te verkondigen, daarvan verstoken werd en als ambteloos burger jaren lang in Utrecht moest leven. Waarom ging hij niet mee? Waarom weigerde hij ook later, in 1839 beslist, toen Ds. Brummel­kamp hem vriendelijk daartoe uitnodigde?

Diezelfde man werd in 1848 in Elberfeld predikant van de Niederlandisch Reformierte Gemeinde, die naast de Staatskerk, zelfs naast een tot die Staatskerk behorende Gereformeerde Gemeente, zich in Elberfeld constitueerde. Hoe kon dat?

De beantwoording van deze vragen leek ons, én met het oog op de Kerkelijke toestand in het algemeen, en met het oog op de betekenis van Kohlbrugge ook voor het heden niet zonder belang. En hetgeen daarover in het uitvoerige werk van Dr. J. van Lonkhuijzen voorkomt, leek ons niet voldoende.

Daar het Kohlbrugge-Archief te Utrecht meer dan vroeger gelegenheid geeft, de geschriften van Kohlbrugge en ook zijn correspondentie na te gaan, hebben we ons aan het werk gezet en bieden de achter­staande studie aan het publiek aan.

De inhoud berust dan ook op brieven uit die tijd en geeft de zienswijze van Kohlbrugge in verband met de tijdsomstandigheden weer. Eigen oordeel te geven lag niet in de bedoeling.

Behalve in verschillende geschriften over de levensloop van Kohlbrugge, waar de zaak vanzelf ter sprake kwam, is ons onderwerp ook behandeld in de Inleiding van de Lijst van Werken en Geschriften van en over Dr. H. F. Kohl­brugge, door J. H. F. Kohlbrugge, Amsterdam 1887 en door Ds. G. W. Locher te St. Johannesga in een reeks van artikelen in “Het Kerkblaadje”, Weekblad, destijds onder de redactie van Ds. J. C. V. Meischke te Raamsdonkveer, in het jaar 1912, negende Jaargang, No. 22-27.

Wij behandelen:


  • eerst de houding van Kohlbrugge tegen­over de afscheiding hier in Nederland;

  • daarna gaan wij na, hoe het kwam tot een afzonderlijke gemeente te Elberfeld met Kohlbrugge als predikant;

  • eindelijk zien wij, hoe Kohl­brugge zich later tegenover de verschillende kerkgemeen­schappen hier in Nederland stelde.


I. DE AFWIJZING VAN DE AFSCHEIDING IN NEDERLAND

Er was zeer zeker allerlei, waardoor Kohlbrugge op de weg van de afscheiding gedreven kon worden. De Gemeente, waarin hij geboren en opgegroeid was, de Hersteld Lutherse Gemeente te Amsterdam, had zich indertijd juist van de Evangelisch-Lutherse Gemeente afgezonderd, omdat in de laatste, volgens het oordeel van hen, die heen­gingen, de Lutherse leer niet zuiver was bewaard. Toen desniettemin ook een predikant van die Gemeente van de orthodoxe Lutherse leer bleek af te wijken, diende Kohl­brugge met andere een klacht in. In plaats van die te onderzoeken, plaatste men hem voor de keuze, haar te her­roepen of afgezet te worden als proponent. Hij koos het laatste en was nu verstoken van de gelegenheid, om Gods Woord te verkondigen.

Daarna overtuigd geworden van de waarheid van de Gereformeerde leer inzake de Uitverkiezing en het Avondmaal, trachtte hij te Utrecht lidmaat van de Hervormde Gemeente te worden en zó tot het predikambt te komen. Op schandelijk willekeurige wijze werd hem dat belet.

In Duitsland was er hoop op een beroep naar een Gemeente. Maar alle kansels van de Rijnprovincie werden hem verboden, omdat hij een tegenstander was van de vereni­ging van de Lutherse en de Gereformeerde Kerk (Unie) en de aan de Kerk voorgeschreven liturgie (Agenda).

De gedachte lag voor de hand: de Hervormde Kerk be­toont zich door de wijze waarop zij optreedt tegen de be­lijders van de gereformeerde leer en tegenover hem in het bij­zonder, als een valse kerk; waarom niet de belijders van de gereformeerde leer bijeen te roepen en een nieuwe kerk­gemeenschap te vormen? Kohlbrugge was buiten die Kerk opgegroeid. Hij werd door haar afgestoten; wat gemeenschap had hij met haar?

Zeker waren er onder die met hem verkeerden, die tot stichting van een vrije Kerk geneigd waren, b.v. Twent van Rozenburg, die aan de vrije Kerk te Genève zijn be­kering te danken had. W. de Clercq verhaalt in zijn dagboek, dat Kohlbrugge er werkelijk ernstig over gedacht zou hebben en slechts door Da Costa zou teruggehouden zijn, met wie hij vóór de briefwisseling over de preek over Rom. 7: 14 broederlijk bevriend was. Later heeft hij blijkbaar ontkend, daaraan gedacht te hebben, hoewel Da Costa beweerde het hem zwart op wit te kunnen bewijzen. Misschien geeft hier nader licht een brief, die Kohlbrugge in het jaar 1831 aan een vriend, waarschijnlijk Schröter, geschreven heeft, en die ook onder de ogen van Da Costa moet ge­komen zijn. De brief handelt vooral over een plan, om een tijdschrift op te richten. Kohlbrugge schrijft daarin het volgende:


“Ik voor mij zou niet aarzelen om er de naam aan te geven van tijdschrift ter Kerkhervorming of voor Neerlands Kerkhervorming of nog liever voor Hervormden en Her­vorming, of voor Gereformeerden en Reformatie. Het laatste is een naam, die mij zó aanstaat, dat ik er wel een grote pillegift voor zou over hebben. Wat er met onze Kerk, - ik zeg de onze, omdat ik er met mijn hart lidmaat van ben, - gebeuren zal weet ik niet, op het platteland en hier en daar in de steden, rem expertus sum,1 neemt de afzonde­ring meer en meer toe, en het hapert slechts aan één per­soon, die zich aan het hoofd stelle, en de scheiding is er. Maar hoe dit zij, en wat er kome, of de Heere vrienden of vijanden gelijkertijd in de dut zal vinden, dan of de eerste vroeger ontwaken zullen en zich openlijk zullen verklaren, dat zij zulk een anti-Christische papistische en libertijnsche leer niet langer kunnen verdragen, en nog minder dulden, dat men een uit was geboetseerd Christusbeeld, van binnen vol stro, voor de levende Christus uitroept, dit blijve toch - hoc firmiter teneamus2 - de Christelijke Religie met Oranje als beschermheer behoort ons toe, hetzij er Hervorming kome met of zonder dat wij kerkelijk gesepareerd worden. Gij verstaat mij, de oude gereformeerde kerk zien wij nimmer meer, maar er komt nog een dag van genade over Nederland, en onder Oranje als voedsterheer zien wij een Bijbels gereformeerde kerk opgericht, óf het is gedaan met Kerk, Oranje en Vaderland; verwachten wij het laatste, waartoe dan nog een geschrift zoals wij bedoelen, dan liever een Jeremiade.

Smeken wij daarentegen met veel worstelingen, tranen en verzuchtingen de God van al ontfermingen om genade en om ver­nieuwde uitstortingen van de Heilige Geest over de al oude hof en lusttuin van de Heere, en wordt het ons gegeven Amen te zeggen op dat zielsgebed, gelijk het veel geliefde Broeders en ook mij gegeven wordt van Hem, Wiens roe­pingen en verkiezingen onberouwelijk zijn, en die zich al een volk in Nederland toebereidt, dat gewillig zal zijn en zijn hals zal over hebben voor de waarheid op de dag van Zijn heirkracht, laat ons dan ons en het onze gereformeerd noemen, laat ons gereformeerd schrijven, leven, strijden, lijden, sterven. Amen.”


Niet ontkend kan worden, dat de gedachte aan de moge­lijkheid ener afscheiding bij Kohlbrugge in die dagen (1831) aanwezig is geweest. Maar wel hebben wij er op te letten, dat hij niet schrijft over “zich separeren” maar over ge­separeerd worden; het woordje “worden” heeft hij onder­streept. Ook komt duidelijk al hier uit het vasthouden aan het drievoudig snoer: Kerk, Oranje, Nederland. We hebben te onderscheiden tussen een systematisch opgezette actie tot afscheiding, waarvan niet blijkt dat Kohlbrugge ze gewild heeft, en de gedachte aan de mogelijkheid, dat het tot separatie zou komen, waarbij Kohlbrugge zich voorstelt, dat hij en wie het met hem eens waren, een passieve rol zou spelen, en waarbij geheel afkeurende kritiek niet uitgesloten is op de Kerk, zoals ze officieel door haar besturen en de meeste predikanten vertegenwoordigd werd.
In zijn brief aan De Cocq, toen deze geschorst was, gaf hij in overweging, door te blijven preken. “Ware ik predi­kant geweest, dat is, had ik handoplegging ontvangen, gelijk gij, ik zou mijn bediening blijven waarnemen... Niet geschorst, waart gij predikant van de gemeente Ulrum, geschorst, bent u het van de Gemeente te Ulrum en van al gemeenten, waar men u horen wil, Ik zeg niet, dat gij het daarom ook zo doen zou, maar ik deed het zo, indien ik predikant van de Gereformeerde Gemeente,3 en geschorst ware. Ik liet het stenen gebouw en de houten preekstoel staan waar het stond... (J. van Lonkhuijzen, Kohlbrugge en zijn prediking. Bijlage B. bl. 11).
Een zeer sterke uitdrukking vinden we in de brief aan Da Costa (Hoogst Belangrijke Briefwisseling, Tweede druk, Utrecht, C. van Bentum 1880 bl. 38).

Kohlbrugge verklaart daar uitdrukkelijk, dat een Christen volgens hem niet maar alles mag doen. “De wijngaard van de Heere heeft een om­tuining. Deze omtuining heb ik kortelijk beschreven in mijn preek (inleiding).” En nu komen de woorden: “Wilt gij er op drukken, zo verlaat een kerk, waar geen zuivere prediking van het Woord en geen tucht meer is.”

Wij moeten deze uitdrukking trachten te verklaren. Da Costa heeft in zijn brief (bl. 12) Kohlbrugge in gemoede gevraagd, hoe hij “met een gevoelen hetwelk zo rechtstreeks strijdt met de leer van onze Heidelberger Catechismus, zich met mogelijk­heid nog kon beschouwen als iemand, die, de Gereformeerde Belijdenis van harte toegedaan, alleen door de vijandschap van de mensen was verhinderd geworden, overeenkomstig die belijdenis in de Kerk, die dezelve bewaarde, te worden toegelaten.” Daartegenover heeft Kohlbrugge al op blz. 21 ge­zegd: “UEd. denkwijze, dat de tegenwoordige Hollandse Kerken haar aloude belijdenis bewaren, kan ik niet aan­nemen.”

Het gaat nu in de briefwisseling om de vraag naar de Wet. Da Costa heeft Kohlbrugge beschuldigd van Antinomianisme in zijn preek Rom. 7: 14. Kohlbrugge zegt nu, dat Da Costa als hij dan zelf nauwkeurig naar de Wet wil wandelen, deze Kerk, die de prediking van het Woord en de Sacramenten zo verwaarloost, zou dienen te verlaten.

Nog in 1850 komt de onverschilligheid tegenover het stenen gebouw naar voren in een brief aan de Heere Kol, waarin overigens de afscheiding ten sterkste verworpen wordt.

Hij schrijft daar: “Ziehier de manier waarnaar gij te handelen hebt. Ik Kol ben Nederlander en Gereformeerd. Nederlander en Gereformeerd is onafscheidelijk verbonden. Nederlands heil en welvaren en de Gereformeerde Kerk zijn vereenzelvigd. Zó heeft God het gezet van de be­ginne van de Reformatie. Scheiding of Schisma is in Neder­land nimmer te gedogen. Ik Kol maak met zo velen als er nog gereformeerd zijn de Nederlandsche Gereformeerde Kerk uit, of ik die ken of niet ken, zie of niet zie, is mij hetzelfde. Voor zover ik ze niet ken en niet zie, zeg ik, de Gereformeerde Kerk is hier, en dan wijs ik op mijn binnen­kamer op mijn Bijbel en op mijn hart. Die stenen gebouwen en wie daarin leren, gaan mij niet aan, als zij mij de ge­reformeerde leer niet brengen zij maken met hun gebouwen, leerstoelen en grote hoeveelheid de gerefor­meerde Kerk niet uit.”


Het is hier nog niet de plaats, om te wijzen op een latere wijziging in Kohlbrugge’s houding. Voor ons is op het ogenblik van belang, dat Kohlbrugge in die dagen de Nederlandsche Hervormde Kerk, zoals ze uitwendig door haar besturen vertegenwoordigd werd, niet zonder meer heeft vereenzelvigd met het lichaam van Christus. Toch heeft hij afscheiding afgekeurd. al in 1832, vóór de grote ommekeer in zijn leven, die hem van Da Costa en de zijnen scheidde, verweerde hij zich beslist tegen de aan­tijging, als zou hij afscheiding bedoelen. Dat was, toen er vanwege de cholera bidstonden werden gehouden, die niet van de officiële Kerk uitgingen. In het volk werd dat gevoeld als een “iets bijzonders willen zijn”, vromer willen zijn dan andere, als het maken van scheuringen, en men wierp bij de deelnemers de ruiten in stukken. Ook de politie keurde het af.

De aanhangers van de Conventikelen wendden zich nu met een rekwest tot de Koning en ver­zochten, zulke samenkomsten te mogen houden. Het rekwest werd opgesteld door Kohlbrugge. Tot hem wendde zich de politie om inlichtingen. Hij antwoordde schriftelijk en eindigde met deze woorden: “Tenslotte verklaren wij plechtig, dat wij het verzoek aan Z.M. gedaan, doen als lidmaten van de Gereformeerde Kerk, protesterende wij als zodanig tegen elk, die onze handelingen zou verklaren te ge­schieden om scheuring of scheiding in het Gereformeerd Kerkgenootschap te bewerken (gelijk wij gisteren ter uwer directie ons hoorden tegenvoeren) en die ons in onze rechten als gereformeerde lidmaten zou willen aanranden of ons van deze zou willen beroven.”

Waarom heeft Kohlbrugge, die toch werkelijk niet de bestuurshiërarchie de treurigste ervaringen had gehad, niet willen meedoen, om daartegenover een andere Kerk op te richten, waar zijn kinderen konden gedoopt worden en hem de vurig begeerde gelegenheid gegeven werd om Gods Woord te verkondigen? Waarom zette hij al na het gebeurde in de Hersteld Lutherse Gemeente, toen hem rijke Engelsen een aanbod deden van f 100.000, dat in financieel opzicht de weg opende tot stichting ener afzon­derlijke gemeente, eenvoudig de hoed op en ging weg? (Brief aan Freule M. Schorer te Middelburg).

Wel was Kohlbrugge in een gemeente geboren en groot­gebracht, die door afscheiding was ontstaan, de Hersteld Lutherse. Maar hij had aan den lijve ervaren, dat zulke afscheiding nog volstrekt geen zuiverheid van de leer voor de toekomst waarborgt. Men had zijn klacht immers afge­wezen en hem willen dwingen, haar te herroepen en daarmee orthodox te noemen wat hij onmogelijk als orthodox kon erkennen.

We kunnen hier verder daaraan denken, dat Kohlbrugge, die van meet af Oranje liefhad en onder de invloed van de Reveilkringen van harte vasthield aan het drievoudig snoer: Kerk, Oranje, Vaderland (zie al bovengenoemden brief aan Schröter), die evenals hij hier te lande Da Costa’s bezwaren tegen de Geest dezer eeuw van harte beaamde, ook in Duitsland zich aansloot bij de zeer conservatieve Von van de Heyds, ook op kerkelijk gebied bij al kritiek op liet doen van de besturen toch het oprichten van een tegen­kerk als een revolutionaire daad moest beschouwen. Hij wilde een weg van orde. De regering beschouwde de afscheiding als iets revolutionairs. Hoewel hij het geweld, dat tegen de Afgescheidenen door haar gepleegd werd af­keurde, moest ook dat hem tegenhouden.

Wanneer hij naderhand, in 1853, in een door hemzelf opgestelde schets van zijn leven het motief opgeeft, waarom hij niet met de afscheiding ook ging, drukt hij zich aldus uit: “Tot zijn grote grief zag hij toen de afscheiding ont­staan en de voor de kerk verderfelijke maatregelen daar­tegen. Die afscheiding te helpen, of zich aan het hoofd der zelf te zetten, kon niet in hem opkomen, hij vasthoudende aan het drievoudig snoer: Kerk, Oranje en Vaderland.

Ook wijzen we op het grote gewicht, dat hij hechtte aan de noodzakelijkheid van de kerkelijke ordening van een predikant door andere, geordende predikanten, zoals blijkt uit de aanhaling van zijn brief aan De Cocq en later uit de moeite, die hij deed, om zich te Elberfeld door een predikant te laten ordenen.

In de Reveilkring heerste zo grote vrees voor partijschap, dat sommigen, zoals Messchert en W. de Clercq zelfs bezwaren uitten tegen het uitgeven van een tijdschrift.

Vooral gold in die kring het beginsel van lijdelijkheid. Capadose had bezwaar tegen de stoomboot die op eigen kracht dreef en zich niet liet drijven. Velen met hem ver­wierpen de koepokinenting. Dat werd tot een soort wet van vroomheid. Kohlbrugge deelde die bezwaren, hoewel hij veroordeelde, dat men er een wet van maakte.4

Passief te zijn, daartoe vermaande Kohlbrugge ook De Cocq in zijn al boven aangehaalde brief. Men heeft dat “passief” zijn gemaakt tot het hoofdbeginsel van Kohlbrugge’s prediking en doen, en zich dan verwonderd, dat hijzelf er soms van bleek af te wijken. We moeten hem echter in deze goed verstaan.

Boven haalden wij aan hetgeen Kohlbrugge zeide, dat hij doen zou in het geval van De Cocq: “Ik liet het stenen gebouw en de houten preekstoel staan waar het stond.” Hierop laat hij volgen: “verzette mij tegen elke gewelddadigheid, die de een of ander zou willen voorstellen ter van mijn bescherming tegen het wettig bestuur, en liet met mij doen, wat men goed vond. Geweld hebben de Apostelen niet gebruikt. Kracht of geweld van mensen, vleselijke wapenen doen het ook niet, maar zijn een gruwel in Gods ogen, en zijn altijd nadelig voor de zaak van de Waarheid, zoals de geschiedenis van de Hussieten duidelijk bewijst.” En hierop volgt nu: “Passief moeten wij zijn in alles; daarmee verwerven wij ons wel geen vrienden, maar dat doet er niet toe. Die er op willen slaan, zijn helpers van de duivel. De apostelen van de Heere geroepen, gehoorzaamden in alles het wettig gezag, maar hun lippen lieten zij niet bedwingen, zij lieten zich geselen en boeien met een vrolijk gelaat, stenige en half dood slaan, maar in hun ambt, hun van de Heere toevertrouwd, waren zij getrouw.”

Dat laatste geeft aan de hele “passiviteit” een ander aanzien. Zijn passiviteit staat tegenover het gaan buiten zijn roeping, het plegen van geweld. Maar ze sluit niet uit het nakomen van de roeping. In die dagen was Kohlbrugge over­tuigd, dat De Cocq, die eenmaal de handoplegging had, door moest gaan met prediken, wat er dan ook van kwam. Zó zou men het heil van de Heere gezien hebben. De Cocq was eerst lijdelijker dan Kohlbrugge wilde, predikte niet. Maar naderhand scheidde hij zich af en ging tot formatie van eigen kerk over,


Intussen was er nog iets anders gebeurd. Juist het punt van de lijdelijkheid komt ter sprake in de preek, door Kohl­brugge op 31 Juli 1833 te Elberfeld gehouden over Rom. 7: 14, Die preek is de uiting van de grote ommekeer in zijn leven, van zijn tweede bekering, van de wet van de werken tot de volheid van de genade. Niet dit predikte hij dat we van de heilige Wet Gods ontslagen zijn, om te kunnen doen wat wij willen. De Wet handhaafde hij ten zeerste in haar volle heiligheid. Maar het doen van de mensen, die de Wet zelf ter hand neemt om al heiliger te worden, valt onder het oordeel. Een andere weg wordt er aangewezen voor hem, die, bij al kennis van zijn vleselijk zijn, begeert heilig te wandelen: de weg des geloofs in Christus, Die Zelf de planten reinigt, die Hij geplant heeft.

In dat getuigenis zag Kohlbrugge van nu aan zijn zending. De strijd ging niet alleen tegen het rationalisme, tegen hen, die de hoofdwaarheden van het Christendom min of meer ontkenden, tegen hen, die de mannen van het Reveil en degenen die zich straks afscheidden op dezelfde hatelijke manier bejegenden als ze Kohlbrugge gedaan hadden. De strijd ging tegen het fijne Pelagianisme, dat hij zag in het eigen legerkamp.

Tegen dat getuigenis kwam men van alle kanten op. In het Wupperdal, in de kring van het Reveil, waarbij we vooral denken aan Da Costa, die aan Kohlbrugge de bekende brief schreef. En ook zij, die zich straks zou afscheiden, sloten zich aan bij de veroordeling van die preek, omdat zij Antinomianisme zou bevatten. Vooral zal Scholte die beschuldiging hebben geuit, die, meer dan de Cocq, stond onder de invloed van Da Costa. Ten sterkste zal dat uitgekomen zijn in een voorval, dat mij mondeling eens door Ds. B. Lütge is meegedeeld. Scholte zou tot Kohlbrugge gezegd hebben: Die preek van jou over Rom. 7: 14 is vervloekt; waarop het antwoord zou gevallen zijn: Dan bent u ook vervloekt met al uw doen.

Hierop zal vooral zien de scherpe beschuldiging, die Kohlbrugge in 1839 in zijn brief aan Brummelkamp5 uitte, toen deze hem vroeg, of hij een beroep van een afge­scheidene gemeente in overweging zou nemen. Hij zegt daar’ “Brummelkamp, voordat er een Afgescheidene Ge­meente was, is er een zonde begaan, is er onschuldig bloed vergoten gelaten, dat de vloek heeft doen kleven ook op die en die, die de Afscheiding begonnen, voortgezet en tot hiertoe samengehouden hebben, en dat hetzij men zich daarvan bewust of onbewust was; op al kleeft dat oordeel, die die zonde begaan of zich aan de vergieters van dat bloed aangesloten hebben en die, zolang het eigen er niet ook gemoeid was, gehoorzaamd hebben; zonder die zonde was er zeker geen afscheiding gekomen, en gijlieden hadt het heil van de Heere gezien met kracht, met wonderen en met tekenen van de God Israëls.”


Hier is de vraag, wat er onder dat vergieten van onschuldig bloed is te verstaan. Meer dan eens beklaagt Kohlbrugge er zich over, dat men hem eigenlijk na het willekeurig beletten van zijn toetreding tot de Hervormde Kerk alleen heeft laten staan, dat toen niemand zich ver­roerd heeft, ook zij niet, die later de afscheiding begonnen. Hij noemt in dat verband de handelwijze van de Hervormde besturen een moord (Brief aan W. de Clercq, 1840). Het zou in de lijn van zijn gedachte liggen te veronderstellen, dat, als er toen een krachtig protest gekomen was, de Kerk op een ongedachte wijze was bevrijd.

Intussen geeft Kohlbrugge in het jaar 1863 in een brief aan Lucas een andere uit­legging aan de uitdrukking “onschuldig bloed vergieten.” Lucas had toen blijkbaar over zijn brief aan Brummelkamp gevraagd. Hij schrijft daar die brief aan Ds. B. in 1839 geschreven, heb ik niet in mijn hoofd; ik bezit er ook geen copie van. Voor jaren zag ik die brief met die van B. gedrukt; die van B. zonder spelfouten, de mijne van spelfouten kriellende. Ik had gewenst, dat gij de eigen woorden of volzin mij had voorgelegd. Hoe dit zij, in 1833 verscheen van mij één leerrede over Rom. 7: 14, Zij die spoedig daarop de afscheiding invoerden, verwierpen die leerrede en beschuldigden mij van Antinomismus of wets­bestrijding. Ik doorliep toen al boeken, die ooit van de antinomianen uitgegeven zijn. Dat noemde ik en dat noem ik nog onschuldig bloed vergieten, iemand te beschuldigen van die ketterij aller ketterijen, waarvan mijn ziel een afschuw heeft. Zij verwierpen in mijn persoon het getuige­nis, waarin de redding van land en kerk lag. Tegen al mijn waarschuwen aan werd de afscheiding begonnen en door­gezet. Honderden die zich afscheidden, vraagden eerst bij mij aan, ik zou hun in de Naam van de Heere zeggen, wat hier de rechte weg was, het welk zij dan aanhoorden; weer en weer komende, zeiden zij eindelijk, zij hadden er geen licht in, en scheidden zich intussen spoedig daarop af. Zij, die de kerk waren, gingen kerkjes stichten, lieten zich door deels onbekeerde jongens drijven om naar vlees te kunnen wandelen en verwierpen in mij de door God ge­zonden en door veel lijden toebereiden getuige, die weer met de leer kwam, welke God op het hoogst verhoogt en de mens op het diepst verootmoedigt. Die ik liefhad keerden mij de rug toe en de vijanden hadden hun wil.”


En nu lezen wij verder in de brief aan Brummelkamp. Ook daar verhaalt hij, hoe ze te Utrecht vóór de afschei­ding al (tot één toe) persoonlijk omgang met hem hebben gehad, maar hoe ze de één na de ander hem hadden ver­laten, zich stotende aan zijn getuigenis. Hij schildert zijn toestand in die dagen:

“Wat kon ik arme man doen? Eerst uitgesloten van het Lutherse Consistorie, toen drie jaren gekweld van alles wat heerschappij usurpeert in de Her­vormde Kerk, en uitgesloten ten laatste met vrouw en kin­deren van het Lidmaatschap en de Sacramenten; toen door het Pruisische Ministerie van de kansel van de Rhijn-Provinciën voor altijd verbannen, omdat ik geen Union of Agenda goed kon heten, toen bij mijn terugkomst slechts door een enkele getroost, van bijna al verworpen; toen is men met een Afscheiding op de been gekomen, men heeft mij niet gezocht, niet gevraagd, wat moest ik toen doen? Moest ik Scholte of een andere voorganger van de Afge­scheidenen nalopen en zeggen: Neem mij toch in uw mid­den op? Laat mij ook doen, ik moet ook zitting hebben, ook Synode houden, ook wetten en bestellingen maken? - Zo had ik mij ongeroepen moeten indringen, en dat in een tijd dat men het goede pand, dat de Heere mij heeft toebetrouwd, op het hevigst begonnen was te verachten? In een tijd, toen de Heere mij deed zien en onbewimpeld ge­tuigen, dat juist zij, die het meest van de gerechtigheid Christus spraken, zo weinig tot die gerechtigheid Gods, geopenbaard in het Evangelie van de Gezalfden, kwamen, dat zij, in stede daarvan, toen zij bezig waren om, gelijk zij zeiden, de Heere enen tempel te bouwen, juist die ter zijde legden, die van die gerechtigheid getuigde naar de wil Gods op Zijn heiligen last.”

Hij verklaart dan ook in die brief: “de leer uwer Gemeente is niet de lere Christus.” Dat moet daarop zien, dat de vooraanstaanden onder hen die prediking van de gerechtigheid van Christus alleen verwierpen, en dat er, zoals hij in het vervolg aanhaalde, nooit iemand op dat getuigenis is teruggekeerd”.6

Hij neemt daarbij volstrekt niet de partij op van hun vervolgers: “Ik ben ulieden niet vijandig, integendeel, allen, die ulieden vijandig zijn, zullen het oordeel dragen. Het Gouvernement en de Gouvernementskerk hebben gezondigd met u te vervolgen, te kwellen, te martelen. De niet-Afgescheidenen, die daar zeggen: “Wij belijden uw leer, wij zijn uw broeders”, hebben gezondigd, dat zij zich niet bij u gevoegd hebben. Maar gijlieden hebt, hetzij dadelijk, hetzij door gemeen­schap gezondigd, dat gij, een tempel bouwende, de Hoeksteen Gods verworpen hebt, de alleengeborenen Zoon Gods, Die de hemel tot Zijn troon heeft en de aarde tot een voetbank van Zijn voeten.”

Het verband, dat Kohlbrugge legde tussen de afscheiding en de verwerping van zijn preek over Rom. 7: 14, blijkt ook uit hetgeen hij schrijft aan Van Heumen de 22 October 1835:

“Sch... stond ook op het punt; (ik) heb hem opge­zocht en gevraagd of de afgescheidenen niet tegen mijn preek waren over Rom. 7. “ja!” of hij er nog mee eens was? “ja!” of hij dubbende was over de afscheiding? “ja!” Daarop heb ik hem gezegd, dat ik hem verzocht, eerst mijn preek te herroepen, die af te keuren of te verwerpen, aangezien hij er over stond om met de verwerpers daarvan gemeenschap te hebben - dat hier geen derde plaats kon hebben en ik hem anders voor een huichelaar moest houden, maar dat zo hij dezelve verwierp, hij een afvallige van Christus was; of er dan een afval van de heiligen was; waarop ik natuurlijk antwoordde “nee”, maar vraagde hem toen wat er van Gods volk geworden was, dat met Mozes door de Rode Zee was gegaan, en wat de oorzaak van deszelfs ondergang was geweest...” (Zie ook v. Lonkhuijzen t.a.pl. blz. 196).

Ongeveer hetzelfde zeide Kohlbrugge volgens de uitge­geven Brieven (blz. 24, 25) tot zekere L. Als de afschei­ding van God was, dan moesten zij met die preek (over Rom. 7: 14) naar de afgescheidenen gaan, en hun overeenstemming vragen, en als ze die niet kregen, dat zij dan die preek aan stukken zou scheuren. Maar dat zij Hebr. 6: 4-8 niet zou kunnen aan stukken scheuren.

Kohlbrugge oordeelde dus, dat de beweging van de afschei­ding en het aannemen en werkelijk beamen van hetgeen hij in die preek betuigde, niet met elkaar kon bestaan. Hij heeft dus de afscheiding blijkbaar beschouwd niet als iets waartoe hij van God geroepen was, maar als een werk des vleses, waarbij de mens het zoekt in zijn eigen doen, en waarin hij juist door de Wet veroordeeld wordt. Hij kon niet ook gaan en bleef liever ambteloos, eenzaam in zijn woning te Utrecht, slechts met enkele vrienden corresponderende, dan mee te gaan met de afscheiding, die hem, de begaafde prediker, zeker gelegenheid zou geboden hebben tot verkondiging van Gods Woord.

Zó bleef het tot zijn tweede verblijf in Duitsland, dat zulk een ommekeer in zijn lot zou brengen. Daar zou hem langs een ongedachte weg de toegang tot de kansel geopend worden.


  1   2   3   4   5   6

  • VOORBERICHT
  • INLEIDING
  • I. DE AFWIJZING VAN DE AFSCHEIDING IN NEDERLAND

  • Dovnload 255.44 Kb.