Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Kohlbrugge en de afscheiding

Dovnload 255.44 Kb.

Kohlbrugge en de afscheiding



Pagina2/6
Datum28.10.2017
Grootte255.44 Kb.

Dovnload 255.44 Kb.
1   2   3   4   5   6

II. DE NEDERLANDS GEREFORMEERDE GEMEENTE TE ELBERFELD

Tegenover het scherpe afwijzen van de afscheiding staat het predikant worden van de “Niederländisch Reformirte Gemeinde” in Elberfeld. Al ligt hierin geen tegenstelling, zo is ze toch herhaaldelijk gemaakt. Men verweet Kohlbrugge inconsequentie en daarom moeten wij er dieper op ingaan. Wij moeten dus de wording dezer gemeente nauwkeurig onderzoeken.


Daar na het overlijden van zijn vrouw zijn gezondheid ernstig geschokt was, zocht Kohlbrugge in 1833 op geneeskundig advies herstel te Godesberg aan de Rijn. Hier kwam hij in relatie met gelovigen uit de omgeving, vooral uit het Wupperdal, dat vanouds als gereformeerd bekend stond. Een gevolg was, dat de predikanten hem uitnodig­den kerkbeurten voor hen waar te nemen. Bij de voor­bereiding van een van die beurten werden zijn ogen ge­opend voor Rom. 7: 14 en wat hij daarin las, werd be­slissend voor zijn hele verdere leven en het bepaalde zijn leer. Daarop werd boven al gewezen.

Nu viel zijn verblijf te Godesberg samen met het in 1830 begonnen streven van de Pruisische regering, (men kan wel­licht nog beter zeggen van Koning Friedrich Wilhelm III) om de Luthersche en Gereformeerde Kerkgemeenschappen te verenigen. Daar er verder veel klachten waren over de wijze waarop de predikanten hun taak opvatten, zo werd tevens een Agenda opgemaakt, tal van voorschriften brengende, zoals liturgie voor de openbaren eer dienst enz. De predikanten, die zich niet onderwerpen wilden, werden met ontslag bedreigd.

Uit het feit nu, dat Kohl­brugge, die Luthers was geweest, trachtte gereformeerd te worden, leidde het provinciale consistorie af, dat hij tegen de Unie was. Dit en het feit dat hij een buitenlander was en dus (zo beweerde men) de Duitse taal niet vol doende beheerste, werd als argument gebruikt om hem van de kansel te weren.

Ook wilde men hem niet tot het examen pro licentia concionandi (om het preekrecht te verkrijgen) toelaten (schrijven 22 October 1833). Kohl­brugge zelf wenste het examen pro ministerio te doen, waardoor hij beroepbaar zou worden. Daar men op de door hem ingediende verdediging en het verzoekschrift niet inging, bleef hem niets anders over dan de Rijnprovincie te verlaten, waar elk openbaar optreden hem verboden was.

Toen Kohlbrugge aan de kinderen op de catechisatie (19 Maart 1868) het ontstaan van de gemeente uitlegde, zeide hij het volgende:

“In het jaar 1830 werd hier (in Elberfeld) in de Gemeente (gereformeerde) een Agenda ingevoerd, dat is een voor­schrift, hoe de predikanten in de Kerk moeten bidden. Koning Friedrich Wilhelm III ergerde er zich namelijk over, dat in zijn land menig predikant zo zonder voorbereiding de kansel beklom en zoveel veronachtzaamde. Dan was het ook zijn wens, de Gereformeerden en de Luthersen zoveel als mogelijk met elkaar te verenige. Die ge­dachte was iets moois voor zijn koninklijk hart. Ik zelf houd ook zeer veel van Luther en heb van Luther veel meer gelezen dan van Calvijn. Het beste, dat de Lutherse Kerk ooit heeft gehad, is mij in hoofd en ziel gegaan, zodat ik het in mij omdraag, (In een officieel schrijven van 1833 verklaart hij uitdrukkelijk niet tegen de vereniging te zijn).

Toen ik in het jaar 1833 hier was, werd er veel ge­sproken van de Agenda. Ook de predikanten waren er tegen en wilden ze eerst volstrekt niet aannemen, en ook de mensen, die toenmaals leefden, uw ouders en groot­ouders, waren verschrikkelijk tegen de Agenda. Ik was als gast hierheen gekomen. Zo dikwijls ik preekte, was de kerk zó vol, dat de mensen elkaar verdrongen. Toen de Regering in Coblenz mij vroeg, of ik de Agenda zou aannemen, als ik een beroep hierheen zou krijgen, ant­woordde ik: “Nee! Dat is wel goed voor de Kerken in de andere provincies, maar voor de Kerk van de Rijn-Provincie is het verderfelijk, voornamelijk omdat de beste gemeenteleden er tegen zijn.7 Overigens zult gij met deze Agenda slechts een brug bouwen voor de Roomsen en uzelf verzwakken. Dat werd mij kwalijk genomen, en er kwam een gebod. volgens hetwelk mij al kansels van de Rijn Provincie verboden werden. Ik zond nu dat verbod van Coblenz aan de toenmalige Kroonprins. Deze kwam te Coblenz, om te horen, of alles zó gegaan was. Hij liet aan de heren hun bevel zien en verlangde van hen, dat zij het zou terugnemen, Zij schrokken en ontboden mij naar Coblenz. Ik zeide hen opnieuw mijn mening. Maar één onder hen bleef op zijn wil staan en zette hem door, in plaats van de wens van de Kroonprins te vervullen. Ik keerde dus weer naar Holland terug.”
Bovendien was Kohlbrugge hersteld en keerde hij dus ook terwille van zijn kinderen naar Utrecht terug. Deze kinderen waren nog klein (geboren 1830 en 1832). Hij huwde ten tweede male, en wel met Freule U. van Verschuer. Daar er nu veel jaren volgden gedurende welke hij werkeloos blijven moest, onderrichtte hij de twee jongens zelf. Toen de twee jongens echter 12 en 14 jaar oud geworden waren, moest de beroepskeuze overwogen worden, en deze viel zo uit, dat zij voor de verdere studie niet in Utrecht konden blijven. De een wilde naar een landbouwschool, de andere naar de militaire academie. Daardoor stegen de uitgaven van het gezin (er was nog een dochter uit het tweede huwelijk) in die mate, dat er over een verandering in levenswijze moest gedacht worden. Bovendien was het huis voor het gezin nu te groot.

Niet minder belangrijk voor Kohlbrugge was het zielelijden, dat hij Gods Woord niet kon verkondigen. De Bijbelbesprekin­gen, steeds te Utrecht gehouden, begonnen te verlopen, ook tengevolge van de tegenstand tegen de preek over Rom. 7: 14. Wellicht zou er zich in Duitsland een andere weg openen. Deze gedachte of wens werd opgewekt en levendig gehouden door de correspondentie met de vrienden in het Wupperdal en de bezoeken, die zij Hem te Utrecht brachten. Zij, die hij hem kwamen waren degenen, die bovengenoemde Unie en de daaraan aansluitende kerke­lijke wet (agenda en kerkorde) niet wensten te aan­vaarden. Deze leden van de gereformeerde gemeente te Elber­feld hadden dan ook tegen deze door de Koning eigen­machtig bevolen nieuwigheden geprotesteerd. Zij beschouw­den deze als onwettig en verklaarden, dat hun rechten als “Gemeindeverordneter en “Gemeindeglieder verkracht waren.

Toen dit tot geen praktische resultaten leidde, ver­braken zij het contact met de kerk8 in die zin dat zij de openbare eredienst niet meer bijwoonden en de sacramenten niet meer gebruikten. Zij hoopten nu in Dr. Kohlbrugge een voorganger te kunnen vinden.
Naast deze weg, die tot een (voorlopig geheel onzeker) resultaat zou kunnen leiden, stond nog een andere weg open, die het echtpaar veel sympathieker was. Beiden hingen zeer aan hun vaderland en verlangden met hart en ziel daar te blijven. Alles werd nu, vooral door Mevr. Kohlbrugge en haar broers beproefd om Dr. Kohlbrugge toch nog in de gerefor­meerde kerk opgenomen te krijgen en zo tot het predik­ambt de weg te banen, of hem tot hoogleraar in de Oosterse talen te doen benoemen.

Hier zou men Dr. Kohlbrugge een zekere inconsequentie kunnen verwijten. Want hij, die steeds voor de lijdzaamheid was geweest, week nu daar vanaf. Wat hem dreef was vooral liefde tot zijn land. Hij, zijn vrouw en dochter schrokken voor de gedachte terug, zich in Duitsland te moeten vestigen. Het is dan ook een feit, dat toen het toch daartoe gekomen was, zij zich in Duitsland steeds als bannelingen hebben gevoeld, die nimmer aan het eigenaardige mensen­slag in het Wupperdal konden wennen. De gehechtheid van beiden aan hun land, die zich in tal van brieven uit, het heimwee, het reikhalzend uitzien of zich toch niet nog een weg zou openen tot een betrekking in eigen land, zijn aandoenlijk,


Het heeft geen doel op de boven aangeduide wanhopige pogingen gedurende de jaren 1844 en 1845 in te gaan, daar zij op niets uitliepen.9 Er bleef dus niets anders over dan aan de roepstem uit Duitsland gevolg te geven en te zien of daar iets te bereiken viel. Echter rees er nog een ander bezwaar naast het al genoemde. De man, die hem gedurig bestormde om naar Elberfeld te komen was de heer Karl von van de Heydt en deze neigde tot separatisme. Het probleem was dus: Er zijn veel herderloze schapen in Elberfeld, kunnen zij zonder separatie geholpen worden? Dat dit veel strijd zou geven, ligt voor de hand.

Zo bleef men twijfelen, tot een onverwacht feit plotse­ling er toe dreef een beslissing te nemen. Het sedert 1833 bewoonde grote oude huis onderging een invasie van wand­luizen (Brief aan Wichelhaus 29 Oct. 1856), die het huis onbewoonbaar maakte. Men pakte nu alles in, liet echter de inboedel te Utrecht en verliet deze stad (24 Aug. 1845) en het land (4 Sept. 1845). Men trok naar het aan Dr. Kohlbrugge sedert 1833 bekend geworden en daarna nog herhaaldelijk (1838 en 1841) bezochte Godesberg. Daar wilde men vooreerst in een pension gaan wonen (met het dochtertje in twee kamers). Daar heeft hij ijverig gewerkt aan Duitse publicaties (Wozu das alte Testament; en Psalm 50).

Nu was Godesberg een welbekende uitspanningsplaats gedurende de zomermaanden en zo zag Dr. Kohlbrugge zich spoedig omringd door een kring van vrienden (20 personen uit Keulen, Bonn en Elberfeld) aan wie hij Gods Woord verkondigde. Vooruitzichten kon dit zo veel minder openen daar deze vrienden gedurende najaar en winter wegbleven. Na een korte reis naar Holland in de maand November volgden dus zeer stille wintermaanden te Godesberg, zonder vaste plannen of vooruitzichten.

In Maart 1846 kwamen weer enige van de oude vrienden naar Godesberg. In gemeenschappelijk overleg werd het plan besproken of Dr. Kohlbrugge naar Elberfeld zou verhuizen om daar het Woord te verkondigen aan hen, die de Kerk niet meer bezochten (Brief 3 Sept. 1846). Het enige bezwaar was, dat Dr. Kohlbrugge (terwille van zijn vrouw) er niet aan wilde. Zijn vrouw overwon echter zijn tegenstand met de woorden: “Alles er aan, alles er aan, lieve Ko, als er maar zielen gered worden.”

Godesberg werd de 14de April verlaten om de zaken in Holland af te wikkelen en de 4e Juni kwamen zij in Elberfeld aan Hun huisraad zou spoedig volgen. Voorlopig namen zij hun intrek in het huis van de familie Von van de Heydt. De 6e Juni werd hem daar een adres overhandigd, waarvan de inhoud was: een soort beroep met toezegging van salaris, getekend door 21 gemeenteleden.

Eerst werden godsdienstoefeningen gehouden in eigen huis, later in een groter lokaal, waarop een nog groter zou volgen. Uit de in die tijd naar Holland geschreven brieven blijkt steeds het vurig verlangen, dat dit optreden niet tot separatie zou voeren. Om zijn toehoorders weer tot hun kerk terug te brengen was het echter noodzake­lijk, dat ook de Evangelisch Gereformeerde Gemeente bevrijd werd van Agenda en Kerkorde, waarna niets de hereniging in de weg stond.

Om dit te bevorderen werden door Kohlbrugge bezoeken afgelegd bij al predikanten van de Evangelisch Gereformeerde gemeente: “Alle betoonden hartelijkheid en ingenomenheid met de overkomst van de Nederlandse leraar. Veel predi­kanten uit Elberfeld en omgeving kwamen luisteren en de eerste maanden bleek alles vanzelf te gaan” (Mevrouw Kohlbrugge aan Mevrouw Boissevain).

Wat er bij de ge­noemde bezoeken besproken werd gaf hij zelf weer met deze woorden: “Toen ging ik tot de predikanten en zeide tot hen: Ik zal lid worden van uw gemeente, wilt gij mij opnemen en samen met mij werken, dan zal ik er voor zorgen, dat wij weer vrij komen van de Agenda. Hiermee waren zij tevreden, zij wilden mij aannemen als vierde predikant.”

Hoe kon hij zo spreken? Wij hebben boven gezien, dat de Kroonprins van Pruisen belang in hem had gesteld en deze was sinds 1840 Koning geworden; Kohlbrugge ver­trouwde dus op hem te kunnen rekenen: “Ik wist uit be­trouwbare bron, dat ik door mijn betrekkingen in Berlijn de Gemeente hier van de Agenda zou vrij maken.”

Kohlbrugge had invloedrijke relaties in Berlijn (door de familie Von der Heydt, waarvan er één minister was) verkregen en kon zich, waar men om aanbeveling vroeg, beroepen op Minister van Zuylen in de Haag, die gedaan had wat hij kon, om Kohlbrugge in Neder­land aan zijn recht te helpen (opname in de Nederl. Hervormde Kerk). Al de 6e October 1846 kon hij naar Holland schrijven: “De Hofprediker en particuliere raad des Konings te Berlijn heeft mij een zeer aangenaam blijk van toegenegenheid doen toekomen. Men begint te be­grijpen dat ik van nut zou kunnen zijn. Niets zal mij in de weg gelegd worden” enz. (Brieven, uitgegeven door Eduard Böhl, Utrecht 1877, blz. 241).

Dat de verhouding tot de predikanten van de Gereformeerde Gemeente eerst werkelijk hartelijk was blijkt uit het vol­gende: Zijn prediken in een lokaal werd ook bekend aan het consistorie van de Rijnprovincie en dit deed bij het Pres­byterium van de Evangelisch Gereformeerde Gemeente navraag naar zijn bedoelingen: “Deze is eenparig door predikanten

en ouderlingen allergunstigst beantwoord. Men is zelfs zó ver gegaan met te verzoeken Kohlbrugge rustig te laten voortgaan, als het beste middel om de separatie langzaam te doen ophouden.”

De Superintendent Esch zond hem een officieel schrijven met de vraag naar het doel van de gehouden samen­komsten. Uit het antwoord (Aug. 1846) nemen wij het volgende over:

“Door omstandigheden, die niet in mijn macht lagen, noch liggen, ben ik noch lid van de Lutherse Kerk, die ik uit overtuiging verlaten heb, noch van de Gereformeerde Kerk, die mij in mijn vaderland de opneming tot dusver heeft geweigerd. Hier in Elberfeld is er, zoals U bekend zal zijn, een aantal Christenen, die volgens hun opgave terwille van de liturgie, die er ingevoerd is, zich van de godsdienstoefeningen en Sacramenten van de Gerefor­meerde Gemeente alhier sedert 10 jaren hebben onthouden; daar deze dus voor zich en hun kinderen de bediening van het Woord en de zielzorg missen, heb ik mij op verzoek van enige van hen bereid laten vinden, mij voor enige tijd in Elberfeld op te houden en hen met Gods Woord te dienen. Ik verklaar daarbij graag, dat het mijn innigste wens is, hen in de vooronderstelling, dat de aanstoot voor hun geweten weggeruimd wordt, weer in de volle gemeen­schap van de Gemeente te kunnen terugbrengen.” Men lette vooral op de woorden voor enige tijd, die naar wij zien zullen een diepere betekenis hadden.

De gebroeders C. en D. v. d. Heydt stelden aan de kerkeraad van de Ey, Geref. Gemeente voor “K. als lidmaat aan te nemen, hem vrijheid te verlenen de Sacramenten te bedienen en hem goedgunstig de kerk af te staan om te 11 en 7 uur van de Zondags te kunnen preken. Daarentegen verbinden zij zich om al lasten van de kerk ook te dragen, aanvaarden de gemeenschap van de Kerk opnieuw en verbinden zich in broederlijke liefde aan dezelve.” Men schijnt deze brief maandenlang onbeantwoord te hebben gelaten en welk antwoord eindelijk ontvangen werd, bleef mij onbekend.

Mevr. Kohlbrugge schrijft over deze tijd, dat allen, die Kohlbrugge be­zochten door hem vermaand werden de openbare eredienst van de Gereformere Kerk niet te verwaarlozen.”

Zijn oefe­ningen hield hij op uren die niet samenvielen met de open­baren eer dienst.

“Kohlbrugge wandelt heel voorzichtig, vertoont zich nergens, snijdt alles af wat beweging kan maken. Wij vragen naar niets en horen niets. De gereformeerde predi­kanten blijven hem genegen. De Lutherse predikant Sander heeft voor enige tijd zich geuit er tegen te zijn, dat de leden van zZijn kerk Kohlbrugge kwamen horen. Die worden al zonder onderscheid bij ons aan de deur weggezonden. De kerkeraad van de Luthersen is zeer voor Kohlbrugge en heeft zich verbonden niets tegen hem te doen.”


Men had Kohlbrugge allerlei voorgespiegeld. De twee predikanten. Krummacher en Ball, die zich later als zijn grootste tegen­standers ontpopten, verzekerden alles te zullen doen, dat de Agenda weer afgeschaft werd, dat men hem daarna in de rij van de predikanten zou opnemen, waardoor alles ook voor de losgerukte gemeenteleden weer in orde zou komen (24 Nov. 1846; Brieven van Dr. H. F. Kohlbrugge, blz. 242).

Begin November 1846 bracht Kohlbrugge een bezoek aan predikant Ball, toen praeses van de kerkeraad, en verzocht opge­nomen te worden als lidmaat van de Evangelisch Gereformeerde Kerk. De kerkeraad antwoordde gunstig en de aanneming had plaats in de kerkekamer in tegenwoordigheid van alle predikanten (Brieven van Dr. H. F. K., blz. 242). Kohlbrugge was over­gelukkig nu eindelijk in een Kerk te zijn opgenomen. Boven­dien was in de akte van opname uitdrukkelijk verklaard, dat men hem goed Gereformeerd bevonden had. Wat men hem in Holland had geweigerd, had dus hier plaats gehad!

Bij zijn schriftelijke aanvraag om aanneming had hij er op gewezen, dat hij zich niet wenste te onderwerpen aan Agenda en kerkorde.10

Bij de aanneming zelf werd het onderwerp niet meer genoemd. In de Brieven (blz. 246) lezen wij, dat hij aan de predikanten had verklaard, “dat zij mijn stap niet als voor mij, of als geïsoleerd te be­schouwen hadden, maar geschied om al separatie te voor­komen, en om de kerk te Elberfeld te verlossen van hetgeen zo op al gewetens drukt.”

Op blz. 248 van de Brieven lezen wij deze woorden van Ds. Krummacher (den meest invloed­rijke predikant te Elberfeld) (Palmblatter III, 1846, blz. 372): “Dat elk streven naar het vormen ener secte hem vreemd is, is nu genoegzaam vastgesteld.

In de Brieven (blz. 278) staat verder: “Mijn streven is nu om de Elberfeldsche kerk van de Agenda vrij te krijgen, en dan ben ik van latere zorg. Maar nog eens, ik leef bij de dag en mik op het hart.”

Wat de Ev. Gereformeerde Gemeente dacht geeft hij op blz. 249 weer: “In de gemeente is de stemming nu verbazend voor mij toegenomen, vooral nu bekend is geworden hoe ik ben aangenomen en wat ik beoogd heb.”
Volgens Mevrouw Kohlbrugge bemerkte men spoedig, dat men er spijt van had. Bij Kohlbrugge had eerst de blijdschap overwogen, die in de brieven van zijn vrouw uitkomt. Toen hij daarna op tegenstand stuitte, zag hij veel dingen in een ander licht. Reeds 24 November schreef hij, dat men hem de dag voor de opname bericht had “dat alles op de been was, dat ik niet zou aangenomen worden.” Het feit, dat de aanneming eerst slechts door de praeses Ball en twee ouderlingen zou geschieden, terwijl daarna al predikanten besloten er bij tegenwoordig te zijn wees er ook op, dat men hem met vereende krachten wilde examineren. Hij beschrijft de scène later als volgt (Brieven blz. 243): “Na een gebed en voorlezing van Joh. 17 werd mij voorgesteld, mij te verklaren over de wet, over de ont­vangenis onzes Heeren en over de kinderdoop. Ik kwam aan het eerste. Krummacher was de belhamel. Mijn sterke verklaring tegen al wetsbestrijding werkte te zeer op de gewetens en het brak af.

Toen werd mijn boek over. Matth. 1 ter tafel gebracht (pag. 91): “Dat moet hij weder­roepen”, riep Krummacher.

Ik: dat doe ik niet’’.

“Verklaring dan!” Ik hield hun daarentegen alle leer, die de zonde in de materie zoekt, en de gruwelijke consequenties, die men er uit trok, voor. Toen brak het weer af. Daarop van Thamar. Zij konden niet vinden dat Thamar bevel daartoe had gehad. Ik wees het hun aan en kreeg ze eindelijk tot staan met hen te overtuigen, dat Thamar recht en gerech­tigheid gezocht had.

Ds. Krummacher zocht en bladerde intussen al meer. Toen was het: of ik tegen de kinder­doop was, en waarom ik mijn kinderen niet had laten doppen.

Ik expliceerde hun zulks.

Toen: waarom ik niet kerkelijk getrouwd was?

Ik verhaalde dat Ds. Laatsman bij ons geweest was, maar uit mensenvrees zijn plicht niet had gedaan. Daarop: of ik mij nog in de kerk wilde laten trouwen? Ik antwoordde: Nee. Zij zeiden, dat mijn vrouw er vóór was. Ik: dat dat niet waar kon zijn, dat ik die te goed kende. Daar brak het weer af.

Toen deden zij mij drie vragen uit een Formulier, waarop ik “ja” ant­woordde. Daarop gaven ze mij de hand en zeiden, dat zij mij als lid van de gemeente hadden aangenomen.11

Hij be­schrijft dan de blijdschap van de bevolking, “alles was vol angst, dat de predikanten mij wat in de weg zou leggen.” Men vertrouwde dus de predikanten niet en spoedig zou blijken, dat men gelijk had.

In hetzelfde schrijven van 24 November weet hij te berichten over het dubbelzinnig gedrag van Krummacher en van Ball, die wij nu onder zijn bestrijders zullen vinden.

Hun politiek is kort weergegeven door “ge zijt nu ge­vangen en hebt als gemeentelid ons te gehoorzamen. Dus ge hebt zelf de godsdienstoefening van de predikanten te volgen en de bediening van de sacramenten, ge hebt te zorgen dat uw aanhangers hetzelfde doen en dus ook met de oefe­ningen in uw lokaal op te houde.”

Dat hij het lidmaat­schap slechts onder zeker voorbehoud had aanvaard werd weggeredeneerd. Reeds vroeger gepleegd overleg om van de Agenda bevrijd te worden werd als niet plaats gehad be­schouwd. Allen moesten zich nu aan de Agenda onder­werpen. Van een verzet tegen de Agenda wilde men niets meer weten. Want men had deze aanvaard en kwam men er nu weer tegen in verzet, “dan zou het wel heten, dat wij gezondigd hadden” (toen zij er zich aan onderwierpen) “en nu zeggen zij ronduit, dat zij de kerkordening blijven houden.”

Op een andere plaats schreef Kohlbrugge: “Toen ik nu lid ge­worden was, kwamen diezelfde heren bij mij en zeiden: ‘Ik mocht nu geen oefeningen meer houden in mijn huis, ik moest mij aan hen onderwerpen. Zij wilden mij de schoonste plaats van geheel Duitsland geven (ze wisten namelijk, dat ik veel van de natuur hield), maar Elberfeld moest ik verlaten.’

Wat, antwoordde ik, is dat nu woord en trouw?

“Daar hebben wij niets mee te maken. Gij zijt nu in onze handen.”

Nog niet, zeide ik, wat moet er dan worden van die arme mensen?

“Och, met die kan men toch niets beginnen, ‘die hebben walg gekregen aan de waarheid, het is onmogelijk om die weer op de rechte weg te brengen.”

Welnu, mijn heren, zei ik, dan moogt gij uw beproefde gelovigen weiden, ik die mensen, die op geen rechte weg meer te brengen zijn, de verstrooide schapen. (Lijst van werken, blz. XII uit “Kinderlehre” bovengenoemd).
Men lette hier in het bijzonder daarop, dat Kohlbrugge er op uit was, de verstrooide schapen terecht te brengen: geheel iets anders dan afscheidingsbeginselen, waarbij men vooral een zuiver kerkje wil houden.

Onder deze omstandigheden was hereniging ondenkbaar. “Wij zeggen: de strik is gebroken, wij zijn los, onze hulp staat in de Naam van de Heere ” (Brieven blz. 242-247, Briefe an Wichelhaus S. 41-155). Toch schrijft hij nog de 15 December aan Wichelhaus (blz. 41): “Ik zal mij zo lang tegen afscheiding stellen als het mij maar enigs­zins mogelijk zal gemaakt worden.”

Ware de houding van de predikanten anders geweest, had men meegewerkt hem beroepbaar te maken en de hele gemeente te verlossen van de Agenda, dan zou aan een hereniging niets in de weg hebben gestaan. Dat de toe­stand abnormaal was, zo Kohlbrugge als gewoon gemeentelid voort­ging met het houden van oefeningen in een lokaal, springt in het oog, maar die overgangstoestand had men moeten accepteren tot de voorwaarden van de hereniging vervuld waren.

Men moet bij de weigering van Kohlbrugge, om met zijn voor middagpreek op te houden, die onder gewone omstandig­heden zeker inbreuk was geweest op de orde, het volgende in aanmerking nemen: Kohlbrugge beschouwde zijn aanneming onder het bekende voorbehoud als een stap van de Evangelische Geref. Gemeente naar het standpunt, dat hij en zijn vrienden ingenomen hadden, namelijk dat hun protesten tegen de invoering van de nieuwe kerkorde en de Agenda gerecht­vaardigd waren, dat de Gemeente door er onder te buigen van de lijn van de oude Gereformeerde Kerk in die streken was afgeweken en daarheen weer terug moest; ook had hij zich niet maar als particulier persoon laten aannemen, maar met de bedoeling, heel die Gemeente van die Agenda vrij te krijgen. Dat was tevoren duidelijk gezegd.

Helaas scheen het nu, dat de predikanten daar niet meer van wisten of wilden weten. Hoe is hun houding in deze te verklaren? Wij moeten hier het antwoord schuldig blijven. Alleen blijkt wel, dat het verzet tegen Kohlbrugge vooral van Krummacher uitging.

In plaats van pogingen te doen om de tegenstelling te overbruggen, gaat men het nu Kohlbrugge lastig maken. De Kerkeraad eist van hem, onder voorzitterschap van Ds. Künzel, dat ‘hij met de bijeenkomsten zal ophouden.

Kohlbrugge weigert hieraan te gehoorzamen (12 Dec. 1846). Het bevel wordt onder voorzitterschap van Krummacher herhaald in Febr. 1847, en Kohlbrugge antwoordt slechts door naar de brief van 12 Dec. 1846 te verwijzen. Eindelijk stookte men ook de burgemeester op, de vergaderingen te verbieden, wat deze na lange aarzeling ook deed, zonder er zich iets van aan te trekken toen hij evenmin gehoorzaamd werd (hij was Kohlbrugge welgezind). Zij zou deze nutteloze vervolgingen wel nagelaten hebben, als zij geweten hadden hoe de regering tegenover Kohlbrugge stond: “Intussen weet hier geen mens hoe de zaak te Berlijn staat; daar heeft God alles voor mij goed gemaakt.”

Kohlbrugge werd dus in zijn gedrag gestijfd enerzijds door de overtuiging dat hij preken moest, anderzijds doordat hij gegronde reden had te vermoeden, dat er hulp uit Berlijn zou komen.

Einde 1846 schreef Mevr. Kohlbrugge: “In Berlijn is men niet ongunstig voor Kohlbrugge gestemd. “Niemand weet meer hoe het te plooien. Kohlbrugge tracht tot een oplossing te komen door een schrijven (6 Dec. 1846) aan de Königl. wirklichen Oberkonsistorialrath Herrn Hofprediger und Prof. Dr. Strauss: ,,Het is U ongetwijfeld bekend, dat ik door die leden van de Gereformeerde Gemeente te dezer plaatse, die in het jaar 1835 tegen Agenda en kerkorde hebben geprotesteerd, hierheen ben geroepen. Die roepstem is niet tot mij gekomen en ik ben haar ook niet gevolgd, om de scheur in deze Gemeente te vergroten, maar om ze veeleer indien mogelijk te helen. Deze mijn bedoeling heb ik tegenover de predi­kanten van de Gemeente duidelijk uitgesproken, en tengevolge van de opname, die ik bij hen heb gevonden, heb ik niet geaarzeld mijn goede bedoeling feitelijk uit te spreken, doordien ik mij als lid van de Gereformeerde Kerk heb laten aannemen, terwijl ik tegelijk mij aansloot bij het protest van mijn vrienden. Zo is het mijn oprechte wens, ook als leraar in de Kerk in te treden, als ik onder die voor­waarde de bevoegdheid om verkozen te worden van het Kerkelijk bestuur kan verkrijgen.”

Hij vraagt nu aan: a. of men hem dispensatie wil verlenen van “Agende en “Kirchenordnung”; b., of men hem op grond van een colloquium doctum het recht wil verlenen als prediker op te treden. Hij verzoekt Strauss in overleg te treden met de minister.


Het antwoord luidt, dat er wel geen bezwaren zullen zijn hem als predikant toe te laten, maar wel om hem vrij te stellen van kerkorde en agenda, die hij echter niet zo erg zou vinden als hij er kennis van genomen had.12

De correspondentie wordt voortgezet, Kohlbrugge tracht de regeringspersonen (zoals Dr. Snethlage en de minister) in het belang van de buiten elk kerkelijk verband staande gemeenteleden te interesseren. Er schijnt geen andere weg open te staan (Brieven, blz. 249) als toestemming te geven een tweede Geref. Kerk. te Elberfeld te stichten, die door de regering vrijgesteld wordt van al

“Jammer (15 Dec. 1846), dat de predikanten hier de zaak zo verkeerd aanpakken en alles hebben bedorven. Het is voor hun al onverschillig, als ik maar uit het dal weg was.”

Reeds 25 Dec. vernam Kohlbrugge uit Berlijn “dat een ontwerp in de maak is, waardoor al opgelegde dwang zal op­houden en hij een zelfstandige gemeente zal kunnen stichten (Brieven, blz. 249). Strauss geeft (1 Jan. 1847) de wenk, dat Dr. Kohlbrugge stil zijn gang moet blijven gaan. 13

Kohlbrugge krijgt uit alles de indruk, dat men in Berlijn het gedrag van de predikanten niet goedkeurt (Brieven, blz. 43). 20 Jan. 1847 (blz. 44) schrijft Kohlbrugge: “Naar ik verneem is er van Berlijn uit aan de Superintendent geschreven, dat men mij voorlopig met rust moet laten.” 3 Febr. 1847 schrijft Mevr. Kohlbrugge in dezelfde zin.
In plaats dat de samenkomsten inkrompen, breidden deze zich gestadig uit en de gezondheid van Kohlbrugge leed door de benauwde lucht in een met mensen overvulde ruimte. Alvorens een groter lokaal te zoeken en te huren, besloot C. von der Heydt een poging te doen aan de samenkomsten een wettigen vorm te geven en brengt een rekwest getekend door 60 huisvaders naar Berlijn. Men wenste het recht te verkrijgen een groot lokaal voor de samenkomsten te huren. Een antwoord volgde niet, daar de regering veel verder strekkende plannen overwoog.

Men krijgt uit alles de indruk, dat de regering wenste te schipperen. Friedrich Wilhelm IV had ingezien, dat zijn vader en voorganger Friedrich Wilhelm III met zijn dwang te ver was gegaan, die men aan Gereformeerden en Luthersen had opgelegd. Hij sprak dan ook van de “unselige Kirchenordnung.” Het gebeurde geheel ongedaan maken wilde hij ook niet, wellicht uit respect voor zijn vader. Trouwens14 bestond daartoe geen directe aanlei­ding, daar immers al kerken in Pruisen de Unie, Agenda enz. hadden geaccepteerd, zelfs, aan geen stil verzet meer dachten, omdat zij daarmee erkend zou hebben, dat zij slechts voor dwang gezwicht waren, toen zij de nieuwe kerkorde aanvaardden. De regering wilde echter het onrecht daardoor goedmaken, dat men degenen, die zich waren blijven verzetten (zoals de groep te Elberfeld) in gelegenheid wilde stellen al dwang af te schudden. Daartoe werd het zogenaamde “Religionspatent” ont­worpen, dat 30 Maart 1847 getekend en 11 April algemeen bekend gemaakt werd.15 Wie zich in de oude kerken (gewijzigd op koninklijk bevel) niet meer thuis gevoelde, kon vrij gemeenschappen vormen.


Hinderlijk kleingeestig was onderwijl het gedrag van de kerkeraden van de Evangelisch Geref. Kerk en van de Lutherse kerk geworden. “Aan al behoeftigen, die mij slechts één of tweemaal gehoord hebben, weigeren zij elke arbeid en ondersteuning, als zij het weer doen, en bij de Luthersen moeten zij nog uitdrukkelijk verklaren, dat ze Luthers willen blijven, als ze nog langer op ondersteuning aan­spraak willen maken (Briefe an Wichelhaus, blz. 55). Hoe meer “voorname” en rijke families zich bij de Ned. Geref. Gemeente aansloten, des te groter werd de animositeit (Briefe an Wichelhaus, blz. 95).
In deze periode reisde de heer Carl von der Heydt naar Berlijn om te weten te komen hoe de regering over de toestand dacht. Daar bleek men er op te rekenen, dat er geen andere weg openstond dan een tweede Geref. Gemeente naast de andere te stichten. Hij schreef (26 Maart 1847) vandaar: “Wij hebben slechts te verklaren, dat we op de grondslag van de Gereformeerde belijdenis willen blijven, maar dat wij niet willen blijven in de gemeenschap van de thans be­staande Kerk wegens haar constitutie en haar afhankelijk­heid van de Staat (welke vóór 1830 niet bestond), zo wordt zonder meer het recht ingeruimd een eigen kerk­gemeente te constitueren. Wij blijven in het getal van de confessieverwanten en de ambtshandelingen van onze predikant, met naam de huwelijksinzegening, worden door de Staat erkend. De Geref. Gemeente moet ons laten gaan en wel zonder schadeloosstelling.

Zo stond er dan geen andere weg open dan gebruik makende van het “Religionspatent” de 18e April 1847 een onafhankelijke gemeente te stichten; onafhankelijk dus ook van Agenda en Kerkorde. Daarbij lette men er zorg­vuldig op, dat deze zich in alles aansloot bij de Geref. Kerk, vóór deze de agenda had aangenomen en tevens aan de Nederlands Hervormde Kerk, die vanouds af grote invloed in deze streken had gehad. Want alleen door die continuïteit kon zij aanspraak maken op de titel “gereformeerd.

Dat de regering er streng op lette, dat dit het geval was, blijkt het beste daaruit, dat het consistorie verlangde te weten, welke Catechismus Kohlbrugge dacht te gebruiken (Zie Briefe an Wichelhaus, S. 46 en 52).16

Een kerkenraad werd gekozen, ouderlingen en diakenen aangesteld. Om verwarring met de andere gemeente te voorkomen werd zij, op raad van de koning, “Niederländis reformiert” genoemd, de andere “Evangelisch Reformiert.” Om scherp te doen uitkomen, dat men zich met de Gereformeerde en Lutherse gemeente ter plaats verbonden achtte, werden de kerkenraden van de beide gemeenten uitgenodigd bij de inwijding tegenwoordig te zijn (Brief 31 Oct. 1849); maar deze weigerden te komen.

Men was dus nu zo ver gekomen, dat men het recht had om te vergaderen, maar de Niederländisch Reformierde Gemeinde moest nog door de koning erkend worden, rechtspersoon­lijkheid verkrijgen en Kohlbrugge moest geordineerd worden. Dit zou niet zo spoedig geschieden.

Mevr. Kohlbrugge schreef 17 Juni 1847: “Mijn positie is veel aan­genamer geworden door de wettigheid van de zaak en het onafhankelijk standpunt, waarop wij van lieverlede geraakt zijn, De onkosten van de kerk, enz. worden algemeen wettig gedragen. Wij hebben vooreerst vermeerdering van trakte­ment (hij ontving 1000 Thaler = pl.m. f 1800. - ) en ook voor huishuur bedankt om de gemeenteniet te bezwaren. Daarbij heb ik gerustheid en zegen. Krummacher vertrekt van hier (naar Potsdam) en ook de hulpprediker. De vijandschap tegen ons gaat verre.”

Daarna schrijft zij 9 Aug. 1847: “Er is een aanvraag van regeringswege aan de kerkeraad (der Evangelisch Geref. Gemeente), waar wij uitgetreden zijn, gekomen of, nu Krummacher weg is, zij geen weg en middel van weder­vereniging wisten. Wat er op geantwoord is, weet ik niet.”
Daaruit blijkt, dat de regering het verlenen van rechtspersoonlijkheid daarom uitstelde, omdat zij hoopte, dat hereniging nog zou kunnen plaats hebben. Kohlbrugge zou zich hiertegen noch kunnen noch willen verzetten, mits mede de grote gemeente bevrijd was geworden van de agenda.
Behalve dit moest ook overigens de eerste stap uitgaan van deze gemeente, door er eindelijk toe te besluiten Kohlbrugge een predikantsplaats in haar midden aan te bieden en zijn gemeenteleden weer op te nemen. Immers kon men toch niet van zijn gemeenteleden verlangen, dat zij de predikant, dien zij op de handen droegen, terwille van de hereniging
zouden hebben losgelaten, noch dat Kohlbrugge hen zou hebben losgelaten. Daar er van de zaak niets meer vernomen werd, is wel aan te nemen dat de grote gemeente verklaard heeft hij de agenda te willen blijven. Dat Kohlbrugge de hereniging gewenst moet hebben, blijkt wel uit het volgende. Een zijner vrienden (gemeentelid) was bekend geworden met de vrije kerk te Genève en deelde wat hij aangaande haar vernomen had aan Dr. Kohlbrugge ook terwijl hij duidelijk (als zijn mening) liet blijken, dat deze gemeente te vergelijken was met de Nederlands Gereformeerde te Elberfeld. Toen zei Dr. K.: “Weet gij wel, wat het verschil is tussen de kerk te Genève en de onzen?”

“Nee.”


Dr. Kohlbrugge: “Zij zijn blijde, dat zij niet tot de Staatskerk behoren, maar ik betreur het
en zou graag tot deze overgaan, zo ik maar kon.”
Om de officiele erkenning te bespoedigen gingen (einde September) de Heere D. v. d. Heydt en Kohlbrugge op audiëntie bij Friedrich Wilhelm IV te Munster. Deze had geen bezware en stelde voor aan de gemeente de naam “Niederländisch Reformiert” te geven. Toch bleef de zaak hangende. Kohlbrugge schrijft (10 Nov. 1847) aan Wichelhaus: “Ja, houdt met mij aan in het gebed, dat het spoedig komt, wat ik bemin, hetgeen naar de orde is (in het Duits: das Ordnungsgemässe, das ich liebe).” Men bleef echter door delibereren (Consis­torie te Coblenz) o.a. over de vraag of de nieuwe gemeente Gereformeerd mocht heten en men haar dit praedicaat mocht toestaan. Ook werd het afdoen van de zaak vertraagd door het uitbreken van de revolutie (Maart/April 1848) in Berlijn. Acht dagen vóór deze omwenteling waren al stukken de gemeente betreffende in het kabinet van de Konings en de minister adviseerde: Stellige approbatie van de gemeente onder de door de Koning gekozen naam, maar weigering van het verzoek om bevestiging door een predikant van de landkerk.

Door de omwenteling kwam er een nieuw ministerie. Kohlbrugge wendde zich tot de nieuwe minister Schwerin en deze, geen kans ziende om de handtekening van de Konings te ver­krijgen schrijft, dat dit eigenlijk niet nodig is, maar dat slechts een paragraaf van de nieuwe organisatie behoeft toe­gepast te worden en de gemeente kon zich gedragen, zoals het haar goeddacht.

Daarop doelen wel de woorden van Mevr. Kohlbrugge (10 Mei 1848): “Ik haast mij U te zeggen, dat onze gemeente erkend en Kohlbrugge gisteren bevestigd is. Nadere bijzonderheden zal hij U zelf ook delen. Het is alles Goddelijk en heerlijk geëindigd en al mijn gebed verhoord. Waarom mocht het niet in Holland zijn!!! Dit is een wichtige, een angstwekkende vraag.”

Kohlbrugge moest nu geordineerd worden. Over deze ordening schrijft Kohlbrugge: “Zeven predikanten van credit bij de vrome en van allerlei naam en richting zijn door mij gevraagd om mij te ordineren. Zij sloegen het af. Ik begreep toen op grond van Gods Woord en de geschiedenis mij door de Ouderlingen van mijn gemeente te laten ordineren. Dit is gisteren geschied” (Brieven, blz. 286).

De 9e December 1849 schrijft Mevr. Kohlbrugge: Het stuk van de kerk is nu door de koning en de ministers ondertekend, staat nu openlijk in de couranten te komen.” Daarna de 29en Dec. 1849: “Het stuk van de Koning hierin.” Het was de toekenning van de rechtspersoonlijkheid!
Uit het voorafgaande is voldoende gebleken, dat het allesbehalve de wens van Kohlbrugge was een aparte gemeente te stichten. Toen de omstandigheden hem daartoe dwongen, kon hij er in zoverre vrede mee hebben, dat hij met al macht er naar gestreefd had dit te vermijden, dat de aparte gemeenteniet kon aangemerkt worden als een afgescheidene, daar zij juist de oude toestand handhaafde, waarvan de oude gemeente was afgeweken, dat zij niet tegen de wil, maar met volle goedkeuring van de regering tot stand kwam. Toen dan ook in 1866 een aantal andere provincies van Duitsland bij Pruisen werden gevoegd, wier gereformeerde gemeenten niet de geünieerde vorm van Friedrich Wilhelm III hadden (Duits Friesland, Hannover), zocht de Niederländisch Reformierte Gemeinde te Elberfeld contact met deze en veel van haar zonen werden predikanten bij de gereformeerde gemeenten van Friesland en Hannover. In dezelfde verhouding kwam zij tot de Nederlands Hervormde Kerk en veel van Kohlbrugge’s leerlingen en vrienden werden predi­kanten in de Nederlands Hervormde Kerk. Hetzelfde geschiedde in de gereformeerde gemeenten van Zwitserland, Hongarije en Bohemen. Otto Thelemann zegt van haar (Evangelisch ­Reformierte Kirchenzeitung XV, Jahrgang 1865, S. 195): “Het bijzondere, waarin zij zich van al Gereformeerde gemeenten in Duitsland wezenlijk onderscheidt, is haar volledige onafhankelijkheid en daardoor de mogelijkheid, Gereformeerde kerkelijke tucht uit te oefenen.”

Wij hebben verder in het oog te houden, dat Kohlbrugge (met veel tegenstreven) naar Elberfeld was gekomen om hen te helpen, die niet hadden willen bukken voor de onrecht matige dwang van de regering en het oude wilden behouden.

Door het tot stand komen van de Niederländisch Reformiertet Gemeinde waren zij geholpen. De organisatie was er niet gebonden aan de persoon van Kohlbrugge en elk predikant kon zich bereid verklaren als leider dezer gemeente op te treden. Toen de Licentiaat Meier 1849 naar Elberfeld als hulpprediker zou komen overwoog men al of Kohlbrugge zich niet zou terugtrekken en de gemeente aan Meier overlaten. 1 1=
Opnieuw een ander licht valt er op de Niederländisch Reformierte Gemeinde, als wij zien, hoe de verhouding tot de andere gemeenten zich ontwikkelde.

Aan enige predikanten werden exemplaren van gedrukte preken toegezonden. Mevr. Kohlbrugge schreef (14 Dec. 1853): “Ds. Schröëder schreef een vriendelijk bedankje en verzoek aan broeder Kohlbrugge”, “pastor” erbij, om ook te schrijven aan een maandwerk, dat hij en veel geleerden Duitslands plan hebben uit te geven.” “Tal van predikanten (21 Maart 1854) hebben zich zeer gunstig over de preken uitgelaten. Dr. Schröder loopt er mee in de zak, te Ronsdorf en andere plaatsen wordt dezelve van de preekstoel aanbevolen, er zijn plaatsen waar de predikanten ze gedeeltelijk of geheel hebben afgelezen.”

“Heden (22 April 1854) wordt het nieuwe weeshuis geïnstalleerd. Alle predikanten, natuurlijk Kohlbrugge ook uitgenodigd.

Ball (Superintendent) geprotesteerd omdat de Dominé er bij zou zijn. De burgemeester Juriens, de Heere Daniël (v. d. Heydt) alles naar Berlijn bericht. Künzel en Dominé Schröter tegen Ball geprotesteerd en verlangen, dat Pastor Kohlbrugge er bij tegenwoordig mocht zijn. Dit kon vanzelf om die reis niet (Kohlbrugge vertrok de 18de April naar Holland om zijn zieke zoon op te zoeken). Onze 31 arm­bezorgers heb ik gezonden en nu hoor ik dat Ball met nog twee belhamels uit de stad zijn gegaan.”

Daarop volgt (24 Mei 1854): “Hier staan ze duchtig van de minister te krijgen voor hun schandnaam van secte en separatisten (op Kohlbrugge’s gemeente toegepast).”

In 1856 ontstond er een beweging in de Evangelisch Gereformeerde Gemeente om Kohlbrugge aan deze als predikant te beroepen. “Men spreekt (2 Jan. 1856) van het beroep en dat een vierde van de gemeente niet dan Kohlbrugge hebben wil en anders overgaat (naar de Niederl. Reform, Gem.).” “Hier blijft (12 Jan, 1856) het gesprek van beroepen gaan.”

“Heden (20 Febr.) is be­roepen.” Daarna bericht zij naar Amsterdam (25 Febr. 1856): “In de vergadering van de Ev. Geref. gemeenteraad alhier heeft men het niet tot stemming laten komen, daaren­tegen dadelijk zekeren Engels voorgeslagen. De predikant Schroeder, de heren Meckel en Butterweck protesteerden daartegen en sloegen Ds. Kohlbrugge voor, maar daar er geen stemming plaats had, hielp dit niets en zo ben ik met eer en gelukkig van iets af, dat nogal te bedenken gegeven zou hebben.”
Belangrijker is, dat er in Augustus 1856 direct door de Koning de wens uitgesproken wordt, dat de gemeenten zich weer verenige zullen. Geen van de Elberfelder gemeen­ten had daartoe aanleiding gegeven, maar het schijnt (Briefe an Wichelhaus, S. 144), dat de regeling van de kerkelijke be­lasting (deze bestaat algemeen in Duitsland) er de stoot toe gaf. Het scheen tegen de wet te zijn, dat de Niederl. Reform. Gem. (als onafhankelijk van de Staat), die niet betaalde. Wij zullen op de gevoerde onderhandelingen niet verder ingaan. Psychologisch is belangrijk, dat Mevr. Kohlbrugge zeer gelukkig was met de gedachte dat het zou kunnen gebeuren.

Den 8e Maart 1856 schrijft zij aan haar vriendin te Amsterdam (Kohlbrugge was afwezig): “Ene gewichtige begevendheid, die mij geheel vervult. ‘Verbeeld U, dat ongezocht, ongedacht, vanuit Berlijn, de Koning en de Oberkirchen­rat de wens van vereniging van de beide gemeenten gekomen is. De agenda weg, alles zoals wij nu hebben.’ (Mevr. Kohlbrugge gaat hier in haar blijdschap wel te ver).17 “De Commissaris is al benoemd en wordt iedere dag hier gewacht om de zaken te schikken. De heer C. v. d. Heydt er nu voor, was tweemaal bij mij om te vertellen. Künzel en Schröder (twee predikanten van de Evang. Geref. Gemeente) vreeslijk blij - Ball stil - Kohl (predikant) neemt emeritaat en daar komt onze Pastor in de plaats.”

De voorafgaande dag ( 7 Maart) schreef zij aan Mevr. Kol en beweert daar, “dat de vereniging gewenst wordt om het sterk om zich grijpend Lutherdom in Duitsland tegen te gaan”, hierop volgt ongeveer hetzelfde als boven en dan de woorden: “Het is een waar wonder zo alles vanzelf.”

De l7e Maart bericht zij weer dat de heer C. v. d. Heydt nog in vol vuur is. Pastor Künzel anticipeerde als het ware de hereniging door zich aan te bieden om voor Kohlbrugge (die nog op reis was) de dienst waar te nemen. Zij vindt dit niet raadzaam en verlangt zeer dat Kohlbrugge terugkomt. “De hartelijkheid is niet te beschrijven van jong en oud, hoog en laag. De heer C. v. d. Heydt munt voor alles uit. Komt iedere dag.”

In een schrijven van 3 April komen de woorden voor: “Intussen bereiden zich de zaken aan de kant van de andere gemeente liefelijk voor.”… “Het is mij een bekrachtiging, dat de Heere op weg is tot zifting.”

Den 17e April was haar stemming al omgeslagen. Zij begon al te voelen, dat er wel niets van zou komen. Van de andere gemeente zegt zij: “Men wil vurig de ver­eniging.” “De gemeente aan onze kant is vrij lijdelijk.” Daar de brieven geen voldoende uitsluitsel geven, zo kunnen wij er niet op ingaan,18 waarom het voornemen mislukte.19

De verhandelingen rekken zich zo in de lengte, dat de zaak de 20en October (Briefe an Wichel­haus, blz. 144) nog hangende is.

Voor ons is belangrijk, dat de gehouden besprekingen niet tot vijandschap maar tot vriendschap leidden. Daarop wijzen de woorden uit een brief van Mevr. Kohlbrugge (3 Mei 1856): “Satisfactie hebben wij genoeg.” Verder: “Dr. Krug (de emeritus) gaat nu geregeld in de kerk (bedoeld is de Niederl. Reformierte) en verbreidt preken en getuigt dat het een aard heeft.”

Ook blijkt het uit het volgende (Kohlbrugge aan Wichelhaus, 20 Oct. 1856): “De Kerkeraad van de andere Gemeente schrijft verleden een uitnodiging aan onze Kerkeraad en aan mij om Ds. Krafft (nieuw beroepen predikant) de 29 dezer van Vohwinkel af te halen en zijn bevestiging op 2 November bij te wonen, en verzoekt, dat de predikant en een afgevaardigde van onze Gemeente aan de feestmaaltijd moge deelnemen. Het schrijven begint: “Lieve Broeders” en houdt de verklaring in, dat wij op één grond van de belijdenis staan, en meent dat van wederzijds bijten en Vereten nu genoeg geschied is.”

Kohlbrugge was dan ook bij de ontvangst op het station te Vohwinkel (Elberfelder Kreisblatt 1856) en twee van zijn kerkeraadsleden waren bij de feestmaaltijd. Dit werd uitvoerig in de courant (Elberfelder Kreisblatt, 2 en 6 Nov. 1856) beschreven en er werden redevoeringen gehouden, die van eensgezindheid, liefde en vriendschap getuigen.

Toch werd ook hierdoor de verhouding nog niet wat zij wezen moest. Dit blijkt uit de volgende brief van Kohlbrugge aan van Heumen (11 Juni 1858): “Den 2en Juni kwam de Dom­prediger en Superintendent Neuenhaus te Elberfeld om een kerkelijke conferentie bij te wonen, logeerde naast ons en at bij ons. Met veel vrijmoedigheid heeft hij aan de andere te kennen gegeven, dat zij zich zwaar tegen het lichaam Christus verzondigden door hun gedragingen - als be­stond er geen Nederl]. Geref. Gemeente en door dat zij mij uitsloten, daar zij mij toch een lieven broeder noemden. Zij vroegen hem: gij preekt immers Zondag hier (hij was president van de conferentie), ja, was het antwoord, maar niet voor U, maar voor broeder Kohlbrugge. Hij heeft dan ook Zondag voor de middag, de 6den, voor mij gepreekt over Hooglied 2, vers 16a: Mein Freund ist Mein und ich bin Sein”,

Alhoewel uit al het meegedeelde wel al voldoende blijkt, dat er een groot verschil is in het tot stand komen van de afscheiding in Nederland en het tot stand komen van de Niederländisch Reformierte Gemeinde te Elberfeld, toch willen wij nog op het volgende wijzen.

In 1816 legde “Willem I aan de Hervormde Kerk een bestuursvorm op, waartoe hij evenmin gerechtigd was als Friedrich Wilhelm III in Pruisen. Als er nu in ons land in 1816 een hevig protest was gekomen van predikanten en gemeenteleden20 en had de Koning daar geen rekening mee willen houden, dan zou er een toestand ontstaan zijn als die te Elberfeld in 1834.

Het is bekend, dat zulk een protest uitbleef en door te berusten en het recht van de Koning niet te betwisten verkreeg het Algemeen Reglement rechtskracht. Wie toe­lating tot het predikambt wenste, had zich aan die wet te onderwerpen.

Daartegenover staat het scherpe schriftelijke protest van de gemeenteleden te Elberfeld en toen dit niet hielp niet een opzeggen van het lidmaatschap, maar een zich isoleren. Daarbij komt, dat elke vergelijking ook daarom mank gaat, omdat de Agenda door haar liturgie en opsmukking van kerk en avondmaal (ten gelieve van de Luthersen) zo on­eindig veel meer betekende dan het Nederl. reglement. Na de opgedrongen Unie verklaarden dan ook de protes­terende Luthersen, dat sedert de Unie de oude Kerk had opgehouden te bestaan (Hoffmann [anderen schrijven: Koffmane], Abriss van de Kirchen­geschichte, Erlangen 1887, blz. 93). Zonder twijfel waren dan de protesterenden het laatste restje van de oude kerk.21

Wat Kohlbrugge zelf betreft, hij had buiten dit alles gestaan, omdat hij immers tot geen enkele kerkelijke gemeenschap behoorde en ook in een ander land woonde. Zijn actie begon eerst, toen hij de verstrooide schapen bijeenbrengen wilde.


Kohlbrugge deed alles, om afscheiding te voorkomen en die toen afgezonderd van de Kerk leefden, weer met de Kerk te verenigen. Eerst toen dat niet lukte, bewilligde hij er in, dat er, een afzonderlijke gemeente gevormd werd. Voor hem is zeker ook van groot belang geweest, dat de weg daartoe door de regering werd gebaand, terwijl de Afscheiding in Nederland onder groot misnoegen van de regering tot stand kwam, dat zich zelfs uitte in vervolgingen.

In 1831 had hij zich, zoals we zagen, de mogelijkheid voorgesteld van een nieuw op te richten Gereformeerde Kerk met Oranje als beschermheer. Ook daarom moest voor hem de Gemeente te Elberfeld iets heel anders wezen dan de gemeenten, die uit de Afscheiding ontstaan waren.


Tot aan zijn dood is Kohlbrugge predikant in Elberfeld gebleven. Hij leefde mee met het land van zijn inwoning, zoals dat vooral blijkt in de jaren 1870 en 1871. Maar toch is Duitsland voor hem en zijn vrouw gebleven het land hunner vreemdelingschappen. Er was een sterke trek naar Nederland. In zijn, hart leefde “Nederland en Oranje.” En zó was hij ook niet los van de Kerk Van Nederland.
Een derde hoofdstuk zal gewijd moeten zijn aan zijn verhouding tot de kerkelijke toestanden in Nederland tijdens zijn verblijf in Elberfeld.

III. DE VERHOUDING TOT DE NEDERLANDSE KERKELIJKE TOESTANDEN IN DE TIJD NA DE VESTIGING IN ELBERFELD

De vestiging als predikant te Elberfeld bracht niet ook dat. Kohlbrugge Nederland uit het oog en uit het hart ver­loor. Hij en zijn vrouw bleven Nederlanders in hun hart. Ze beschouwden vooral in de beginne het verblijf te Elberfeld als iets voorloopigs. Indien zij toen een weg geopend hadden gezien om in Nederland Gods Woord te verkondigen, dan zou zij die met blijdschap ingeslagen hebben. Nu zou men wellicht kunnen verwachten, dat het staan in die vrije gemeente in Duitsland Kohlbrugge tot een andere beoordeling van de Nederlandsche afscheiding kon hebben. gebracht. Dat is echter niet het geval geweest. Integendeel, als ervan een wijziging sprake is, dan heeft die plaats gehad in de tegenovergestelde richting: meer naar de Hervormde Kerk toe.

Wel bleef de Synode in gebreke, haar houding tegenover Kohlbrugge te veranderen, en verschillende vooraanstaande mannen in de Hervormde Kerk, ook.

In het jaar 1851 is er een verzoekschrift tot de Synode gericht, uitgaande van vrienden van Kohlbrugge, om de besluiten van 1830, waardoor hij uit de Kerk, gehouden werd, en de later ingevoerde besluiten ten opzichte van het prediken van buitenlandse predikanten, niet van toepassing te doen zijn op Kohlbrugge.

Da Costa en andere werden in de gelegenheid gesteld het te ondertekenen. Maar zij verklaarden dat niet te kunnen doen, omdat in het verzoekschrift voorkwam de uitdrukking “gedrongen door de innigste behoeften, hunner ziel.” Dat konden zij met het oog op de prediking van Dr. Kohlbrugge niet zeggen. De. Synode wees het verzoek van de hand. Wel was het uit het oogpunt van formeel recht moeilijk, aangaande een bepaald persoon een uitzondering te maken op een algemene regel van bestuur, maar ook in deze geldt het: waar een wil is, is ook een weg. De verorde­ningen waren gemaakt, om hem er buiten te houden. Was er de wil geweest, een begaan onrecht goed te maken, dan zou men wel ook een weg gevonden hebben. Maar de wil was er niet.

Geen wonder, dat het oordeel over de officiële Kerk aanvankelijk weinig gewijzigd wordt. We haalden boven een stuk aan uit een brief van Kohlbrugge aan de Heere Kol te Utrecht; in deze brief raadt hij hem aan, de officiële kerkdiensten, wanneer er het Woord niet gebracht werd, te beschouwen als iets, dat hem niet aangaat.

In de brief aan Lucas uit het jaar 1863 zegt hij nog, ziende op de weigering aan Brummelkamp om zich in een afgescheiden gemeente beroepbaar te stellen: “Zó stonden de zaken toen, nu zijn wij ongeveer 24 jaren verder en de vijand heeft alles in. ‘t Is geschied onder Gods rechtvaardig oordeel en hoge toelating, gelijk het opkomen van koning Saul en zijn regering. Mochten er weinigen gevonden worden, die het de vroegeren napraten om mij te betichten van een ketterij, waaraan ik een afschuw heb! Onder afgescheidenen en niet-afgescheidenen zijn die mijn broeders en zusters zijn in den Heere. Moest ik in Holland thans leven zonder zelf te prediken, ik zou gaan waar ik het groene gras vond, het zij niet of wel afgescheiden, latende het verdere aan de Heere over, zonder iets terug te nemen van mijn getuigenis het zij links of rechts.”
We letten in de bovenstaande aanhaling op de uitdruk­king: “zonder zelf te prediken.” Wat het prediken aangaat, was zijn houding anders. Kohlbrugge predikte in Neder­land slechts in gemeenten van de Nederlandsche Hervormde Kerk, waar hem de wettige kerkenraad uitnodigde. Zó is het eerst geschied te Vianen. Het bevoegde kerkelijk bestuur verklaarde toen, dat er geen kerkelijke wet bestond, die de plaatselijke predikant zou verbieden, Kohlbrugge te laten optreden. Verder preekte hij o.a. te Raamsdonk, waar­over schrijver dezes mededeling kreeg van iemand, die er persoonlijk bij tegenwoordig was, te Fijnaart, te Delft in de Waalse Gemeente, daar de Neder-Duitse Hervormde Kerkeraad er zich niet voor liet vinden; te Utrecht; ook te Amsterdam, op uitnodiging van Dr. A. Kuyper, toen deze aldaar predikant was in de Neder-Duits Hervormde Ge­meente (zie daarover J. H. F. Kohlbrugge, Lijst van werken enz. van Dr. H. F. Kohlbrugge, Inleiding blz, XX, XXI).

Daarentegen wees Kohlbrugge andere verzoeken af, o.a. in 1865 een uitnodiging van de Duitse Gereformeerde Gemeente te Rotterdam met deze woorden: “Veroorloof mij te herhalen, wat ik al meermalen, bij dergelijke menig­vuldige verzoeken, gelijk de uw geantwoord heb. Mijn plicht en roeping is te Elberfeld bij mijn eigen gemeente, en ik gevoel en heb verder geen roeping, zo ik een enkele reis met een gerust geweten van hier kan, dan op te treden in een Landskerk.”

Dat is in deze kwestie vooral van belang. Kohlbrugge stond in een vrije Gemeente, maar voelde dat als een misstand; zijn hart ging uit naar de landskerken.

Veel minder scherp dan tot de Afgescheidenen, die als zodanig erkenning van de regering hadden gevraagd en gekregen - in zijn brief aan Brummelkamp keurt hij dat uitdrukkelijk af - was zijn verhouding tot de Gerefor­meerde Gemeenten onder het Kruis, die op zichzelf waren blijven staan, omdat zij een zodanige erkenning niet aan­gevraagd hadden.


Er bestaat een brief van hem aan C. van de Oever, leraar bij de Gereformeerde Gemeente, gezegd ‘onder het kruis’, te Rotterdam, gedateerd 15 Dec. 1859. Er schijnt van die kant een verzoek gekomen te zijn, om onder hen op te treden, wellicht zelfs het ambt van herder en leraar te aanvaarden.

De brief begint: “Eerwaarde Broeder! Genade en vrede zij u en uw Gemeente vermenigvuldigd van God de Vader en van onze Heere Jezus Christus!

Uw broe­derlijk en vertrouwelijk schrijven heeft mij om veel redenen zeer verkwikt. Mijn rechterhand kan ik vergeten maar Jeruzalem niet. Mijn hart is tot dat volk waaronder ik ge­boren en opgegroeid ben en voor hetwelk ik twintig jaren achtereen gebonden lag, en nog duizendmaal meer tot dat volk onder Hollands volk, dat het geklank kent; dat heb ik lief met een liefde, die veel wateren niet hebben kunnen uitblussen, en die sterker is dan de hel.... maar voor mijn land moet ik alsnog als een gespeend kind wezen en voor het geloof is alles goed. Uw vertrouwelijk schrijven heb ik de Heere in handen gegeven en laat het aan Zijn alleen wijze, altijd aanbiddelijke en bij de uitkomst heerlijke leiding over waartoe dat schrijven zal moeten dienen. Tot op het ogenblik kan ik alleen helpen met inkt en pen, en met goede raad, waar mij vertrouwen geschonken wordt, zo ik de raad krijg van Hem, Diens Naam: Wonderbaar, Raad, Sterke God is.

De bloeiende Gemeente alhier, welke de Heere heeft toebetrouwd aan mijn bij­zondere herderlijke zorg, kan en mag ik niet verlaten - daar zal een heel bijzondere speciale last en weg van de Heere toe nodig zijn, om mij zo gewillig te maken, weer in mijn Holland als Herder en Leraar op te treden, als ik in 1845 onwillig was om hierheen te trekken....

Met de inwendige mens omvat ik ulieden, ik meen de gemeenten onder het kruis, ook andere afgescheidenen maar de Heere behaagde het, op mijn hart nog meer te leggen. Gij zult mij immers verstaan? Het is niet dat ik voor mij iets zoek, verlang of wens, het zij groot of klein, maar zal tegen de eens op ons land en kerk gelegde ban, Psalm 72 toch nog verhoord worden en er verlossing komen, dan zie ik niet in, waarom de vijand nog een klauw zou gelaten worden, en waarom hij niet met de schrik des Heeren ineens dan zou kunnen geslagen worden, dat hem het stuurroer zelf doodsloeg.”22
Bij al hartelijkheid, die zeker voortkwam uit de over­tuiging, dat hij te doen had met zulken die met hem één waren, is er hier toch niet een ingaan op het verzoek. Wat Kohlbrugge ook van de weg van de Gemeenten onder het kruis terughield, drukt hij elders in een brief aldus uit, dat hij in tegenstelling met de afscheiding niet een halve, maar een hele verlossing van Nederlands Kerk verwachtte.

Een vrije gemeente te Middelburg beriep hem herhaal­delijk in 1857. Hij ging er niet op in.


Van groot belang is Kohlbrugge’s verhouding tot de kring van zZijn vrienden te Delft. Hun leider was een van zijn oudste en meest vertrouwde ook strijders, de heer H. van Heumen. Deze hield tot stichting oefeningen of Bijbel­lezingen. Er was geschil met de Kerkenraad van de Nederduits Hervormde Gemeente. Men heeft er over gedacht, zich af te scheiden en te laten inschrijven bij de Niederländisch Reformierte Gemeinde te Elberfeld. Een concept van een stuk vond ik in copie. Hoewel er ook uit Delft dikwijls jonge lidmaten werden aangenomen en kinderen gedoopt in de gemeente te Elber­feld, blijkt nergens uit de boeken van die gemeente, dat zulk een overschrijving heeft plaats gehad. Die zaak is dus niet doorgegaan. Het stuk was dan ook niet ondertekend. Maar men besloot Kohlbrugge te beroepen om ééns per maand over te komen tot het bedienen van Woord en Sacrament en hem daarvoor een traktement aan te bieden. Op die aanbieding schreef hij de 4 Juli 1858 een afwijzend antwoord.

Aan dat antwoord ontlenen wij het volgende:

“Bij al bewegelijkheid, dierbaarheid en tederheid van uw taal laat ik het aan ulieder nauwkeuriger onderzoek over, of het naar Heilige Geest en bijgevolg naar wet en oude gereformeerde kerkorde is, dat leden zonder ouder­lingen beroepen of dat iemand Herder en Leraar is in twee verschillende landen en op verscheidene standplaatsen tegelijk. Ik hoop dat de slotsom van uw overdenkingen zijn zal dat uw verzoek leidt tot bederf van de Nederlandsche Gereformeerde Gemeente te Elberfeld, tot benadeling van haar financiële en geestelijke belangen en tot gedeeltelijk verzuim van het zo nodig onderwijs harer kinderen; verder wens ik dat gijlieden in uw verzoek de nog na­deliger strekking voor de Gereformeerden in Nederland zult onderkennen; immers, zo ik er op inging, zou dit leiden tot verdere kerkelijke afzondering of separatie. De weg, hoe nauw ook nu nog altijd overblijvende tot ver­spreide verkondiging van het Woord, werd daardoor geheel afgesloten, alsook de weg tot handhaving en reclamering van uw Gereformeerd kerkelijke rechten vooral ook voor uw kinderen en nakomelingen, welke handhaving alleen kan plaats hebben in kerkelijk verband.... Ik moet op wet en orde staan blijven en verzoek daarom de dierbare en zeer beminde Broeders, daar zij wel weten, hoe ik land en kerk op het hart draag en er leven, lichaam en goed met de mijnen voor over heb, mijn ziel niet verder te kwellen met geldaanbiedingen en voorslagen, die niet zijn naar ‘s Heeren Wet.”

Het schrijven is gericht tot “de beminde broeders in den Heere J. Eigenraam en verder te Delft, Amsterdam, Rot­terdam, Utrecht en Rheden.


Voortdurend was Kohlbrugge in zorg, dat het met die kring te Delft de separatistische kant zou uitgaan. Men had in die kring broeders gekozen om onderlinge tucht uit te oefenen en de armen te ondersteunen en wilde die broeders ouderlingen en diakenen noemen. Kohlbrugge schreef daarom aan de Heere Kouwenhoven de 30e Sept. 1868, dat hun vergadering sinds jaren het eerwaardig karakter bewaard had van “een getuigenis te zijn tegen­over de valse herders en de slapende en dode leden in de Kerk te Delft. Zij heeft zich gewacht voor de schijn van een oefening of een afgescheiden lichaam uit te maken.”... “Wordt de naam van ouderling of diaken in uw midden aangenomen en gewettigd, dan moet er ook een herder en leraar zijn, en gij verliest uw eerwaardig karakter als getuigen en getuigenis, en wordt voor uw eigen geweten en de gewetens van andere een aparte kerk.”
De vrienden te Amsterdam wilden een lokaal huren, dat Kohlbrugge daar preken kon. Kohlbrugge wilde te Amsterdam alleen preken, als hij door een predikant genodigd werd (aan Boissevain Aug. 1857). Ook schrijft hij hem 22 Juli 1858: “Graag wenste ik u lijdelijker te zien. Gij weet, hoeveel ik met belofte en Gods woorden te doen gehad heb, en gij hebt de uitslag van de Heere gezien. Houdt bij hem biddend aan indien gij er vrijmoedigheid toe hebt, praat met geen ander er over, maak geen plannen, verzin geen wegen. Zo het u om de zaak gaat, voornamelijk om de eer Gods, die de Heilige Geest tegelijk met ons gebed handhaaft, dan moet er antwoord, dan moet er uitkomst komen, op welke wijze ook zeker niet zoals wij ze verwachten of verzonnen hebben, maar echter zo, dat al onze behoeften en ons begeren vervuld wordt. U grenzen aangeven kan ik niet. Alles hangt van onze stand voor God af.”
Hoogst verblijdde het hem daarentegen, toen hij een wettig beroep kreeg van een Gemeente van de Nederlandsche Her­vormde Kerk. “God zal mij mijn recht geven, al is het ook in het kleinste dorpje in Zeeland’’, zo had Kohlbrugge gezegd, toen men hem de toegang tot de Ned. Hervormde Kerk had afgesneden. En ziet, daar wordt hij in het jaar 1861 te Zoutelande op Walcheren beroepen! Al kon hij het beroep niet aannemen, het was toch voor hem een bewijs, dat God hem verhoord had.
De predikanten, die zich bij hem aansloten om van hem te leren, verwees hij altijd naar de landskerken. De jonge­lieden uit zijn gemeente, die theologie studeerden, verwees hij naar die provinciën van Pruisen, wier kerk niet bij de Unie waren aangesloten. Op zijn uitdrukkelijke wens gingen de broeders Lütge naar Nederland, om zich voor te bereiden tot de dienst in de Nederlandsche Hervormde Kerk. Toen Ds. Gobius te St. Johannesga wegens het niet laten zingen van gezangen was geschorst, ried hij niet meer aan, door te blijven preken, zoals hij indertijd aan De Cocq had geraden, maar zich aan de schorsing te onderwerpen.
Te Utrecht ontmoette Kohlbrugge Dr. Kuyper bij de Heere Kol. Terwijl hij in het algemeen een gunstige indruk van hem had, schrijft hij niet zonder afkeuring over Kuyper’s plannen maken.
We kunnen dus constateren, dat ondanks het staan te Elberfeld in een vrije gemeente, de beweging bij Kohl­brugge naar de Hervormde Kerk toe is en niet van de Hervormde Kerk af. Zelfs geeft hij nu de raad ook een schorsing door de besturen te aanvaarden. Aan de andere kant komt het in deze tijd sterker naar voren, dat zijn scherp getuigenis tegen afscheiding niet inhield veroor­deling van al personen, die zich bij die beweging hadden aangesloten. Hij verklaarde onder afgescheidenen en niet afgescheidenen zijn broeders en zusters te hebben en ver­onderstelde, dat men in het algemeen niet meer meeging met de veroordeling van zijn getuigenis over Rom. 7: 14.
Hiermee hebben wij getracht, de verhouding van Kohl­brugge tot de Afscheiding in de verschillende tijdperken van zijn leven weer te geven, zonder eigen oordeel. Wie enkel met zijn verstand te werk gaat en bij de uiterlijke daden blijft staan, zal wel hier en daar inconsequentie vinden. Wij vragen naar de grote lijn, die in alles door­loopt. Het is het getuigenis van de rechtvaardiging van de zondaar, die zichzelf vlees blijft voelen, om Christus wil, geheel om niet. Bij dat getuigenis kan een mens zich niet als iets bijzonders met een kleine groep apart stellen, maar verheugt zich in het Evangelie van het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt. Dan zal men het zijn in een kleine vrije Gemeenteniet als een bijzonder voor­recht zien. Dan voelt men voor heel de Kerk en heel het volk, hoewel men ten hevigste strijdt tegen alles wat dat Evangelie zou verzwakken, en, acht al menselijk “doen” om toch een vrome Kerk en een vroom volk apart te zien, vleselijk. Zó bleef Kohlbrugge met zijn getuigenis een­zaam staan, maar verblijdde zich uitnemend, toen er voor dat getuigenis een weg geopend werd. Maar dat getuigenis hing ten nauwste samen met heilige eerbied voor Gods Wet en orde. Alleen door die Wet kende hij zich als vleselijk. Door die Wet zag hij veroordeeld al eigen­willig doen. Maar die Wet leerde hem ook op orde te staan en zich niet buiten de orde te begeven, Gods ordeningen hoog te achten.

Wie dat alles in het oog houdt, begint de lijn te zien in Kohlbrugge’s leven en in zijn prediking. Hier is iemand die zichzelf als vlees kent, die Gods Woord, Zijn orde handhaaft tegen zichzelf in de eerste plaats, die roemt, niet in de vrome mens, maar in de heerlijkheid van Christus. Dat is de hoofdzaak, ook voor kerkelijke vragen.



1   2   3   4   5   6

  • III. DE VERHOUDING TOT DE NEDERLANDSE KERKELIJKE TOESTANDEN IN DE TIJD NA DE VESTIGING IN ELBERFELD

  • Dovnload 255.44 Kb.