Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Kohlbrugge en de afscheiding

Dovnload 255.44 Kb.

Kohlbrugge en de afscheiding



Pagina6/6
Datum28.10.2017
Grootte255.44 Kb.

Dovnload 255.44 Kb.
1   2   3   4   5   6

Het moet een scheeftrekken van KohIbrugge's gedachten over de rechtvaardiging en heiliging heten, wanneer men hem, zoals Wagenaar doet," ervan beticht, dat hij het wezen van het leven des Heiligen Geestes miskent en de weg baant tot het verschrikkelijkst ziekteverschijnsel in Gereformeerde kringen: de lijdelijkheid, tot het in 't „vrije genade, vrij zondigen" zich uitsprekend antinomianisme. Men begrijpt KohIbrugge op dit punt dan volkomen verkeerd. Té veel nadruk legt hij op 's mensen persoonlijke verantwoordelijkheid, om van een aanprijzen van lijdelijkheids vroomheid verdacht te kunnen worden. Gaarne willen wij nog op een en ander nader ingaan om de ongegrondheid van genoemde beschuldiging vanuit een ander gezichtspunt in het licht te stellen.
Da Costa formuleerde zijn gevoelen tegenover KohIbrugge aldus: „Onze heiligmaking is de wording der gestalte van Christus in ons door de Heilige Geest."

Zoals onze rechtvaardiging vrucht is van het sterven van Christus voor ons, is onze heiliging vrucht van het wonen van Christus in ons. Hoewel onafscheidelijk met haar verbonden, volgt toch de heiliging op de rechtvaar­diging als een wèl van haar te onderscheiden zaak. Immers is de door het geloof gerechtvaardigde een nieuw schepsel geworden, een wedergeborene, een nieuwe mens naar de Geest die strijd voert tegen de m hem voortlevende oude mens. Capadose gaat in zijn analyse nog verder. Hij geeft een trinitarische zienswijze op de zaliging van de zondaar, hetgeen op zichzelf niet onjuist is; alleen kunnen wij het met deze zienswijze niet eens zijn, voornamelijk niet om één bepaalde vooronderstelling, welke ons Capadose's gehele redenering in twijfel doet trekken.

Ik bedoel de leer der verkiezing en verwerping van eeuwigheid, ons in de Dordtse Leerregels nagelaten, waarvan Capadose een overtuigd aanhanger was. Zij deed hem ook tot de rechtvaardiging en heiliging van eeuwigheid besluiten als beide afhankelijk van de verkiezing van eeuwig­heid. Slechts wie door de Vader is uitverkoren, wordt door de Zoon gerecht­vaardigd en door de Geest geheiligd. Ja, de uitverkoren zondaar is reeds vóórdat hij gelooft als gerechtvaardigd, en vóórdat hij door de Geest geheiligd is als heilig in Christus te beschouwen.

„Geloof het niet — zo roept Capadose uit —, als men u zegt, dat een zondaar om het geloof behouden wordt, of dat geen zondaar verloren gaat, dan omdat hij niet gelooft, dat Jezus ook voor hem gestorven zij, maar kom er openlijk voor uit en zeg: de vrijmachtige verkiezing Gods is de oorzaak der behoudenis van hen, die uit genade be­houden worden!"

Het kardinale verschil tussen Capadose en KohIbrugge is derhalve, dat de eerste in de rechtvaardiging van de uitverkorene, de laatste in die van de goddeloze gelooft.

Kohlbrugge spreekt van een eeuwig voornemen, volgens hetwelk God het voor de wereld dwaze, zwakke, onaanzienlijke en verachte tot zaligheid verkiest. Dat zijn zij, die zich niets aanmatigen, alsof God hun iets verschuldigd zou zijn, noch menen God enig werk ter vergelding te kunnen aanbieden. Hun verkiezing bestaat hierin, dat het Evangelie tot hen komt, niet slechts in woorden, maar ook in kracht en in de Heilige Geest en in grote volheid, zodat zij zich van harte tot God bekeren.

Dus geen verkiezing van eeuwigheid, maar een eeuwig voornemen tot de verkiezing van de goddeloze, die zich bekeert, een verkiezing dus in de tijd des welbehagens, waarin het Woord gepredikt en de Geest uitgestort wordt, leert KohIbrugge.

Waar zou men het vandaan moeten halen om in dit verband nog van lijdelijkheids vroomheid te spreken? Of van antinomianisme? God doet door Zijn Woord en Geest een beroep op de mens, om zich in zijn concrete situatie van zondaar-zijn te wenden tot Hem, om zich door Hem te laten rechtvaar­digen en heiligen. En deze zijn bekering toont zich dan hierin waarachtig, dat zij zich uitwerkt in deemoed en een volhardend pogen om overeenkomstig Gods geboden te leven.

Lijdelijkheids vroomheid ligt meer in de lijn van Capadose, wanneer hij de verkiezing van eeuwigheid zó zwaar beklemtoont, dat hij in de bediening des Woords slechts een middel kan zien om voor de geestelijke gezondheid der zielen zorg te dragen en niet om het getal der uitverkorenen te vermeerderen. Zulk een leer kan de wedergeborene zelfs tot een verzoeking worden om de strijd tussen vlees en geest niet ten volle ernstig te nemen.
Wij keren nog even terug tot het kerkelijk standpunt van Capadose en dat van Kohlbrugge. De eerste dacht zich, teruggrijpend op Gods verkiezing van eeuwigheid, een gemeenschap van uitverkoren kinderen Gods als inwendige kerk en, teruggrijpend op de drie Formulieren van Enigheid, een gemeenschap van getrouwe Christus-belijders als uitwendige kerk. Hij zag de Kerk echt als geloofsgemeenschap; zij bestond immers in de harten der gelovigen.

Kohl­brugge daarentegen legde meer de nadruk op de bediening der verzoening in het heden. Hij zag de Kerk meer als heilsinstituut. Vandaar dan ook zijn objectieve gerichtheid op het Woord.

Het behoeft ons waarlijk niet te ver­wonderen, dat Capadose de Hervormde Kerk tenslotte maar verliet en zich bij geen andere kerk aansloot: hoe zou hij zijn ware Christus-kerk in een der uitwendige kerken hebben kunnen ontdekken? Evenmin behoeft het ons te verwonderen, dat Kohlbrugge zich bleef hechten aan de Nederlandse Hervormde Kerk: hij zag daarin een middel in Gods hand om een volk in het leven te behouden, dank zij Gods verkiezingswerk in het heden.
Ik moge verwijzen naar:

mijn dissertatie: Abraham Capadose, 's-Gravenhage 1955, blz. 52 vlgg., waar men ook bronnen aangegeven vindt.

A. Pierson en De Clercq's jongste kleindochter, Willem de Clercq naar zijn dagboek, II (1825-1844), Haarlem 1888, blz. 81.

Brieven van Capadose aan Is. da Costa 1-8-1831-1933

H. F. KohIbrugge, Feeststoffen. Leerredenen. Uit het Hoogduits, Utrecht, 1878, blz. 256.

A. Capadose, Of scheiden af scheiding. Een woord aan leeraars en gemeenten,



's-Gravenhage 1866, blz. 6. 17 A. Capadose, t.a.p., blz. 14.

2 laat ons dat sterk vasthouden

3 Kohlbrugge gebruikt hier, zoals toenmaals dikwijls, het woord ‘gereformeerd’ voor een Hervormde Gemeente in de betekenis, die hij er aan hechtte in de brief aan Schröter, hierboven aangehaald.

4 Dit is niet begrepen door hen, die zijn houding tegen de broeders De Clercq in deze zaak veroordeelden.

5 Deze brief is verschillende keren uitgegeven. Wij volgen hier de afdruk in Amsterdamsch Zondagsblad 7e Jaargang bl. 261, die volgens Kohlbrugge’s eigen aanwijzingen gezuiverd is van de fouten in vroegere afdrukken.

6 Wel heeft Brummelkamp later verklaard, niet aan die veroordeling van Kohlbrugge’s leer te hebben meegedaan.

7 De juistheid dezer opvatting erkende de regering later door voor de Rijnprovincie en Westfalen aparte bepalingen te maken. II B.2.93

8 Uit dezelfde catechisatie als boven: “Sie hatten sich an dein Benehmen ihrer Prediger geärgert, welche anfangs die Gemeine gegen die Agende gewarnt hatten, als aber ein hochgestellter Mann, vorgeblich im Namen van de Konings, nach Elberfeld kam und sie im Weigerungsfall mit Absetzung bedrohte, nahmen sie die Agende doch an, da dieselbe nichts enthalte, was gegen ihr Gewissen sei.” Volgens A. Zahn (Abriss einer Geschichte van de evangelische Kirche Stuttgart 1886) schijnt de “hochgestellter Mann” Bisschop Ross geweest te zijn. Zahn schrijft over de invoering van de Agende: “Die Agende war im Gegensatz gegen viele rationalistische Formulare etwas viel besseres, aber die Weise wie sie eingeführt wurde ist ein wahres Jammerstock byzantinischer Hofpolitiek. Man erzwang überall de Schein van de Gehorsams (A. a. 0. S. 18).


9 Mevrouw Kohlbrugge schreef hierover 22 Dec. 1845: “Verleden jaar om deze tijd was uw lieve zuster bij ons en maakte mij toen door haar bijzijn dragelijk, wat ik anders niet had kunnen dragen. Toen streed ik die harde strijd, waarvan de hoofdpunten U bekend zijn; diepe wateren gingen over mijn hoofd; ik was alleen, heel alléén, kon het aan niemand zeggen, stond daar voor het dierbare vaderland, voor God! bad. smeekte, worstelde om een vissersdorpje (d.w.z. beroep naar een vissersdorpje) en het behaagde de Heere mij niet te horen. Hoewel vlees en bloed bezweken hield Zijn machtige hand mij staande in Hem, troostte mij op zijn tijd, zodat ik stil werd. Zo verliet ik het lieve vaderland, volgde blind met een gewond hart, in de diepte van de ziel was het: “de Heere heeft niet gehoord…”, enz. enz.

10 Hier is iets noodlottigs gebeurd. Kohlbrugge had in zijn concept staan: “Mit Vorbehalt von Agende und Kirchenordnung” (onder voor­behoud van Agenda en Kerkorde). Ds. Ball, bij wie hij zijn verzoek indiende, vond die woorden wat abrupt en vroeg, of hij het om de stijl veranderen mocht. Hij maakte er van: “in de vooronderstelling, dat de intrede in de Gemeente hem tot niets verplicht, wat in godsdienst of regering van de Kerk tegen de Gereformeerde Belijdenis is, met name niet tot de “Landes-Agenda.” Hier is op twee punten een ernstige afwijking van hetgeen Kohlbrugge eigenlijk bedoelde. Zijn bedoeling was vrij te blijven ten opzichte van de toenmalige regering van de Kerk, zoals ze met de Staat ten nauwste verbonden was; ook was zijn bedoeling van de hele agenda vrij te komen, niet slechts van de zogenaamde “Landes-Agenda”, maar ook van de “Kleine Agenda”, waartegen zijn vrienden onoverkomelijk bezwaar hadden. Kohlbrugge heeft niet gemerkt, dat men hem zodoende iets anders liet verklaren, dan hij eigenlijk wilde. Van een “voorbehoud” maakte men een vooronderstelling, en Kohlbrugge kwam in dezelfde positie als de andere predikanten.

11 Zie hierover uitvoeriger Dr. J. van Lonkhuijzen: H. P. Kohlbrugge en zijn Prediking, blz. 274 v.v., en het aanhangsel bij de preek over 1 Joh. 1: 7 in de tweede uitgave van de Twaalftallen: Leerredenen van Dr. theol. H. F. Kohlbrugge in nagenoeg chronologische volgorde, Deel II, derde en vierde Twaalftal blz. 23 v.v. 31

12 In de Elberfelder Zeitung van 25 Sept. 1853 is een beschouwing van de Augsburgse Confessie, die volgens de Agenda aangenomen moest worden. De schrijver (K. v. d. Heydt) betoogt daarin, dat een gereformeerde die niet ondertekenen kan.

13 Ik heb vanuit het Kabinet van de Minister van eer dienst geen direct antwoord op mijn laatste, maar wel een indirect, hetgeen daarop neerkomt, dat men eigenlijk niet begrijpt hoe ik die twee partijen tot een wil brengen, dat ik beiden niet zal kunnen voldoen, en dat, zo ik niet te zeer ( daar men niet wist hoe ik in de kerk kon optreden zonder verbintenis aan agenda en kerkordening) tegen een separatie opzag ik liefst zou wachten, tot het nieuwe Toleranz-edict uitkwam en op grond daarvan een vrije gemeente vormen” (25 Dec. 1846, Brieven blz. 281; 30 Dec. 1846, Brieven blz. 249).

14 Zie Brief e an Wichelhaus, S. 191. En A. Lomberg, Bergische M8nner. Elberfeld, 1927, blz. 285.

15 “Die im Landrecht ausgesprochene Zekeresfreiheit solt eine Wahr­heit werden”, zeide de Koning (K. v. d. Heydt, 26 Maart 1847).

16 Men had namelijk gehoord, dat Kohlbrugge een eigen Catechismus zou gebruiken. Kohlbrugge heeft inderdaad een eigen Catechismus opgesteld. Maar die is nooit tijdens zijn leven in druk verschenen. Of hij hem ooit op de catechisatie heeft gebruikt, is zeer twijfelachtig. Eerst lang na zijn dood, in 1903, is die Catechismus uitgegeven onder de titel “Die Lehre des Heils”. Iets anders is het met de “Vragen en antwoorden tot op­heldering en bevestiging van de Heidelberger Catechismus.” Die werd geleerd door verder gevorderde catechisanten. Allen moesten de Heidel­berger Catechismus kennen. Voor jonge kinderen gebruikte hij een door hem vervaardigde omwerking van het Kort Begrip.

17 Echter bericht A. Zahn (Abriss einet Geschichte van de evangelische Kirche): “1857 gaf grotere vrijheid in de liturgie”, zodat dus weer een van de bezwaren werd weggenomen, die door de oorspronkelijke agenda waren opgewekt. Hierdoor naderden de twee gemeenten weer tot elkaar.

18 Enig licht geeft Briefe an Wichelhaus, blz. 186191. De Ev. Gereformeerden voelden vermoedelijk voor de band, die hen met de regering verbond. Immers geeft de band met de regering, die de kerke­lijke belasting int, een grotere zekerheid aan het inkomen van de predikant, dan daar waar, zoals in de Niederl. Reform. Gem. al inkomsten op vrijwillige bijdragen berusten en dus onzeker zijn. Uit de noot op blz. 31 blijkt dan wel, dat een van de bezwaren, die tegen de hereniging waren in te brengen, werd weggenomen. Dat de nu eenmaal vrije Niederl.. Reform. Gem. toch met bezwaard hart aan de hereniging dacht, zal wel ook daaraan gelegen hebben, dat de vorsten nu al zoveel willekeur in geestelijke aangelegenheden hadden getoond, dat men er tegen opzag zich onder hun gezag te stellen.

19 Hierop zal wel van invloed geweest zijn, dat de koning ziek werd. Deze ziekte eindigde drie jaren later met de dood.

20 Een zwak protest kwam van de classis Amsterdam, maar deze onderwierp zich direct daarna. (P. Oberman, “Heeft de Nederl. Her­vormde Kerk met de nieuwe vorm van bestuur opgehouden de vroegere Gereformeerde Kerk te zijn?” Leiden, 1895).

21 Daarom was het consistorie te Berlijn dan ook van mening, dat de gemeente van de protesterenden het recht had, zich de gereformeerde gemeente te noemen.

22 Ds. C. van den Oever geb. 1803, werd krachtdadig bekeerd in 1833 en begon kort daarna te oefenen. Hij werd predikant van de Gereformeerde Gemeenten onder het kruis. ‘Onder het kruis’ wilde zeggen, dat die gemeenten geen Godsdienstvrijheid hadden aangevraagd bij de Kroon. Door diverse conflicten kwam hij alleen te staan. Na veel moeite gelukte het een gebouw te betrekken op het Wenaplein te Rotterdam; 1870. Heel typerend voor zijn geloof en profetische blik, is het feit dat hij vier dagen voor het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog in October 1870 schrijft aan de koning en de koningin van Pruisen. Frankrijk is als „de goddeloze, ongebonden Babyloniër", die door de koning van Pruisen als een nieuwe Kores zal worden „uitgeroeid" en in zijn rijk en heerschappij „vernietigd"; en als Edom, dat door David wordt overwonnen. Na het einde van de oorlog krijgt hij een dankschrijven met een bedrag in geld, waarvoor hij een mooie gaskroon koopt in zijn nieuwe kerk. In 1877 overleed hij. Ongeveer zeventig rijtuigen nemen aan zijn uitvaart deel. Ds Huiser van Dirksland is de voornaamste spreker bij zijn graf. Zijn latere opvolger is de bekende Ds G. H. Kersten, de stichter van het kerkverband van de „Gereformeerde Gemeenten".



23 Overgenomen uit: "Hoe Dr. H.E. Kohlbrugge predikant werd". Beschreven door de hervormde predikant van Rijnsburg, H. van Druten, 1884.


24 Ten Bokkel Heuning
1   2   3   4   5   6


Dovnload 255.44 Kb.