Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Koninklijke Boekverkopersbond, gevestigd te Bilthoven en de Novaka Organisatie Kantoorvakhandel

Dovnload 0.75 Mb.

Koninklijke Boekverkopersbond, gevestigd te Bilthoven en de Novaka Organisatie Kantoorvakhandel



Pagina1/14
Datum20.01.2019
Grootte0.75 Mb.

Dovnload 0.75 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

CAO voor de Boekhandel & Kantoorvakhandel 2012-2014

De ondergetekenden:


De Koninklijke Boekverkopersbond, gevestigd te Bilthoven en

de Novaka Organisatie Kantoorvakhandel, gevestigd te Amsterdam,

gezamenlijk nader te noemen partij ter ene zijde
en
C.N.V. Dienstenbond, gevestigd te Hoofddorp, nader te noemen “de vakvereniging” als partij ter andere zijde,
verklaren de navolgende collectieve arbeidsovereenkomst te zijn aangegaan.

Cao voor de

Boekhandel & Kantoorvakhandel

2012 - 2014

INHOUDSOPGAVE
Artikel 1. Definities

Artikel 2. Werkingssfeer

Artikel 3. Algemene verplichtingen van de werkgever

Artikel 4. Algemene verplichtingen van de vakvereniging

Artikel 5. Verplichtingen van de werknemer

Artikel 6. Arbeidstijd, werkweek & Roosters

Artikel 7. Meerwerk en arbeid op inconveniënte uren

Artikel 7A. Loon bij sluiting op feestdag

Artikel 8. Vergoeding meerwerk en arbeid op inconveniënte uren

Artikel 9. Salarisbepalingen

Artikel 9.A. Salarismaatregelen

Artikel 10. Vakantie & vakantiebijslag

Artikel 11. Buitengewoon verlof

Artikel 12. Tijdelijke waarneming & promotie

Artikel 13. Plaatsing in een lager ingedeelde functie

Artikel 14. Reiskostenvergoeding

Artikel 15. Maaltijdvergoeding

Artikel 16. Arbeidsongeschiktheid

Artikel 17. Uitkering bij overlijden

Artikel 18. Beëindiging dienstverband bij AOW-gerechtigde leeftijd

Artikel 19. Pensioenvoorziening

Artikel 20. Proeftijd

Artikel 21. Opzegtermijn

Artikel 22. Branche RI&E Boekhandel en Kantoorvakhandel

Artikel 23. Vakbondsrechten bij fusie en reorganisatie

Artikel 24. Dispensatie

Artikel 25. Duur van de CAO

Artikel 26. Vaste Commissie

Artikel 27. Tussentijdse wijzigingen

Artikel 28. Bedrijfstakoverleg

Artikel 29. Opleidingspakket

Artikel 30. Stichting Opleidingsfonds Boekhandel & Kantoorvakhandel

Artikel 31. Slotbepaling
Protocollaire Bepalingen
Bijlage I : Salaristabel
Bijlage II: Reglement Vaste Commissie
Bijlage III: Handboek Functie-indeling

Waar in de tekst van deze CAO de woorden 'hij', 'werkgever' en 'werknemer' worden gebruikt, worden hieronder mede begrepen 'zij', 'werkgeefster' en 'werkneemster'.


Artikel 1. Definities
In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
a. Werkgever:

1. iedere (rechts)persoon, wiens onderneming een detailhandelsbedrijf is. Het detailhandelsbedrijf is de distribuant die producten, meestal in kleinverpakking, aan de finale afnemer (eindgebruiker en eindverbruiker) levert en de laatste schakel in het distributie­kanaal is, veelal leverend aan de consument. De omzet in het detailhandelsbedrijf wordt in hoofdzaak (voor 50% of meer) gerealiseerd door de verkoop/exploitatie van boeken1 en/of tijdschriften en/of de non-folio producten cd-i en cd-rom en/of kantoorbeno­digdheden en/of kantoorin­richting en/of kantoor­meubelen en/of kantoormachi­nes en/of automatiseringspro­ducten (exclusief hardware- en softwareservices) en/of school-, schrijf- en tekenbehoef­ten en/of kunst schildersartikelen en/of papierwaren en/of papeterie artikelen.

2. iedere (rechts)persoon, in wiens onderneming de omzet in hoofdzaak gerealiseerd wordt door de verkoop-/exploitatie van producten uit groep a in combinatie met producten uit groep b aan/ten behoeve van nagenoeg uitsluitend de bedrijfsmatige eindgebruiker:

groep a. kantoorbenodigdheden en/of kantoorinrichting en/of kantoormeubelen en/of kantoormachines en/of automatiseringsproducten (exclusief hardware- en softwareservices)

groep b. school-, schrijf- en tekenbehoeften en/of kunstschilderartikelen en/of papierwaren en/of papeterieartikelen.
b. Werknemer:

de man of vrouw in dienstverband bij de werkgever.


c. Fulltimer:

de werknemer, wiens overeengekomen normale wekelijkse arbeidstijd gemiddeld 38 uren bedraagt, berekend over een periode van 26 aaneengesloten weken.


d. Parttimer:

de werknemer, wiens overeengekomen normale wekelijkse ar­beidstijd minder dan gemid­deld 38 uren bedraagt, berekend over een periode van 26 aangesloten weken.


e. Vakantiekracht:

degene die zich bij arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur van maximaal 2 maanden verbindt tot het verrichten van niet-beroepsmatige arbeid bij een werkgever.


f. Afroepkracht:

degene die een dienstverband is aangegaan voor een, per afroep, tel­kens door de werkgever nader te bepalen aantal uren.


g. Stagiaire:

degene die op basis van een stageovereenkomst onbetaalde arbeid (m.u.v. onkostenvergoeding) ten behoeve van een werkgever verricht die geheel of nagenoeg geheel gericht is op scholing en/of vorming.


h. Feestdag:

Nieuwjaarsdag, de beide Paasdagen, Hemelvaartsdag, de beide Pinksterdagen en de beide ­Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van H.M. de Koningin wordt ge­vierd, als­mede 5 mei in een lustrumjaar, voor het eerst in het jaar 2005.


i. Schaalsalaris:

het salaris als geregeld in bijlage I.

j. Salaris:

het maandsalaris, vastgesteld overeenkomstig artikel 9 van deze CAO.

k. Uurloon:

het uurloon is gelijk aan 12 maal het maandsa­laris op fulltime basis, gedeeld door 1976 (52 x 38).


l. Week:

een tijdseenheid van 7 opeenvolgende etmalen, waarvan het eerste aanvangt op maandagochtend 0:00 uur.


m. Functie:

het geheel van werkzaamheden op grond waarvan de werk­nemer conform de functiewaarderingsystematiek is ingedeeld.


n. Ondernemingsraad:

een ondernemingsraad als bedoeld in de Wet op de Ondernemingsraden.


o. Vaste Commissie:

de commissie als bedoeld in artikel 26 van deze CAO.


Artikel 2. Werkingssfeer
Deze overeenkomst is van toepassing op alle werkgevers en werknemers, met uitzondering van:

a. werkgevers/werknemers op wie de AUDAX-CAO of de CAO Van Dijk Educatie b.v. van toepassing is;



b. werknemers zijnde:

  • (statutair) directeur;

  • vakantiekracht;

c. stagiaires.
Artikel 3. Algemene verplichtingen van de werkgever


  1. De werkgever ver­plicht zich deze CAO te goeder trouw na te komen en tijdens de duur van deze overeenkomst generlei actie te voeren of te steunen, welke ten doel heeft wijziging te brengen in deze CAO.

  2. De werkgever zal met iedere werknemer schriftelijk een individuele arbeidsovereenkomst aangaan en daarin verwijzen naar deze CAO.

  3. De werkgever zal ervoor zorg dragen dat aan iedere werknemer een exemplaar van deze CAO wordt uitgereikt.


Artikel 4. Algemene verplichtingen van de vakvereniging


  1. De vakvereniging verplicht zich deze CAO te goeder trouw na te komen en tijdens de duur van deze overeen­komst generlei actie te voeren of te bevorderen, welke beoogt wijziging te brengen in deze overeenkomst.

  2. De vakvereniging staat er tegenover de werkgever voor in, dat zij met alle haar ten dienste staande middelen nakoming van deze overeenkomst door haar leden zal bevorderen.


Artikel 5. Verplichtingen van de werknemer


  1. De werknemer is gehouden alle hem door of namens de werkgever opgedra­gen werkzaamhe­den, voor zover deze redelijkerwijze kunnen worden verlangd, zo goed mogelijk uit te voeren en daarbij alle verstrek­te aanwijzingen en voorschriften, ook ten aanzien van tijd en plaats waarop de werk­zaamheden moeten worden verricht, in acht te nemen.

  2. De werknemer dient vooraf aan de werkgever schriftelijk mededeling te doen van de door hem te verrichten betaal­de arbeid voor derden, het zaken voor eigen rekening doen of het als agent voor derden optreden. Tegen neven­functies als hier bedoeld, zal de werkgever geen be­zwaar maken zolang zij naar het oordeel van de werkgever niet door omvang en/of aard een beletsel dreigen te vormen voor het naar behoren (kunnen blijven) vervullen van de eigen functie. Het is de werknemer, indien de werkgever binnen 14 dagen na ontvangst van de schriftelijke mededeling van de werknemer schriftelijk bezwaar heeft gemaakt, niet toegestaan bedoelde arbeid te verrichten. Het is de werkgever toegestaan de toestemming aan bepaalde voorwaarden te verbinden.

  3. De werknemer die arbeidsongeschikt wordt als gevolg van arbeid als in het vorige lid be­doeld, terwijl deze arbeid niet door de werkgever was toegestaan, ofwel niet aan de werkgever was mede­gedeeld, verliest elke aanspraak op de in artikel 16 geregelde aanvulling op de wettelijke vergoeding in geval van arbeids­ongeschiktheid.

  4. De werknemer is gehouden tot geheimhouding van al het­geen hem omtrent of in verband met de onderneming van de werkgever bekend is geworden en waaromtrent hem geheimhouding is opge­legd en/of hij het vertrouwe­lijk karakter redelijkerwijze kon vermoeden, zulks tevens na beëin­diging van het dienstverband.


Artikel 6. Arbeidstijd, werkweek & roosters


  1. De fulltime arbeidstijd bedraagt gemiddeld 38 uren per week, berekend per periode van 26 aaneengesloten weken, waar­bij deze perioden elkaar niet mogen overlappen.

  2. De werkgever kan er voor opteren zogenaamde flexibele roosters te hanteren. In dat geval vangt de eerste 26-weeks periode aan per de eerste dag van een kalenderkwartaal naar keuze van de werkgever.

  3. In geval van hantering van flexibele roosters worden voor elk kwartaal door de werkgever de roosterbehoeften geïnventariseerd. Voor elke deelperiode van 4 aaneengesloten weken wordt door de werkgever een rooster vastgesteld voor het aantal in elk van de vier weken te werken uren en de momenten waarop arbeid dient te worden verricht.

  4. De vaststelling van het rooster door de werkgever dient tijdig te geschieden en na overleg met betrokken werknemer(s).

  5. Het is niet geoorloofd de werknemer voor meer dan de roostermaxima van 10 uren per dag respectievelijk 50 uren per week in te roosteren. Het is daarnaast niet geoorloofd om de werknemer, berekend over een 26-weeks periode, meer dan 260 uren bovenop of minder dan het gemiddeld overeengekomen aantal uren in te roosteren.

  6. De hoofdregel is dat het arbeidspatroon zodanig wordt vastgesteld dat de gemiddelde arbeidstijd over de 26-weeks periode gelijk zal zijn aan de gemiddeld overeengekomen arbeidstijd.

  7. In het uitzonderingsgeval dat meer of minder arbeid wordt verricht dan in het voorgaande lid bedoeld, dient de werkgever de meer gewerkte uren respectievelijk de werknemer de te weinig gewerkte uren in het op de 26-weeks periode aansluitende kwartaal in vrije tijd te compenseren respectievelijk extra te werken, met dien verstande dat werkgever en werknemer in onderling overleg ook kunnen besluiten tot financiële afwikkeling per het einde van de 26-weeks periode.

  8. Indien de werknemer arbeidsongeschikt wordt binnen de periode van vier aangesloten weken waarvoor een rooster geldt, wordt de werknemer geacht het ingeroosterde aantal uren arbeid te hebben verricht.
    In geval van voortduring van de arbeidsongeschiktheid na afloop van de periode van vier aaneengesloten weken waarvoor een rooster geldt, daaronder begrepen de periode van gedeeltelijke re-integratie, wordt de werknemer geacht arbeid te hebben verricht overeenkomstig de overeengekomen gemiddelde arbeidstijd.
    In afwijking op het bepaalde in lid 7 wordt een mogelijk tekort of overschot aan uren gecompenseerd binnen het eerste kwartaal waarin niet langer sprake is van arbeidsongeschiktheid.

  9. In het geval per het moment van beëindiging van het dienstverband een overschot respectievelijk een tekort aan gewerkte uren resteert, zal het overschot aan uren aan de werknemer dienen te worden uitbetaald respectievelijk het tekort aan gewerkte uren aan de werkgever dienen te worden vergoed. In geval van een tekort aan gewerkte uren is de werkgever gerechtigd te verrekenen met al datgene dat de werknemer uit welken hoofde dan ook van de werkgever te vorderen heeft of mocht krijgen, niets uitgezonderd.

  10. Tenzij werkgever en werknemer anders overeenkomen of zijn overeengekomen, kan de werknemer niet worden verplicht:
    - tot het verrichten van arbeid op zondag;
    - op meer dan twee avonden per week, dan wel meer dan 26 zaterdagen per jaar arbeid te verrichten;
    - op meer dan vijf dagen per week arbeid te verrichten.


Artikel 7. Meerwerk en arbeid op inconveniënte uren


  1. Onder meerwerk wordt verstaan: arbeid verricht buiten het aantal uren waarvoor een werknemer in een week op basis van het vierweeksrooster is ingeroosterd, mits tevens in betreffende week meer dan 40 uren arbeid is verricht.

  2. Meerwerk zal zo min mogelijk worden opgedragen.

  3. Onder meerwerk wordt niet verstaan:
    a. de arbeid verricht door een werknemer die een salaris geniet hoger dan € 37.500,= (inclusief vakantiebijslag) bruto per jaar;
    b. de arbeid verricht door in- en verkooppersoneel in de buitendienst;

  4. Arbeid op de volgende uren wordt geacht inconveniënt te zijn:
    a. de uren, liggende voor 7:00 uur en na 21:00 uur op maandag tot en met vrijdag, respectievelijk na 18:00 uur op de zaterdag;
    b. de uren op zondagen en feestdagen, als bedoeld in artikel 1 sub h.


Artikel 7A. Loon bij sluiting op feestdag
De werknemer heeft recht op doorbetaling van loon (zonder toeslag), ingeval de werkgever de onderneming sluit op een feestdag, terwijl de werknemer volgens zijn vaste arbeidspatroon dan wel een tevoren vastgesteld rooster op die dag arbeid zou moeten verrichten.
Artikel 8. Vergoeding meerwerk en arbeid op inconveniënte uren


  1. De vergoeding voor arbeid op inconveniënte uren als bedoeld in artikel 7 lid 4, bedraagt het uurloon vermeerderd met de volgende toeslagen:




Dag

Tijd

vergoeding in

vrije tijd

(minuten)


vergoeding ter vervanging van vrije tijd in % van het uurloon.













ma t/m vr

21:00 - 07:00

30

50%

zaterdag

00:00 - 07:00

30

50%

zaterdag

18:00 - 24:00

60

100%

zon- feestdag*

00:00 - 19:00

60

100%

zon- feestdag*

19:00 - 21:00

75

125%

zon- feestdag*

21:00 - 24:00

90

150%

* Zie artikel 1 sub h.




  1. De vergoeding voor meerwerk als bedoeld in artikel 7 lid 1 bedraagt:
    a. voor de eerste twee uur meerwerk: het uurloon vermeerderd met een toeslag van 15 minuten vrije tijd of 25% ter vervanging in geld;
    b. voor het derde en volgende uren: het uurloon vermeerderd met een toeslag van 30 minuten vrije tijd of 50% ter vervanging in geld.

  2. Indien op grond van het bepaalde in de artikelen 7 en 8 recht op meer­dere toeslagen bestaat, kan uitsluitend aanspraak worden gemaakt op één toe­slag, te weten de hoogste.

  3. De toeslag voor meerwerk en/of arbeid op inconveniënte uren wordt door de werkgever uitge­keerd in vrije tijd, tenzij werkgever en werknemer vergoeding in geld overeenkomen. De opge­bouwde extra vrije tijd zal in principe binnen uiterlijk 6 maanden na het ontstaan van de aan­spraak daarop dienen te worden gegeven, bij gebreke waarvan vervangen­de vergoeding in geld dient plaats te hebben.

  4. De extra vrije tijd kan eventueel in combina­tie met aan de werkne­mer uit anderen hoofde toekomende vrije tijd worden gegeven, waarbij de werkgever rekening houdt met de wensen van de werknemer.

  5. Indien de toeslag in geld wordt verstrekt, dan dient dit specifiek uit de loonspecifi­catie opge­maakt te kunnen worden. Verstrekking toeslag in geld geschiedt per het einde van de 26-weeks periode als bedoeld in artikel 6 lid 7.

  6. De werknemer die een salaris geniet hoger dan € 37.500,= (inclusief vakantiebijslag) bruto per jaar heeft geen aanspraak op de toeslag voor het werken op inconveniënte uren.



Artikel 9. Salarisbepalingen


  1. Met inacht­neming van het bepaalde in het Handboek Functie-indeling Boekhandel & Kantoorvakhandel, als behorend bij deze collectieve arbeidsovereenkomst, stelt de werkgever de functie van werknemer vast en deelt deze in een functiegroep in.

  2. Iedere werknemer ontvangt in de regel bij aanstelling, doch in elk geval uiterlijk binnen 1 maand na zijn aanstel­ling schriftelijk medede­ling van de functiegroep waarin zijn functie is inge­deeld, van zijn schaalsalaris en eventueel van het aantal schaaltreden waarop zijn salaris is geba­seerd. Voor zover de indeling niet bij aanstel­ling is medegedeeld, zal de indeling met terug­werkende kracht gelden vanaf datum indiensttreding.

  3. Bij de functiegroepen 1 tot en met 9 behoren de salarisschalen als opgenomen in bijlage I, die, tot en met het 23-ste levensjaar van de werknemer, geba­seerd zijn op de leeftijd van de werk­nemer. Met ingang van het 24-ste levensjaar wordt de hoogte van het salaris bepaald door het aantal aan de werknemer toegekende schaaltreden in de voor hem geldende functiegroep.

  4. De werknemer die bij aanstelling in een leeftijdsschaal is ingedeeld, heeft, uiterlijk op de eerste dag van de maand waarin hij jarig is, recht op het salaris dat krachtens de geldende functiegroep met zijn leeftijd overeenstemt, onverminderd hetgeen hieromtrent in de Wet Minimumloon en Minimum Vakantiebijslag is en wordt bepaald.

  5. Aan de werknemer die de 24-jarige leeftijd heeft bereikt en voor wie één of meer schaaltrede(n) is/zijn vastgesteld, zal/zullen een of meer schaaltrede(n) worden toegekend, indien dit naar het oordeel van de werkgever op grond van normaal goed functioneren gerechtvaardigd is, met dien verstande dat toekenning slechts mogelijk is voor zover het maximum aantal schaaltreden in de geldende functiegroep nog niet is toegekend. Voor zoveel mogelijk zal de werknemer voor het einde van het kalenderjaar schriftelijk worden meegedeeld hoeveel schaaltreden zijn toegekend. Indien één of meer schaaltrede(n) is/zijn toegekend, zal het salaris met ingang van de eerste dag van het nieuwe kalenderjaar worden verhoogd met de toegekende schaaltrede(n).De werknemer aan wie geen schaaltrede wordt toegekend, wordt hiervan tijdig voor het einde van het kalenderjaar of, indien lid 6 van toepassing is, voor 1 juli en onder vermelding van redenen schriftelijk op de hoogte gesteld.

  6. In afwijking op het in lid 5 bepaalde, zal de werknemer die in de periode van de zevende tot en met de twaalfde maand van enig kalenderjaar in dienst is getreden, een eventuele schaaltredeverhoging eerst worden toegekend per 1 juli opvolgend.

  7. In geval op basis van het in artikel 6 bepaalde door de werkgever flexibele roosters worden gehanteerd en de werknemer als gevolg daarvan, gemeten over een kalendermaand, meer respectievelijk minder uren arbeid heeft verricht dan de overeengekomen arbeidsduur, wordt de werknemer niettemin beloond op basis van de overeengekomen arbeidsduur.

  8. Van een wijziging van zijn functie respectievelijk functiegroep ontvangt de werknemer van de werkgever schriftelijk mededeling, onder vermelding van zijn nieuwe indeling.

  9. In functiegroep 1 gelden steeds de wettelijke minimum(jeugd)lonen tot en met de 23-jarige leeftijd.

  10. Van parttimers wordt het (schaal)salaris naar evenredigheid van de omvang van het dienstver­band vastgesteld.

  11. De werknemer die een salaris geniet hoger dan een bedrag ter grootte van € 37.500,= (inclusief vakantiebijslag) bruto per jaar, kan over het meerdere boven dat bedrag geen aanspraak maken op cao-loonsverhogingen.


Artikel 9A. Salarismaatregelen


  1. Ter gelegenheid van de salarisbetaling over de maand januari 2013 ontvangt de werknemer een eenmalige bruto uitkering ter grootte van 0,3% over het bruto loon 2012.

  2. Met inachtneming van het in artikel 9, lid 9 en 11 bepaalde, worden de salarissen en de salarisschalen per 1 juli 2013 en per 1 januari 2014 met 0,75% verhoogd.


Artikel 10. Vakantie* & vakantiebijslag


  1. Het vakantiejaar loopt van 1 juni tot en met 31 mei.

  2. De fulltimer heeft over elk heel vakantiejaar aanspraak op 182 vakantie-uren. De werkgever is verplicht een zodanige registratie van vakantie-uren te voeren, dat daaruit te allen tijde blijkt over welk saldo aan vakantie-uren de werknemer beschikt.

  3. De fulltimer die tenminste 25 jaar, dan wel 40 jaar bij dezelfde onderneming werkzaam is geweest, heeft recht op 15, onderscheidenlijk 30 extra vakantie-uren per vakantiejaar.

  4. De fulltimer die de leeftijd van 50, 55, dan wel 60 jaar heeft bereikt, heeft recht op 8, 15, onderscheidenlijk 22 extra vakantie-uren per vakantiejaar.

  5. Ingeval van samenloop van aanspraken krachtens het derde en vierde lid, heeft de werknemer uitsluitend aanspraak op extra vakantie-uren krachtens het lid dat hem het meest verstrekkende recht toekent.

  6. De aanspraak op vakantie-uren van de parttimer wordt naar evenredigheid van de omvang van het dienstverband verminderd.

  7. De aanspraak op vakantie-uren van de werknemer die slechts een deel van het vakantiejaar in dienst is (geweest), wordt naar evenredigheid verminderd.

  8. De werkgever stelt de tijdvakken van de vakantie tijdig en zoveel mogelijk rekening houdende met de wensen van de werknemer vast, doch in ieder geval zodanig dat de werknemer, wiens aanspraken daartoe toereikend zijn, in een vakantiejaar tenminste één maal gedurende twee opeenvolgende weken geen arbeid behoeft te verrichten;

  9. Indien voor een onderneming een vakantiesluitingsregeling geldt, kan de werkgever de aaneengesloten vakantie geheel of gedeeltelijk met de in deze regeling vastgestelde periode laten samenvallen.

  10. De werkgever kan maximaal 23 vakantie-uren, verdeeld over maximaal 3 dagen, als verplichte uren vrijaf aanwijzen. Collectieve aanwijzing van verplichte uren vrijaf dient voor aanvang van het kalenderjaar plaats te hebben en in overleg met de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of werknemers te geschieden.

  11. Een vakantiedag waarop de werknemer arbeidsongeschikt is, geldt niet als een vakantiedag.

  12. De vakantiebijslag bedraagt conform de Wet Minimumloon en Vakantiebijslag 8% van het (bruto) loon over het vakantiejaar en wordt uiterlijk voldaan ter gelegenheid van de salarisbetaling over de maand mei.

* Per 1 januari 2012 is de wetgeving ten aanzien van de aanspraak op vakantie gewijzigd. Voor informatie hierover wordt verwezen naar de websites van CAO-partijen.

Artikel 11. Buitengewoon ver­lof


  1. Een werknemer heeft in onderstaande gevallen recht op buitengewoon verlof met behoud van loon gedurende de daarbij aangege­ven tijd:
    a. bij eigen huwelijk: de dag van het huwelijk en de daaropvolgende dag;
    b. bij eigen 25-, 40- en 50-jarig huwelijksfeest, dan wel dienst­jubileum: de desbetreffende dag;
    c. bij de bevalling van zijn echtgenote: de dag van de bevalling en de twee daaropvolgende dagen;
    d. het huwelijk van een kind, broer of zus: de dag van het huwelijk;
    e. bij het overlijden van de echtgenote/echtgenoot, eigen of aangehuwd kind, kleinkind: een korte naar billijkheid te berekenen tijd, doch maximaal de dag van overlijden tot en met de dag van de begrafenis/crematie;
    f. bij het overlijden van een (schoon)ouder, grootouder, broer, zuster, zwager of schoonzuster: de dag daaraan voorafgaande en de dag van de begrafenis/crematie zelf;
    g. in geval van eigen verhuizing: de dag van verhuizing, doch maximaal 1 dag per kalenderjaar.

    Onder ouder, kind, broer of zuster worden mede begrepen stiefouder, stiefkind en stiefbroer of ­zuster, alsmede pleegouder, pleegkind, pleegbroer of -zuster.



  2. Met echtgenoten of gehuwden worden gelijk gesteld, ongehuwden die zich blijvend hebben geves­tigd in een woonsituatie, welke vergelijkbaar is met die van gehuwden, dit aan de werkgever ken­baar hebben gemaakt en bedoelde situatie tenminste zes maanden heeft geduurd én op het mo­ment van het zich beroepen op het in dit artikel bepaalde nog steeds voortduurt.

  3. Daarnaast wordt aan de werknemer buitengewoon verlof met behoud van loon verleend:
    a. voor het bijwonen van vergade­ringen van werknemersorganisa­ties als kaderlid of afgevaardigde: gedurende ten hoogste in totaal drie dagen per kalenderjaar;
    b. na opzegging van de dienstbetrekking door de werkgever voor het solliciteren of voor het op uitnodiging mondeling toelichten van een sollicitatie: de daarvoor benodig­de tijd;


Artikel 12. Tijdelijke waarneming & promotie


  1. Tijdelijke waarne­ming:
    a. Werknemers die tijdelijk een functie volledig waarnemen welke hoger is ingedeeld dan hun eigen functie, blijven ingedeeld in de functiegroep en de salaris die met hun eigen functie overeen­komen.
    b. Indien de tijdelijke waarneming tenminste zes weken aaneenge­sloten heeft geduurd, ontvangt de werknemer met ingang van de zevende week voor deze waarneming een toeslag. Deze toeslag bedraagt 50% van het verschil tus­sen het sa­laris behorende bij de hogere functiegroep en het fei­te­lijke sa­laris van de waarne­mer. Hierbij wordt uitgegaan van een voor de waarnemer gelijk aantal schaaltreden.
    c. Indien de waarneming twaalf weken aaneengesloten heeft geduurd, ontvangt de werknemer met ingang van de dertiende week een toeslag van 100% van het in sub b bedoelde ver­schil.
    d. Aan de werknemer die in een kalender­jaar eenzelf­de hoger inge­deelde functie reeds twee maal heeft waargeno­men, telkens voor een periode van tenmin­ste zes weken aaneengesloten, zal voor de duur van de volgende waarneming van deze functie in dat jaar een toeslag worden toegekend van 100% van het in sub b bedoelde verschil.
    e. Een toeslag wordt niet toegekend aan de werknemer voor wie bij de indeling van zijn functie met het eventueel waarnemen van een hogere functie rekening is gehouden.

  2. Promotie:
    a. Werknemers die definitief in een hoger ingedeelde functie worden aangesteld, worden, tenzij in deze overeenkomst anderszins is bepaald, in de regel in de overeenkomende hogere functiegroep ingedeeld met ingang van de betalingspe­riode volgend op die waarin de promotie heeft plaatsgevonden.
    b. Indien een werknemer promoveert van een lagere naar een hogere functiegroep, dan wordt hem eerst een schaal­trede toegekend van de oorspronkelijke functiegroep, of, indien het maximum in deze groep reeds bereikt is, een theoreti­sche schaaltrede gelijk aan de laatste schaaltre­de, waarna de werknemer wordt ingeschaald op het naast hogere salaris van de hogere functiegroep.


Artikel 13. Plaatsing in een lager ingedeelde functie



  1. De werknemer die wegens functionele ongeschiktheid of met zijn instemming op voorstel van de werkgever wordt geplaatst in een lagere functiegroep ingedeelde functie, wordt, met in gang van de betaalperiode volgend op die waarin de plaatsing in de lagere functie is geschied, ingedeeld in de met de functie overeenkomende lagere functiegroep.

  2. Het verschil tussen het oorspronkelijke salaris en het nieuwe salaris zal wor­den toege­kend in de vorm van een persoonlij­ke toeslag. Deze persoonlijke toeslag zal worden afgebouwd in een periode van ten hoogste vier jaren, doch met tenminste 2% van het oorspron­kelijke sa­laris per jaar.


Artikel 14. Reiskostenvergoeding


  1. De reiskosten* woon-werkverkeer worden door de werkgever op declaratiebasis vergoed, indien de afstand tussen het woon- en werkadres meer dan 10 kilometer bedraagt, met dien verstande dat de reiskosten woon-werk slechts tot een afstand van maximaal 30 kilometer tussen het woon- en werkadres** worden vergoed en overigens tot een maximum van de kosten openbaar vervoer tweede klasse.

  2. Indien de werknemer in opdracht van de werkgever reist, worden de reiskosten op declaratiebasis vergoed op basis van de kosten openbaar vervoer tweede klasse, dan wel op basis van het fiscaal onbelast te vergoeden bedrag per kilometer, indien sprake is van gemotoriseerd afgelegde kilometers, anders dan met openbaar vervoer.

  3. Er bestaat geen recht op vergoeding van reiskosten, indien en voor zover de werkgever in (de kosten van) vervoer heeft voorzien.

* Indien anders dan met vervoer tegen betaling(sbewijs) wordt gereisd, worden de reiskosten geacht overeen te stemmen met het fiscaal onbelast te vergoeden bedrag per kilometer.



** Hiermee is een afstand enkele reis van maximaal 30 kilometer bedoeld.
Artikel 15. Maaltijdvergoeding
De werknemer heeft recht op een maaltijdvergoeding ter grootte van 8,00 euro bruto, indien de werkzaamheden vóór of op 13:00 uur aanvangen en voortduren tot 21:00 uur of later, een en ander tenzij de werkgever zelf een maaltijd verstrekt.
Artikel 16. Arbeidsongeschiktheid


  1. Indien de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht, omdat hij daartoe in verband met arbeidsongeschiktheid wegens ziekte verhinderd was, behoudt de werknemer gedurende de eerste 52 weken van arbeidsongeschiktheid aanspraak op doorbetaling van het volle loon, zulks evenwel onder aftrek van ten hoogste één wachtdag. Met ingang van de 53e week tot en met uiterlijk de 104e week van arbeidsongeschiktheid behoudt de werknemer zijn aanspraak op doorbetaling van 70% van dat loon.

  2. Het loon, bedoeld in lid 1, wordt verminderd met:
    a. het bedrag van enige geldelijke uitkering die de werknemer toekomt krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig fonds waarin de werknemer deelneemt, voor zover deze uitkering betrekking heeft op de bedongen arbeid waaruit loon wordt genoten.
    b. het bedrag van de inkomsten, door de werknemer in of buitendienstbetrekking genoten voor werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij, zo hij daartoe niet verhinderd was ge­weest, de bedongen arbeid had kunnen verrichten.
    c. inhoudingen krachtens de bepalingen van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel, alsmede andere overeengekomen of reguliere inhoudingen.

  3. Voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken, bedoeld in het eerste lid, worden ziektepe­rioden samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

  4. De werknemer heeft het in het eerste lid bedoelde recht niet, althans voor zover de wet zulks toelaat:
    a. indien de ziekte door zijn opzet is veroorzaakt of het gevolg is van een gebrek waarover hij in het kader van een aanstellingskeuring valse informatie heeft verstrekt en daardoor de toetsing aan de voor de functie opgestelde belastbaarheideisen niet juist kon worden uitgevoerd;
    b. voor de tijd, gedurende welke door zijn toedoen zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
    c. voor de tijd, gedurende welke hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijk grond passende arbeid, als bedoeld in artikel 7:658a lid 4 BW, voor de werkgever of voor een door de werkgever aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt, niet verricht;
    d. voor de tijd, gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid als bedoeld in artikel 7:658a lid 4 BW te verrichten;
    e. voor de tijd, gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:658a lid 3 BW;
    f. voor de tijd gedurende welke hij zonder deugdelijke grond zijn aanvraag voor een uitkering als bedoeld in artikel 64 lid 1 van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen later indient dan aldaar is voorgeschreven.

    Toelichting bij lid 1:


    Op grond van dwingende bepalingen in het Burgerlijk Wetboek (artikel 7: 629) behoudt de werknemer in geval van ziekte minimaal recht op het wettelijk minimum (jeugd)loon gedurende de eerste 52 weken van ziekte.


Artikel 17. Uitkering bij overlijden


  1. De werkgever is verplicht aan de nagelaten betrekkingen van de werknemer over de periode vanaf de dag na overlijden tot en met de laatste dag van de tweede maand na die, waarin het overlijden plaatsvond, een uitkering te verlenen ten bedrage van het loon dat de werknemer laatstelijk rechtens toekwam.

  2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder nagelaten betrekkin­gen verstaan de langstle­vende der echtgenoten dan wel geregistreerde partners van wie de werknemer niet duurzaam gescheiden leefde dan wel degene met wie de werknemer ongehuwd samenleefde, bij ontstentenis van deze de minder­jarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond en bij ontstentenis van dezen degene met wie de werknemer in gezinsverband leefde en in wiens kosten van bestaan hij grotendeels voorzag. Van ongehuwd samenleven als bedoeld in de eerste zin is sprake indien twee ongehuwde mensen een gezamenlijke huishouding voeren, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste graad. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de tweede zin is sprake indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

  3. De overlij­densuitkering als bedoeld in het eerste lid, kan worden verminderd met het bedrag van de uitkering dat aan de nagelaten betrekkingen ter zake van het overlijden van de werk­ne­mer toe­komt krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte- of arbeidsongeschikt­heidsverze­kering en krachtens de Toeslagenwet.

  4. Het bepaalde in lid 1 geldt niet indien de werknemer onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden door toepassing van artikel 7:629 lid 3 BW geen aanspraak had op loon als bedoeld in artikel 7:629 lid 1 BW / artikel 16 lid 1 of indien tengevolge van het toedoen van de werknemer geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de Ziektewet of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.


Artikel 18. Beëindiging dienstbetrek­king bij AOW-gerechtigde leeftijd
De dienstbetrekking tussen werkgever en werknemer eindigt uiterlijk op de dag, waarop door de werk­nemer de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt, tenzij anders overeengekomen wordt door werkgever en werknemer.
Artikel 19. Pensioenvoorziening­


  1. Voor wat betreft eventuele pensioenrechten gelden de bepalingen van het pensioenreglement van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel.

  2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing als de werkgever niet gehouden is aan de Bedrijfstakpensioenregeling voor de Detailhandel, dan wel daarvan is vrijgesteld. In geval van vrijstelling geldt de pensioenregeling die tot de vrijstelling heeft geleid.

  3. In geval de werkgever niet gehouden is aan de Bedrijfstakpensioenregeling voor de Detailhandel gelden de bepalingen van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Metaalnijverheid, althans indien de werkgever onder de werkingssfeer van bedoeld pensioenfonds valt en overigens uitsluitend voor zover bepalingen verplicht zijn gesteld.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

  • Artikel 1. Definities In deze overeenkomst wordt verstaan onder: a. Werkgever : 1.
  • Werknemer
  • Afroepkracht
  • Schaalsalaris
  • Artikel 2. Werkingssfeer
  • Artikel 3. Algemene verplichtingen van de werkgever
  • Artikel 4. Algemene verplichtingen van de vakvereniging
  • Artikel 5. Verplichtingen van de werknemer
  • Artikel 6. Arbeidstijd, werkweek roosters
  • Artikel 7. Meerwerk en arbeid op inconveniënte uren
  • Artikel 7A. Loon bij sluiting op feestdag
  • Artikel 8. Vergoeding meerwerk en arbeid op inconveniënte uren
  • Artikel 9. Salarisbepalingen
  • Artikel 9A. Salarismaatregelen
  • Artikel 10. Vakantie* vakantiebijslag
  • Artikel 11. Buitengewoon ver­lof
  • Artikel 12. Tijdelijke waarneming promotie
  • Artikel 13. Plaatsing in een lager ingedeelde functie
  • Artikel 14. Reiskostenvergoeding
  • Artikel 15. Maaltijdvergoeding
  • Artikel 17. Uitkering bij overlijden
  • Artikel 18. Beëindiging dienstbetrek­king bij AOW-gerechtigde leeftijd
  • Artikel 19. Pensioenvoorziening­

  • Dovnload 0.75 Mb.