Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Kubv beeldende begrippen 2017

Dovnload 102.78 Kb.

Kubv beeldende begrippen 2017



Datum13.11.2017
Grootte102.78 Kb.

Dovnload 102.78 Kb.

KUBV Beeldende begrippen 2017

Inleiding


Dit document betreft een nadere toelichting op eindterm 1 uit het domein A van kunst (algemeen):

De kandidaat kan de belangrijkste termen en begrippen hanteren uit de kunstdisciplines beeldende vormgeving, dans, drama en muziek die voorwaardelijk zijn voor een adequate receptie en reflectie, en noodzakelijk voor begrip van verbanden tussen kunst en cultuur.
We hebben het eenvoudig willen maken door zoveel mogelijk voor de verschillende disciplines eenzelfde indeling in categorieën te hanteren, ook al leidt dit er soms toe dat conventies in een bepaald werkveld worden doorbroken. Voor de disciplines beeldend, dans, theater en muziek is er geordend naar:
Voorstelling:

Wat wordt afgebeeld, verteld, getoond? Wat is het verhaal, het thema, het onderwerp, het concept? In het geval van verhaalloze, abstracte kunst kan de voorstelling daarom gaan over de vorm, het pure gebruik van vormgevingsmiddelen. Dat kan zowel de beeldende als de podiumkunsten betreffen.

Vormgeving:

Hoe wordt de voorstelling afgebeeld, weergegeven, verteld, verklankt? Hier worden steeds uitsluitend de discipline-eigen vormgevingsmiddelen bedoeld en toegelicht.

Materiaal/techniek (bij beeldend) of theatervormgeving (bij de podiumkunsten theater, dans en muziek):

Waarmee, met welke materialen en technieken wordt de voorstelling gemaakt, vormgegeven.
Voor de discipline film is een ander model gekozen, omdat film enerzijds, zoals alle andere disciplines, een zeer eigen vormgevingstechniek heeft (door middel van de camera en montage), maar ook gebruik kan maken van alles wat in de andere disciplines aan de orde is. Daarom wordt daar geordend naar:

- Voorstelling: zie boven

- Vormgeving: gaat daarom bij film om enerzijds filmspecifieke vormgeving (via camera en montage) en anderzijds om theatervormgeving zoals die ook bij de podiumkunsten aan de orde is: ook bij film wordt gespeeld, zijn er decors en kostuums, is er geluid/muziek.

Inhoud


BEELDENDE KUNST EN VORMGEVING

I. Voorstelling: wat wordt afgebeeld? Is er een onderwerp, verhaal, thema, boodschap, concept?

II. Vormgeving: hoe wordt de voorstelling afgebeeld/ vormgegeven door middel van beeld? Hoe wordt het gebouw/object/affiche vormgegeven?

III. Materiaal/techniek: waarmee, met welke materialen en technieken, wordt de voorstelling/het gebouw/object/affiche vormgegeven?


DRAMA (THEATER)

I. Voorstelling: waar gaat het theaterstuk over, wat is de inhoud, het verhaal, het thema, het concept, de boodschap?

II. Vormgeving: hoe wordt de theatervoorstelling vormgegeven door middel van spel?

III. Theatervormgeving: waarmee, met welke materialen en technieken, wordt de theatervoorstelling vormgegeven?


DANS

I. Voorstelling: waar gaat het dansstuk over: wat is de inhoud, het verhaal, het thema, de boodschap of het concept?

II. Vormgeving: hoe wordt de voorstelling vormgegeven door middel van dans?

III. Theatervormgeving: waarmee, met welke materialen en technieken, wordt de dansvoorstelling vormgegeven?
MUZIEK

I. Voorstelling/concert/muziektheaterstuk: waar gaat het muziekstuk over? Is er een verhaal, een tekst, een buitenmuzikaal gegeven, een sfeer?

II. Vormgeving : hoe wordt de voorstelling/het concert/het muziektheaterstuk vormgegeven door middel van muziek?

III. Theatervormgeving: waarmee, met welke materialen en technieken, wordt de muziekvoorstelling vormgegeven?


FILM

I. Voorstelling: waar gaat de film over, wat is de inhoud, het verhaal, het thema, de boodschap?

II. Vormgeving: hoe wordt de film vormgegeven door middel van:

a. Filmtechnische vormgeving: vormgeving door middel van filmeigen technieken, camera en montage

b. spel

c. theatervormgeving?



BEELDENDE KUNST EN VORMGEVING


  • Beeldende kunst of autonome kunst: schilderkunst, beeldhouwkunst, fotografie, video etc.

  • Vormgeving of toegepaste kunst: architectuur, design, affiches, mode etc.

I. Voorstelling: wat wordt afgebeeld? Is er een onderwerp, verhaal, thema, boodschap, concept?

II. Vormgeving: hoe wordt de voorstelling afgebeeld/ vormgegeven door middel van beeld? Hoe wordt het gebouw/object/affiche vormgegeven?

III. Materiaal/techniek: waarmee, met welke materialen en technieken, wordt de voorstelling/het gebouw/object/affiche vormgegeven?


I. Voorstelling

Wat wordt afgebeeld? Voorstellingen zijn onderwerpen en/of thema’s als stilleven, landschap, portret etc., naar de waarneming of naar de fantasie. De voorstelling kan (eventueel via symbolen, kleuren, attributen etc.) verwijzen naar een achterliggend idee, een specifiek personage, een verhaal (bijbels, mythologisch, historisch), een diepere betekenis of inhoud.



II. Vormgeving

Hoe wordt de voorstelling afgebeeld, beeldend vormgegeven? Hoe wordt het gebouw/object/affiche vormgegeven?

Aspecten van beeldende vormgeving zijn vorm, compositie, ruimte, licht en kleur.

vorm

Denk daarbij aan tweedimensionale (vlak, plat) en driedimensionale vormen (ruimtelijk, plastisch), abstracte of figuratieve vormen, schematische, gestileerde, organische, geometrische vormen (zoals Mondriaan gebruikte) etc.



compositie

Dit is de ordening/plaatsing/groepering van de verschillende vormen op een vlak (evenwichtig, symmetrisch, asymmetrisch, dynamisch) of de plaatsing van driedimensionale vormen binnen een installatie.



ruimte

Dit gaat over ruimtelijkheid en plasticiteit bij driedimensionale vormen en de suggestie van dieptewerking of plasticiteit in tweedimensionale werken.

Suggestie van dieptewerking ontstaat vooral door (lijn)perspectief (met als bijzondere varianten het vogelvlucht- of kikvorsperspectief). Suggestie van plasticiteit ontstaat door licht en schaduw.

licht

Dit gaat over de werking van echt licht op driedimensionale vormen en de effecten van licht bij architectuur (glas) of over de suggestie van licht in tweedimensionale werken:

natuurlijk licht, kunstlicht (kaars, lamp), licht-donkercontrasten / clair-obscur (bijvoorbeeld bij Rembrandt), schaduw, plasticiteit, stofuitdrukking (suggestie van textuur van stoffen als fluweel, marmer, glas etc. door virtuoze lichtbehandeling).

kleur

Denk daarbij aan kleursoort (rood, geel, groen etc.), helderheid, verzadiging, kleurencirkel (bijvoorbeeld die van Johannes Itten, docent aan het Bauhaus), kleurcontrasten, kleursymboliek, verschillende soorten van kleurmenging etc.


III. Materiaal/techniek

materiaal

Hierbij gaat het om het materiaal waarmee de kunstenaar gewerkt heeft, bijvoorbeeld: hout, verf, glas, textiel, baksteen, drukinkt, klei, marmer enz.

Het materiaal betreft ook de gereedschappen waarmee is gewerkt zoals hamer, kwast, potlood, enz.

techniek

De techniek is de manier waarop het materiaal wordt verwerkt. Bijvoorbeeld: tekenen, hakken, fotograferen, borduren, gieten.



hanteringwijze

De hanteringwijze is de manier waarop de kunstenaar zijn materiaal gebruikt. Dit bepaalt hoe het werk overkomt, bijvoorbeeld: grof of fijn, glad of ruw, snel of doordacht.



DRAMA (THEATER)


I. Voorstelling: waar gaat het theaterstuk over, wat is de inhoud, het verhaal, het thema, het concept, de boodschap?

II. Vormgeving: hoe wordt de theatervoorstelling vormgegeven door middel van spel?

III. Theatervormgeving: waarmee, met welke materialen en technieken, wordt de theatervoorstelling vormgegeven?
I. Voorstelling: waar gaat het theaterstuk over, wat is de inhoud, het verhaal, het thema, het concept, de boodschap?
De inhoud van veel theaterstukken is gebaseerd op een (historische of eigentijdse) tekst. Lucifer van Joost van den Vondel kan worden uitgevoerd met de oorspronkelijke tekst, maar ook naar een eigentijdse, bewerkte tekst. De tekst kan gebaseerd zijn op een boek of film, of volledig nieuw zijn en speciaal geschreven. De tekst kan zijn voortgekomen uit improvisatie van de acteurs, of instant worden geïmproviseerd tijdens de voorstelling.

Ook zijn er theatervormen waarin tekst nauwelijks of geen rol speelt: denk aan fysiek theater, mime, slapstick etc.

De inhoud van een theaterstuk kan worden gevat in de zgn. spelgegevens, die kunnen worden samengevat in de 5 w’s:

wie

De verschillende personages in het stuk, types (personages met één of hoogstens twee karaktereigenschappen, zoals Batman), karakters (personages met meerdere karaktereigenschappen, vaak met een karakterontwikkeling, zoals Hamlet).



wat

Het plot, het conflict, de spanningsopbouw: inleiding, opbouw, climax, afloop.



waar

De plaats, ruimte, locatie waar de handeling zich afspeelt.



waarom

Het motief, de beweegreden van de handeling (zoals: waarom wil Mutter Courage geen vrede? Ze verdient namelijk haar geld met de oorlog).



wanneer

Het wanneer gaat over tijd en tijdsverloop (plaatsing in de historische tijd en tijdsverloop in het stuk: chronologisch, fragmentarisch, tijdsprongen, flash back, flash forward).



II. Vormgeving: hoe wordt de theatervoorstelling vormgegeven door middel van spel?
Spel kent de volgende aspecten:

het lichaam van de acteur

- mimiek (gezichtsuitdrukking),

- gebaren en bewegingen (zoals het trommelen met de vingers voor een nerveus type, of het waggelen van een dikke dame)

- lichaamshouding (zoals een stijve nek voor een koppig persoon, of het ingezakt zitten van een sloom figuur)

- handeling (roken, neuspeuteren, op het horloge kijken)

stemgebruik van de acteur

Door middel van het stemgebruik geeft de acteur mede vorm aan zijn personage. Denk hierbij aan:

- volume (hard of zacht)

- het accent (stads- of streekaccent)

- klankkleur (hoog en licht of zwaar en donker).

- intonatie (veel of weinig variatie in toonhoogte)

- het gebruik van klemtonen

- timing (langzaam of snel, pauzes)

- veel of weinig emotie in de stem
mise-en-scène

Hiermee bedoelt men het gebruik van het speelvlak door de acteurs, zoals de plaatsing van personages in het speelvlak, de blikrichtingen en het bewegen van de personages ten opzichte van elkaar en ten opzichte van het speelvlak (de looplijnen). Ook het op- en afgaan van de personages hoort tot de mise-en-scène. syllabus kunst (beeldende vormgeving/dans/drama/muziek/algemeen) havo 2017 18


speelstijl

Onder speelstijl verstaat men een wijze van spelen, die over het algemeen kenmerkend is voor een bepaald theatergenre zoals melodrama (soap), realisme, absurdisme, slapstick of episch theater.

De speelstijl kan ook gekoppeld zijn aan het regieconcept van de regisseur.

III. Theatervormgeving: waarmee, met welke materialen en technieken, wordt de theatervoorstelling vormgegeven?
Hieronder verstaan we:

decor

Dit is de toneeltoerusting waarmee de plaats van handeling wordt voorgesteld, ook projecties kunnen tot het decor behoren.



kostuum

Onder kostuum verstaat men de kleding die hoort bij het personage en bij de context van het toneelstuk.



grime en hair styling

Dit gaat over de opmaak van het gezicht van de acteurs en hun haardracht: denk hierbij onder andere aan schmink, pruiken en littekens.



rekwisieten

Rekwisieten zijn voorwerpen die in een voorstelling gebruikt worden door de spelers, zoals een pen of een zwaard. Ook stoelen en tafels die op een toneel staan zijn rekwisieten.



attributen

Een attribuut is een speciaal rekwisiet, dat bij een rol hoort, zoals een liniaal voor een strenge juf, een scepter voor een koning, de lier van Apollo, de sleutels van Petrus. Daaraan kun je het personage herkennen.



belichting

Door middel van belichting van de speelplek zorgt men voor zichtbaarheid van wat zich afspeelt, maar ook voor een bepaalde sfeer. Belichting kan de aandacht van het publiek op een bepaalde handeling richten. Denk hierbij aan de kleur en de intensiteit van het licht.



muziek

Theatervoorstellingen kunnen worden begeleid door muziek, die net als belichting, voor een sfeer of bepaalde emotie kan zorgen. Denk aan bombastische muziek om een opschepper te karakteriseren, of minimalistische muziek als ondersteuning van een sterfscène.



geluid en geluidseffecten

Ook door middel van geluid kunnen scènes worden ondersteund of benadrukt. Denk hierbij aan wapengekletter bij vechtscènes of geluidsdecor/soundscapes met zwembadgeluiden om een zwembad te verbeelden.



enscenering

Een regisseur maakt bij het creëren van een theaterstuk keuzes ten aanzien van het geheel van spel van de acteurs en theatervormgeving. Dit noemt men de enscenering.



toneelbeeld

Het toneelbeeld is een ‘still’ uit de voorstelling. Alles wat je ziet op een bepaald moment van het stuk hoort bij het toneelbeeld: het decor, de rekwisieten, de belichting en de positie van de acteurs daarin. syllabus kunst



DANS


I. Voorstelling: waar gaat het dansstuk over: wat is de inhoud, het verhaal, het thema, de boodschap of het concept?

II. Vormgeving: hoe wordt de voorstelling vormgegeven door middel van dans?



III. Theatervormgeving: waarmee, met welke materialen en technieken, wordt de dansvoorstelling vormgegeven?
I. Voorstelling
Dans kan, net als drama/theater een verhaal vertellen, dat gebaseerd is op een tekst van een auteur. Zo is het romantische ballet Giselle (1841) gebaseerd op een volkslegende die werd verwerkt tot een libretto voor het ballet.

Tot en met de negentiende eeuw was de academische theaterdans vooral verhalend, er werd een verhaal uitgebeeld. Vanaf het begin van de twintigste eeuw zien we , net als in de andere kunsten, een streven naar abstrahering: dans geeft dan een sfeer, stemming, thema, concept weer. Voorbeelden van min of meer abstraherende dans zijn het ballet Les Sylphides (chor. Fokine, muz. Chopin, 1909) en het ballet Serenade (chor. Balanchine, muz. Tsjaikovski, 1934).

Van absolute dans spreken we als er geen sprake meer is van een stemming of sfeer als basis voor een abstract ballet. In absolute dans gaat het alleen nog om de dans zelf, om de pure, formele bewegingsconstructie. In de academische dans wordt George Balanchine gezien als de eerste choreograaf die absolute dans maakte, in de moderne dans is dat Merce Cunningham.

Zie verder, voor spelgegevens e.d., bij drama/theater.



II. Vormgeving in dans
Vormgeving in dans gebeurt door middel van de keuzes die een choreograaf maakt, of die door traditie zijn vastgelegd, in het gebruik van:

1. ruimte

2. tijd

3. kracht
1. Ruimte
Dans voltrekt zich altijd in ruimte. In de meest brede zin van het woord is ruimte de reële of virtuele plek, locatie, waar de danser danst. Ruimte kent een aantal aspecten, zoals:

richtingen In het horizontale vlak zijn er diverse richtingen waarin de danser de ruimte kan doorsnijden. Denk hierbij aan voor- en achterwaarts, zijwaarts en diagonaal. Ook de blikrichting (focus) van de danser is van belang.

hoogtelagen In het verticale vlak kan de danser zich bewegen in drie lagen: hoog, midden en laag. De lagen worden gedacht vanuit het bekken van de danser, dat als ‘midden’ wordt gezien. Dus springen is dan ‘hoog’ en zittend/liggend de grond gebruiken is ‘laag’.

combinaties van richtingen, hoogtelagen en voortbeweging in de ruimte Op het moment dat een danser zich beweegt in de ruimte gebruikt hij richtingen en hoogtelagen. De variaties daarin kunnen leiden tot patronen (lijn, cirkel, slinger, spiraal, acht, etc.), vormen van het lichaam van de danser ( groot, helemaal uitgestrekt of klein, helemaal in elkaar; rond of hoekig etc. ). Ook de plaatsing van één danser in de ruimte, van meerdere dansers ten opzichte van elkaar (opstellingen zoals kring of rij), of de plaatsing van dansers t.o.v. decorstukken hoort hierbij.

2. Tijd
Dans voltrekt zich niet alleen in de dimensie ruimte, maar ook in tijd. Dans heeft een duur (acht maten voor een paar passen, avondvullend voor een sprookjesballet bijvoorbeeld), een tempo (van uiterst langzaam tot extreem snel) , een ritme en maat (zie bij muziek). Kortom, dans maakt een bepaalde onderverdeling van de tijd zichtbaar.
3. Kracht
Dansers zetten altijd een bepaalde kracht in om te dansen. Dans is, vanuit kracht gezien, een spel dat voortdurend gaande is tussen de krachtsinzet van de danser en de zwaartekracht die voortdurend inwerkt op zijn/haar lichaam. De ingezette kracht kan variëren van zeer sterk tot zeer zwak.

Aspecten van kracht zijn:



spanning (tonus) Om te kunnen bewegen moet de danser zijn spieren aanspannen en ontspannen, afhankelijk van de beweging die hij wil maken. Denk hierbij aan het optillen van een been, dat vraagt om de aanspanning van bepaalde spiergroepen en om de ontspanning van weer andere spiergroepen.

gewicht Het lichaam van de danser heeft een gewicht dat bewust kan worden ingezet. De danser kan bijvoorbeeld zijn gewicht inzetten om te vallen en te rollen, maar hij kan zijn gewicht ook ontkennen door heel licht te dansen of te springen.

aanzet, impuls Het karakter van een beweging hangt sterk af van de aanzet die de danser actief geeft aan de beweging: hij kan een sterke aanzet meegeven of een zeer lichte. Als de danser zelf inactief is en de aanzet van zijn beweging komt van buiten, dan spreken we van een impuls. Denk daarbij aan een duw van een andere danser, het in beweging gezet worden door een decorstuk bijvoorbeeld.

Een choreograaf maakt bij het creëren van dans keuzes in de domeinen ruimte, tijd en kracht. Zodra het ontworpen dansmateriaal, dat vaak voortkomt uit improvisatie, is vastgelegd en herhaalbaar gemaakt, spreken we van een danscompositie. In samenhang met geluid en/of muziek, decor en kostuum, belichting en locatie ontwikkelt zich een betekenisvolle choreografie, die in theatrale context kan worden getoond.



Algemeen

danscompositie

Een choreograaf maakt bij het creëren van dans keuzes in de domeinen ruimte, tijd en kracht. Zodra het ontworpen dansmateriaal, dat vaak voortkomt uit improvisatie, is vastgelegd en herhaalbaar gemaakt, spreken we van een danscompositie.



choreografie

In samenhang met geluid en/of muziek, decor en kostuum, belichting en locatie ontwikkelt zich een betekenisvolle choreografie, die in theatrale context kan worden getoond.



III. Theatervormgeving: waarmee, met welke materialen en technieken, wordt de dansvoorstelling vormgegeven?
Zie hiervoor bij Drama/Theater, III


MUZIEK


I. Voorstelling/concert/muziektheaterstuk: waar gaat het muziekstuk over? Is er een verhaal, een tekst, een buitenmuzikaal gegeven, een sfeer?

II. Vormgeving : hoe wordt de voorstelling/het concert/het muziektheaterstuk vormgegeven door middel van muziek?

III. Theatervormgeving: waarmee, met welke materialen en technieken, wordt de muziekvoorstelling vormgegeven?
I. Voorstelling
De muziek in de middeleeuwen was overwegend vocaal, zowel religieus als wereldlijk. In de late middeleeuwen en in het begin van de Renaissance wordt de rol van het instrument steeds groter. De muziek kreeg, naast een gebruiksfunctie (begeleiding bij dans en feesten), een concertante functie (muziek om naar te luisteren). De mogelijkheden van instrumenten werden verkend en nieuwe compositietechnieken bedacht.

Programmamuziek ontstond in de negentiende eeuw. Onder programmamuziek verstaat men een instrumentale compositie waar een verhaal of gedicht aan ten grondslag ligt, anders dan absolute muziek waar het om de vorm gaat. Voorbeelden van absolute muziek zijn fuga en sonate.

Er zijn meerdere soorten programmamuziek:

- buitenmuzikale gegevens worden letterlijk nagebootst, denk bijvoorbeeld aan de Danse Macabre van Camille Saint-Saëns (geluiden die worden nagebootst: twaalf klokslagen, voetstappen, een haan).

- Ook komt het voor dat personen en/of gebeurtenissen worden gekoppeld aan een thema, voorbeelden hiervan zijn Till Eulenspiegel van Richard Strauss en Peter en de wolf van Prokofiev.

- Ook een combinatie van deze twee soorten programmamuziek is mogelijk, een voorbeeld daarvan is de Symphonie Fantastique van Hector Berlioz.


Absolute muziek noemt men die composities waarin de vorm voorop staat en die niet gebaseerd is op een verhaal of gedicht. Buitenmuzikale gegevens worden niet of nauwelijks gebruikt in deze muziek. Voorbeelden van absolute muziek zijn fuga en sonate.

II. Vormgeving
Vormgeving in muziek gebeurt door de keuzes die een componist maakt in het gebruik van:

1. Toonhoogte

2. Toonduur

3. Tempo

4. Dynamiek (klanksterkte)

5. Klankkleur

6. Vorm en vormelementen
1. Toonhoogte
Toonhoogte is de hoogte van klanken, instrumenten en/of stemmen. De toonhoogte wordt aangegeven door noten, genoteerde klanken. Een melodie is een opeenvolging van klanken van verschillende toonhoogte, in een bepaald ritme, die als een herkenbaar geheel kan worden ervaren.

Elementen die met toonhoogte te maken hebben zijn akkoorden (samenklanken van twee of meer tonen), harmonie (de rangschikking van akkoorden), dissonant, consonant, een- en meerstemmigheid, homofonie en polyfonie.


2. Toonduur
Toonduur is de lengte, de tijdsduur van klanken. Toonduur is bepalend voor de volgende aspecten:

maat

Dit is de indeling van de muziek in gelijke eenheden van één of meerdere tellen; bekend zijn tweekwartsmaten (2/4, mars), driekwartsmaten (3/4, wals en mazurka bijvoorbeeld) en vierkwartsmaten (4/4, tango).



ritme

Dit is de afwisseling van korte en lange tonen en de accenten die hierin gelegd worden. Een bijzonder ritmisch gegeven is de syncope: een verschuiving van het accent, waardoor het accent niet óp de tel maar ná de tel ligt.


3. Tempo
Tempo is de snelheid van een muziekstuk. Muziekstukken kunnen snel of langzaam worden gespeeld (hoog of laag tempo) en er kan sprake zijn van tempowisselingen waarbij vertraagd of versneld wordt. In de popmuziek wordt tempo aangeduid met BPM (= Beats Per Minute)

Opmerking: ritme en tempo zijn twee verschillende fenomenen, een muziekstuk kan langzaam zijn, terwijl er toch snelle ritmische bewegingen binnen het lage tempo kunnen zijn.

4. Dynamiek (klanksterkte)
Dynamiek is de klanksterkte van de muziek (decibels): hard en zacht en alles wat daartussen ligt, inclusief de overgangen van hard naar zacht of omgekeerd.

5. Klankkleur, timbre
Klankkleur of timbre is de eigen kleur, karakter van de individuele stem of het individuele instrument, van licht en helder tot vol en zwaar. Zo kan de ene sopraan licht en helder klinken, een andere sopraan donker en dramatisch.

Ook de combinatie van verschillende stemmen en instrumenten levert een eigen klankkleur op: koor, strijkorkest, symfonieorkest, blaasorkest (harmonieorkest, fanfare), pop-band en/of combinaties hiervan hebben alle een eigen, karakteristieke klank.




6. Vorm en vormelementen, compositie
Met de genoemde vormgevingsmiddelen (toonhoogte, toonduur, dynamiek en klankkleur) creëren componisten muziekstukken, composities. Een aantal compositie- elementen en compositievormen zijn:

motief

Een motief is een klein melodisch of ritmisch gegeven dat als basis dient voor een compositie (denk bijvoorbeeld aan de eerste vier noten van de vijfde symfonie van Ludwig von Beethoven: ▪▪▪__ ). Een motief kan onderdeel uitmaken van een muzikaal thema.



thema

Een thema is een muzikale zin die bepalend is voor een muziekstuk en die gedurende het stuk meerdere keren voorkomt, al dan niet als variatie. Een thema kan één of meerdere motieven bevatten.



symfonie

Een symfonie is een instrumentale compositie, gespeeld door een symfonieorkest. De eerste symfonieën werden gecomponeerd in de klassieke periode, de achttiende eeuw. De klassieke symfonie bestaat uit vier delen: snel-langzaam-menuet-snel. Het menuet is van oorsprong een niet al te snelle dans in driekwartsmaat.



Lied

Een lied, in de popmuziek vaak ‘song’ genoemd, is een vocale compositie, in de volgende opbouw:

- intro, de inleiding

- couplet, dit is het gedeelte van een lied dat steeds terugkeert, waarvan de melodie gelijk blijft, met een steeds andere tekst voor de verschillende coupletten.

- refrein, dit wordt gezongen na elk couplet en heeft steeds dezelfde melodie en tekst.

- In de popsongs wordt er vaak een bridge aan toegevoegd, een gedeelte dat qua melodie en tekst slechts één keer voorkomt.


In de klassieke muziek wordt er een verschil gemaakt tussen het volkslied en het gecomponeerde lied, het zogenaamde kunstlied. Het volkslied is vaak eenvoudig van opzet en heeft over het algemeen een beperkte omvang. Het kunstlied is complexer van structuur en is vaak bedoeld om solistisch uit te voeren. In klassieke liederen komt lang niet altijd een refrein voor, vaak gaat het om coupletliederen.

III. Theatervormgeving: waarmee, met welke materialen en technieken, wordt de muziekvoorstelling vormgegeven?
Zie hiervoor bij Drama/Theater, III.


FILM


I. Voorstelling: waar gaat de film over, wat is de inhoud, het verhaal, het thema, de boodschap?

II. Vormgeving: hoe wordt de film vormgegeven door middel van:



  • filmtechnische vormgeving: met welke, voor film specifieke, technieken wordt de filmvoorstelling vormgegeven?

  • Spel 1

  • theatervormgeving 2

1 Voor de voorstelling/ inhoud en de vormgeving van film door middel van spel: zie bij drama/theater.

2 Voor de voorstelling/ inhoud en de vormgeving van film door middel van theatervormgeving: zie bij drama/theater.

Zie theatervormgeving, extra toelichting voor film:



FILMGELUID: Hierbij kun je denken aan direct geluid (wat je ziet en hoort inclusief omgevingsgeluid) of muziek en indirect of toegevoegd geluid (voice over) of muziek (soundtrack) bestaan.

FILM: ART-DIRECTION: dat is de enscenering die gebruikt wordt in film, daarbij kun je denken aan filmsets/decors/locatie, maar ook specifieke belichting, kleur, kostuums etc.

I. Voorstelling: waar gaat de film over, wat is de inhoud, het verhaal, het thema, de boodschap?

De eerste films eind negentiende eeuw waren puur registrerend, het vastleggen van alles dat kon bewegen. Daarna volgden films met een verhaal, maar eigenlijk was dit meer gefilmd theater. In daarop volgende fasen speelden cameravoering en montage een steeds grotere rol. Hiermee werd de werkelijkheidsbeleving gemanipuleerd. Het verhaal of de betekenis kan ook ontstaan door het verband dat de kijker legt tussen de beelden.

Aan het begin van de twintigste eeuw werd geëxperimenteerd met abstractie (vergelijkbaar met de ontwikkeling in de andere kunsten). Volledig abstracte films worden absolute films genoemd.

De absolute film bestaat uit beelden die niet (meer) refereren aan de werkelijkheid.



Synopsis: Het woord synopsis is afkomstig uit het Grieks, en betekent letterlijk "samen (ge)zien", dat wil zeggen men kan in één oogopslag de inhoud zien. In de huidige betekenis gaat het om een overzichtelijke weergave of samenvatting van de inhoud van een boek, film of toneelstuk.


Filmtechnische vormgeving:

Specifiek voor film is de vormgeving door middel van:


1. Cameravoering, opnametechniek
Hiertoe behoren:

camerastandpunt

neutraalperspectief: het onderwerp wordt op ooghoogte in beeld gebracht

kikkerperspectief: het onderwerp wordt van onderaf in beeld gebracht

vogelperspectief: het onderwerp wordt van bovenaf in beeld gebracht


camerabeweging

horizontale, verticale of draaiende beweging van de camera



camera-afstand

Hierbij gaat het om het kader dat de regisseur/cameraman kiest: close up: vaak een deel van het lichaam, meestal het gezicht; of een voorwerp geïsoleerd uit zijn omgeving medium-shot: personen worden getoond van hoofd tot middel long shot: personen ten voeten uit distant shot: opname van zeer grote afstand, personen of objecten zie je als stipjes



cameraperspectief

Hierbij gaat het om de persoon van waaruit de gebeurtenis wordt geregistreerd: objectief: de camera registreert wat er gebeurt. Je ziet de situatie van enige afstand, als toeschouwer, niet als betrokkene subjectief: de kijker kijkt mee met een van de acteurs, hij ziet wat hij/zij ziet



scherpstelling

De keuze voor het deel van het beeld waarop de camera scherpstelt



zwart-wit/kleur

Hierbij gaat het over keuzes voor contrast en kleurscherpte


2. Montage
Hierbij gaat het om de ordening van opgenomen beeld en geluid. Ook kan het gaan om toevoegingen aan het gefilmde materiaal (bijvoorbeeld: geluiden, beeldmanipulatie, animatie). Beelden kunnen door de manier waarop ze achter elkaar staan of 'geordend' zijn een bepaalde betekenis krijgen (bijvoorbeeld de montages van Eisenstein of de douchescène uit Psycho).

Special effects kunnen, behalve op de set, ook in de montage worden gecreëerd. Denk daarbij aan digitale technieken, zoals de slow motion bij The Matrix..

3. Suspense: (Ned: Spanning) is het woord dat met name wordt gebruikt voor de spanningsopbouw in romans en films.

Op het gebied van film wordt de term vooral geassocieerd met het werk van Alfred Hitchcock. Spanning is dan het creëren van een "spannende" situatie door bijvoorbeeld de kijker meer te laten weten dan de hoofdrolspelers. Bekende films van Hitchcock waarin de techniek wordt toegepast zijn onder andere Rear Window, North by Northwest en Psycho. Hierbij wordt tevens gebruik gemaakt van montage en muziek om de suspense te vergroten. (zie bijvoorbeeld Psycho; https://www.youtube.com/watch?v=0WtDmbr9xyY )




  • Inhoud
  • BEELDENDE KUNST EN VORMGEVING
  • DRAMA (THEATER)
  • MUZIEK

  • Dovnload 102.78 Kb.