Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Kunst in de Gouden Eeuw Kunst voor de burger Dia 1

Dovnload 30.72 Kb.

Kunst in de Gouden Eeuw Kunst voor de burger Dia 1



Datum14.03.2017
Grootte30.72 Kb.

Dovnload 30.72 Kb.

Kunst in de Gouden Eeuw

Kunst voor de burger

Dia 1

In de 16e eeuw is Spanje( katholiek) de baas over de zuidelijke en noordelijke Nederlanden. Vanaf 1572 steeds meer weerstand van protestandse burgers en edelen. Het vrije Amsterdam neemt de plaats van het bezette Antwerpen over. In 1588 onafhankelijker calvinistische republiek in het noorden. Veel vluchtelingen uit het zuiden m.n. handelslieden vluchten naar de republiek. Amsterdam groeit uit tot economisch centrum van de wereld. Einde 80-jarige oorlog in 1648.



Dia 2

Het ouderlijk gezin van Frans Hals vlucht uit Antwerpen en vestigen zich in Haarlem waar Frans Hals een bekend portretschilder wordt. Maatschappelijk in hoog aanzien en hij krijgt veel opdrachten. Het dubbelportret ‘Huwelijksportret van Massa’ is daar een voorbeeld van. Het laat de rijk geworden koopman Massa zien met zijn vrouw telg uit een regentenfamilie. Twee belangrijke bevolkingsgroepen uit de republiek. Het is een pronkportret; rijkdom en welvaart blijven niet verborgen. De symboliek in dit werk verwijst naar trouw (distel), wijnrank (liefde) en klimop (verbondenheid).



Dia 4

In 1648 eindigt de Tachtigjarige Oorlog, Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden zijn gescheiden. Vermeer schildert de ‘Schilderconst’ een tafereel van de schilder en zijn model. Alles is in de juiste perspectivische verhouding en fotografisch exact. ( Mogelijk heeft Vermeer gebruik gemaakt van de ‘camera obscura’) Het model toont de attributen van Clio, de muze van de geschiedenis. Naast kunstenaar is Vermeer herbergier, kunsthan- delaar en zijdewever. Mede hierdoor heeft Vermeer maar ongeveer veertig schilderijen gemaakt. Door het liberale klimaat van de 17e eeuw speelt Vermeer - als katholiek- toch een prominente rol in de protestandse republiek



Dia 6

Een nieuw geloof: De Franse godsdiensthervormer Johannes Calvijn verspreidt vanaf 1541 zijn ideeën over godsdienst en God. Hij verzet zich tegen de overdadige weelde van de katholieke kerk, het kopen van je lot en ander on-Bijbels gedrag. In enkele tientallen jaren veroverd het calvinisme de Nederlandse samenleving.


De architectuurschilder Pieter Saenredam schildert de grote St.-Odulphuskerk van Assendelft. Het interieur straalt het calvisme uit:: leeg, rust en eenvoud. Aan een dergelijk schilderij gaat een lang proces van meten en schetsen vooraf. Saenredam schildert in opdracht (protestant of katholiek).

Dia 7

Kunstverzamelingen: Ondanks de oproep van de protestandse dominees vanaf de kansels tot matigheid, hebben de welgestelde burgers echter een sterke drang naar luxe. Deze welvaart van brede lagen van de bevolking leidt tot een grote vraag naar (toegepaste) kunst. Nieuwe grachtengordels met exclusieve grachtenpanden (relatief sober aan de buitenkant) verbergen uitbundige interieurs met dure meubels, schilderijen, beelden, tapijten, goud en zilverwerk. De echt rijken hebben zelfs een ‘kunstkamer’ waar ze een verzameling bijeenhouden. Lijst aan lijst bedekken schilderijen de muren, bijna allemaal eigentijds Nederlands. Niet alleen kunst maar ook: schelpen, tulpenbollen, of andere curiosa uit de natuur, antiquiteiten, prenten en tekeningen, atlassen, exotische voorwerpen, kostuums, muziekinstrumenten, wapens enz.enz. Met deze collecties tonen de burgers hun nieuwe financiële en maatschappelijke positie. Het is tegelijk een spaarpotje voor later.



Dia 8

Alledaagse onderwerpen: Iedereen lijkt kunst te kopen. De rijken verstrekken opdrachten, de lagere klassen kopen kant-en-klare kunstwerken. Hierdoor krijgt de Nederlandse kunst een ander karakter dan elders in Europa. Deze kunst is bestemd voor – kleine- woonhuizen en de onderwerpen zijn alledaags, de smaak van de burgers volgend. Genre-schilderkunst: Onderwerpen uit het dagelijkse leven op realistische wijze afgebeeld. Vaak kleine formaten want bestemd voor woonhuizen en handel. Het ‘Straatje’ van Vermeer lijkt op een toevallige foto, het toont het rustige dagelijks leven van gewone mensen.


Emanuel de Witte toont een rijk interieur van een woonhuis. Naast de fotografische weergave bevat het schilderij ook de nodige symboliek: roos, druiven, handschoenen, hondje…

Dia 9

Verboden liefde: De zeventiende-eeuwer houdt van raadseltjes, dubbelzinnige tafereeltjes waarin vermommingen de kijker op het verkeerde been zetten. Ook het schilderij ‘Het toneel van de wereld’ van Jan Steen zit vol met verwijzingen die op een andere betekenis duiden. In ‘t cafe gebeurt van alles wat God verboden heeft: b.v. de oesters: ‘Sitich oester sap’ wekt de lust op (en moet vermeden worden). Hulp bij het vinden van de juiste betekenis kan de burger vinden in de emblamata-boeken van Jacob Cats. Met korte geïllustreerde versregels waarschuwt hij de lezer voor hebzucht en onzedelijk gedrag. Deze boekjes werden veel verkocht.



Dia 10

Kunstproductie in genres: De schilders specialisren zich in een aantal schilderkunstige genres. Het gewichtigste genre is het historiestuk- meestal in opdracht. Minder voornaam is het portret- voor ‘Jan en alleman’. Daarnaast zijn er ook nog het stilleven,het landschap, interieurscène, zee- en stadsgezichten. Johannes van der Beeck schildert een allegorie op de matigheid.: wijn of water, de kijker is gewaarschud, matigheid duurt het langst. Op het muziekblad staat: ‘wat buten maat bestaat, int onmaats qaat vergaat’. ( Voor wie geen maat weet zal het slecht aflopen.) Een stilleven met een waarschuwende boodschap heet een vanitasstilleven. Het Nederlandse landschapsgenre laat grootse wolkenformaties boven een lage horizon zien: is dit landschap er zo maar? of … wie heeft dit alles gemaakt??



Dia 11

Otext box 4text box 4nderwerpen uit het dagelijkse leven realistische afgebeeld. Vaak kleine formaten bestemd voor woonhuizen en handel



Dia 12

Onderwerpen uit het dagelijkse leven realistische afgebeeld. Vaak kleine formaten bestemd voor woonhuizen en handel



Dia 13

Imitatie-Chinees porselein uit Delft: Naast marmeren vloeren, schilderijen, dure meubels en oosterse tapijten is ook het in grote hoeveelheden geïmporteerde Chinees porselein zeer geliefd. Voor wie dat niet kan betalen is er het goedkopere imitatie-porselein uit Holland, het Delfts aardewerk. Delft wordt een belangrijk centrum voor de keramische industrie met vaklieden uit Spanje en Italië. Het dikke Delftse aardewerk wordt zo gemaakt dat het uiterlijk lijkt op het dunne melkachtig |Chinees porselein. Versieringen worden eerst domweg gekopieerd van Chineese voorbeelden, later worden ook Hollandse taferelen geschilderd.


Als Adriaen Kocks van stadhouder-Engelse koning Willem III een opdracht krijgt een tulpenvaas te maken, lijkt het Delfts blauw aardewerk een zelfde status te hebben gekregen als het voorbeeldporselein uit China.

Dia 14

Amsterdam spiegelt zich aan het klassieke Rome

Paleis van de vrede: Amsterdam groeit explosief en in 1640 wordt besloten een nieuw stafhuis te bouwen. Het komt op de Dam, het politieke, economische en religieuze hart van de stad. De schilder-architect Jacob van Campen maakt het uiteindelijke ontwerp. Het kenmerkt zich door toepassing van klassieke principes. Als er eindelijk vrede met Spanje is, is er tijd en geld beschikbaar voor de bouw. Het nieuwe stadhuis is daarom ook een vredesmonument.

Dia 15

Duurzaamheid, nuttigheid en schoonheid: Jacob van Campen is een kenner van de klassieke kunst. Op zijn reis door Italië ( Groote tour) bestudeert hij de klassieke bouw- en beeldhouwkunst. Hij ziet een verwantschap tussen de zuivere klassieke architectuur en het – strenge- calvinisme: de klassieke harmonie en symmetrie sluiten hier goed bij aan. Volgens Vitruvius is harmonie de basis van elke klassieke architectuur . Harmonie ontstaat doordat een gebouw duurzaam, nuttig en mooi is. Van Campen streeft dit eveneens na. Duurzaamheid wordt bepaald door de stevigheid van het fundament en keuze van de bouwmaterialen. Het nut wordt bepaalt door de functie, : het ontwerp kent een duidelijke en heldere indeling. De schoonheid wordt bepaald door symmetrie en harmonie. De maatvoering is naar klassieke verhoudingen bepaald.



Dia 16

Het stadhuis: een burgerlijk paleis: Het Amsterdamse paleis is een classicistisch paleis. De bestuurders van de stad tonen hun macht en die van hun stad op grootse wijze. De zuiver symmetrische gevel heeft een vooruitstekend middengedeelte bekroond met een tympaan. Horizontale banden benadrukken de verdiepingen, Ionische en Corinthische pilasters accentueren de symmetrie. Het gebouw wordt bekroond met een ronde toren waarin een beiaard is aangebracht. De maatvoering is precies volgens de voorschriften van Vitrivius. De centrale Burgerzaal geldt als de belangrijkste ruimte, voor burgers vrij toegankelijk en functioneert feitelijk als een overdekt stadsplein versierd met classicistische kunstwerken. Alle decoraties zijn vooraf vastgelegd in een decoratieprogramma waarin de stad, haar welvaart en bestuurders centraal staan. De verschillende kunstenaars volgen dit totaalconcept.



Dia 17

Stadhuis als vredesmonument

Vrede, macht en handel:In 1648 wordt de vrede getekend, Amsterdam viert feest. De
geschiedenis van de opstand van de Batavieren is een dankbaar verhaal om de eigen onafhankelijkheid te verklaren. Overal in de stad worden er vertoningen van tableaux gepresenteerd waarin de vrede wordt bejubeld en de grootsheid en macht van de handelsstad centraal staan. In de timpanen van het stadhuis staat de Amsterdamse stedenmaagd centraal, omringd met mythologische en symbolische figuren die de politiek en economische macht van
Amsterdam verbeelden.

Dia 18

Stadhuis als bestuurscentrum

‘Klassieke’ kunst: De bouw van het stafhuis leidt tot grote kunstopdrachten. De Amsterdamse regenten spiegelen hun stad graag aan het machtige en welvarende Rome. De meeste versieringen zijn dan ook mythologisch of hebben het verhaal van de Bataafse opstand tot onderwerp. Van Capmen en het stadsbestuur bepalen welke kunstenaars de belangrijkste opdrachten kregen. Van Campen dicteert, de kunstenaars voeren uit. Zo wordt het stadhuis een totaalkunstwerk waarin alle kunsten harmonieus samenkomen. De Antwerpse kunstenaar Artus Quellinus- kenner van de klassieke oudheid, en bewon- deraar van Bernini- krijgt de opdrachten voor de beeldhouw-
werken. De schilderopdrachten worden verstrekt aan enkele belangrijke Amsterdamse kunstenaars: Rembrandt van Rijn (‘Claudius Civilis’) en Govert Flinck. Hij vergelijkt de bestuurders van de stad met historische helden: de onomkoopbare ‘Marcus Curius Dentatus’.

Dia 19

Stext box 1029text box 1029tadhuis als overdekt stadscentrum

Burgerzaal en Vierschaar: Het Amsterdamse stadhuis kent vele functies: kantoor voor de ambtenaren, ontmoetingsplaats voor de burgerij, een bankgebouw, een gevangenis en een rechtbank. In het hart van het gebouw ligt de voor iedereen toegankelijke Burgerzaal, daaromheen galerijen met kantoren. Quellinus maakt voor de Burgerzaal beelden van mythologische figuren. Op de vloer ligt een wereld- en een hemelkaart: wie hier staat, staat in het hart van het universum. In de ‘Vierschaar’ een rechtzaal tonen drie bas-reliëfs van Quellinus voorbeelden van goede rechtspraak, zoals het bijbelse Salomonsoordeel.

Dia 20

‘De weerelt is een speeltoneel, elck speelt zijn rol en krijght zijn deel’

Heren met rappe tong: In de vijftiende eeuw komt het Nederlandse toneel in handen van de rederijkers: klassiek geschoolde burgers die de retorica beoefenen. De retorica behoort tot de zeven klassieke vrije kunsten. Naast de beoefening van de rappe tong werd er ook aan toneelspel gedaan. Optredens vinden plaats in het eigen lokaal of op straatbij de processie-, mirakel- en heiligenspelen. In de 16e E. verdwijnt steeds meer het kerkelijk karakter en worden toneelstukken met wereldse onderwerpen gespeeld. De Rederijkers zijn ook betrokken bij de grote stedelijke ontvangsten en gebeurtenissen. Vorsten werden ontvangen met grote optochten, spektakelstukken en feesten waarbij op een podium hoog op een triomfboog tableaux vivants werden getoond, begeleid met speciaal geschreven teksten.

Dia 21

Schouwburg: In 1617 sticht de rederijker Samuel Coster de ‘Nederduytsche Academie’, in een eenvoudige college- en toneelzaal met als doel het Nederlands te ontwikkelen. In 1637 bouwt Jacob van Campen op deze plek de eerste Amsterdamsche schouwburg, een classicistisch amfitheater met langs de randen loges


(voor de hoge heren) en tribunes ( voor welgestelden) . Midden in de zaal. Op de begane grond, zijn staanplaatsen (voor de gewone mensen). Een groot raam geeft daglicht op het toneel. Wisselende decorplaten, takels en valluiken geven mogelijkheden tot spektakel. Joost van de Vondel bedenkt het woord ‘schouwburg’ en schrijft speciaal voor de opening het klassiek geïnspireerde drama ‘Gysbrecgt van Aemstel’

Dia 22

De klucht: Met de komst van de schouwburg komt er regelmaat in het A’damse toneelaanbod. Een normale voorstelling begint met een treurspel, gevolgd door een klucht. Daarnaast zijn er stukken met klassieke of bijbelse vertellingen en – heel populaire- blijspelen. Het schrijversberoep biedt nog weinig financiële armslag. Een uitzondering hierop is Gerbrand Adriaenz Bredero. Al zwervend door de rosse buurten van A’dam beschrijft hij het ruige leven van drank en vrouwen. Bredero is polulair. In ‘De klucht van de koe’ met op het eind de spreuk: ‘’t kan verkeren’. De klucht houdt het publiek een spiegel voor, geeft ontspanning en nog een wijze les op de koop toe.



Dia 23

Kerkgebouw: naast de religieuze functie ook een verlengstuk van de straat

Wandelmuziek: Begin 17e e. ontstaat er een strijd om de aanwezigheid van orgels in de Nederlandse kerken. De protestanten willen ze weg, het zijn verderfelijke instrumenten met hun wereldse klanken. De galmende orgelklanken zouden teveel de gezongen psalmtekst onverstaanbaar maken. De orgels zijn echter gebleven. Na de reformatie zijn niet meer de kerken maar de stadsbesturen de baas over de orgels. Grote kerkorgels worden, net als beiaards eigendom van de stad. Ook het gebouw krijgt een gedeeltelijk andere functie: flaneren,flirten en kletsen, de kerken zijn open voor iedereen. Sommige steden nemen organisten in dienst, die op vaste momenten van elke dag concerten verzorgen. Voor de Europese muziek is dit een nieuw verschijnsel, zo hoopt het stadbestuur dat de burger kiest voor een orgelconcert i.p.v. de kroeg of erger.

Dia 23a

Dansende vingers: De stadorganist heeft een breed repertoire: vrije improvisaties, psalmen, dansmuziek, variaties op wereldlijke melodieën en bewerkingen van Italiaanse madrigalen. Een virtuoos als Jan Pieterszoon Sweelinck, de stadorganist van de Oude Kerk te Amsterdam- brengt ook nog eigen composities. Sweelinck, eigenlijk zangmeester, wordt beïnvloed door Engelse en Italiaanse muziek. Hijzelf wordt ook wereldberoemd door zijn geniale orgelspel en lokt zelfs leerlingen uit Duitsland. ( Ook de jonge Bach leert de Sweelincktechnieken). Naast vooral vocale composities componeert hij ook instrumentale werken zoals:Toccata in C waarin sterk contrasterende passages zitten. Voor sommige passages moeten de vingers snel over het hele klavier bewegen.

Meezingers: In de burgerlijke Nederlanden wordt veel gezongen en
in alle lagen van de samenleving worden de avonden gevuld met samenzang. De liederen zijn vaak bekende melodieën met nieuwe teksten. Gegoede burgers en beroepsmusici bespelen de instrumenten. Rijke burgers nemen muzieklessen bv. van de stedelijke organisten die ook ( verplicht) lesgeven aan het collegium musicum. Luit, klavecimbel – vooral jonge vrouwen- en orgel zijn populair. Gezelschappen oefenen in polyfone muzikale werken. Na gedane arbeid is het goed eten. Muziek wordt zo als heilzaam ervaren.
De blinde componist Jacob van Eyck heeft een feilloos oor. Als stadbeiaardier van Utrecht bespeelt hij het carillon van de Domtoren

‘s Avonds vermaakt hij op de fluit flanerende paartjes met vrolijke dansmuziek, liedjes en psalmen. Honderdvijftig van deze melodieën met Nederlandse teksten zijn gebundeld in ‘Der Fluyten Lusthof’. De muziek is afkomstig uit Frankrijk en Engeland, in de meeste liederen wordt de romantische liefde bezongen.



Dia 24

Veranderende tijden: In 1662 krijgt Rembrandt ‘De eed van Claudius..’ terug: de schilderstijl sluit te weinig aan bij de andere schilderijen van het stafhuis. De late stijl van Rembrandt kenmerkt zich door grove kwaststreken en grote licht-donkercontrasten. De essentie vangt de aandacht, de rest gehuld in donker. Toen Rembrandt twintig jaar was – 1626- schilderde hij ook al een Claudius Civilis. Als je beide werken vergelijkt valt goed op hoe hij in de loop der jaren een eigen stijl heeft ontwikkeld, een stijl die niet in de smaak viel bij opdrachtgevers. Bovendien schilderde Rembrandt ook veel religieuze thema’s, niet geschikt voor de kunstmarkt, maar wel erg persoonlijk en expressief. Deze keuzes leiden uiteindelijk tot zijn faillissement.



Dia 25

Bijbelse voorstellingen



Dia 26

Etsen en tekeningen

In Leiden ontwikkeld Rembrandt zich tot graficus. Zijn directe teken- en schildertechniek is goed bruikbaar voor de etstechniek die hij tot een zelfstandige kunstvorm ontwikkelt.. Binnen deze techniek varieert hij volop zo gebruikt hij ook de droge-naaldtechniek. Zijn etsen zijn erg populair en in heel Europa te koop.

Dia 27

Rembrandt noemt zich koopman en stelt zijn werk als kunsthandelaar ver boven dat van zijn kunstenaarschap.

Amsterdamse normen: Toen Rembrandt zich na 1632 in Amsterdam vestigde, wordt hij een gerenommeerd kunstenaar. De burgerij laat zich graag door hem portretteren. Hij ontgroeid de status van eenvoudig ambachtsman.Zijn woonhuis is tevens werkplaats en kunsthandel. Die schilderwerkplaats is net een bijenkorf: voor een jaarbedrag van honderd gulden krijgen welgestelde kinderen en meester-leerlingen een gedegen kunstopleiding. Klassikaal onderricht in het tekenen naar gips- en naaktmodellen maar ook het kopiëren van het werk van de meester. Iedere leerling heeft een eigen ‘hok’, waar hij in afzondering kan werken. Govert Flinck en Ferdinand Bol behoren tot zijn bekendste leerlingen. Rembrandt geeft ook veel (geleend) geld uit voor zijn verzameling kunst en curiosa. Dit en zijn onwil zich aan de markt aan te passen leidt tot zijn financiële ondergang.

Samenvatting

Eind 16e. E. verliest de katholieke kerk steeds meer terrein, opkomst protestantisme.


* Na de strijd met Spanje opsplitsing van de Noordelijke- en Zuidelijke Nederlanden.
* Rijke kooplieden, ambachtlieden en intellectuelen vluchten naar het noorden.
* Noordelijke Nederlanden vormen een burgerlijke republiek.
* Voor het eerst in Europa is de burger aan de macht.
* Welvaart stijgt explosief.
* Aanleg van verzamelingen.
* Kunstproductie en kunsthandel neemt een enorme vlucht.
* Smaak van de burger bepaalt de onderwerpen.
* Steden en burgers willen pronken met hun macht en welvaart.
* Amsterdam bouwt een nieuw stadhuis.
* Door de overdaad en luxe klinkt de roep tot deugd en matigheid.
* Steden verzorgen openbare orgel en beiaardconcerten.
* Thuis wordt veel gemusiceerd en gezongen.
* Eerste Nederlandse schouwburg in Amsterdam.
* Het toneel wordt professioneel.
* De republiek is een zeventiende-eeuws consumentenparadijs.
* De kunst biedt plaatjes van alledag of zoekt aansluiting bij de klassieken en barok.

Bron: acweb.nl/sites/default/files/Hfst7KUNST_VOOR_DE_BURGER.pps

  • Dia 12
  • Dia 25
  • Samenvatting

  • Dovnload 30.72 Kb.