Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Landenfiche: Suriname Correspondenten in het Zuiden

Dovnload 142.25 Kb.

Landenfiche: Suriname Correspondenten in het Zuiden



Pagina2/3
Datum28.10.2017
Grootte142.25 Kb.

Dovnload 142.25 Kb.
1   2   3

Geografie

1.1 Het landschap1


Het landschap van Suriname is te verdelen in drie delen die van Noord naar Zuid lopen:

Eerst en vooral de vlakke kuststrook, vlakke en zandige savannestrook en ten slotte het bergachtige binnenland.



1.1.1De kustvlakte

Aan de kustvlakte van Suriname is de meeste bewoning te vinden. Deze kuststrook bestaat uit een Zuidelijk- en een Noordelijk deel. Aan het Zuidelijk deel is de verwering erg intensief geweest. Hierdoor zijn bijna alle mineralen opgelost en is er bauxiet (= een ertssoort en de grondstof voor aluminium)2 ontstaan. Het Noordelijk deel bestaat uit jongere afzettingen die ontstaan zijn door de samenwerking van de rivieren en de zee. Door de rivieren aangevoerde en van de zeebodem afkomstige zanden vormden met schelpen uit zee strandwallen. In de lagunen daartussen werd slib afgezet. Zo ontstonden moerassen. Door inpoldering zijn hier in de 17de en 18de eeuw plantages ontstaan die later weer zijn verlaten. De eigenlijke kust is een brede modderplaat, hierdoor ontbreken zandstranden helemaal. De kust van Suriname krijgt grote hoeveelheden slib te verwerken afkomstig van de Amazone. De aanslibbing bevorderd de groei van mangroven en parwawouden. Tussen de wortels wordt slib vastgehouden. Hierdoor komen de mondingen van de kleinere rivieren steeds verder naar het westen te liggen.



1.1.2 De savanne

Ten noorden van het bergland strekt zich een laag en golvend landschap uit , dat voor het merendeel bestaat uit zuivere kwartszanden die sterk waterdoorlatend en onvruchtbaar zijn. Vernieling van het oerwoud heeft als gevolg gehad dat hier een echte savanne is ontstaan. De overgang van oerwoud aar savanne is meestal geleidelijk.


1.1.3 Het bergachtige binnenland

Het bergland van Suriname beslaat ruim 80% van de oppervlakte en is een onderdeel van het hoogland van Guyana Op enkele uitzonderingen na zijn alle toppen begroeid met tropisch regenwoud. In het zuiden strekken zich van west naar oost het Acaragebergte, het Grensgebergte en het Toemoek-Hoemakgebergte uit. Laatstgenoemde keten vormt de waterscheiding tussen de naar de oceaan in het noorden en de naar het zuiden (Amazone) stromende rivieren. De gebergten van het midden van Suriname vormen in het algemeen de waterscheidingen tussen de grote rivieren. De hoogste bergen zijn de Julianatop (1280 m) en de Tafelberg (1080 m) in het Wilhelminagebergte.




1.2 Het Klimaat in Suriname 3
Suriname heeft een typisch tropisch regenwoudklimaat , de Zuidgrens van het land is maar op ongeveer 200 km verwijderd van de evenaar. Hierdoor is de temperatuur er het hele jaar door behoorlijk constant.

Het regenwoud klimaat bestaat uit een korte en lange droge tijd, en een korte en lange regentijd. De korte regentijd is rond december en vooral januari. De lange regentijd is van april tot en met juli. Februari en maart kennen een korte droge tijd en van augustus tot en met november is de lange droge tijd. Tijdens de regentijd regent het meestal niet de hele dag, maar voornamelijk aan het eind van de middag. Er kunnen dan zeer heftige, maar korte regenbuien optreden. Deze komen vanuit het vochtige regenwoud en trekken zo verder richting zee. Het mooie van deze tropische regenbuien is dat de Surinaamse natuur helemaal tot leven komt na zo'n regenbui. Tot in de verte kunt u de brulkikkers en vogels horen, een prachtig geluid. De gemiddelde jaartemperatuur is Suriname is ongeveer 28C . Tijdens de droge periode loopt deze dikwijls op tot boven de dertig graden Celsius. De minimumtemperatuur blijft steken op zo'n 23C .

Doordat Suriname naast het Amazonegebied ligt, is ook te merken aan de hoge vochtigheidsgraad. Deze ligt rond de 80 procent, wat redelijk hoog is.

1.2.1 Amazone

Het amazone gebied is de streek in Zuid – Amerika die de bekken van het Amazone omvat, dit gebied is ongeveer 6 miljoen km² groot en strekt zich uit over het grondgebied van 9 landen.


  1. De verschillende bevolkingsgroepen4


Suriname is een klein land, toch wonen er een heel aantal verschillende bevolkingsgroepen, van inheemse bevolking (indianen) tot immigranten die vrijwillig of onder dwang er terecht zijn gekomen. Het land kent een hele geschiedenis van slavernij maar daarvoor voorzie ik een ander hoofdstuk. Hier gaan we kort in op de verschillende bevolkingsgroepen die er samenleven. Het zou ons te ver leiden om al deze stammen uit de doeken te doen, hiervoor verwijs ik graag naar meer uitgebreide literatuur over de bevolking van Suriname.
    1. Indianen


De indianen zijn slechts een beperkt deel van de bevolking, maar zijn toch essentieel in de samenleving. Tenslotte zijn ze de oorspronkelijke bewoners van het land. De bevolkingsgroepen die later zijn gekomen hebben heel verschillende elementen overgenomen. Onder andere een aantal gewassen die wij nu kennen, maar die zij al reeds verbouwden voor de ontdekking van Amerika. Voorbeelden hiervan zijn: De aardappel, tabak, cacao, tomaat, maïs en pinda’s.

Men onderscheid in grote lijnen twee verschillende groepen indianenbevolking, nl. de benedenlandse en de bovenlandse indianen. Hun geschiedenis heeft in deze twee afzonderlijke gebieden op een andere manier afgespeeld, dit zien we terug in het gegeven dat sommige stammen elkaars taal niet begrijpen .

Maatschappelijk bekeken maken de indianen niet echt deel uit van de Surinaamse samenleving en hun politieke invloed is te verwaarlozen. Toch is er een groeiende belangstelling voor hun verleden en identiteit.

    1. Marrons


Marrons of anders gezegd nakomelingen van weggelopen slaven. De voorouders van deze Marrons waren vooral slaven uit West-Afrika. Een aantal van de elementen uit de West-Afrikaanse cultuur zijn dan ook bewaard gebleven. Deze zijn vooral terug te vinden in het binnenland waar hun voorouders naar toe vluchtten om veilig te kunnen leven. De overheid liet hen daar met rust en besteedde geen aandacht aan het binnenland, waardoor deze gemeenschappen konden uitgroeien tot dorpen met een eigen cultuur en bestuur. Ze ontwikkelden zich afzonderlijk van elkaar met toch een aantal overeenkomsten zoals het gebruik van een granman. Deze heeft de hoogste autoriteit en beslist in praktische kwesties naast zijn taak als opperpriester. Deze persoon i s door de officiële autoriteiten erkend.

De laatste decennia heeft het traditionele leven van de marrons nogal wat veranderingen ondergaan. Tijdens de binnenlandse oorlogen zijn er velen naar Paramaribo of Frans-Guyana (een buurland) gevlucht. Hierdoor hebben ze minder mankracht om de gronden te bewerken.


    1. Creolen


Ook deze bevolkingsgroep zijn afstammelingen van Afrikaanse slaven, toch is er geschiedkundig bekeken een verschil tussen beide. De marrons hebben zich al vroeg onttrokken aan de slavernij door naar het binnenland te vluchten. Door dit geïsoleerde bestaan in het binnenland hebben ze niet deelgenomen aan de ontwikkeling van de Surinaamse samenleving. De creolen daarentegen zijn juist bepalend geweest voor deze samenleving. Na hun bevrijding uit de slavernij zijn er velen door de moeilijke landbouw omstandigheden (en gebrek aan overheidssteun) naar de stad getrokken.

Door de verschillende gemengde huwelijken vind je tussen de creoolse bevolking alle schakeringen van huidskleuren.

De creolen zijn in alle lagen van de bevolking vertegenwoordigd, toch zijn ze in overheidsfuncties nog beperkt terug te vinden.

Vanwege de uitbundigheid, de openheid en aanstekelijkheid van de creoolse cultuur is deze de meest opvallende van Suriname. In mode en muziek is zij toonaangevend. ( Fey, T. 2003 p. 83)

    1. Hindostanen


De Hindoestaanse bevolkingsgroep is de grootste van allemaal, met op de tweede plaats de creolen. Deze bevolkingsgroep komt vooral uit het Brits-Indisch gebied en zijn vooral aanhangers van het Hindoeïsme. De reden waarom deze mensen vooral emigreerden uit de Brits-Indische gebieden was vooral: ontsnappen aan de armoede, spanningen binnen de familie als gevolg van het kastenstel en het avontuur.

De eerste jaren was het door de zware levensomstandigheden zwaar om hun tradities in stand te houden, later zijn deze hersteld.

De verschillen met de andere bevolkingsgroepen was erg groot, er bestond ook weinig belangstelling van beide kanten om inzicht te krijgen in de cultuur en taal. De reden hiervan was dat de Hindoestanen werden gezien as opvolgers van de slaven. Deze keer werden die niet hardhandig het land binnengehaald, maar kwamen vrijwillig uit andere landen om in Suriname te werken.

    1. Javanen


Tegen het einde van de 19de eeuw kwam de immigratiestroom de van Javanen op gang. Deze bleken, als werkkrachten, het echter minder goed te doen dan de Hindoestanen en dit om verschillende redenen. Ook de Javanen kregen weinig aanzien van de andere bevolkingsgroepen. Er waren ook verschillende spanningen binnen de bevolkingsgroep door bijvoorbeeld het ontbreken van een gezinsstructuur en het ouderlijke gezag.
    1. De Chinezen


De Chinezen die zijn op Suriname aangekomen als contractarbeiders in tegenstelling tot de andere bevolkingsgroepen gingen zij niet aan landbouw doen, na het aflopen van het contract. Deze groep ging vooral aan het werk als handelaar en openden bijvoorbeeld levensmiddelen winkels. Door hun zakelijke interesse en sobere levenswijze worden ze als snel een van de belangrijkste bevolkingsgroepen.
    1. Joden


Door de inquisitie in Europa trokken vele Joden weg uit deze landen en vluchtten naar , voor hen, veiligere landen. Een van die veiligere landen bleek Suriname te zijn. Hier kwamen ze zich vestigen als plantagehouder. Ook later zijn er nog verschillende Joodse groepen uit verschillende landen aangekomen in Suriname.

In de tweede helft van de 18de eeuw kregen ze hier in Suriname ook het slachtoffer van Jodenhaat , dit door de jaloezie op de rijkdom van de Joden. Op dit moment speelt de Joodse cultuur eerder een marginale rol doordat ze volledig zijn opgegaan in de Surinaamse bevolking.


    1. De Boeroes


De boeroes is een bevolkingsgroep die vooral bestaat uit afstammelingen van Nederlandse boeren die naar Suriname kwamen als kolonisten. Het kolonisten project mislukten, de boeren dunden uit wegens een epidemie zodat er nog maar een kleine groep overbleven. De afstammelingen leven vooral in de stad.
    1. Libanezen


Deze bevolkingsgroep heeft geen uitgesproken eigen culturele invloed. Het is een zeer beperkte groep, maar zijn opvallend aanwezig door hun vele handelszaken waarbij het vooral gaat over textiel zaken.
  1. Het onderwijs 5


2.1 Kleuteronderwijs in Suriname
Reeds geruime tijd worden het beleid en de programma's met betrekking tot kinderen, vanaf de geboorte tot 8 jaar, geplaatst in het concept Early Childhood Development (ECD). Het doel is het beschermen van de rechten van kinderen, zodat zij zich zo optimaal mogelijk kunnen ontwikkelen op cognitief, emotioneel, sociaal en lichamelijk gebied.

Vanaf 1997 heeft Suriname het Caribisch Early Childhood and Education Plan mede goedgekeurd. In 1999 is dit plan aangepast aan de Surinaamse omstandigheden en zijn een beleidsnota en een actieplan ontwikkeld. In december 2000 heeft het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling het Surinaamse Actieplan goedgekeurd en aan het veld gepresenteerd.

Het kleuteronderwijs wordt beschouwd als deel van ECD. Kinderen gaan op vierjarige leeftijd naar de kleuterschool en volgen een tweejarig programma, waardoor ze voorbereid worden op de lagere school.

In Suriname gaat in vergelijk met de rest van het Caribisch gebied het hoogste percentage kinderen naar een kleuterschool. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat voor kleuteronderwijs in andere landen in de regio schoolgeld betaald moet worden, terwijl in Suriname het kleuteronderwijs kosteloos is, op dat van de particuliere scholen na.

De kleuterscholen zijn in de meeste gevallen - meer dan 95% - verbonden aan en vaak ook gehuisvest in lagere scholen, hoewel er sprake is van autonoom beleid. Ze hebben hun eigen leerkrachten, speciaal opgeleide kleuterleidsters. Bijna de helft van de kleuterscholen (48,9%) behoort tot het openbaar onderwijs. De meeste andere kleuterscholen zijn van religieuze gemeenten en worden door de overheid gesubsidieerd. Enkele kleuterscholen zijn particulier en de ouders moeten daar schoolgeld betalen.

Vanaf hun zesde jaar gaan kinderen naar de lagere school, die zes leerjaren telt. Scholen beginnen in de eerste week van oktober. Kinderen die vóór 1 januari daaropvolgend zes jaar worden, mogen ook naar de eerste klas.

Hoewel kleuteronderwijs niet verplicht is, sturen de meeste ouders hun kinderen wel naar de kleuterschool. Een deel van de kinderen in Paramaribo doet al vanaf het derde jaar mee met schoolse activiteiten op peuterscholen, die particuliere instellingen zijn. Voor dat peuteronderwijs moet betaald worden. Een schooldag begint om 08.00 uur en eindigt om 12.00 uur voor de kleuters.

2.2 Lager onderwijs in Suriname
Het Gewoon Lager Onderwijs telt zes leerjaren en kinderen worden ingeschreven vanaf hun 6e tot hun 12e jaar. Ruim 80% van de leerlingen bezoekt daadwerkelijk de school. De drop-out is hoog. Er zijn ongeveer evenveel jongens als meisjes ingeschreven. Het onderwijzend personeel op de lagere school bestaat voornamelijk uit vrouwen: 9 van de 10 leerkrachten is vrouw. Vrijwel alle leerkrachten in het kustgebied zijn bevoegd. Er is een groot tekort aan bevoegde leerkrachten in het binnenland.

Ruim de helft van de lagere scholen valt onder het beheer van religieuze organisaties, zoals de Evangelische Broeder Gemeente Suriname, het Rooms Katholiek Bijzonder Onderwijs, de Stichting Scholen met de Bijbel, de African Methodist Episcopal Church (AMEC), de Sanatan Dharm, Arya Dewaker, de Surinaamse Moeslim Associatie, de Wesleyaanse Gemeente, de Zevendaags Adventisten, de Stichting Islamistische Gemeente Suriname en de Stichting Volle Evangelie. Zij worden gesubsidieerd door de Overheid. Het Ministerie betaalt het salaris van de leerkrachten, de religieuze organisaties rekruteren en selecteren zelf hun leerkrachten.

Van de lagere scholen is 51% openbaar, 48% van de religieuze organisaties en 1% is particulier. Voor particulier onderwijs moet schoolgeld betaald worden. Een schooldag begint om 08.00 uur en eindigt om 12.30 uur voor de leerlingen van klas 1 en 2 van de lagere school; voor de overigen om 13.00

2.3 Inhoud van het kleuteronderwijs in Suriname
Er is geen leerplicht voor kleuters en er is geen wet op het kleuteronderwijs. Kinderen gaan echter wel vanaf hun vierde jaar naar school en volgen een tweejarig programma, dat ze voorbereidt op de lagere school. Ze leren allerhande vaardigheden, zoals zingen, tekenen, motoriek, voorbereidend lezen en voorbereidend rekenen.

Er is geen nationaal curriculum voor het kleuteronderwijs. Iedere leerkracht kan individueel beslissen welk programma zij volgt, gebruik makend van wat ze zelf heeft geleerd op de pedagogische academies voor kleuteronderwijs.

In 2000 werd door de afdeling Curriculumontwikkeling van het ministerie een speel-/werkplan voor de vierjarige kleuters geïntroduceerd. In hoeverre dit pakket daadwerkelijk door alle kleuterleerkrachten wordt gebruikt, is niet bekend.

Thans werkt de afdeling Curriculumontwikkeling van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling aan een pakket voor de vijfjarige kleuters.




2.4 Inhoud van het lager onderwijs in Suriname
Op de lagere scholen heeft elke klas een vaste onderwijzer/onderwijzeres. Hij/zij geeft les en begeleidt de kinderen. (Negen van de tien leerkrachten is van het vrouwelijk geslacht.) Daarnaast zijn er op sommige scholen in Paramaribo ook vakleerkrachten voor tekenen, handvaardigheid, muziek en lichamelijke opvoeding. Beschikt de school niet over deze vakleerkrachten, dan verzorgt de klasseleerkracht deze onderdelen ook.

Het curriculum van het Gewoon Lager Onderwijs dateert van 1965 (Leerplan Prins). In 1986 werden in het lager onderwijs vernieuwde, aan de leefwereld van het Surinaamse kind aangepaste methodes, zoals voor rekenen, taal, lezen en expressie, geïntroduceerd. Het ministerie had gehoopt hiermede het onderwijs aantrekkelijker te maken voor de jeugd. Meer aandacht werd besteed aan de Surinaamse cultuur en meer nadruk werd gelegd op actieve participatie van de leerlingen.

Niet alle methodes werden in 1986 vernieuwd. In 2002 zijn er werkgroepen begonnen met het reviseren van het Leerplan Prins. Tekstboeken en lesmateriaal worden ontwikkeld voor de volgende vakken: 'Nederlands',' rekenen', 'aardrijkskunde', 'geschiedenis', 'natuuronderwijs', 'gymnastiek', 'muziek' en 'schrijven'.

2.5 Evaluatie


De leerlingen worden voortdurend gevolg en geëvalueerd. Leerkrachten geven en beoordelen huiswerk, doen mondelinge of schriftelijke overhoringen, nemen proefwerken af en laten leerlingen in de hogere klassen werkstukken maken. Scholen rapporteren de resultaten van hun leerlingen aan de ouders via een cijferrapport.

Aan het eind van het zesde leerjaar doen de leerlingen een toets. Het resultaat van deze toets bepaalt of een leerling in aanmerking komt voor plaatsing op een volgend niveau (VOJ). Afhankelijk van de score kan een leerling naar het:



  • Meer Uitgebreid Lager Onderwijs (mulo)

  • het Lager Beroepsgericht Onderwijs (lbgo)

  • het Lagere Technisch Onderwijs (lto)

  • het Lagere Nijverheidsonderwijs (lno).

Het toetsresultaat bepaalt ook of een leerling in aanmerking komt voor een getuigschrift, waarin is aangegeven dat de leerling het lager onderwijs heeft doorlopen. Als een leerling de toets niet haalt, maar jonger is dan 13 jaar, mag hij/zij de klas overdoen. Is hij/zij ouder, dan is het mogelijk met het getuigschrift van de lagere school toegelaten te worden tot het Eenvoudig Beroepsonderwijs (ebo).


1   2   3

  • De verschillende bevolkingsgroepen 4
  • Het onderwijs 5
  • 2.5 Evaluatie

  • Dovnload 142.25 Kb.