Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Latijn Eindexamen 2012 Livius: Ab Urbe Condita

Dovnload 210.41 Kb.

Latijn Eindexamen 2012 Livius: Ab Urbe Condita



Pagina1/5
Datum01.08.2017
Grootte210.41 Kb.

Dovnload 210.41 Kb.
  1   2   3   4   5

Latijn Eindexamen 2012 Livius: Ab Urbe Condita




Van koningen naar consuls; Over Romes eerste eeuwen



Hoofdstuk 1 Praefatio





  • In de Grieks Oudheid leidde men een tekst in met uitvoerige verantwoording. Grote geschiedschrijvers uit 5e eeuw v. Chr. (Herodotus en Thucydides) deden dit door een persoonlijke inleiding, met aandacht voor oorlogen. Dit kreeg navolging en een per-soonlijke blik op geschiedenis werd een vast gebruik.



  • In de 2e eeuw v. Chr. was de Griekse schrijver Polybus in Rome, onder invloed van Thucydides. Hij legde in zijn inleiding uit waarom hij de opmars van Rome naar wereldmacht beschreef.



  • De Romein Sallustius schreef opvallende inleidingen; de tijden veranderden, de Re-publiek liep op zijn einde; deugden verdwenen uit de samenleving i.p.v. persoonlijke eerzucht en hebzucht. De definitieve val van Carthago leidde tot verval van traditio-nele zeden, de morele crisis werd daarna alleen maar groter.



  • Livius wilde na Sallustius hele geschiedenis van Rome opschrijven, sinds de stichting van de Stad tot zijn eigen tijd. Hij begon in 29 v. Chr., 2 jaar na de ondergang van de Republiek met alleenheerser Augustus aan het hoofd; er was een algemeen verlang-en naar vrede na de jaren van burgeroorlogen en onrust.



  • Hij legde in zijn Praefatio verantwoording af voor zijn ambitieuze onderneming; hij weet dat het veel werk is de gehele geschiedenis van Rome te noteren. Hij heeft zelf ook zijn bedenkingen, maar wil wedijveren met zijn voorgangers; hij noemt ze niet. Hij weet dat de meeste in de recente geschiedenis zijn geïnteresseerd (oorzaak burger-oorlogen tot val v/d Republiek), maar hij vindt de gehele geschiedenis belangrijk, ook om het normbesef v/d tijd tegen te gaan en terug te grijpen op de vroegere hoge moraal. (Het gedrag van grote helden moest als voorbeeld dienen)



  • Livius weet zelf ook dat een deel niet voornamelijk feitelijk is, maar poëtisch. (Tot 387 v. Chr. toen Rome plat werd gebrand door de Galliërs) Hij schrijft er desondanks wel over; de oorsprong is belangrijk om te kennen!



  • Livius schrijft van het bijna mythische verleden tot zijn heden. Velen hebben hun succes geleverd voor Rome, zorgden dat hebzucht buiten de samenleving bleef, niet zoals het in het heden is. Nu brokkelt de discipline af, en de morele waarden raken in verval, hebzucht en hang naar luxe namen toe. Livius klampt zich aan het verleden, Sallustius niet, wat een kenmerkend verschil is.



  • Sallustius eindigt in mineur als hij schrijft dat hij walgt v/d morele toestand v/d staat: Livius wil juist het verre, schitterende verleden koesteren en de groten van die tijd na volgen. Dan is er pas een goede toekomst voor Rome weggelegd.

Hoofdstuk 2 Historiografie; het genre

  • Historiografie beschrijft de geschiedenis van de mensheid vanuit verschillende pers-pectieven zoals politiek, religie, economie, volksaard en maatschappelijke verhou-dingen. Het is vaak verhalend, met verschillende redevoeringen en glorieuze helden (verhalen) worden vaak aangehaald. De Romeinse geschiedschrijvers schreven met een politieke inslag, annalistische ordening, moraliserende tendens en met een con-centratie op Rome, dé stad.



  • Tot 500 v. Chr. werd mythologie van Homerus gezien als geschiedschrijving; door Hecathaeus (Vond dat scheppingsmythen en goddelijke verklaringen geen geschied-schrijving was) begon echte geschiedschrijving; hij zocht naar rationele verklaringen.




  • Herodotus was de 1e geschiedschrijver; hij ging op onderzoek uit. Hij wilde dat grote

prestaties van mensen niet vergeten werden; hij deed onderzoek naar de oorlog tussen de Grieken en de Perzen, en de gewoontes van volken en doen/denken van grote heersers. Hij schreef verhalend en waarschuwde voor hybris. Herodotus zou echter onbetrouwbaar zijn en de feiten zijn niet te scheiden van fictie. Hij was echter wel de 1e geschiedschrijver en moest het zelf belangrijkste gebeurtenissen. Dit was echter niet objectief, maar propagandistisch met veel gemoraliseer.


  • Cicero leverde in zijn De Oratore kritiek op annalistische geschiedschrijvers; het waren niets anders dan jaarkronieken. Cicero ziet geschiedschrijving zo voor zich; ban sympathie en antipathie uit, zorg voor zorgvuldige chronologie en topografie, behandel geschiedenis in vaste volgorde: plannen, handelingen en resultaten. Ga dieper in op plannen, handelingen, resultaten én karakters (+ levenswijze) Moeilijke geschiedenis moest niet worden ontweken.




  • De 1e grote Romeinse geschiedschrijver was Sallustius; hij was getuige van de strijd in de 1e eeuw v. Chr. tussen Populares en Optimates; dit mondde uit in burgeroorlo-gen. Hij schreef 2 werken; Iugurtha en Catilina: ook zijn voorbeeld was Thucydides, maar hij is absoluut niet objectief en zeker wel moralistisch; immers, de ondergang v/h Romeinse republiek is te wijten aan de ambitio (politieke spelletjes) en avaritia (hebzucht) van senatoren. Zelf woonde hij echter ook in een luxe huis.




  • Tacitus schreef over 2 periodes; van 14-68 en van 68-96 na Chr. Hij schrijft in een tijd dat de Republiek behoort tot het verre verleden. Tacitus wil objectief schrijven, maar hij laat zich negatief uit over keizers met wie hij slechte ervaringen had. Hij verlangt sterk naar de Republiek, toen senatoren (dat is hij) meer spreekvrijheid hadden.


Hoofdstuk 3 Livius; leven en werk


  • Titus Livius werd waarschijnlijk rond 64 v. Chr. geboren in Patavium en stierf er rond 17 n. Chr: hij leefde dus tijdens de overgang van Romeinse Republiek naar Romein- se Keizertijd met de alleenheerschappij van Augustus. Over zijn leven is weinig be- kend, maar hij is van goede afkomst, met een goede opleiding in retorica en filosofie.

Livius heeft zijn hele leven gewijd aan de letteren. Hij leerde de mores maiorum kennen; de oude deugden van het verleden. Het werd met de lepel ingegoten.


  • Livius’ werk is verhalend. Hij geeft ook commentaar op gebeurtenissen; hij laat

personages ook zelf aan het woord d.m.v. directe redevoeringen; hiermee plaatst hij zich in het rijtje van geschiedschrijvers; het geeft het werk meer overtuigingskracht.

De redevoeringen waren logisch opgebouwd en vormen een literair hoogtepunt. Vaak zijn in de directe redes vormen van dramatische ironie te vinden. In een indirecte rede vertelt Livius zelf over een gesprek hoe het ongeveer moet zijn geweest. Hij voegde de redevoeringen toe, omdat ze geschiedschrijving interessanter maken.




  • De AUC is het grootste geschiedwerk over de geschiedenis van Rome van 753 v. Chr. tot 9 v. Chr. Livius wist niet zeker of het in de smaak zou vallen, aangezien zo- iets nooit eerder was verschenen. Het monumentale geschiedwerk moest de groots- heid van Rome benadrukken. Van zijn werk is lang niet alles overgebleven; 1/3 is overgebleven; van de rest zijn alleen uittreksels, periochae, over.




  • Livius was afhankelijk van bronnen; hij noemde zijn bronnen echter niet. Zo werden het verhalen die niet konden worden bewezen. Bovendien waren de bronnen (zijn voorgangers) subjectief en lang niet altijd de waarheid; immers, het diende toch een goed doel? De samenleving verbeteren! Hij is onkritisch wat betreft bronnen. Het waren mythen/sagen, maar het was toch historisch kloppend.




  • Livius schreef de AUC in de tijd dat Augustus keizer werd, en er nieuwe hoop ont- stond. Livius wilde Augustus helpen bij de opbouw v/h nieuwe rijk door een geschied- werk te schrijven over de geschiedenis met nadruk op de mores maiorum. Opvallen- de voorbeelden van vaderlandsliefde moesten dit doel dienen. De belangrijkste ei genschappen waren fortitudo, iustitia, sapientia en clementia. Hij was een intellec- tueel, maar wilde zelf ook literaire roem verwerven, door geschiedenis toegankelijk te maken voor iedereen. Zijn werk moest als een groot exempla gelden. Daarom is hij in de Praefatio ook niet direct negatief; zou onhandig zijn.




  • Livius maakte de overgang van Republiek naar Keizerrijk mee en heeft daarom be- wondering voor Augustus; hij bracht rust. Livius heeft de Grieken als voorbeeld bij tragedie/drama (Oidipous, Medea) → familiedrama. Hij vermeldt dit expliciet: de Ro- meinen hebben geen voorgeschiedenis, pas in 240 v. Chr. Hij wil zo de grootsheid van de Romeinen opwekken; hij zal dat wel even opschrijven. We lezen veel over de koningstijd omdat daar veel van over is gebleven.


Hoofdstuk 4 Geschiedenis van Rome: een overzicht


  • Rond 753 v. Chr. werd Rome gesticht door Romulus en Remus. Er woonden op de

Palatijn Latijnen en op de Esquilijn en de Quirinalis Sabijnen. De gemeenschappen kregen steeds meer contact, en zijn later samengevoegd tot de Romeinen, waar- schijnlijk uit religieuze en militaire overwegingen. Dit is terug te zien in het verhaal van de Sabijnse Maagdenroof.


  • Na Romulus waren er nog 6 koningen; Numa Pompilius, Tullus Hostilius, Ancus Marius en de Etrusken Tarquinius Priscus, Servius Tullius en Tarquinius Superbus. Zij verworven de macht in Rome en de koning had vanaf toen de meeste macht. De koning werd gekozen en geadviseerd door de senaat. De leden, de patres, hoofden van aanzienlijke families van de patriciërs, werden geselecteerd door de koning.




  • De rest van de bevolking was verdeeld in 2 volksvergaderingen; op basis van familie- basis (Comitia curiata) en op basis van vermogen (Comitia centuriata) Hierbinnen hadden de Proletariërs het minste macht, omdat ze het minste geld hadden (Belang- rijkste inspraakmiddel) Door de Etrusken werd Rome een echte grote stad; Etrusken waren verantwoordelijk voor reorganisatie en waren goed voor drooglegging (ze moesten wel!) en waarzeggerij.




  • De Etrusken draineerden het laaggelegen Forum, en door de Cloaca Maxima kwam het droog te liggen. Het Forum werd bestraat en bebouwd; werd het middelpunt van de stad. Ook veranderde het leger; alles werd ordelijk en gebeurde in groepsbelang.




  • De Patriciërs wilden geen Etruskische koningen meer en in 509 v. Chr. werd de ko- ning verworpen en ontstond de Republiek. De senaat werd de wetgevende macht, en tweejaarlijks gekozen consuls voerden het beleid uit. Romeinen wonnen veel gebied in oorlogen, maar verloren ook veel door de inval van de Kelten. Maar in 270 v. Chr. gaf ook Zuid-Italië zich over, en toen was geheel Italië onder hen.




  • Er waren interne spanningen in de Republiek tussen de Plebejers en de Patriciërs. De plebejers wilden erkenning en instemming in de wetgevende macht. In 494 v. Chr. bereikten ze dit gedeeltelijk door het Concilium plebis. In 367 v. Chr. moest één van beide consuls een plebejer zijn. In 287 v. Chr. kwam een eind aan de strijd door de Lex Hortensia. De wetten van de Concilium plebis hoefden niet meer worden be- krachtigd door de senaat.




  • Uiteindelijk verloor de Concilium plebis betekenis en maakte plaats voor de Comitia centuriata, samen met de Patriciërs. Romeinse burgers kregen eigen zeggenschap. Plebejers waren de soldaten van het Romeinse rijk; zij vergrootten het. Daarom moésten ze wel inspraak krijgen; anders zou er geen leger en eten meer zijn. Veel ging via de senaat; door geld spelen Plebejers samen. De uitbreiding van het rijk, die door de dreiging van de Carthagers opkwam, zorgde voor een grotere kloof tussen arm en rijk.




  • Door de uitbreidingen trokken velen naar de stad; men wilde niet meer op de latifun- dia, landbouwbedrijven werken. In de stad dachten ze veel te kunnen verdienen. Er ontstond een tweedeling; degenen die profiteerden van de oorlogen en degenen die het zwaar hadden door de armoede van de tweedeling. Het duurde lang voordat dit ` onderwerp door de senaat werd besproken; zij hadden het zelf goed gehad.




  • De landbouwproblematiek werd door Gracchus aangekaart; hij stelde een akkerwet, de Lex Agraria voor. Hij wilde dat staatsland verdelen onder arme boeren. Het ver- schil tussen de Lex Hortensia en de Lex Agraria is dat bij de eerste niet alle wil van het volk wordt goedgekeurd door de senaat en bij de tweede wil men via het volkstri- bunaat de wil goedkeuren. De burgers moesten meer inspraak krijgen.




  • De Gracchen herontdekten het volkstribunaat als wapen in de strijd tegen de senaat. Eerst dienden politici voorstellen in via de senaat, maar nu via de volksvergadering; dit alles mocht volgens de Lex Hortensia van 287 v. Chr. maar was nog nooit ge- beurd. Dit leidde uiteindelijk tot strijd tussen de Populares, hervormers die politieke standpunten naar voren brachten in de Comitia tributa, en de Optimates, conserva- tiever ingestelde politici, die de senaat dienden en zichzelf de boni, goeden noemen.




  • Hier kwam veel geweld bij kijken. De Populares bleven nog 20 jaar aan de macht. In 107 v. Chr. werd popularis Marius consul; hij werd de homo novus genoemd, hij was de 1e uit die familie. Hij voerde in Noord-Afrika oorlog onder leiding van Sulla. Eerst kwamen alleen zij die het konden betalen in het leger; ze moesten zelf een legeruit- rusting kopen. Proletariërs waren arm en konden vanaf de legerhervorming van Ma- rius ook in het leger; zo hadden ze inkomsten en later een stukje grond.




  • Proletariërs zijn loyaal aan de veldheer; leidde tot een burgeroorlog, ze zijn gevoelig voor de verheerlijking van een bepaald persoon. Senatoren konden door trouwe Pro- letariërs legers maken; ze vochten tegen elkaar, machtsstrijd om politieke tegenstan- der → burgeroorlog. De Clientela waren zeer afhankelijk.

  • Door de bondgenotenoorlog ontstond een bloedige strijd om het Romeinse burger- recht. Daarnaast nam Sulla, uit wraak op een benoeming van Marius, Rome in. De inname van Rome luidde een nieuwe fase in de Romeinse politiek in. Het leger werd vanaf nu een pressiemiddel in handen van de generaal.




  • Er was dus strijd tussen de popularis Marius en de optimaat Sulla. De Populares waren juist voor de Lex Hortensia en wilden hervormingen; meer macht bij het volk. De Optimates daarentegen wilden de Lex Hortensia skippen en weinig macht bij de burgers en de soevereiniteit bij de senaat. De volgende strijden waren dus gaande: Plebejers+Proletariërs vs Patriciërs │ Populares vs Optimates




  • Marius stierf snel na zijn benoeming tot consul; medeconsul Cinna oefende toen de alleenheerschappij uit. Bij terugkeer in Italië hield Sulla zijn legers achter de hand en met steun van legers van jonge senatoren Pompeius en Crassus liep hij over de Populares heen; hij was opnieuw heerser in Rome. Hij richtte een bloedbad aan on- der zijn politieke tegenstanders. Hij werd benoemd tot dictator voor onbepaalde tijd en wilde de macht van de volksvergadering afbreken. Toen dit lukte stapt hij terug.




  • Er volgde een onrustige periode van 75-66 v. Chr. In Italië kwamen slaven op latifun- dia in opstand. Hun leider, Spartacus, ontsnapte en ze gingen vanuit het gebied rond de Vesuvius op strooptochten door Campanië. Overal kwamen slaven bij ze voor een leven in vrijheid. Het werd een enorm leger dat de Romeinen nederlagen toebracht. Crassus wist dit leger te verslaan, de overlevenden werden verslagen door Pompeius




  • Pompeius en Crassus buitten hun succes uit. Zo dwongen ze de senaat tot een ver- kiezing tot consul door hun legers. De 1e eeuw v. Chr. staat in het teken van strijd tus- sen arm en rijk; Optimates vs Populares. Het was een onzekere tijd met veel machts- misbruik. De maatregelen van Sulla werden weer teruggedraaid.




  • Pompeius en Crassus waren beide Optimates. Pompeius was populairder bij de se- naat, maar Crassus had veel geld en dat was ook belangrijk. Vanaf 67 v. Chr. werd Pompeius de sterkere. Hij versloeg verschillende volkeren, won gebieden erbij en keerde terug naar Rome als een machtig man met een groot leger.




  • Tijdens de afwezigheid van Pompeius gaat de strijd door in Rome. Catilina pleegde een coup op de staat, maar deze werd verijdeld. Een jonge telg van een oude patrici- sche familie en overtuigde popularis, ene Caesar wordt populair. Hij paaide het volk; leende geld van Crassus en maakte grote shows voor het volk. In 60 v. Chr. sluiten Crassus, Pompeius en Caesar het 1e triumviraat, om gezamenlijk de staat te bestu- ren. Crassus was de minst populaire, Pompeius was door zijn militaire succes het meest gerespecteerd en Caesar taxeerde de politieke situatie het beste.




  • Caesar werd in 59 v. Chr. consul; hij voert het landverdelingprogramma van Pompei- us door, en heeft grote doelen voor ogen. Pompeius breidde het rijk ver uit, en dat wilde Caesar ook, maar hij kon niet zomaar een gebied binnenvallen. Toen er wel een reden was, viel hij Gallië binnen, maar kreeg er pas in 52 v. Chr. de macht. Cras- sus sneuvelde in de strijd en Pompeius kon Rome slecht besturen door de straatben- des. Hij zocht toenadering bij de senaat, maar kreeg toen de titel consul sine collega, tot grote ergernis van Caesar. Beiden begonnen in het geheim met bewapeningen.




  • Caesar stuurde vanuit Gallië “Commentari de Gallico Bello” naar Rome; zo hoorden burgers positieve verhalen. Caesar begon toen met de burgeroorlog, want hij stak grondgebied van Pompeius over. Die vluchtte echter naar Griekenland en in 48 v. Chr. won Caesar een veldslag tegen zijn leger. In 45 v. Chr. keerde Caesar terug als machtigste man van Rome als dictator. (Het volk noemde hem zo, wilde hij zelf abso- luut niet!) Eén jaar later werd hij echter vermoord door senatoren onder leiding van Brutus en Cassius.

  • Vervolgens gaat Caesars pleegzoon Octavianus naar het Principaat. Er komt een pe- riode van 12/13 jaar met alleen maar burgeroorlogen; er heerst een strijd tussen de legeraanvoerder Antonius en Caesars rechterhand Lepidus tegen Octavianus. De se- naat zag hem minder als risico en bracht zijn rivaal een nederlaag toe. Toen beide consuls om het leven waren gekomen, accepteerde de senaat Octavianus niet als consul. Hij dwong toen verkiezingen en verzoende met Marcus Antonius en Lepidus.




  • De driemannen groeiden uit elkaar. Lepidus werd door Octavianus van gezag beroofd en stapte uiteindelijk uit de politiek. Antonius trouwde met Cleopatra en scheidde van Octavianus’ zus; hij werd staatsvijand. In een zeeslag in 31 v. Chr. werd Antonius ver- slagen en werd alleenheerser. De Republiek was voorbij en het werd een keizerrijk.




  • Octavianus was slim en wilde voor elke Romein een acceptabele leider zijn. Hij wilde niet breken met het verleden maar een aangepaste voortzetting ervan maken. Hij kreeg in 27 v. Chr. 2 titels: Augustus, de verhevene en Princeps civitatis. Hij kreeg hier niet echt macht mee, maar het maakte duidelijk dat het Principaat, een monar- chie waarin de keizer de 1e van de Romeinse burgers was, de staatsvorm werd.




  • Hij kreeg ook zeggenschap over alle provincies, aangeduid met de term imperium maius. Hij werd bevelhebber over het leger, kreeg bevoegdheden van de volkstribuun toegekend en werd Pontifex Maximus. Hij bezat dus zeer uiteenlopende kwalificaties. Dichters als Vergilius en Horatius schrijven positief over het optreden van Augustus; hij bracht rust. Maar Tacitus schreef een eeuw later al heel wat negatiever. Augustus zelf wilde het goede van de erfenis van het verleden in aangepast vorm in zijn nieuwe staatsinrichting opnemen.




  • Augustus overleed in 14 n. Chr. Hij schreef Res Gestae over zijn daden. Tot 3 maal toe waren de deuren van de poort van Janus gesloten en heerste overal vrede. Deze periode van algemene vrede en voorspoed heet Pax Augusta. Augustus kwam ook met een moreel herstelprogramma. Oude Romeinse virtutes moesten worden her- leefd, en Rome moest een waardige hoofdstad worden. Met bouwprojecten om de stad op te bouwen moest duidelijk worden dat een nieuwe tijd aan was gebroken.




  • Augustus maakte graag reclame voor zijn politiek waarin heden en verleden samen komen. Dit deed hij bijvoorbeeld met de Ara Pacis, waarop het heroïsche verleden is afgebeeld. Schrijvers en dichters bejubelden de nieuwe tijd door een financiële bijdra- ge van Maecenas. Vergilius en Horatius lieten zich lovend uit over Augustus en Livius schreef een geschiedwerk met de geschiedenis van de stad en de moraal van die tijd.


Hoofdstuk 5 Van Aeneas tot Romulus


  • Livius vertelt 2 legenden over de stichting van Rome; door Romulus rond 800 v. Chr.

en door Aeneas rond 1200 v. Chr.; historici hebben beide verhalen verbonden. De gemeenschappen groeiden en kwamen zo in contact met elkaar.
Aeneas en Antenor (Blz. 50)

Twee Trojanen zijn door de Grieken gespaard; Aeneas en Antenor. Beiden wilden al vrede en wilden Helena teruggeven aan de Spartanen. Antenor gaat met volgelingen naar Noordoost-Italië en noemt de streek Troje; het volk heet Venetiërs.


Livius gaat diep in op Aeneas en Antenor wordt in een paar zinnen behandeld. Hij gaat bij Aeneas in op details en het heeft een laag verteltempo; logisch, Aeneas is hun stamvader.


Aeneas in Italië (Blz. 50-52)

Aeneas komt naar Italië via Sicilië en Macedonië, ten zuiden van de Tiber. Het gebied heet daar ook Troje. Er zijn 2 verhalen: 1) Koning Latinus overwonnen ze in een gevecht, hij sloot vrede met Aeneas en ze haalden familiebanden aan. 2) Latinus geeft Aeneas uit bewonde-ring voor roemrucht verleden belofte voor eeuwige vriendschap; er ontstaat een verdrag. Aeneas krijgt de koningsdochter Lavinum naar wie hij de nieuw gestichte stad noemt; zoon Ascanius wordt vervolgens geboren.


Livius behandeld 2 versies; hij gaat verder in op de 2e, dat ze vrede sluiten. Dit geeft aan hoe vredelievend de Romeinen eigenlijk zijn en siert toekomstige Romeinen.
Oorlog met de Rutuliërs en de Etrusken (Blz. 52-53)

Aan de Rutulische vorst Turnus was Lavinia al beloofd, maar de Trojanen kregen het nu. Hij doet een aanval op Aeneas en Latinus tegelijk en hij wordt verslagen. Latinus sterft echter wel. Turnus gaat naar de Etrusken en Aeneas verbindt Aborigines en Trojanen tot 1 volk; de Latijnen. Zij verslaan de Etrusken, maar Aeneas sneuvelt.


De Etrusken waren zo machtig dat een defensieve oorlog al genoeg voor Aeneas zou zijn geweest, maar toch gaat hij over tot een offensief.
Ter vergelijking Vergilius (Blz. 53-57)

Venus vraagt haar man Vulcanus een nieuwe wapenuitrusting te maken voor zoon Aeneas, in zijn strijd tegen Turnus. Hij krijgt steun van de Griekse koning Euander, die in Italië een stad had gesticht.


Er vindt een geheim gesprek plaats tussen Aeneas en Euander; hij wil zijn volk met de Latij-nen verbinden, geleid door één opperbevelhebber, die volgens een orakel een vreemdeling moet zijn. Hij wil dat Aeneas dat wordt, om het beveelt te voeren tegen Turnus en Mezentius, een wrede koning van Etrusken die het volk mishandelde en vervolgens toevlucht nam tot Turnus. Euander biedt ook zijn zoon Pallas aan, om samen met 400 ruiters uit zijn keurkorps ten strijde te trekken, ter wille van het volk.
Er zijn verschillen in de tekst Aeneas tussen Vergilius en Livius: Livius schrijft sowieso historisch en Vergilius episch. Inhoudelijk gaat Turnus naar Mezentius met zijn volk bij Livius, terwijl Mezen-tius naar Turnus gaat, verdreven door zijn volk, bij Vergilius. Daarnaast neemt Aeneas bij Livius zelf het initiatief om opperbevelhebber te worden, terwijl bij Vergilius Aeneas het wordt op grond van een orakeluitspraak.
Stichting Alba Longa (Blz. 57-59)

Aeneas overlijdt en zoon Ascanius is nog te jong om het over te nemen; zijn moeder regeert. Lavinum wordt een rijke en machtige stad. Ascanius sticht zelf Alba Longa, een machtige stad die samen met Lavinum een machtsblok vormt tegen de Etrusken. De Tiber scheidt de beide steden van Etrusken en Latijnen.


De Albaanse koningen (Blz. 59)

Na vele koningen krijgt de verre nazaat van Ascanius’ zoon Silvius 2 zonen: Numitor en Amulius. Numitor is de oudste en wordt koning, maar Amulius verdrijft hem en nu wordt hij koning. Hij doodt de zoon van Numitor en maakt zijn dochter Rhea Silva tot Vestaalse maagd; zij kan zo geen kinderen krijgen; zo kon geen mannelijke troonopvolger ontstaan.


In dit fragment wordt de naam van de rivier de Tiber en de heuvel de Aventijn verklaart.
Romulus en Remus (Blz. 60-61)

Rhea krijgt een tweeling van Mars; dit wordt ontdekt en Rhea wordt in een kerker gegooid en de jongetjes in een mand in de Tiber om te verdrinken. Ze blijven in leven door het hoge water dat buiten zijn oevers trad, en een wolvin kwam op het gehuil van de kinderen af en zoogt ze. Dit wordt ontdekt door Faustulus, opperherder van de koning en hij brengt ze naar zijn vrouw Larentia. Ze groeien op, worden herders en jagers en rovers.


In dit fragment wordt vooruitgewezen naar de grootsheid en macht van Rome. Daarnaast zegt hij in dit fragment het verhaal over Mars als stamvader dubieus te vinden, maar in de Praefatio hecht hij niet veel waarde aan de manier hoe ze zijn geboren; iets goddelijks en heiligs hoort bij Rome.
Amulius wordt gestraft (Blz. 62)

Tijdens de viering van het Lupercusfeest nemen rovers wraak en leveren Remus uit aan Numitor: de tweeling was zijn gebied binnengevallen. Numitor herkent Remus als zijn kleinzoon en Faustulus vertelt Romulus over zijn afkomst. Romulus dringt met Remus en overgebleven troepen van Numitor Amulius’ paleis binnen en doodt hem.


Koning Numitor (Blz. 63)

Tijdens een grote vergadering na de moord op Amulius, legt Numitor uit dat hij hem heeft vermoord en vertelt over de afkomst van de jongens; Numitor wordt als koning weer in ere hersteld en als zodanig begroet door de jongens; iedereen stemde hiermee in.


De stichting van Rome (Blz. 63-64)

Alba en Lavinum worden te klein; een nieuwe stad moet er komen, maar het is lastig de leider te bepalen; ze wachten op tekenen van goden. Remus ziet eerst 6 gieren, Romu-lus vervolgens 12. Wie wint nu; degene die het eerste de gieren zag of degene die de meeste zag? Het wordt ruzie, eindigend in doodslag; Remus wordt gedood. Een beken-der verhaal is dat Remus pesterig over de lage stadsmuur van Rome springt en door een woedende Romulus wordt vermoord.


Livius geeft met ‘de voorvaderlijke karakterfout’ een vertellerscommentaar; in de koningstijd hield men niet van alleenheersers. Livius vertelt de 2e versie van de dood van Remus veel uitgebreider, omdat deze versie minder compromitterend is voor de stichter van Rome.
De roof van de Sabijnse maagden (Blz. 65-67)

  • Tijdens paardenraces willen de Romeinen het tekort aan vrouwen van Rome oplossen. Door de Sabijnse maagdenroof gingen de volkeren samen.



  1   2   3   4   5


Dovnload 210.41 Kb.