Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Latijn (gbn-hon) D6 (Cicero-Seneca) versie 1

Dovnload 36.97 Kb.

Latijn (gbn-hon) D6 (Cicero-Seneca) versie 1



Datum06.12.2018
Grootte36.97 Kb.

Dovnload 36.97 Kb.

Cohort 2015

Latijn (GBN-HON)

D6 (Cicero-Seneca) versie 1


  • Zorg dat je je tijd goed verdeelt. Houd voldoende tijd over voor het gedeelte van de proefvertaling. De puntenverdeling tussen vragen en proefvertaling is 50% - 50%.

  • Noteer bij de antwoorden op de opgaven waar dat handig is een regelnummer. Zeker bij citaten niet vergeten!

  • Formuleer kort en to the point. Noteer bij stijlmiddelen steeds eerst een korte definitie van het stijlmiddel waar de vraag over gaat

  • Deze toets is voorzien van een tekstbijlage (achter de vragen) met daarin 5 teksten.

  • Het gebruik van een woordenboek LA - NE is toegestaan; de KLG mag niet gebruikt worden

  • de toets bestaat uit 16 opgaven; bij elke opgave staat vermeld hoeveel punten met een goed antwoord behaald kunnen worden. Het totaal te behalen aantal punten is 60

  • Als bij een opgave een verklaring of uitleg wordt gevraagd, worden aan het antwoord meestal geen punten toegekend als deze verklaring/uitleg ontbreekt

  • Geef niet meer antwoorden (tekstelementen/redenen/voorbeelden e.d.) dan er worden gevraagd. Als er bijvoorbeeld één tekstelement wordt gevraagd en je antwoordt met meer dan één tekstelement, dan wordt alleen het eerste tekstelement in de beoordeling meegeteld.

  • Een tekstelement is een (Latijns) woord, woordgroep, zinsdeel of zin


Teksten 1 (10 pt)

1 Cornelis Verhoeven vertaalt Duodequadraginta t/m Dionysius (r.1) als volgt:


Dionysius was 38 jaar lang tiran van de Syracusanen.

a [2] Welk verschil met het Latijn merk je in de zinsvolgorde op? Ga bij je antwoord zowel in op het Latijn als op de vertaling.  In het Latijn staat de tijdsbepaling aan het begin (1), in de vertaling het subject (1)

b [1] Wat is van het bij 1a bedoelde verschil het effect?  Het Latijn benadrukt de lange periode van tirannie, in de vertaling is dat weg

2 [1] Er is één bepaalde categorie mensen die Dionysius in ieder geval beschouwen als ongelukkig. Citeer het Latijn uit de rr. 3 t/m 6 (Atqui t/m miserrimum) dat die categorie mensen aanduidt.  omnibus bene veritatem intuentibus (rr.5-6)

3 credebat eorum nemini (r.10)
a [1] Citeer uit de passage Atqui t/m miserrimum (rr.3 t/m 6) het Latijn dat een verklaring vormt voor dit gedrag van Dionysius.  maleficum natura
b [2] Welke in de zin die begint met Qui (r.7) genoemde omstandigheden maken dit gedrag onverklaarbaar? Beantwoord de vraag in het Nederlands.  bonis parentibus atque honesto loco natus

c [3] Citeer drie afzonderlijke Latijnse woorden waarnaar eorum verwijst.  aequalium (1); propinquorum (1); quosdam adulescentes (1)



Tekst 2 (7 pt)

4 [2] Welke karaktereigenschap van Canius wordt in het verhaal benadrukt? Baseer je antwoord op Latijnse tekstelementen maar beantwoord de vraag in het Nederlands.  gretigheid (1) op basis van cupiditate in r.1 en cupidus in r.2 (1)

5 Stomachari Canius (r.6)

[1] Welke woorden hebben de woede van Canius opgewekt? Citeer het tekstelement.  hic piscari nulli solent

6 [2] In de regels 7 t/m 10 (In quibus t/m malitiosi) komt een parallellisme voor en een chiasme. Licht beide stijlmiddelen in de juiste notatie (met het noteren van Latijnse tekstelementen) toe.
 een parallellisme is een opvallende parallelle opstelling van zinsdelen; aliud (a) agentes (b) aliud (a) simulantes (b) (1); kruislingse plaatsing van gelijkwaardige tekstelementen; aliud simulatum (a) alius actum (b) aliud agentes (b) aliud simulantes (a) (1)

7 [1] Wordt met eo (r.7) en homine perito definiendi (r.9) naar dezelfde persoon verwezen? Licht je antwoord toe. Alleen met een antwoord mét een toelichting kan een punt verdiend worden.  Ja; met beide woorden wordt naar Aquilius verwezen

8 [1] Vul het woord op het stippellijntje op je antwoordblad in.

Een daad kan alleen maar utile (r.10) zijn, als hij ook  honestum is.



Tekst 3 (5 pt)

9 In regel 1 (Durior t/m sentiens) vindt tweemaal een verwijzing plaats naar de passage die direct aan deze voorafgaat.

a [2] Citeer de twee Latijnse woorden waaruit blijkt dat er verwezen wordt naar de voorafgaande tekst.  durior (1); eadem (1)
b [1] Over wie ging de passage die direct aan deze voorafgaat? Noteer een eigennaam. Baseer je antwoord op je kennis van het pensum.  Socrates

10 [1] Diogenes’ vrienden vragen in r. 2 “Volucribusne et feris?”. Wat bedoelen zij daarmee?

A Wil je dat de vogels en wilde dieren je opvreten?

B  Vind je het niet erg dat je door vogels en wilde dieren verslonden kunt worden?

C Realiseer je je dat er vogels en wilde dieren in de buurt zijn?

D Ben je bang voor vogels en wilde dieren?

11 [1] Wat is de verteltechnische term voor de toevoeging Praeclare (r.4)?  vertellerscommentaar

Tekst 4 (8 pt)

12 [2] Scipio geeft in deze tekst twee verklaringen voor het feit dat hij vaster sliep dan normaal. Welke? Citeer de twee Latijnse tekstelementen.  de via fessum (1); (qui) ad multam noctem vigilassem (1)

14 fit t/m loqui (rr.4 t/m 6)

a [2] Leg uit dat Scipio Africanus minor in deze woorden autoriteitsargumentatie toepast.  De namen van Ennius en Homerus moeten autoriteit aan zijn eigen ervaring geven

b [2] Laat zien dat in deze woorden een parallellisme voorkomt. .  een parallellisme is een opvallende parallelle opstelling van zinsdelen (1); cogitationes (a) sermonesque (b) cogitare (a) et loqui (b) (1)

15 nepotis mei (r.16)

a [1] Wie bedoelt de spreker in r.16 met nepotis mei? Noteer de eigennaam.  Tiberius Gracchus

b [1] Leg kort uit wat de politieke rol van de persoon in kwestie was.  Indiener van de landverdelingswet



Tekst 5 (30 pt)

16 [30] Vertaal tekst 5 in acceptabel Nederlands. Laat na elke beschreven regel één regel leeg.



Tekst 1

1 Duodequadraginta annos tyrannus Syracusanorum fuit Dionysius, cum quinque et viginti natus annos dominatum occupavisset. Qua pulchritudine urbem, quibus autem opibus praeditam servitute oppressam tenuit civitatem! Atqui de hoc homine a bonis auctoribus sic scriptum accepimus, summam fuisse eius in victu temperantiam in rebusque gerundis virum acrem et


5 industrium, eundem tamen maleficum natura et iniustum; ex quo omnibus bene veritatem intuentibus videri necesse est miserrimum. Ea enim ipsa, quae concupierat, ne tum quidem, cum omnia se posse censebat, consequebatur. Qui cum esset bonis parentibus atque honesto loco natus — etsi id quidem alius alio modo tradidit— abundaretque et aequalium familiaritatibus et consuetudine propinquorum, haberet etiam more Graeciae quosdam adulescentis amore
10 coniunctos, credebat eorum nemini, sed is, quos ex familiis locupletium servos delegerat, quibus nomen servitutis ipse detraxerat, et quibusdam convenis et feris barbaris corporis custodiam committebat.

Tekst 2

1 Incensus Canius cupiditate contendit a Pythio, ut venderet. Gravate ille primo. Quid multa? Impetrat. Emit homo cupidus et locuples tanti, quanti Pythius voluit, et emit instructos. Nomina facit, negotium conficit. Invitat Canius postridie familiares suos, venit ipse mature, scalmum nullum videt. Quaerit ex proximo vicino, num feriae quaedam piscatorum essent, quod eos nullos 5 videret. ‘Nullae, quod sciam,’ inquit ille, ‘sed hic piscari nulli solent. Itaque heri mirabar quid accidisset.’ Stomachari Canius, sed quid faceret? Nondum enim C. Aquilius, conlega et familiaris meus, protulerat de dolo malo formulas; in quibus ipsis, cum ex eo quaereretur, quid esset dolus malus, respondebat, cum esset aliud simulatum, aliud actum. Hoc quidem sane luculente, ut ab homine perito definiendi. Ergo et Pythius et omnes aliud agentes, aliud simulantes perfidi,


10 improbi, malitiosi. Nullum igitur eorum factum potest utile esse, cum sit tot vitiis inquinatum.

tekst 3

1 Durior Diogenes, et is quidem eadem sentiens, sed ut Cynicus asperius: proici se iussit inhumatum. Tum amici: ‘Volucribusne et feris?’ ‘Minime vero’ inquit, ‘sed bacillum propter me, quo abigam, ponitote.’ ‘Qui poteris?’ illi, ‘Non enim senties.’ ‘Quid igitur mihi ferarum laniatus oberit nihil sentienti?’ Praeclare Anaxagoras, qui cum Lampsaci moreretur, quaerentibus amicis, 5 velletne Clazomenas in patriam, si quid accidisset, auferri, ‘Nihil necesse est’, inquit, ‘undique enim ad inferos tantundem viae est.’ Totaque de ratione humationis unum tenendum est, ad corpus illam pertinere, sive occiderit animus sive vigeat. In corpore autem perspicuum est, vel extincto animo vel elapso, nullum residere sensum.



tekst 4

1 ‘Post autem, apparatu regio accepti, sermonem in multam noctem produximus, cum senex nihil nisi de Africano loqueretur, omniaque eius non facta solum, sed etiam dicta meminisset. Deinde, ut cubitum discessimus, me et de via fessum, et qui ad multam noctem vigilassem, artior, quam solebat somnus complexus est. Hic mihi (credo equidem ex hoc, quod eramus locuti; fit enim


5 fere, ut cogitationes sermonesque nostri pariant aliquid in somno, tale quale de Homero scribit Ennius, de quo videlicet saepissime vigilans solebat cogitare et loqui) Africanus se ostendit ea forma, quae mihi ex imagine eius quam ex ipso erat notior; quem ubi agnovi, equidem cohorrui; sed ille: “Ades,” inquit, animo, et omitte timorem, Scipio, et, quae dicam, trade memoriae! Videsne illam urbem, quae parere populo Romano coacta per me renovat pristina bella nec
10 potest quiescere?” (Ostendebat autem Carthaginem de excelso et pleno stellarum, illustri et claro quodam loco.) “ad quam tu oppugnandam nunc venis paene miles? Hanc hoc biennio consul evertes, eritque cognomen id tibi per te partum, quod habes adhuc a nobis hereditarium. Cum autem Carthaginem deleveris, triumphum egeris, censorque fueris et obieris legatus Aegyptum, Syriam, Asiam, Graeciam, deligere iterum consul absens, bellumque maximum
15 conficies: Numantiam exscindes. Sed cum eris curru in Capitolium invectus, offendes rem publicam, consiliis perturbatam nepotis mei:”’

tekst 5:

Een filosoof is met weinig tevreden. Daarover hebben we al gelezen. Ook de mening van Diogenes over de dood hebben we gelezen. Zijn lichaam blijft over na de dood en wat hem betreft kon hij onbegraven blijven. Radicale opvatting en niet alleen daarover.

Lees nu eerst de volgende vertaling door. Daarna vertaal je de regels 9 t/m 15 in goed Nederlands.

Xenocrates bracht, toen gezanten hem vijftig talenten hadden gebracht van de kant van Alexander, wat in die tijd, vooral in Athene, een behoorlijke hoeveelheid geld was, de gezanten naar de Academie voor een maaltijd: hij zette hen slechts voor wat voldoende was, met geen enkele/zonder enige weelde. Toen zij hem de volgende dag vroegen aan wie ze het geld moesten betalen, zei hij: ‘Wat? Hebben jullie met/door het maaltijdje van gisteren niet begrepen dat ik geen geld nodig heb?’ Toen hij had gezien dat ze nogal bedroefd waren, accepteerde hij dertig mina’s, opdat niet/om te voorkomen dat hij de vrijgevigheid van de koning leek af te wijzen.

At vero Diogenes liberius, ut Cynicus, Alexandro roganti, ut

10 diceret, si quid opus esset: ‘Nunc quidem paullulum’ inquit, ‘a

sole abi’. Offecerat videlicet apricanti. Et hic quidem disputare

solebat, quanto regem Persarum vita fortunaque superaret:

dicebat sibi nihil deesse, sed illi nihil satis umquam fore.

9 liber vrijmoedig



ut Cynicus als een echte filosoof van de Cynische school

10 opus esse nodig zijn

11 officio, officĕre, pf offeci + dat. iemand storen

apricanti PPA; vul aan: ei (= Alexander)

hic nl. Diogenes

12 quanto in hoeverre



vita fortunaque ablativi van betrekking (qua, in)

supero overtreffen

13 sibi nihil deesse er start een AcI (afhankelijk van dicebat = hij zei steeds)



mihi deest aliquid mij (dat.) ontbreekt het aan iets (acc.)

illi nl. de Perzische koning

fore lees: futurum esse

1 [3] At vero Diogenes liberius, (2) (3) (4) (5) inquit,

Maar Diogenes sprak (2) (3) (4) (5) nogal vrijmoedig

2 [0] ut Cynicus,

als een echte filosoof van de Cynische school

3 [3] Alexandro roganti,

tegen Alexander toen die vroeg

4 [2] ut diceret,

om (het) te zeggen

5 [3] si quid opus esset:

als er iets nodig was:

6 [3] ‘Nunc quidem paullulum’ ‘a sole abi’.

Ga nu een beetje uit mijn zon.

7 [3] Offecerat videlicet apricanti.

Hij had hem namelijk gestoord toen hij zonde/aan het zonnen was

8 [2] Et hic quidem disputare solebat

Ook was hij gewoon te betogen

9 [4] quanto regem Persarum vita fortunaque superaret:

hoezeer hij de koning van de Perzen overtrof in/qua leven en geluk/lot/positie:

10 [3] dicebat sibi nihil deesse,

hij zei dat het hem aan niets ontbrak

11 [4] sed illi nihil satis umquam fore.



maar dat voor hém niets ooit genoeg zou zijn.

  • Atqui t/m miserrimum
  • Stomachari Canius
  • Praeclare
  • Lees nu eerst de volgende vertaling door. Daarna vertaal je de regels 9 t/m 15 in goed Nederlands.

  • Dovnload 36.97 Kb.