Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Latijn (gbn-hon) D7 (Cicero-Seneca) versie 2

Dovnload 100.17 Kb.

Latijn (gbn-hon) D7 (Cicero-Seneca) versie 2



Datum06.12.2018
Grootte100.17 Kb.

Dovnload 100.17 Kb.

Dossiertoets Latijn D7

Cohort 2015

Latijn (GBN-HON)

D7 (Cicero-Seneca) versie 2


  • Zorg dat je je tijd goed verdeelt. Houd voldoende tijd over voor het gedeelte van de proefvertaling. De puntenverdeling tussen vragen en proefvertaling is 50% - 50%.

  • Noteer bij de antwoorden op de opgaven waar dat handig is een regelnummer. Zeker bij citaten niet vergeten!

  • Formuleer kort en to the point. Noteer bij stijlmiddelen steeds eerst een korte definitie van het stijlmiddel waar de vraag over gaat.

  • Deze toets is voorzien van een tekstbijlage (achter de vragen) met daarin 6 teksten en een afbeelding

  • Het gebruik van een woordenboek LA - NE is toegestaan; de KLG mag niet gebruikt worden.

  • de toets bestaat uit 19 opgaven; bij elke opgave staat vermeld hoeveel punten met een goed antwoord behaald kunnen worden. Het totaal te behalen aantal punten is 80.

  • Als bij een opgave een verklaring of uitleg wordt gevraagd, worden aan het antwoord meestal geen punten toegekend als deze verklaring/uitleg ontbreekt.

  • Geef niet meer antwoorden (tekstelementen/redenen/voorbeelden e.d.) dan er worden gevraagd. Als er bijvoorbeeld één tekstelement wordt gevraagd en je antwoordt met meer dan één tekstelement, dan wordt alleen het eerste tekstelement in de beoordeling meegeteld.

  • Een tekstelement is een (Latijns) woord, woordgroep, zinsdeel of zin.


Teksten 1 (8 pt)

1 Sin vera sunt (r.1)

[1] Socrates begint hier uit te leggen welke tweede mogelijkheid er is na de dood. Leg in eigen woorden uit wat de eerste mogelijkheid was. Baseer je antwoord op de kennis van de passage die aan deze voorafgaat. De dood neemt alle zintuiglijke waarneming/gevoel weg

2 [2] Citeer uit de rr. 1 t/m 5 (Sin vera t/m potest) twee substantiva waarmee Socrates de dood vergelijkt. migrationem / peregrinatio

3 Vergelijk de series eigennamen uit respectievelijk de rr.3-4 (Minoem t/m Triptolemum) en r.5. (Orpheo t/ Hesiodo). Hieronder volgen drie beweringen. Geef van elke bewering aan of hij goed (G) of fout (F) is.

[1] a Socrates noemt de twee series om exact dezelfde reden F


[1] b De eerste serie namen noemt hij als contrast met personen uit zijn eigen leven G
[1] c De tweede serie namen benijdt hij omdat ze dood zijn G

4 [1] Socrates noemt in rr. 6 t/m 10 Equidem t/m damnarer drie redenen om zelfs graag te willen sterven. Welke van onderstaande redenen noemt hij niet?

A hij zal steun ondervinden van mensen als Palamedes, wiens dood ook onterecht was
B hij vindt de straf van mensen als Palamedes en Ajax onterecht
C hij wil met eigen ogen checken of zijn theorie over de dood klopt
D hij wil grote mensen als Agamemnon zonder risico op straf kunnen bevragen

5 [1] Welke plaats bedoelt Socrates met hic in r.9? Athene



Tekst 2 (14 pt)

6 Fortunatus t/m videbatur (r.5).


[1] Welk tekstverband bestaat er tussen deze zin en de vorige? Kies het beste antwoord.
A de zin die met Fortunatus begint duidt een gevolg aan
B de zin die met Fortunatus begint duidt een toelichting aan
C de zin die met Fortunatus begint duidt een reden aan
D de zin die met Fortunatus begint duidt een oorzaak aan

7 Bekijk afbeelding 1 nauwkeurig. Er zijn verschillen tussen de tekst en de weergave daarvan door de schilder. Uitgaande van het schilderij …

[2] a Welk groot verschil constateer je dan met de informatie in rr. 2-4 Tum t/m ministrare? In de tekst is sprake van pueros / mannelijke slaven; op het schilderij zijn de slaven vrouw
[2] b Welk groot verschil constateer je dan met de informatie in rr. 7-8 Itaque t/m mensam? In de tekst strekt Damocles zijn hand niet uit naar de tafel; op het schilderij doet hij dat wel
[2] c Welk verschil constateer je dan met de informatie in r.8 iam t/m coronae? In de tekst vallen de bloemenkransen van Damocles’ hoofd; op het schilderij liggen ze al op de grond

8 [1] rr. 4-5 Aderant t/m exstruebantur bevat een aantal stijlmiddelen. Welke stijlmiddel komt er niet in voor? Noteer uit onderstaande opsomming alleen de naam.


hyperbool – parallellisme – litotes – chiasme – asyndeton

9 Ergens in de rr. 4-7 Aderant t/m cervicibus wisselt de verteller van werkwoordstijd.

[1] a Waar is de wisseling precies? In r. 6 bij iussit
[2] b Waarom wisselt de verteller juist daar van werkwoordstijd? Ga zowel in op de situatie voor de wisseling als op die erna. Daar wisselt hij van het imperfectum dat de situatie beschrijft naar het perfectum dat een plotse ontwikkeling aangeeft in de situatie

10 [1] Op welk moment in de passage stopt de verteller met het vertellen van zijn verhaal? Geef ook aan hoe de tekst op dat punt verder gaat. In r. 9 bij Satisne schakelt de verteller over van het vertellen van het verhaal naar de conclusie die daaruit getrokken moet worden

11 [2] Licht toe dat sanus in r. 12 een voorbeeld is van beeldspraak (een metafoor). sanus betekent lichamelijk gezond, maar wordt hier overdrachtelijk gebruikt voor gezond van geest

Tekst 3 (5 pt)

12 [3] In tekst 3 zijn vier namen vervangen door letters. Welke namen horen bij die vier letters A t/ D? Zet de juiste letter bij de juiste naam (die hierachter in de correcte naamval weergegeven is). Scipio, Homero, Africanus, Ennius A=Homero; B=Ennius; C=Africanus; D=Scipio

13 [1] Noteer op de juiste wijze een parallellisme uit de rr. 1-3 (Credo t/m loqui). cogitationes (a) sermones (b) cogitare (a) loqui (b)

14 [1] rr.3-4 quae t/m notior. Wat bedoelt de spreker?


A de afbeelding was voor Africanus maior bekender dan voor de spreker zelf
B Africanus minor kende zijn vader niet echt persoonlijk
C Cicero kende wel de afbeelding van Scipio Africanus maior, maar niet hemzelf
D Africanus maior zag er in de droom anders uit dan Africanus minor zich herinnerde

Tekst 4 (8 pt)

15 r.1 multum perdimus


[1] Er is bij multum perdimus sprake van ellips. Licht dat toe. temporis is weggelaten

16 r.3 nulli bonae rei


[2] Welke voorbeelden noemt Seneca hiervan in de directe context? Citeer de twee Latijnse substantiva. luxum; neglegentiam

17 [1] Het betrekkelijk voornaamwoord quam in r.3 verwijst naar


A necessitate (r.3)
B een weggelaten vitam
C bonae rei (r.3)
D temporis (r.1)

18 In rr. 5 - 7 wordt een beeld vergeleken met de werkelijkheid.


[2] a Aan welke twee Latijnse woorden is dit in één oogopslag te zien? sicut (5); ita (6)
[1] b Welk tekstelement komt overeen met bene disponenti? bono custodi (6)
[1] c Welk tekstelement contrasteert met bene disponenti? malum dominum (5)

Tekst 4 en 5 (5 pt)

19 Tekst 5 is een vertaling van de rr.4-7 (Ita t/m patet) van tekst 4. Er zijn aanpassingen door de vertaler gedaan. Beschrijf bij elk van de volgende vragen in eigen woorden wat precies de aanpassing is. Daarbij ga je dus in op het Latijn en het Nederlands.

[2] a Wat heeft de vertaler met non (tekst 4, r.4) gedaan? In het Latijn hoort non bij accipimus, in het Nederlands hoort “niet” bij het woordje “kort”

[1] b Leg uit dat de vertaler met “Zoals een reusachtig, vorstelijk kapitaal in een ogenblik wegsmelt” (tekst 5, r.3 – 4) een stijlmiddel toegevoegd heeft. asyndeton; hij heeft het voegwoord et weggelaten

[1] c Welk Latijns substantivum heeft de vertaler toegevoegd in “terwijl een kapitaal, hoe bescheiden ook maar” ? opes (uit 5)

[1] d Van welk Latijns woord is “over een lange periode” (tekst 5, r.5) de vertaling? multum (7)



Tekst 6 (40 pt)

16 [40] Vertaal tekst 6 in acceptabel Nederlands. Laat na elke beschreven regel één regel leeg.

1 [2] Nemo tam imperitus est,

Niemand is zo onnozel/naïef,

2 [3] ut nesciat quandoque moriendum sibi esse;

dat hij niet weet dat hij ooit moet sterven;

3 [3] tamen, (4) tergiversatur, tremit, plorat.

toch verzet hij zich, beeft hij, treurt/klaagt hij.

4 [2] cum prope mortem accessit,

wanneer hij dichtbij de dood gekomen is,

5 [3] Nonne tibi videtur stultissimus omnium,

Lijkt hij jou niet de stomste van allen,

6 [2] qui flevit,

die geweend heeft,

7 [3] quod ante annos mille non vixerat?

omdat hij duizend jaar geleden niet geleefd had?

8 [2] Aeque stultus est

Even stom/dom is hij

9 [1] qui flet,

die weent,

10 [3] quod post annos mille non vivet.

omdat hij na duizend jaar niet zal leven.

11 [2] Haec paria sunt:

Deze dingen zijn/dit is gelijk:

12 [2] non eris nec fuisti;

je zult (er) niet zijn en je bent (er) niet geweest;

13 [3] utrumque tempus alienum est.

beide momenten zijn van een ander.

14 [2] In hoc punctum coniectus es.

Op dit tijdstip ben je neergeworpen.

15 [0] Quod ut extendas,

en gesteld dat je dit wilt uitbreiden

16 [2] quousque extendes?

tot waar/hoe lang zul je het uitbreiden?

17 [1] Quid fles?

Waarom/wat ween je?

18 [2] Quid optas?

Wat wens je?

19 [2] Perdis operam.

Je verspilt moeite.



Tekst 1

1 Sin vera sunt, quae dicuntur, migrationem esse mortem in eas oras, quas, qui e vita excesserunt, incolunt, id multo iam beatius est. Tene, cum ab iis, qui se iudicum numero haberi volunt, evaseris, ad eos venire, qui vere iudices appellentur, Minoem, Rhadamanthum, Aeacum, Triptolemum, convenireque eos, qui iuste cum fide vixerint —haec peregrinatio mediocris


5 vobis videri potest? Ut vero conloqui cum Orpheo, Musaeo, Homero, Hesiodo liceat, quanti tandem aestimatis? Equidem saepe emori, si fieri posset, vellem, ut ea, quae dico, mihi liceret invisere. Quanta delectatione autem adficerer, cum Palamedem, cum Aiacem, cum alios iudicio iniquo circumventos convenirem! Temptarem etiam summi regis, qui maximas copias duxit ad Troiam, et Ulixi Sisyphique prudentiam, nec ob eam rem, cum haec exquirerem, sicut hic
10 faciebam, capite damnarer.—

Tekst 2

1 Cum se ille cupere dixisset, conlocari iussit hominem in aureo lecto strato pulcherrimo textili stragulo, magnificis operibus picto, abacosque complures ornavit argento auroque caelato. Tum ad mensam eximia forma pueros delectos iussit consistere eosque nutum illius intuentes diligenter ministrare. Aderant unguenta, coronae, incendebantur odores, mensae


5 conquisitissimis epulis exstruebantur. Fortunatus sibi Damocles videbatur. In hoc medio apparatu fulgentem gladium e lacunari saeta equina aptum demitti iussit, ut impenderet illius beati cervicibus. Itaque nec pulchros illos ministratores aspiciebat nec plenum artis argentum nec manum porrigebat in mensam; iam ipsae defluebant coronae; denique exoravit tyrannum, ut abire liceret, quod iam beatus nollet esse. Satisne videtur declarasse Dionysius nihil esse ei
10 beatum, cui semper aliqui terror impendeat? Atque ei ne integrum quidem erat, ut ad iustitiam remigraret, civibus libertatem et iura redderet; is enim se adulescens inprovida aetate inretierat erratis eaque commiserat, ut salvus esse non posset, si sanus esse coepisset.

tekst 3

1 Hic mihi (credo equidem ex hoc, quod eramus locuti; fit enim fere, ut cogitationes sermonesque nostri pariant aliquid in somno, tale quale de (A) scribit (B), de quo videlicet saepissime vigilans solebat cogitare et loqui) (C) se ostendit ea forma, quae mihi ex imagine eius quam ex ipso erat notior; quem ubi agnovi, equidem cohorrui; sed ille: “Ades,” inquit, “animo, et

5 omitte timorem, (D), et, quae dicam, trade memoriae! Videsne illam urbem, quae parere populo Romano coacta per me renovat pristina bella nec potest quiescere ad quam tu oppugnandam nunc venis paene miles? Hanc hoc biennio consul evertes, eritque cognomen id tibi per te partum, quod habes adhuc a nobis hereditarium.

tekst 4

1 Non exiguum temporis habemus, sed multum perdimus. Satis longa vita et in maximarum rerum consummationem large data est, si tota bene conlocaretur; sed ubi per luxum ac neglegentiam diffluit, ubi nulli bonae rei inpenditur, ultima demum necessitate cogente, quam ire non intelleximus transisse sentimus. Ita est: non accipimus brevem vitam sed facimus, nec inopes


5 eius sed prodigi sumus. Sicut amplae et regiae opes, ubi ad malum dominum pervenerunt, momento dissipantur, at quamvis modicae, si bono custodi traditae sunt, usu crescunt, ita aetas nostra bene disponenti multum patet.

tekst 5
1 Zo is het: het leven dat we ontvangen is niet kort, maar we maken het kort, en we hebben er niet te weinig van, maar we vergooien het. Zoals een reusachtig, vorstelijk kapitaal in een ogenblik wegsmelt als het in handen van een slechte meester terecht is gekomen, terwijl een kapitaal, hoe bescheiden ook maar toevertrouwd aan een goed beheerder, groeit door het te gebruiken,
5 zo strekt ons leven zich over een lange periode uit voor hem die het goed indeelt.

tekst 6:

Seneca meent dat mensen aan de ene kant weten dat ze sterfelijk zijn. Aan de andere kant wordt er aan het einde van het leven door diezelfde mensen nogal wat geklaagd. Mensen kijken niet op de juiste wijze tegen de dood aan. Seneca noemt sommigen zelfs dom. Uit epistula 77

1 Nemo tam imperitus est, ut nesciat quandoque moriendum sibi esse; tamen, cum prope mortem accessit, tergiversatur, tremit, plorat. Nonne tibi videtur stultissimus omnium, qui flevit, quod ante annos mille non vixerat? Aeque stultus est qui flet, quod post annos mille non vivet. Haec paria sunt: non eris nec fuisti; utrumque tempus alienum est. In hoc punctum coniectus es.


5 Quod ut extendas, quousque extendes? Quid fles? Quid optas? Perdis operam.
Aantekeningen

1 imperitus onnozel, naïef



quandoque ooit

2 accedo, -ĕre, pf. accessi komen



tergiversor, -ari zich verzetten

2/3 ante annos mille duizend jaar geleden

3 aeque (adv) even, net zo

4 alienus van een ander



punctum (n) tijdstip

5 Quod ut extendas en gesteld dat je dit wilt uitbreiden



extendo, -ĕre uitbreiden

Afbeelding 1



Richard Westall, Het zwaard van Damocles, 1812




  • Teksten 1
  • Sin vera t/m potest
  • Equidem t/m damnarer
  • Aderant t/m cervicibus
  • sanus
  • Credo t/m loqui
  • Tekst 4

  • Dovnload 100.17 Kb.