Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Lawbooks Samenvattingen Werkgroep Opdrachten Kernvak Privaatrecht I deel a voorwoord

Dovnload 60.12 Kb.

Lawbooks Samenvattingen Werkgroep Opdrachten Kernvak Privaatrecht I deel a voorwoord



Datum05.12.2018
Grootte60.12 Kb.

Dovnload 60.12 Kb.

Lawbooks

Samenvattingen

Werkgroep Opdrachten Kernvak Privaatrecht I DEEL A

Voorwoord
Beste student,
Voor u liggen de uitwerkingen van de voorgeschreven werkgroep opdrachten voor het vak Kernvak Privaatrecht I. Onthoud echter dat deze uitwerkingen niet gezien kunnen worden als het correcte nakijk model. Deze uitwerkingen vormen slechts een aanvulling bij het leren. Lawbooks behoudt dan ook het recht de inhoud te bepalen, en is niet aansprakelijk voor eventuele onjuistheid of onvolledigheid van de informatie. Lawbooks wenst u veel plezier tijdens het lezen, en een prettig cursusverloop.
Met vriendelijke groet,
Team Lawbooks

Inhoudsopgave
Uitwerkingen Werkgroep Opdrachten
Week 1 Blz. 4

Week 2 Blz. 6

Week 3 Blz. 10

Uitwerkingen Werkgroep Opdrachten
Week 1
VRAAG 1
Het pandrecht en hypotheekrecht zijn vermogensrechten aangezien ze ertoe strekken stoffelijk voordeel te verschaffen (art. 3:6), dit maakt ze ook automatisch goederen volgens artikel 3:1 BW. Het zijn goederenrechtelijke zekerheidsrechten.

Ze zijn absolute rechten omdat het tegen een ieder inroepbaar is, waar het goed zich ook bevindt. Het beperkte recht is tegen een ieder inroepbaar. Zijn beiden beperkte rechten, art. 3:8 want het is afgeleid uit een meer omvattend recht. Ook volgens art. 3:227 BW zijn het recht van pand en het recht van hypotheek beperkte rechten. Als een recht gevestigd is op een registergoed (art. 3:10 jo. 3:89 lid 4 BW) dan is het een hypotheekrecht (Art. 3:260 BW). Het pandrecht kan zowel op vermogensrechten rusten als zaken, ook het hypotheekrecht. Afhankelijk recht is een recht dat aan een ander recht zodanig verbonden is dat het niet zonder dat andere recht kan bestaan. Dit geldt voor zowel het hypotheek als het pandrecht aangezien ze beiden alleen kunnen bestaan als ze bestaan op een vordering, als er geen vordering is dan is er ook geen recht op hypotheek of pand. (art. 3:7 jo. 3:227 BW). Dus als de vordering is terugbetaald, vervalt het recht op hypotheek of pand. Een pandrecht op een vordering is geen zakelijk recht, alleen zolang het rust op een zaak is het een zakelijk recht. Hetzelfde geldt voor hypotheekrecht, als het rust op een erfpachtrecht dan is het geen zakelijk recht, alleen als het rust op een zaak dan is het een zakelijk recht.


VRAAG 2
Recht op erfpacht, art. 5:85 BW. Het recht op erfpacht geldt alleen op onroerende zaken.

Het recht op erfpacht is een vermogensrecht, want de onroerende zaak is op geld waardeerbaar en overdraagbaar. Ook is het een absoluut recht, want je kunt het tegen iedereen inroepen. Het is een beperkt recht, want het is afgeleid uit een meeromvattend recht, namelijk het eigendomsrecht. Het recht op erfpacht valt onder registergoed, want voor overdracht van onroerende zaken is het nodig dat deze staat ingeschreven in een register en door de schakelbepaling van 3:98 BW wordt bepaald dat het beperkte recht dan ook valt onder registergoed. Het is een zakelijk recht, omdat het betrekking heeft op een (onroerende) zaak. Ten slotte is het geen afhankelijk recht, want het recht op erfpacht kan afstandelijk leven van een onroerende zaak.



Recht van vruchtgebruik, art. 3:201. Het recht van vruchtgebruik kan worden gevestigd op alle goederen. Het recht op vruchtgebruik is een vermogensrecht want het wordt gevestigd op goederen die op geld waardeerbaar zijn en overdraagbaar zijn. Ook is het een absoluut recht, want je kunt het tegen iedereen inroepen. Het is een beperkt recht, omdat het afgeleid is uit het eigendomsrecht. Het kan een registergoed zijn: dit hangt er van af of het recht op vruchtgebruik is gevestigd op een registergoed of zaak. Als dit zo is dan is er sprake van de schakelbepaling. Als het niet is gevestigd op een registergoed, dan is er hier ook geen sprake van. Ook kan het recht van vruchtgebruik een zakelijk recht zijn, maar ook dit hoeft niet. Dit geldt alleen als het op een zaak is gevestigd. Dit geldt niet wanneer bijvoorbeeld het recht op vruchtgebruik is gevestigd op een vordering. Ten slotte is het geen afhankelijk recht, omdat het afstandelijk kan leven van het bestaan van een ander recht.
Bruikleen, valt onder het verbintenissenrecht. Het is wél een vermogensrecht, want het kan worden gevestigd op goederen die op geld waardeerbaar zijn en overdraagbaar (3:1, 3:6). Het is geen absoluut recht, want het kan alleen worden ingeroepen tegen degene met wie je een verbintenis hebt. Het is een relatief recht; inroepbaar tegen de persoon in de verbintenisrechtelijke betrekkening. Het is ook geen beperkt recht, want deze komen alleen voor in het goederenrechtelijke recht. Registergoed? (3:10) bruikleen ontstaat niet door overdracht of vestiging, maar door afspraak. Dus geen registergoed.

Het is geen zakelijk recht want het rust niet op een goed maar op een persoonlijk recht. Ok is het geen afhankelijk recht.
VRAAG 3
-Vruchtgebruik op aandelen.

-Pandrecht op een vordering.

-Hypotheekrecht op een recht op erfpacht.
VRAAG 4
Eigenaar is een juridische term die wordt gebruikt bij zaken. Je bent eigenaar als je het

eigendomsrecht (art. 5:1 BW, dit is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben) op een zaak hebt. Rechthebbende is een juridische term die geldt voor vermogensrechten. Je bent bijvoorbeeld rechthebbende van een vordering of van een pandrecht.


VRAAG 5
A:
X heeft bij beide banken geldt geleend en heeft hierop beide banken een hypotheekrecht gegeven. X betaald het geldt niet terug want dit kan hij niet, dus willen beide banken met hun hypotheekrecht het onderpand verkopen d.m.v. hun hypotheekrecht zodat zij hun vordering van X terug kunnen krijgen (parate executie). Hypotheekhouder B zal hypotheekhouder A voor moeten laten gaan, omdat de prioriteitsregel geldt. Hij moet respecteren dat deze eerder een hypotheekrecht heeft verkregen. Als het huis 400.000 waard is en bank A krijgt nog 40.000 en bank B 100.000, zal uiteindelijk B nog wel het geld terugkrijgen. Als eigenaar splits je delen van bevoegdheden over naar een hypotheekouder. Jij blijft zelf het eigendomsrecht behouden en dus eigenaar en geeft allen maar een stukje weg.
B:
De prioriteitsregel geldt ook hier, omdat het hypotheekrecht eerder was gevestigd dan het

vruchtgebruik. Het hypotheekrecht (is een absoluut recht, vruchtgebruik ook maar dat is niet van belang hier) kan worden ingeroepen tegen iedereen en het recht op vruchtgebruik gaat teniet. Pietje moet dit respecteren.


VRAAG 6
Het gaat hier om het recht van erfdienstbaarheid, art. 5:70. Je mag het erf van een ander gebruiken. Je kunt dit vestigen op een onroerende zaak (registergoed). In de casus is de onroerende zaak met het recht van erfdienstbaarheid bezwaard, ongeacht wie dan ook de onroerende zaak onder zich heeft. Stel dat Freule Wansinck haar stuk grond en de percelen aan iemand anders geeft of verkoopt, dan heeft de verkrijger alleen maar recht op erfdienstbaarheid want deze gaat samen met het eigendomsrecht. Dit recht is dus als het ware gekoppeld aan het grondgebied en Freule Wansinck kan dan ook geen beroep meer doen op dit recht. De conclusie is dat het beding de rechtspositie niet versterkt en het niet nodig is, want dit ligt al besloten in het recht op erfdienstbaarheid zelf. Sprake van zaaksgevolg, werkt tegenover iedereen. Het zaaksgevolg is altijd gevestigd op hetgeen die de last draagt.
VRAAG 7
A:
H zal zich verhalen op het recht van erfpacht, aangezien het hypotheek daarop bezwaard is. De eigenaar staat er verder buiten. B zal het recht van erfpacht verkopen, recht van parate executie.
B:
Het recht van erfpacht is een zakelijk recht en registergoed. Art. 3:227 lid 1 is het recht op een registergoed gevestigd, dan is het een recht van hypotheek; is het recht op een ander goed gevestigd, dan is het een recht van pand. Een pandrecht wordt niet gevestigd op registergoederen.
C:
Degene aan wie overgedragen wordt, verkrijgt (gewoon) de eigendom van het stuk grond waarop het erfpachtrecht rust: zaaksgevolg/droit de suite.
D:
Geen gevolg, want het recht van hypotheek is bezwaard op het recht van erfpacht en deze gaat mee over met het recht van eigendom. Wel is het zo dat het hypotheekrecht een afhankelijk recht is, wat inhoudt dat als het recht van erfpacht tenietgaat, ook het hypotheekrecht tenietgaat (afhankelijk).
E:
Wanneer B zijn verplichtingen niet nakomt, dan mag D zijn vordering met voorrang op het registergoed verhalen, doordat hij het recht van hypotheek heeft; prioriteitsregel. Hij krijgt de hypotheekopbrengsten. Art. 3:7 jo. 3:82 BW.
Week 2
VRAAG 1
A:

Bezitter  art. 3:107 Bw: Een bezitter houdt een goed voor zichzelf.



Houder  art. 3:108 Bw: Een houder houdt een goed voor een ander
B:

Voorbeeld situatie 1: Er wordt hier gekeken naar de aansprakelijkheid (afdeling 2). Art. 6:173 geeft aan dat een bezitter indien een zaak met gebreken schade oplevert aan anderen. De eigenaar is dan niet verantwoordelijk. Je zou kunnen denken aan een gebrekige auto met kapotte remmen die wordt gestolen door een dief en die rijdt vervolgens iemand aan. De bezitter, de dief in dit geval (houdt het goed voor zichzelf door te stelen), is aansprakelijk.
Voorbeeld situatie 2: Art. 3:119 geeft aan dat iemand die een goed bezit vermoedt wordt ook de rechthebbende te zijn. Als je bijvoorbeeld niet kunt aantonen dat je laptop die gestolen is, van jou is, wordt de bezitter ook als de rechthebbende gezien. Dit wordt ook wel de processuele functie van bezit genoemd.
Voorbeeld situatie 3: Verkrijgende verjaring. Een bezitter die te goeder trouw is kan rechthebbende worden, een houder kan dit nooit! Een bezitter die te kwader trouw is kan ook rechthebbende worden, maar dit wordt dan extensieve verjaring genoemd. Art. 3:99 jo. art. 3:105 jo. art. 3:106
Voorbeeld situatie 4: een houder kan niet c.p. leveren (overige wel). Diegene die bezitter was, wordt houder van het goed, art. 3:115 sub a BW door art. 3:111 want een houder blijft houder, hij kan geen bezitter worden. Hij kan zich niet van houder voor de één naar houder van de ander maken.
C:

1. Een huurder van een fiets;

- Object van het recht: De huurder is de houder van de fiets.

- Recht zelf: huurrecht. Degene die dit huurrecht heeft (verhuurder) is rechthebbende en bezitter van dit huurrecht. Art. 7:201 BW. Vordering van de huurder is een vermogensrecht, art. 3:6 en dus een goed, art. 3:1. Vorderingen zijn overdraagbaar, art. 3:83 lid 1.

Hij is ook bezitter te goede trouw, ze hebben een overeenkomst tot huur.



2. Een erfpachter van een stuk grond;

- Object van het recht: De erfpachter is houder van de grond. Je gebruikt de grond van een ander op grond van het erfpachtrecht.

- Recht zelf: Erfpacht. De erfpachter is rechthebbende en bezitter van het erfpacht recht.
Erfpachtrecht is een vermogensrecht, art 3:6, dus een goed art. 3:1.

3. Een bruiklener van een boek, die niet van plan is het boek ooit terug te geven;

- Object van het recht: De bruiklener van het boek is houder van het boek, ook al wil hij het niet meer terug geven. Eenmaal houder, blijf je houder na een bruikleenovereenkomst, art. 3:111 interversieverbod.

- Recht zelf: Recht van bruikleen (vermogensrecht 3:6). De bruiklener is rechthebbende van het bruikleenrecht en bezitter van dit bruikleenrecht. Vermogensrecht is een goed, art. 3:1.

4. een dief van een autoradio;

- Object van het recht: De dief is onmiddellijk bezitter van de autoradio. Hij is ook te kwader trouw. Hij houdt het goed niet voor een ander maar voor zichzelf. Hij is geen rechthebbende.



5. een schuldeiser uit geldlening;

- Object van het recht: De schuldeiser is rechthebbende en bezitter van een vordering

(vermogensrecht).

- recht zelf: recht op het vorderingsrecht



6. Een vruchtgebruiker van een boomgaard;

- Object van het recht: De vruchtgebruiker is houder van de boomgaard. Let op: Hij is wel eigenaar van de vruchten die uit de boomgaard voort komen!

- Recht zelf: Vruchtgebruik. De vruchtgebruiker is rechthebbende en bezitter van dit recht van vruchtgebruik.
VRAAG 2
A:

Kan er een recht van hypotheek gevestigd wordt? Wat omvat het recht van hypotheek, art. 3:227 lid 2 BW? ; een recht van hypotheek op een zaak strekt zich uit over al hetgeen de eigendom van de zaak omvat.

Is de installatie onderdeel geworden van de kas (de kas zelf is onroerend, via fundering verbonden met de grond). De hypotheek heeft betrekking op de grond en alle gebouwen etc. die daarmee duurzaam zijn verenigd (art. 5:20 Bw) die vallen dan ook onder de hypotheek. Dit bekijk je aan de hand van natrekking (art. 5:3 Bw).
- Is de installatie bestanddeel van de kas?

Kijken naar de zaak Depex/Curatoren & art. 3:4 Bw:

Lid 1: Verkeersopvatting.

Lid 2: Substantiële schade als het wordt verwijderd?


Hierbij moet je kijken of ze op elkaar zijn afgestemd in constructief opzicht en moet de kas als incompleet worden beschouwd zonder die installatie? (Depex/Curatoren).
Op constructief opzicht gaan we het niet redden. Kan de kas zonder installatie nog functioneren, heeft het dan nog een betekenis? Wat kun je nog meer verbouwen in de kas als de installatie niet gevestigd is? Art. 3:4 lid 2 BW, is er sprake van schade als de installatie verwijderd wordt uit de kas?
B:

Je moet hierbij kijken of de stacaravan gezien kan worden als roerend of als onroerend. Hierbij is het Portacabin-arrest van belang en art. 3:3 Bw. Bij het Portacabin arrest zijn de criteria te vinden op bladzijde 268 van de Ars Aequi in de punten a, b, c en d.

Je zou hier aan de cliënt o.a. kunnen vragen:

1. Is de stacaravan aangesloten aan bijvoorbeeld rioleringen?

2. Kijken naar de uiterlijke verschijningsvorm. Ziet het eruit alsof de caravan duurzaam met de grond is verenigd of dat hij bedoeld was om daar vast te blijven staan?
C:

Het gaat hier om de vraag wie de eigenaar is van het sculptuur. Van belang is hier het

onderwerp zaaksvorming, art. 5:16 BW. Er moet dan sprake zijn van een nieuwe zaak en van vorming. Arrest kuikenbroederij: er moet sprake zijn van een nieuwe goederenrechtelijke identiteit en een menselijke ingreep. Daarvan is hier beide sprake.
Uit verschillende dingen kan dan een nieuwe zaak ontstaan. Van belang is hier de vraag:

- Van wie waren de gebezigde materialen? Voor deze vraag kun je kijken naar het arrest Breda en Antonius. Is er sprake voor vormen voor zichzelf of het doen vormen voor zichzelf? In deze gevallen wordt je de eigenaar. Breda beweerde in dit arrest dat hij het voor zichzelf deed vormen door middel van Antonius. Kijk in dit arrest naar R.O. 3.3, deze is van belang in

verband met de informatie van het doen vormen, etc.

Je moet kijken wat er tussen de partijen is afgesproken. Waren er instructies of een opdracht? Heeft één partij een economisch risico op zich genomen? Waar ligt de beslissende invloed? Gemeente T heeft materiaal ter beschikking gesteld aan S.


T is eigenaar, door doen vormen van S. Eigendomsrecht van R is te niet gegaan.
VRAAG 3
Is er sprake van bulkgoederen of zelfstandige zaken? moet duidelijk kunnen maken welke roerende zaken aan jou toebehoren en welke van jou zijn  processuele functie. Van belang is hier het arrest Texeira de Mattos (oneingelijke vermenging; niet te onderscheiden; individualiseerbaarheid). Indien je het niet kunt aantonen dat de roerende zaken van jou zijn, dan vergaat je eigendomsrecht. Art. 3:109 jo. 3:119.

Met betrekking tot zaken die naar gewicht of hoeveelheid worden verhandeld (denk bijvoorbeeld aan zand) zijn de artikelen 5:15 Bw jo. 5:14 (lid 2) van belang. Er wordt gekeken naar Vermenging. Als de helft van jou is betekend dit dat er twee mede eigenaren zijn. Als een kleiner gedeelte van jou is dan vervalt jou eigendomsrecht bij vermenging. Je kunt dan jou deel niet opeisen.


VRAAG 4
A 10 december 2012?:

Teunissen is bloot eigenaar en tevens bezitter. Hij heeft namelijk een beperkt recht gevestigd op de melkinstallatie. Klaassen is de houder, want hij houdt het goed voor een ander.


B 5 mei 2013?:

De loods staat op de grond van Jansen en indien je er vanuit gaat dat door middel van natrekking het dus onder zijn hoede valt art. 5:20 lid 1 sub e BW (bestanddeelvorming). Jansen is de eigenaar en tevens bezitter. Klaassen was houder en blijft houder, art: 3:111 BW op basis van het recht van erfpacht, want het vruchtgebruik valt weg. Als er geen sprake is van natrekking dan blijft Teunissen eigenaar en bezitter en Klaassen houder van het recht op vruchtgebruik.


C 10 mei 2013?:

Zelfde als b als je ervan uitgaat dat er sprake is van bestanddeelvorming. Klaassen heeft dan geen recht van vruchtgebruik meer (loopt tot 6 mei 2013), maar is dan gewoon houder. Hij dient na afloop van het termijn de melkinstallatie terug te geven.


Week 3
VRAAG 1
A:
Dit wordt gegeven in art. 3:83 lid 1 BW. Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn overdraagbaar, tenzij de wet (bijvoorbeeld bij de overdracht van illegale goederen) of de aard van het recht (afhankelijke rechten, art. 3:7 jo 3:82 BW, niet zelfstandig) zich tegen een overdracht verzet. In art. 3:83 lid 2 BW staat dat de overdraagbaarheid van vorderingsrechten ook door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar kunnen worden uitgesloten. HR Oryx/Van Eesteren, de afspraak wordt gemaakt tussen personen, maar heeft een goederenrechtelijke vorming.
B:

  • Er is hier sprake van twee vorderingsrechten, namelijk het betalen van de fiets en het leveren van de fiets. Deze zijn allebei overdraagbaar, art. 3:6 jo 3:1 BW. Er is geen beding tussen schuldeiser en schuldenaar gemaakt en het eigendomsrecht van de fiets is overdraagbaar. Art. 3:83 BW.

  • Goederenrechtelijke rechten kunnen niet onoverdraagbaar gemaakt worden bij beding. Het schilderij blijft dus overdraagbaar. In dit geval is het zo dat wanneer D zich niet aan de afspraak houdt, er sprake is van een wanprestatie en dat hij schadevergoeding moet betalen.

  • F en G hebben door middel van een beding de vordering onoverdraagbaar gemaakt. G kan de vordering daarna dus niet meer overdragen aan H.

  • Het recht van vruchtgebruik is een beperkt recht, art. 3:201 BW. In art. 3:83 lid 1 BW staat dat beperkte rechten overdraagbaar zijn, tenzij de wet of de van het recht zich hiertegen verzet.

Het eigendomsrecht van I kan worden overgedragen. Het recht van vruchtgebruik blijft hier dan echter wel op berusten door zaaksgevolg.

  • L is het heersende erf en heeft hier het eigendomsrecht op. Ook heeft hij het recht van erfdienstbaarheid in zijn vermogen. K heeft het dienende erf en heeft hier ook het eigendomsrecht op. Het eigendomsrecht is overdraagbaar, art. 3:83 lid 1 BW. Het eigendomsrecht van het erf van K is wel bezwaard met een beperkt recht. Het recht van erfdienstbaarheid is geen zelfstandig recht, het is een afhankelijk recht (3:7 jo. 3:82) en gaat dus automatisch mee met het heersende erf.


VRAAG 2
A:
A is houder van de stoelen. Er is een eigendomsvoorbehoud gemaakt, dus de eigendom blijft bij C, totdat A betaald heeft.

In art. 3:92 lid 1 BW staat dat de eigendom voorbehouden is totdat er sprake is van voldoening van de tegenprestatie. Er is sprake van een opschortende voorwaarde. In art. 3:91 BW staat hoe er geleverd moet worden bij een opschortende voorwaarde. Dit geschiedt door aan de verkrijger de macht te verschaffen over de zaak.


B:
Nee, dat kan niet. Bij levering c.p. moet de vervreemder over de zaak bezitten, art. 3:115 sub a BW. A is houder en levering c.p. kan niet gedaan worden door een houder. Immers, houder blijft houder en kan niet zomaar voor een ander gaan houden, art. 3:111 BW. A zou zich dan van houder voor C, tot houder van B maken.
C:

Ja, een houder kan longa manu leveren, art. 3:115 sub c. D gaat dan in plaats van

voor A, voor B houden. Er moet wel mededeling gedaan worden aan D.
D:

Art. 3:86 beschermt tegen de beschikkingsonbevoegdheid van A. Bepaalde soorten levering kunnen niet door een houder gedaan worden, maar wel door een bezitter. Wanneer het al misgaat bij de levering, zoals levering c.p. (door een houder), dan kom je al niet toe aan art. 3:86, omdat er sprake moet zijn van een geldige levering.


E:

A was dan bezitter te kwader trouw geweest. Hij houdt dan een goed voor

zichzelf en niet voor een ander. Levering c.p. kan dan alleen alsnog niet. C heeft

namelijk een ouder recht, het eigendomsrecht, art. 3:90 lid 2 BW. Je kan je hier

dus niet op bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid beroepen, art. 3:86

BW. Een ouder recht gaat altijd voor op bescherming.


VRAAG 3
A:
De levering heeft plaatsgevonden door een akte, art. 3:95 BW. Er kon niet via art. 3:90 geleverd worden, omdat de ALH geen bezitter of houder was en dus niet de feitelijke macht kon verschaffen. De ALH was het bezit verloren, art. 3:117, doordat een ander het bezit van het goed verkrijgt. Namelijk inbezitneming, art. 3:112 jo. 3:113 BW.
B:

De VVAA kan de auto revindiceren van Oostmeijer als Oostmeijer te kwader trouw was.

We moeten eerst gaan kijken of Yeong eigenaar is geworden, art. 3:83 jo. 3:84 BW. Een auto is volgens art. 3:83 BW overdraagbaar. Er is sprake van een geldige titel (een koopovereenkomst), een geldige levering (feitelijke bezitsverschaffing, art. 3:90 jo. 3:114 BW). Bronkhorst was alleen beschikkingsonbevoegd. Maar misschien kan Yeong beschermd worden tegen beschikkingsonbevoegdheid op grond van art. 3:86 BW. De verkrijger moet dan te goeder trouw zijn en het moet anders dan om niet zijn overgedragen.

Als Yeong te goeder trouw is dan moet er gekeken worden naar lid 3, omdat er sprake is van diefstal. De VVAA kan de auto dan revindiceren, tenzij Yeong de auto in een normale handel heeft gekocht. Dit heeft hij gedaan, namelijk in de auto-zaak van Bronkhorst. Hij kan dus een beroep doen op art. 3:86 lid 3 sub a. Oostmeijer heeft dan de auto verkregen op grond van art. 3:84.

Wanneer Yeong niet te goeder trouw is, is er sprake van een ongeldige overdracht door beschikkingsonbevoegdheid. De bescherming van art. 3:86 gaat dan niet op, omdat Oostmeijer niet te goeder trouw is. De VVAA kan de auto dan wel revindiceren.

C:
Er is bij overdracht niet voldaan aan de vereisten van art. 3:84, Yeong was namelijk beschikkingsonbevoegd. Oostmeijer kan alleen geen beroep doen op art. 3:86 BW. Hij was wel te goeder trouw en het goed is anders dan om niet verkregen. Maar doordat er sprake is van diefstal, kan de VVAA de auto nog gedurende drie jaar revindiceren, omdat Oostmeijer de auto niet in een normale bedrijfsuitvoering heeft gekocht, maar van particulier Yeong, art. 3:86 lid 3 sub a BW.
VRAAG 4
A:
Als er via feitelijke bezitsverschaffing geleverd wordt, art. 3:90 jo. 3:114 BW, kan het pandrecht worden ingeroepen wanneer C te goeder trouw is. A heeft een pandrecht bevestigd ten behoeve van B, dus dan wordt A beperkt beschikkingsbevoegd. Wordt C beschermd? Art. 3:86 lid 2. Als er aan de vereisten voldaan is, dan vervalt het pandrecht. Als C niet te goeder trouw is, blijft het pandrecht in stand.
B:
De bank heeft een ouder recht, dus c.p. levering kan niet. Doordat er iets mis is met de levering, kom je niet toe aan art. 3:86 BW. De bank heeft dus nog steeds een pandrecht en kan dit inroepen.
VRAAG 5
A:
De overdracht tussen B en C, op grond van art. 3:84 BW. Er is sprake van een geldige titel (koopovereenkomst), een geldige levering (art. 3:89, een akte), maar B is beschikkingsonbevoegd. B is nooit eigenaar geworden, omdat de overeenkomst tussen A en B is vernietigd en er is dan sprake van terugwerkende kracht.
Kan C bescherming krijgen via art. 3:88 BW? C moet dan te goeder trouw zijn en de onbevoegdheid moet voortvloeien uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht. Hier is aan voldaan. C is dus eigenaar geworden.

Nu gaan we kijken naar de overdracht tussen C en D. Is er voldaan aan de vereisten van art. 3:84 BW? Er is sprake van een geldige titel, geldige levering en beschikkingsbevoegdheid. D is dus eigenaar op 1 november van het huis.


B:
C is dan te kwader trouw, hij kan dan niet beschermd worden door art. 3:88 BW. Omdat hij niet voldoet aan de vereisten (te goeder trouw). Hij is dus geen eigenaar geworden.

Dan moeten we dus gaan kijken of art. 3:88 BW kan worden toegepast op D. Als D wel te goeder trouw is en de onbevoegdheid voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht (dat was dus tussen A en B), dan wordt D alsnog beschermt.



Het maakt dus niet uit of C op de hoogte was.

  • Inhoudsopgave Uitwerkingen Werkgroep Opdrachten Week 1 Blz. 4 Week 2 Blz. 6 Week 3 Blz. 10 Uitwerkingen Werkgroep Opdrachten Week 1
  • VRAAG 2 Recht op erfpacht, art. 5:85 BW.
  • Recht van vruchtgebruik, art. 3:201
  • Bruikleen, valt onder het verbintenissenrecht.
  • VRAAG 3 -Vruchtgebruik op aandelen. -Pandrecht op een vordering. -Hypotheekrecht op een recht op erfpacht. VRAAG 4
  • VRAAG 5 A
  • Als eigenaar splits je delen van bevoegdheden over naar een hypotheekouder. Jij blijft zelf het eigendomsrecht behouden en dus eigenaar en geeft allen maar een stukje weg. B
  • De conclusie is dat het beding de rechtspositie niet versterkt en het niet nodig is, want dit ligt al besloten in het recht op erfdienstbaarheid zelf.
  • Week 2 VRAAG 1 A
  • VRAAG 4 A 10 december 2012
  • Week 3 VRAAG 1 A
  • VRAAG 2 A
  • VRAAG 3 A
  • VRAAG 4 A

  • Dovnload 60.12 Kb.