Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Leerplan agronomisch ontwerpen

Dovnload 0.6 Mb.

Leerplan agronomisch ontwerpen



Pagina3/6
Datum04.04.2017
Grootte0.6 Mb.

Dovnload 0.6 Mb.
1   2   3   4   5   6

Voorwaarden voor toepassing

Om QUASI succesvol te kunnen hanteren moet er aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan. 1. De toepasser en gebruiker moet doordrongen zijn van het type vraag en antwoord dat past bij de methodiek; kernwoorden zijn daarbij: verkennen, statisch, opties, geen ontwikkleingstrajecten. 2. Enige kennis en begrip van lineaire programmering is gewenst. 3. De methodiek dient gevoed te worden met kwantitatieve input-output relaties omtrent landbouwkundige productiemogelijkheden die primair zijn ontleend aan agronomische inzichten. 4. De verschillende politieke zienswijzen en doelen van ondernemers moeten worden vertaald in concrete lineaire doelfuncties.


Methodiek

De kern van de methodiek rust op een wiskundig model genaamd Lineaire Programmering (LP). Het model is in principe niet nieuw. Het is ontstaan uit de econometrie. LP is een model dat uitsluitend gebruik maakt van lineaire relaties tussen verschillende gegevens. Niet-lineaire of kwadratische relaties kunnen er dus niet mee worden bestudeerd. Oorspronkelijk was het model ontwikkeld om optimalisatie mogelijkheden te bekijken betreffende slechts een doelstelling. Het model waar we in QUASI van uitgaan maakt optimalisatie tussen meerdere doelstellingen tegelijk mogelijk. Die doelstellingen moeten dan wel betrekking hebben op een en het zelfde gebied. In elke run van het model wordt een van de doelstellingen geoptimaliseerd, terwijl de andere worden beschouwd als beperking, dat wil zeggen als een hindernis om een ander doel te realiseren. Op die manier kunnen doelen of de reikwijdte van doelen onderling worden uitgeruild.

Het model is op de volgende informatie gebouwd:

- input - output relaties op gebied van agrarische productie, gebaseerd op land evaluatie studies; denk aan gegevens over benodigde inputs om een bepaalde output aan producten te kunnen realiseren op een bepaald stuk grond en onder bepaalde klimaat omstandigheden,

- technisch of fysieke beperkingen van een productiegebied, dat wil zeggen informatie over hulpbronnen als water, grond, nutriënten beschikbaarheid of consumptie en afzet patronen en

- een overzicht van de doelstellingen die beleidsmakers of maatschappelijke groeperingen voor ogen hebben; meestal gaat dat over ecologische, landbouwkundige, economische of sociale aspecten met betrekking tot duurzaamheid.

Scenario's voor landgebruik kunnen met behulp van interactieve, meervoudige doel programmering (IMDP) worden zichtbaar gemaakt voor elk van de visies die groeperingen in een samenleving voor hun toekomst hebben geformuleerd. IMDP doet dat door middel van optimalisering tussen doelstellingen en door de reikwijdte te bepalen die een ge-optimaliseerde combinatie van doelstellingen voor elke (beleids)visie met zich meebrengt.

7.3.2. Prototyperingstechniek


Doel

Prototypering is een methode die agrarische ondernemers (individueel, zowel als groep) helpt om de ontwikkeling van hun bedrijf zelfstandig ter hand te nemen, met als doel om het eigen bedrijf zo ingericht te krijgen dat het binnen een afzienbare termijn voldoet aan bedrijfseconomische en maatschappelijke randvoorwaarden.

De methode maakt gebruik van zowel landbouwwetenschappelijke informatie als van ervaringskennis. Karakteristiek is dat doelstellingen niet altijd op experimenteel wetenschappelijke data behoeven te berusten. Relevant zijn ook de data die door onderling overleg worden beschouwd als nastrevenswaardig. Ook subjectieve normen, waarden, belevingen of visies van de agrariër kunnen een plaats krijgen. De methode resulteert niet in een blauwdruk voor de toekomst en evenmin in een statisch resultaat waar de agrariër voor lengte van jaren aan vast zit. De methode gaat er van uit dat na realisering van een eerste prototype, een nieuwe ontwerpronde wordt gestart om "werkende weg" het functioneren van het bedrijf in overeenstemming te brengen met de ultieme doelen. De methode kan worden gezien als een "management tool" en als een mogelijkheid om het agrarisch ondernemerschap verder te professionaliseren.
Wat is het niet en wat is het wel?

Prototypering maakt zoveel mogelijk, gebruik van experimenteel verkregen gegevens. Daar waar dat nog niet mogelijk is (gegevens over erosie op een bedrijf kunnen nog ontbreken) mogen gegevens worden "aangenomen". De ondernemer kan dan toch aan de slag. De "aangenomen gegevens" moeten door onderhandeling tussen ontwerper en ondernemer tot stand komen, maar dienen altijd aan bepaalde kwaliteitseisen en redelijkheid te voldoen. De methode verklaart niets. Zij ontwerpt en herontwerpt (bestaande) agrarische productiesystemen op actieve en directe wijze. De methode kan leiden tot compleet nieuwe bedrijfsvormen, die bovendien passen in de beleving van de ondernemer. Prototypering heeft sterke overeenkomsten met technieken die bij de invoering van de geïntegreerde bestrijding van ziekten en plagen worden toegepast.


Voorwaarden voor toepassing

Het aantal participerende ondernemers moet niet groter zijn dan 30. Er moet sprake kunnen zijn van sterke onderlinge wisselwerking. Verder

- moet de omschakeling tenminste vier jaar kunnen duren,

- bedrijfsgroottes moeten niet kleiner zijn dan 5 ha,

- veldgrootte moet minimaal 1 ha zijn,

- de ondernemers moeten denken in processen, niet in gefixeerde eindresultaten; prototypering is ontwikkelen,

- er zijn voor een groepsgrootte van 30 ondernemers tenminste twee onderzoekers/facilitators per jaar nodig; een van hen moet vertrouwd zijn met systeem denken,

- de ondernemers zullen zelf moeten beschikken over een vrijgestelde coördinator,

- de onderzoeker moet zich primair als ontwerper gedragen; hij moet problemen kunnen identificeren, problemen kunnen vertalen in oplossingsrichtingen die agrariërs kunnen begrijpen en hij moet vooral ambitie hebben om bestaande situaties voortdurend te verbeteren33.

Methodiek

De methodiek is een stappenplan die de ondernemer bij de hand neemt en leidt naar zijn eigen doelstellingen. Daarom is het belangrijk dat er een vertrouwensrelatie is tussen ondernemer en ontwerper. Als een groep van ondernemers binnen een regio de omschakeling gezamenlijk wil doormaken, dan is het belangrijk dat de ondernemers zich samen bereid verklaren om in alle openheid de resultaten van hun bedrijfsvoering te bespreken. Als men mee doet legt men zich ook vast op de aanvankelijk, gezamenlijk gemaakte afspraken. Er zijn vijf stappen. 1. Bepaal in gezamenlijkheid tien doelstellingen (in volgorde van belangrijkheid) die een productiebedrijf na een aantal jaren (meestal vier) moet hebben bereikt. 2. Vertaal doelstellingen in kwantificeerbare parameters en kwantificeer die op basis van literatuur, wetgevingsvereisten, ervaringskennis of redelijke aanname. 3. Zoek bedrijfsmethoden die meer dan een van de gekwantificeerde parameters kan helpen bereiken (multi-functionele gewasrotatie, nutriënten management, ecologische infrastructuur, etc.). 4. Ontwerp varianten van het prototype en bepaal de beste variant door middel van enkele selectie criteria. We hebben dan een theoretisch prototype (ontwerp) dat realistisch genoeg is om in de praktijk uit te leggen. 5. Realiseer het theoretische prototype en bepaal aan de hand van metingen aan de parameters of het bedrijfsontwerp in overeenstemming komt met de doelstellingen. Daarna volgt een bedrijfsanalyse welke de aanzet kan zijn voor herformulering van oorspronkelijke doelen (vaak nog strengere). De cyclus begint dan opnieuw.


8. MODEL VAN DE BASISCYCLUS VOOR AGRONOMISCH ONTWERPEN

In de voorgaande hoofdstukken hebben we vastgesteld dat agronomisch ontwerpen zich op een aantal punten onderscheid van technisch ontwerpen. Die punten zijn o.a.:

- agrarische productie geschiedt met behulp van de productiefactor leven,

- agrarische productie werkt in een open, dat wil zeggen moeilijk beheersbare omgeving, hetgeen eisen stelt aan beslissingsvaardigheid van agrarisch management en

- ook de agrarische productie op veldniveau is sterk afhankelijk van beleid en belangen op hogere integratieniveaus.

We lopen bovenstaande punten nog even door:



Levende organismen beschikken over een eigen ontwikkelingsdynamiek, gericht op overleven. In een ontwerp waarin organismen productiefactoren zijn kunnen deze zich aan het ontwerp onttrekken als dat nodig is voor het eigen voortbestaan.

Agrarisch management kenmerkt zich door het feit dat de kwaliteit ervan zich alleen door ervaring ontwikkelt34. Een ontwerp verandert dus naarmate de kwaliteit van het agrarisch management verandert35. Voorbeelden (zie ook box 2):

- wanneer de agrariër denkt dat bedrijfshygiënische maatregelen kunnen worden nagelaten wanneer hij gebruik maakt van volledig resistentie gewassen, dan kan die resistentie na verloop van tijd worden doorbroken door de geleidelijk toegenomen infectiedruk in zijn productiesysteem,

- wanneer de agrariër denkt dat het gebruik van pesticiden hem minder bezorgd behoeft te laten zijn over de kwaliteit van het uitgangsmateriaal dat hij gebruikt, dan kunnen zijn pesticiden na verloop van tijd onbruikbaar blijken voor toepassingen in zijn bedrijf,

- wanneer de agrariër steeds beter leert waarnemen op welk moment hij efficiënt zijn onkruid kan bestrijden, bespaart hij kosten en neemt de plaagdruk geleidelijk af,

- wanneer de agrariër zorgvuldig de molshopen op zijn grasland beheerst, voorkomt hij dat er zand komt in zijn silage en bevordert hij de kwaliteit van de kaas die uit zijn melk wordt geproduceerd.


BOX 2

Natural phenomena do not change as a result of the human effort to know them. Whether we think the sun around the earth, or vice versa, does not change the behaviour of these celestial bodies. But knowledge produced about human actors re-enters human society, is interpreted and affects human action. People construct their own realities through learning in social processes” (In; Röling, 1994).




Productie van gewas of vee wordt sterk beïnvloed door eisen die zich op hogere integratietieniveaus voordoen. Voorbeelden: het overheidsbeleid gericht op landgebruik en ruimtelijke ordening legt normen en criteria vast waaraan de agrariër zich moet houden; agroecologische cycli (water, nutriënten, genen) bepalen tot welke omvang agrarische productie verantwoord zijn; de bedrijfseconomie bepaalt waar een bedrijf nog rendabel genoemd mag worden; een teeltsysteem legt eisen op aan de mogelijkheden voor variaties in en rondom de plaats van productie; de teelteigenschappen van een plant bepalen tenslotte de noodzaak van grondbewerking en gewasbescherming. Alle zojuist genoemde integratie niveaus passen, ruimtelijk gezien, in elkaar als nestsschalen. Een ontwerp dat betrekking heeft op een systeem op lagere integratieniveaus kan door belangen of randvoorwaarden op hogere integratie niveaus onmogelijk worden.

Er moet daarom een onderscheid worden gemaakt tussen het ontwerpen van dode (statische) systemen en het ontwerpen van levende systemen met hun eigen (intrinsieke) ontwikkelingsdynamiek. Een dood systeem is bijvoorbeeld een ploeg, een kas of een bestrijdingsmiddel. Bij een levend systeem wordt o.a. gedacht aan een gewas, een kasklimaatregeling, een primair productiebedrijf of een voorlichtings-instrument. Agronomisch ontwerpen beginnen dus nooit met niets (zoals bij technisch ontwerpen het geval is), maar met iets wat reeds aanwezig is en met organismen die beschikken over autonome mechanismen die hen helpen zich aan een agrarisch ontwerp te ontrekken als dat noodzakelijk is voor hun eigen overleving.

Ontwerpen met behulp van de productiefactor leven (levende systemen) heeft veeleer het karakter van herontwerpen van bestaande systemen36, 37. Bij agronomisch ontwerpen is kennis over het bestaande systeem, waarover men kennelijk niet zo tevreden is, dus zeer belangrijk. Om bestaande (levende) systemen te herontwerpen is inzicht in de onderliggende processen van belang. Immers, men mag verwachten dat gewenste veranderingen niet van het ene moment op het andere zullen plaatsvinden. Dat wordt lastiger naarmate de systemen ingewikkelder zijn. Met andere woorden: agrarische ontwerpers hebben te maken met systemen die niet volledig kenbaar zijn en met systemen waarvan de mens als gebruiker en beoordelaar van een ontwerp vaak onderdeel uitmaakt.

Ontwerpvraagstukken in de landbouw zijn dus vrijwel altijd complex en onderscheiden zich sterk van technische ontwerp vraagstukken.

Agronomische ontwerpers moeten leren om met de autonomie van de dynamiek in alle drie aspecten (levensverschijnselen, management van het systeem en integratie niveaus) rekening te gehouden. Agrarische productiesystemen zijn dus meestal niet volledig kenbaar. De ontwerper wordt steeds gedwongen zich af te vragen of uitputtend onderzoek over de aard en functie van het systeem dat verbeterd moet worden zinvol is ten opzichte van het belang van voldoende kennis over slechts enkele onderdelen van het systeem. Immers, de ontwerper wordt geacht het eindoel te bereiken binnen een vooraf vastgestelde tijd38. De optimale mate van verfijning hangt af van de performance van het ontwerp en van de beschikbare tijd. Hier is een steeds weer terugkomende onderhandeling nodig tussen de projectbewaker en de kennisvergaarders en dit is een problematisch en, daarom, ook een belangrijk leeraspect van het ontwerpblok.

Een agrarisch ontwerpproces kan gebruik maken van meerdere ontwerpwegen. Paragraaf 7.3. liet twee ontwerpwegen zien. QUASI en prototypering beschikken potentieel over grote ontwerpkracht: dat wil zeggen, die kunnen bestaande produktiewijzen zowel herontwerpen als ter discussie stellen. Beide ontwerptechnieken hebben derhalve ook innovatiekracht. Die methoden zijn dus geschikt voor toepassing in de basiscyclus agronomisch ontwerpen.

Voor de vasstelling van de componenten van de basiscyclus methodisch agronomisch ontwerpen gaat de Taakgroep nu uit van prototypering en modelmatige ontwerptechnieken39. Bij prototypering accepteert de ontwerper bepaalde beperkingen van de opdrachtgever (bijvoorbeeld: een agrariër beslist lang niet altijd op basis van puur rationele gegevens), gebrek aan kennis (bijvoorbeeld: wat is een goede maat voor biodiversiteit) en onheldere doelstellingen (bijvoorbeeld: “mijn bedrijf moet duurzaam zijn”). Prototypering leidt desondanks tot plausibele ontwerpen40. Modelmatig verkennen en agronomisch ontwerpen bieden zicht op opties voorbij huidige beperkingen en doelstellingen. Ze geven inzicht in conflicten tussen doelstellingen en laten zien dat ‘de beste oplossing’ voor een belangrijk deel afhankelijk is van een normatief afwegingsproces. Op attituden ontwikkeling gerichte leerdoelen zijn daarom belangrijk.

De ontwerper zal moeten leren de doelgroep te voorzien van de nodige informatie om de juiste keuze te kunnen maken uit mogelijke alternatieven. Een ontwerpproces dat gebruik maakt van zowel prototyperings- als modelmatige technieken kan er voor zorgen dat enerzijds zicht wordt geboden op nieuwe, ongedachte alternatieven en op conflicten tussen doelstellingen en anderzijds op een ontwerp dat voldoende aansluiting heeft met bestaande structuren en doelstellingen.Met ontwerptechnieken als prototypering en modelmatig ontwerpen bestaat momenteel veel ervaring.

Samenvattend postuleert de Taakgroep figuur 6, zijnde het stappenschema dat de ontwerper in spé aan de hand van een opdracht, tijdens het ontwerpersblok, dient te doorlopen.










Probleemidentificatie




























Opdracht (doelen)




























Plan van eisen

(maatstaven)






























Ontwerpen










1. Systeemanalyse

- Decompositie subsystemen

- Verkennen op subsysteemniveau

- Systeemverkenningen

Alternatieven

2. Ontwikkelen van een prototype

























Toetsen

- Modelmatig

- Praktisch








Figuur 6

Model voor de stappen die de student achtereenvolgens moet doorlopen om het ontwerpersblok “methodisch agronomisch ontwerpen” met succes te kunnen doorlopen.


9. DIDACTISCHE VORMGEVING: INTRODUCTIE VAN EEN METHODISCHE AANPAK

Het iteratieve karakter van ontwerpprocessen (zie figuur 4) kan de ontwerper in een moeilijk parket brengen. Immers, naar mate het ontwerpproces vordert des te complexer de informatie wordt. De effectiviteit van het ontwerp proces (men zal volgens de opdrachtgever binnen een vast gestelde periode tot een ontwerp moeten zien te komen) moet dus worden gezekerd. Volgens de literatuur41 gebeurt dat door alle bij elkaar behorende activiteiten te groeperen. Elke groep van activiteiten kan worden beschouwd als een “stadium” (ook wel “fase” genoemd) waarin het ontwerpproces zich bevindt. De fasering dwingt tot regelmatig evalueren van het project. Die evaluatie moet worden gerapporteerd aan de voor het project verantwoordelijke opdrachtgever en/of projectleider: stoppen we ermee, doen we een stap terug of gaan we door naar de volgende fase?

De fasen die de Taakgroep uit didactische overwegingen meent te moeten onderscheiden zijn:
Probleemidentificatie
Doelen (opdracht) vaststellen Probleemanalyse fase
Plan van eisen (maatstaven) opstellen

Decompositie subsystemen


Verkenningen op subsysteemniveau Verkenningen fase
Systeemverkenningen

Synthese


Conceptualiseringsfase

Ontwerpen van alternatieven

Prototypen maken Materialiseringsfase

Modelmatig toetsen

Vormgevingsfase

Praktisch uitvoeren


In de volgende hoofdstukken beschrijft de Taakgroep wat er per fase moet worden gedaan en welke beroepsvaardigheden daarbij getrained worden.

De student gaat door middel van overleg (intern en extern) het pad van de agrarische ontwerper op. Elke fase heeft een ander doel en een ander karakter . Hij krijgt een goed inzicht in de autonomie van de ontwikkelingsdynamiek van het systeem waarop zijn ontwerp betrekking heeft. Hij oefent in omgaan met doelstellingen van verschillende vergadervormen:, toetsingsconferentie, actieve exploratie, probleem verheldering, concensus verkrijgen en inventariserend overleg. De student leert werkende weg, waar zijn cognitieve en affectieve blokkades liggen. Hij zal actief leren te zoeken naar opheffing van die blokkades door op zoek te aan naar de “sterktes” van anderen, dat wil zeggen van mensen die geen deel uitmaken van de ontwerpgroep. De student wordt in elke fase continu geobserveerd door de docent. De docent evalueert zijn waarnemingen en laat zien welke processen er hebben plaatsgevonden. Ook laat hij zien hoe de kwaliteit van het product (afgemeten aan de hand van de “tevredenheid” die de ontwerpgroep voor zichzelf heeft vastgesteld) samenhangt met de kwaliteit en effectiviteit van het overleg. De docent evalueert door middel van interactieve werk-colleges. De student zal wel moeten beschikken over een dictaat, waarin de methodiek van het ontwerpen wordt beschreven.

10. LEERDOELEN VAN HET ONTWERPBLOK

Een leerdoel is de beoogde leerprestatie (gedrag) die studenten na afloop van het vak moeten kunnen laten zien. De student die dat doel bereikt heeft, heeft met andere woorden een (leer)prestatie geleverd. Een leerprestatie is het gedrag (beschreven in het leerdoel) van de student waaruit blijkt dat het leerdoel bereikt is. In de praktijk is dat meestal een examen, een werkstuk of een verslag waaruit blijkt dat de opdracht volgens de “regels” is voltooid. Het verslag zal evenwel ook zicht moeten bieden op de attitude ontwikkeling bij de student zelf. De evaluatie daarvan is het domein van student en docent samen (zie hoofdstuk 18).

Een student die met succes het ontwerpersblok heeft afgesloten is tot het navolgende in staat.

* Hij kan de algemene methodologie van het agronomisch ontwerpen toepassen op een complex ontwerp-vraagstuk (op verschillende integratie niveau’s), dat wil zeggen dat men:

- een beschrijving kan geven van de verschillende fasen van een ontwerp-proces op agrarisch gebied, plus de bijbehorende doelen en geïntegreerde activiteiten (integratie van diverse disciplinaire informatie, methoden en technieken op verschillende aggratieniveau’s);

- de fase kan herkennen waarin hij in een concreet ontwerp-proces zich bevindt;

- een analyse kan maken van een (agrarische bedrijfs)situatie op verschillende aggregatieniveau’s met als doel die situaties te verbeteren;

- kennisleemten kan identificeren alsmede de wegen om die kennis in handen te krijgen;

- onderscheid en afwegingen kan maken betreffende de inbreng van opdrachtgever, gebruikers/betrokkenen en experts;

- een programma van eisen (doelstellingen, kriteria en randvoorwaarden) voor het ontwerp kan maken;

- het programma van eisen kan toetsen aan de wensen van de opdrachtgever;

- functies en concept-ontwerp(en) kan vaststellen;

- het ontwerp kan uitwerken/vormgeven en materialiseren;

- het ontwerp kan toetsen/evalueren aan doelstellingen, kriteria, randvoorwaarden en functies uit eerdere fasen van het ontwerp-proces;

- het ontwerp kan presenteren en aan kan geven hoe het ontwerp kan worden geimplementeerd;

- de eigen rol in het ontwerpproces, alsmede dat van anderen kan reflecteren.

* Hij heeft sociale vaardigheden en attitudes ontwikkelt die hem in staat stellen om met de onzekerheden waarmee ontwerpers in werk- of teamverband behept zijn, om te gaan. Die vaardigheden betreffen:

- communiceren (met opdrachtgevers, betrokkenen bij het ontwerpvraagstuk en wetenschappers uit eigen en andere disciplines);

- presenteren (van (tussen)resultaten);

- omgaan met onzekerheden;

- omgaan met niet perfecte situaties;

- creativiteit;

- respect tonen voor andermans normen en waarden;

- formuleren van een projectvoorstel en

- managen van (ontwerp)projecten.

1   2   3   4   5   6

  • 7.3.2. Prototyperingstechniek Doel
  • Wat is het niet en wat is het wel
  • Voorwaarden voor toepassing
  • 8. MODEL VAN DE BASISCYCLUS VOOR AGRONOMISCH ONTWERPEN
  • 9. DIDACTISCHE VORMGEVING: INTRODUCTIE VAN EEN METHODISCHE AANPAK
  • 10. LEERDOELEN VAN HET ONTWERPBLOK
  • * Hij kan de algemene methodologie van het agronomisch ontwerpen toepassen op een complex ontwerp-vraagstuk (op verschillende integratie niveau’s), dat wil zeggen dat men
  • * Hij heeft sociale vaardigheden en attitudes ontwikkelt die hem in staat stellen om met de onzekerheden waarmee ontwerpers in werk- of teamverband behept zijn, om te gaan. Die vaardigheden betreffen

  • Dovnload 0.6 Mb.