Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Leerstof: Hfd. 1t/m hfd. Hoofdstuk 9 wordt niet getentamineerd

Dovnload 29.41 Kb.

Leerstof: Hfd. 1t/m hfd. Hoofdstuk 9 wordt niet getentamineerd



Datum29.06.2018
Grootte29.41 Kb.

Dovnload 29.41 Kb.

Berge, Ten L. & Oteman, M. Inleiding Organisatiekunde; Bussum, 2013, 5e druk. ISBN: 9789046903681

Leerstof: Hfd. 1t/m hfd. 8. Hoofdstuk 9 wordt niet getentamineerd.
Het tentamen bestaat uit 40 mc-vragen met 3 antwoordalternatieven.

De cesuur ligt op 27 van de 40 vragen goed = cijfer 5.5.


Collegesheets gelden als leerstof voor het tentamen.

Het proeftentamen wordt ondersteund via een PowerPoint bestand.



Hoofdstuk 1



  1. In een bedrijfsovername

    1. Ontstaat door de bedrijfssamenvoeging een nieuwe organisatie.

    2. Houdt de overgenomen organisatie op te bestaan.

    3. Blijven de samenwerkende organisaties zelfstandig opereren



  1. Het organisatiekundige denken van het Scientific Management kan het beste samengevat worden als:

    1. ‘Organisatie zonder mensen’

    2. ‘Mensen zonder organisatie’

    3. ‘Mensen en organisatie’



  1. Het principe van taakverrijking past vooral in het denken van:

    1. Het Revisionisme

    2. Het Scientific Management

    3. De Contingentiebenadering



  1. Constituerende beslissingen:

    1. Zijn hoofdzakelijk beleidsuitvoerende beslissingen.

    2. Zijn bedoeld om het dagelijkse werk aan te sturen.

    3. Worden veelal genomen door het topmanagement.



  1. Wanneer een organisatie naar een wereldwijd marktaandeel van 50% streeft, dan is dat veelal af te leiden uit haar:

    1. Missie

    2. Visie

    3. Doelstellingen



  1. Welke interviewvraag probeert een beeld te vormen van Strategy uit het 7S-model?

    1. “Uit welke afdelingen bestaat uw organisatie ?”

    2. “Werken er in uw organisatie medewerkers met een lang dienstverband?”

    3. “Op welke manier speelt u in op kansen in de omgeving?”




Hoofdstuk 2


  1. Welk aspect maakt onderdeel uit van de kansen-bedreigingen analyse?

    1. Hoe het staat met de ontwikkelingen op het gebied van de export.

    2. Of er onder het personeel voldoende bereidheid bestaat teamgerichter te gaan werken.

    3. Of het management flexibel genoeg is om een reorganisatie te leiden.



  1. In het BCG-model is een productlevenscyclus te herkennen.
    In welke fase bevindt zich de Dog?

    1. In de neergangsfase

    2. In de groeifase

    3. In de volwassenheidsfase



  1. Het strategieontwikkelingsmodel bestaat uit een aantal fasen.
    In welke fase vindt onderzoek plaats omtrent het in kaart brengen van de totale markt?

    1. Tijdens de situatieanalyse.

    2. Tijdens de SWOT-analyse.

    3. Tijdens de implementatie.



  1. Welke strategie ligt volgens de confrontatiematrix voor de hand, wanneer de organisatie sterk genoeg is om in te kunnen spelen op aanwezige kansen?

    1. Een strategie van verdedigen

    2. Een strategie van aanvallen

    3. Een strategie van verbeteren



  1. Wanneer Jumbo vleesverwerkende productie gaat opnemen in haar dienstverlening, is er sprake van:

    1. Achterwaartse integratie

    2. Achterwaartse differentiatie

    3. Horizontale integratie



  1. Wat houdt volgens Porter de strategie van costleadership in?

    1. Dat een organisatie een concurrentievoordeel wil creëren via schaalvergroting.

    2. Dat een organisatie wil concurreren via verbeterde serviceverlening.

    3. Dat een organisatie inspeelt op nieuwe marktmogelijkheden.



Hoofdstuk 3


  1. Een organisatie met een F-indeling:

    1. Heeft als voordeel dat de coördinatie goed verloopt.

    2. Betreft een indeling naar samenhang tussen verschillende bedrijfsfuncties.

    3. Heeft een afdelingsstructuur die afgeleid is uit het primaire proces.



  1. Volgens het Taakkenmerkenmodel van Hackman kan het werk leiden tot negatieve gevoelens.
    Wanneer het werk van iemand uit weinig vaardigheden bestaat, kan een gevoel ontstaan van:

    1. Zinloosheid

    2. Onverschilligheid

    3. Onwetendheid



  1. Wanneer ligt centralisatie voor de hand?

    1. Wanneer de organisatie zich bevindt in een stabiele omgeving.

    2. Wanneer in een situatie onbelangrijke beslissingen genomen worden.

    3. Wanneer er sprake is van een open bedrijfscultuur.


  2. Mintzberg heeft een vijftal basisconfiguraties beschreven. In de adhocratie ligt de macht bij:

    1. Het team

    2. De staf

    3. De individuele medewerker


  3. Volgens de configuratietheorie van Mintzberg vindt in de divisiestructuur de coördinatie plaats:

    1. Via direct toezicht

    2. Via contractmanagement

    3. Op projectbasis



  1. In een organistisch organisatiestelsel:

    1. Neemt het streven naar efficiency een belangrijke plaats in.

    2. Is sprake van een dynamische omgeving.

    3. Vindt besluitvorming plaats op centraal niveau.




Hoofdstuk 4


  1. De financiële processen lopen In de value-chain van Porter:

    1. Van rechts naar links.

    2. Van boven naar beneden.

    3. In alle richtingen.



  1. Volgens de value chain van Porter past ‘Inkoop’ binnen het:

    1. Primaire proces

    2. Secundaire proces

    3. Tertiair proces


  2. Welke ICT-technologie richt zich vooral op zelfsturende teams?

    1. Business process redesign

    2. Sociotechniek

    3. Workflow Management



  1. Het analyseren van klachten als middel om de processen te verbeteren is voorbeeld van een:

    1. Primair proces

    2. Secundair proces

    3. Bestuurlijk proces



Hoofdstuk 5


  1. Een samenleving die steeds individualistischer wordt, is voor HRM een vraagstuk op:

    1. Macro niveau

    2. Meso niveau

    3. Micro niveau



  1. Wat is het verschil tussen personeelsbeheer en personeelsbeleid?

    1. Het onderzoeken van de arbeidsmarkt valt onder het personeelsbeleid.

    2. Het bepalen van het opleidingsniveau van de regio vloeit voort uit het personeelsbeheer.

    3. Het voeren van functioneringsgesprekken valt onder het personeelsbeleid.


  2. Wat houdt psychotechnisch onderzoek in?

    1. Het testen van rekenkundige vaardigheden bij nieuw personeel.

    2. Het onderzoeken van het persoonlijk verleden bij nieuw personeel.

    3. Het testen van werk-gerelateerd gedrag bij nieuw personeel.



  1. Van welke beoordelingsfout kan sprake zijn wanneer de beoordelaar op grond van slechte onderhandelingsresultaten concludeert dat de medewerker ook slecht is in analytische vaardigheden?

    1. Stereotypering

    2. Halo-effect

    3. Horn-effect


Hoofdstuk 6


  1. Wat is een mogelijk effect dat uit het INK-model kan worden afgeleid?

    1. De invloed van de klanttevredenheid op het bestaande bedrijfsbeleid.

    2. De invloed van de ingerichte processen op de waardering van de leveranciers voor de organisatie.

    3. De invloed die de samenleving heeft op de manier hoe het werk wordt aangestuurd.



  1. In welke fase van de Deming-cirkel bevindt zich het INK-aandachtsgebied ‘Waardering door Leveranciers en Klanten’?

    1. In de PLAN-fase.

    2. In de DO-fase.

    3. In de CHECK-fase.






  1. Een bedrijf dat pakketten levert, wil zich onderscheiden op snelle bediening van de klant. Het besluit te streven naar een levertijd van drie dagen.
    De prestatie-indicator hierin is:

    1. Snelle bediening

    2. Levertijd

    3. Levering binnen drie dagen



  1. De Balanced Scorecard meet de resultaten van een organisatie vanuit vier perspectieven.
    Welk perspectief wil vooral de productiekwaliteit meten?

    1. Het klantenperspectief.

    2. Het processenperspectief.

    3. Het financieel perspectief.



Hoofdstuk 7


  1. Welke uitspraak over democratisch leiderschap is juist?

    1. Medewerkers worden gemotiveerd op basis van het ‘stok-en-worstmodel’.

    2. Democratisch leiderschap komt veel voor in het moderne bedrijfsleven.

    3. Democratisch leiderschap is meestal minder efficiënt.



  1. In welke leiderschapsstijl van Hersey en Blanchard hebben werknemers weinig autonomie?

    1. In de delegerende leiderschapsstijl.

    2. In de instruerende leiderschapsstijl.

    3. In de overleggende leiderschapsstijl.



  1. Teamvorming is een proces dat geleidelijk tot stand komt.
    Welke fase kenmerkt zich door veel weerstand?

    1. Normingg

    2. Storming

    3. Conforming



  1. Samenwerking past in een conflictmanagementstijl waarbij de nadruk:

    1. Op eigen belang laag is, en op ander belang laag.

    2. Op eigen belang hoog is, en op ander belang hoog.

    3. Op eigen belang hoog is, en op ander belang laag.



  1. In welke conflictmanagementstijl is sprake van een win-win situatie?

    1. Vermijden

    2. Toegeven

    3. Samenwerken



  1. Welk hulpmiddel speelt een belangrijke rol tijdens de ontwikkelingsfase van het besluitvormingsproces?

    1. Lateraal denken

    2. Beslissingsmatrix

    3. Beslissingsboom


Hoofdstuk 8


  1. In de machtscultuur is volgens Handy sprake van:

    1. Weinig samenwerking en veel machtsspreiding.

    2. Veel samenwerking en weinig machtsspreiding.

    3. Veel samenwerking en veel machtsspreiding.



  1. In een organisatie met invloedrijke professionals is volgens Handy sprake van een:

    1. Rolcultuur

    2. Machtscultuur

    3. Personencultuur



  1. Hofstede omschrijft de bedrijfscultuur van een weinig hiërarchische organisatie die veel risico’s durft te nemen als:

    1. Een Dorpsmarkt

    2. Een Familie

    3. Een Museum



  1. Weerstand tegen cultuurverandering neemt toe, wanneer de verandering betrekking heeft op:

    1. De artefacten van de bedrijfscultuur.

    2. De beleden waarden in de organisatie.

    3. De bedrijfskleding die gedragen wordt in de organisatie.


ANTWOORDSLEUTEL

Proeftentamen Organisatiekunde M.1.

2013-2014




  1. B

  2. A

  3. A

  4. C

  5. B

  6. C



  7. A

  8. A

  9. A

  10. B

  11. A

  12. A



  13. C

  14. A

  15. A

  16. A

  17. B

  18. B



  19. A

  20. B

  21. B

  22. C



  23. A

  24. A

  25. A

  26. C



  27. B

  28. C

  29. B

  30. B



  31. C

  32. B

  33. B

  34. B

  35. C

  36. A



  37. B

  38. C

  39. A

  40. B


Dovnload 29.41 Kb.