Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Les 1: wat is onderwijsinnovatie?

Dovnload 304.22 Kb.

Les 1: wat is onderwijsinnovatie?



Pagina5/18
Datum04.04.2017
Grootte304.22 Kb.

Dovnload 304.22 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18

Het potentiële nut van onderwijsonderzoek


De beperkte praktische inzetbaarheid van het onderwijsonderzoek vormt een tweede probleem dat volgens de literatuur bijdraagt aan de onderzoek-praktijkkloof.

Zelfs wanneer het bewijs inzichtenkrachtig is, kan zij betrekking hebben op contexten die zo specifiek of artificieel zijn dat het niet zondermeer van toepassing is op reguliere onderwijssituaties. Dit vooral bij laboratoriumonderwijsonderzoek. Praktijkgericht onderwijsonderzoek daarentegen is gericht op een directe bijdrage aan de praktijk en wordt uitgevoerd in realistische contexten, vaak door of in nauwe samenwerking met scholen.

Nederlanders vinden voornamelijk dat rapportage van onderwijsonderzoek ontoegankelijk is. Vlamingen pleiten voor meer praktijkgericht onderzoek. Zij hebben daarbij vooral ontwerpexperimenten (design experiments) voor ogen, waarbij onderzoekers en practici samen, in opeenvolgende cycli, onderwijssituaties optimaliseren én op wetenschappelijke wijze onderzoeken.

Vlaamse onderwijsonderzoekers verspreiden naar eigen zeggen hun onderzoeksresultaten onder practici vooral via Nederlandstalige vakbladen en bijdragen op praktijkconferenties. Het effect hiervan is volgens hen echter beperkt.

  • Ten eerste worden de Nederlandstalige vakbladen voornamelijk gelezen door intermediairs.

  • Ten tweede stellen leraren en schoolleiders dat onderzoekers een taal hanteren die voor practici te technisch is.

  • Ten derde bevatten onderzoeksverslagen, volgens intermediairs, te veel methodologische of theoretische uitweidingen; zij willen liever korte samenvattingen van onderzoek.

Percepties van onderwijsonderzoek


Practici zouden dus te negatief oordelen over onderwijsonderzoek en voorbij gaan aan potentieel bruikbare opbrengsten. Dit kan bepaald worden zoals factoren als onwetendheid; randvoorwaarden, zoals beschikbare tijd voor een redelijke oriëntatie op onderzoek; of politieke factoren.

In Nederland hebben de meeste practici weinig waardering voor onderwijsonderzoek maar zijn van mening dat onderzoek meer kan bijdragen aan de praktijk dan algemeen wordt aangenomen. Dit laatste geeft aan dat de practici doorgaans positief staan tegen over onderwijsonderzoek.

In Vlaanderen is er ook een positieve houding ten aanzien van onderwijsonderzoek aan te treffen, vooral bij de intermediairs en de onderzoekers, en tot op zekere hoogte ook bij de schoolleiders. De leraren daarentegen staan eerder sceptisch tegenover het onderwijsonderzoek. Ze vinden dat onderzoek zich te weinig op hun praktijkproblemen richt. Zowel de intermediairs als de onderzoekers in de Vlaamse studie vinden dat de relatie tussen het onderwijsonderzoek en de praktijk vaak te problematisch wordt voorgesteld. Volgens de onderzoekers komt dit doordat betrokkenen verwachten dat onderzoek een rechtstreekse bijdrage zou moeten leveren aan de praktijk, terwijl in werkelijkheid de relatie veel ondoorzichtiger is.

Gebruik van onderwijsonderzoek


Een vierde probleem dat bijdraagt aan de onderzoek-praktijkkloof is het beperkte gebruik ervan door practici.

  • Veel practici (waaronder intermediairs en beleidsmakers) zouden niet goed in staat zijn om onderzoek te gebruiken (betreft dus een vaardigheid).

  • Ook externe voorwaarden spelen een rol:

    • In de eerste plaats zou er van practici niet worden verwacht dat zij onderzoek gebruiken.

    • Ze zouden weinig steun ontvangen van hun organisaties wanneer zij op eigen initiatief onderzoek willen gebruiken.

    • Ontbreekt aan voorwaarden als tijd, geld, training, hulpen afstemming

    • Practici zouden ook weinig steun van onderzoekers ontvangen, omdat onderzoekers en practici zelden samenwerken.

Discussie


Dit beeld over de kloof die bestaat moet in ten minste drie opzichten worden genuanceerd.

  • Ten eerste gaat het om een inventarisatie; niet alle kritiekpunten worden door alle auteurs onderschreven.

  • Ten tweede zijn auteurs geneigd de ernst van problemen en oorzaken waar zij zich op richten te sterk aan te zetten om vervolgens krachtig één oplossing te bepleiten die de kloof tussen onderzoek en praktijk zou kunnen overbruggen.

  • Een derde nuancering is dat de literatuur meningen van enkele betrokkenen – vaak onderzoekers –beschrijft.

Oplossingen die aangereikt worden van de Vlaamse deelnemers: kleinschalige ontwerp-experimenten en zien daarnaast ook veel in de inzet van intermediairs op schoolniveau, zogenaamde kartrekkers. Aan de andere kant wordt ook gepleit voor interventieonderzoek dat zou moeten aantonen onder welke condities leerlingen het meest effectief leren.

In Nederland: de academische opleidingsschool. Volgens dit concept voeren leraren, schoolleiders en aan hogeschool of universiteit verbonden onderzoekers samen projecten uit in het kader van innovatie, professionalisering of praktijkgericht onderzoek.

We constateren dat maatregelen waarbij verschillende groepen professionals op lokaalniveau samen onderzoek uitvoeren bij uitstek in aanmerking komen om de kloof tussen onderzoek en praktijk te overbruggen.

Les 3: perspectieven op onderwijsinnovatie


Na WO II (in de jaren ’50) begin van onderwijsinnovatie als wetenschap. Vijf dominante perspectieven worden weergeven die eigenlijk breder zijn gaan dan onderwijsinnovatie.

Adoptieperspectief (1950-60, the early days)


Kenmerken

  • Adaptie wil in dit verband zeggen het aanvaarden, het accepteren van een vernieuwing.

  • Innovatie kan geoperationaliseerd worden in termen van doelen, onderdelen, evaluatie…

  • Vertrekt vanuit een expertmodel.

  • Innovatie kent een rationeel, lineair implementatieverloop: ontwikkeling, verspreiding, toepassing. Er zijn dus duidelijk te onderscheiden stappen te nemen en duidelijk te onderscheiden actoren. Research, development, difision  Bedenkers, uitgevers en gebruikers.

  • Diffusie verloopt vanzelf: de idee was dat als je iets goed maakt, het in de praktijk gebruikt zal worden (naïeve opvatting). De onderwijsinhoud staat centraal, terwijl het proces van invoeren van de vernieuwing nauwelijks aandacht krijgt.

  • Meestal centraal en van bovenaf gestuurd.

  • Behaviorisme ligt aan de grondslag.

Problemen

  • Transfer (RDD) is niet logisch, niet vanzelfsprekend, tal van intermediaire, flankerende (f)actoren. (Hoe is dit in leerplichtonderwijs?).

    • De lerarenopleiding wordt niet door de praktijk ervaart als een plaatst waar je wetenschappelijke informatie kan terugvinden.

  • Expert-model veronachtzaam belang van betrokkenheid en sense of ownership.

  • Innovatie wordt nooit ‘in zijn geheel’ overgenomen (aansluitingsthese). Iedereen kneed de innovatie naar zijn eigen voorkeur.

  • Geen aandacht voor implementatie en implementatiecondities, men dient daarom de implementatievoorwaarden te gaan bestuderen (context).

  • Geen aandacht voor opvolging; belang van “duurzame innovatie”.

    • Bijvoorbeeld het gebruik van smart borden/ digitale schoolborden. Er zitten zeer veel didactische mogelijkheden in en men dacht dat de mogelijkheden voor zichzelf zouden spreken mits een kleine voorbereiding/ ondersteuning. Maar hierdoor slechts een gedeeltelijke adoptie en implementatie.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18

  • Percepties van onderwijsonderzoek
  • Gebruik van onderwijsonderzoek
  • Discussie
  • Les 3: perspectieven op onderwijsinnovatie

  • Dovnload 304.22 Kb.