Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Les 1: wat is onderwijsinnovatie?

Dovnload 304.22 Kb.

Les 1: wat is onderwijsinnovatie?



Pagina6/18
Datum04.04.2017
Grootte304.22 Kb.

Dovnload 304.22 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18

Implementatieperspectief (1960-70)


Uitgangspunten

  • Op zoek naar factoren die het implementatieproces ondersteunen. De nadruk ligt op het bevorderen van activiteiten die ertoe moeten leiden dat leerkrachten in de praktijk de beoogde veranderingen ten uitvoer gaan brengen.

  • Naast aandacht voor de inhoud, aandacht voor het individu en het proces. Bijvoorbeeld bij de implementatie van nieuwe werkvormen of technologieën:

    • Welke competenties moet de leraar bezitten?

    • Hoe kan vernieuwingsangst worden overwonnen?  Leerkrachten meer betrekken bij invoering van een innovatie, aansluiting vinden bij de noden en wensen van de leerkrachten, meer vernieuwingen die effectief in de praktijk werken.



  • Leraar als centrale actor (flessenhals).

Perspectieven

  • Getrouwheidsperspectief (program fidelity): leerkrachten nemen innovatie (in al zijn aspecten op)helemaal over zoals ze zijn uitgedacht.

  • Wederzijdse aanpassing (mutual adaptation). De idee van verandering is dat het vaak een resultaat is (en ook moet zijn) van het aannemen ervan en het nemen van beslissingen door gebruikers terwijl zij werken met het nieuwe beleid, programma of materiaal.

(on)wenselijke aanpassingen

  • Wenselijk

    • Aanpassingen aan doelpubliek. Bv. aan de beginsituatie van de leerlingengroep.

    • Aanpassingen aan culturele en onderwijskundige context.

    • Evidence-based toevoegingen.

    • Leerkrachten moeten zich eigenaar voelen van de innovatie: zo gaan ze enthousiaster en zelfverzekerder te werk.

  • Onwenselijk

    • Besparen aan ondersteuning. Bijvoorbeeld het taalbeleidsplan.

    • Verminderen van implementatietijd.

    • Theoretische uitgangspunten wijzigen.

Voorbeeld: Concerns Based Adoption model (CBAM) “Hall & Hord” (1987)

  • Brengt de positie van de leraar ten opzichte van de innovatie in beeld.

  • Uitgangspunten

    • Mogelijk om te anticiperen op vernieuwingsprocessen.

    • Een vernieuwing kent een stappenverloop.

    • Innovaties bestuderen vanuit 1) vorm, 2) fasen van betrokkenheid, en 3) gebruiksnieaus.

Fasen van betrokkenheid:

Gebruikersniveaus:

  1. Oriëntatie

    1. Niet-gebruik: weet weinig of niets over de innovatie.

    2. Oriëntatie: zoekt naar informatie over de innovatie.

    3. Voorbereiding: beslist de innovatie te gaan toepassen.

  2. Organisatie

    1. Mechanisch gebruik: gebruik op korte termijn zonder reflectie, gebruik is niet diepgaand, veranderingen gericht op eigen problemen en niet op verbetering van de onderwijsleersituatie.

    2. Routine: gebruik krijgt stabiel karakter; veranderingen of gevolgen worden niet overwogen.

  3. Integratie

    1. Verfijning: wijzigingen zijn gericht op verbetering van de gevolgen van de innovatie op de leerlingen.

    2. Integratie: zoekt naar samenwerking om invloed van vernieuwing te vergroten.

    3. Herziening: waarde wordt opnieuw geëvalueerd, in functie van de gevolgen ervan op de leerlingen.

Positief: erkenning van het belang van de personen die het moeten waarmaken in de praktijk. Je dient een inschatting te maken van waar de leerkracht staat en hierop inspelen. Grote verschil met adoptiemodel.

Problemen

  • Teveel nadruk op de leraar, minder op de context. Je kunt kijken naar waar iedereen zich individueel bevind, maar er wordt te weinig gekeken naar waar het individu in de organisatie staat.

  • Veranderen = omgaan met onzekerheid; moeilijk te definiëren in vast stappenverloop (voorspelbaarheid van succes is beperkt).

  • Te stap gericht. Bv. waarom bevind samenwerking zich pas op het einde van de fasen.

  • Evaluatie van opbrengsten niet enkel op het einde van het proces, maar vanaf het begin.

Organisatieontwikkeling


Uitgangspunten

  • Onderwijsinnovatie = organisatieontwikkeling (niet enkel op individu, ook op organisatie richten).

    • Organisatieontwikkeling is een strategie die ervan uit gaat dat een organisatie, om te kunnen overleven, zich dient aan te passen aan de omgeving. Daartoe behoort het expliciet gebruik maken van formele en informele procedures en het toepassen van gedragswetenschappelijke kennis.

  • Van individuele leraar naar alle actoren op school (leraren, directie, ouders, schoolbestuur…).

  • Coördinatie van wensen/doelen/verwachtingen van alle actoren.

  • Samenwerking, communicatie, betrokkenheid, leiderschapsstijl…

  • Rekening houden met schoolkenmerken (weinig formele beïnvloeding, relatief weinig beleidsvoering, sterke onafhankelijkheid van leraren inzake didactische beslissingen, …).

  • Organisatiediagnose is een hulpmiddel om zwakke plekken aan te wijzen. Het gaat veelal om analysemodellen waarmee het functioneren van een school doorgelicht kan worden, zodat een beeld ontstaat van de zwakke en sterke kanten va de school.

Voorbeeld

Problemen

  • Ruimte voor communicatie?

  • Kwaliteit van de instrumenten voor schooldiagnose.

  • Assumptie over gedeelde opvattingen houdbaar?

  • Datageletterdheid van scholen?

  • Externe ondersteuning/begeleiding?
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   18

  • Organisatieontwikkeling

  • Dovnload 304.22 Kb.