Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Letter & Geest, 27 december 2003 Paul de Beer

Dovnload 16.93 Kb.

Letter & Geest, 27 december 2003 Paul de Beer



Datum05.12.2018
Grootte16.93 Kb.

Dovnload 16.93 Kb.

Geluk

Artikel voor Trouw (Letter & Geest), 27 december 2003

Paul de Beer
“Nooit meer de fietsband plakken. Nooit meer de lege flessen wegbrengen.Nooit meer de wc schrobben. Nooit meer strijken. Nooit meer onkruid wieden.” Met deze vooruitzichten trachtte de Staatsloterij onlangs de krantenlezers ertoe te verleiden om een lot te kopen. Want wie droomt er niet zo nu en dan van om rijk te worden? De laatste vijf jaar zijn Nederlanders bijna tweemaal zoveel geld aan loterijen gaan uitgeven: 853 miljoen euro in 1997 en 1.416 miljoen in 2002. En, hoewel iedereen wel de verhalen kent van loterijwinnaars die ten prooi vielen aan geldbeluste ‘vrienden’, bevestigt onderzoek dat rijke mensen gemiddeld genomen wel degelijk gelukkiger zijn dan armere mensen.

Geld maakt dus inderdaad gelukkig? Het is maar hoe je het bekijkt. Sinds 1980 is de gemiddelde Nederlander anderhalf maal zo rijk geworden. Wie had twintig jaar geleden durven dromen van een mobiele telefoon, een magnetron, een videorecorder en een supersnelle computer? Anno 2003 zijn dit alledaagse consumptiegoederen, waar het merendeel van de huishoudens over beschikt. Toch zijn we in die twintig jaar tijd niet noemenswaardig gelukkiger geworden. In 1980 noemde 87 procent van de Nederlanders zich gelukkig of zeer gelukkig. In 2002 was dit precies één procent meer. Vijftig procent meer inkomen heeft dus slechts een procent meer geluk opgeleverd. Dit fenomeen doet zich niet alleen in Nederland voor. Internationaal vergelijkend onderzoek laat zien, dat welvaartsgroei in arme landen zich weliswaar weerspiegelt in het geluk van de bevolking, maar dat er in de meeste rijke landen nauwelijks verband bestaat tussen welvaartsgroei en geluk. Hoe komt dat?


Verzadiging of afgunst?

De meest voor de hand liggende verklaring is dat we inmiddels zo rijk zijn dat we een verzadigingspunt hebben bereikt. We hebben eigenlijk alles al wat ons hartje begeert, zodat nog méér rijkdom nauwelijks iets toevoegt aan ons geluk. Maar waarom willen we dan toch steeds rijker worden? Waarom doen we massaal mee aan loterijen? Deze drang om rijker te worden berust niet simpelweg op een overschatting van het geluk dat die rijkdom ons zal brengen. Want rijke mensen zijn immers gelukkiger dan arme mensen. Maar als we allemaal rijker worden, doet dit effect zich niet voor.

Heeft het dan allemaal te maken met onderlinge vergelijking, met afgunst en jaloezie? Daar zit iets in. De waardering van onze situatie wordt mede bepaald door de situatie waarin anderen in onze omgeving zich bevinden. Maar ook dit kan het verschijnsel niet helemaal verklaren. Je zou dan immers verwachten dat het grotere geluk van mensen die rijker worden maar tijdelijk zou zijn. Na een tijdje ga je je vergelijken met je nieuwe omgeving en zie je vooral mensen die nog rijker zijn. Je geluk zou dan weer snel naar het oude niveau zakken. Dit blijkt echter niet het geval te zijn: rijkere mensen blijven gelukkiger.

Absolute schaarste


Er is echter nog een derde verklaring mogelijk voor het feit dat rijken gelukkiger zijn dan armen, maar dat we niet gelukkiger worden als we allemaal rijker worden. Deze verklaring is in 1976 geopperd door de Engelse econoom Fred Hirsch in zijn boek The social limits to growth. Een paar jaar nadat de Club van Rome de aandacht vestigde op de grenzen aan de groei als gevolg van de eindigheid van de aarde en haar natuurlijke hulpbronnen, wees Hirsch erop dat de sociale grenzen aan de groei nog veel knellender zijn. Hirsch’ stelde vast dat naarmate een land rijker wordt, de voorkeur van de bevolking verschuift van goederen die relatief schaars zijn naar goederen die in absolute zin schaars zijn. Relatieve schaarste kan worden opgelost door meer te produceren. Als er te weinig voedsel is om de bevolking van een land te voeden, is de oplossing gelegen in het verhogen van de voedselproductie. Hetzelfde geldt voor de schaarste aan vele andere materiële goederen: kleding, meubilair, televisies, auto’s, computers, noem maar op. Rijke landen slagen er beter in de schaarste aan deze goederen te verminderen dan arme landen. In een land waar vrijwel iedereen over deze goederen beschikt, zijn de mensen dan ook gelukkiger dan in een land waar ze voorbehouden zijn aan een rijke bovenlaag.

Maar als we eenmaal van deze goederen zijn voorzien, verschuift onze voorkeur naar goederen die er niet zo eenvoudig bij te maken zijn. Deze goederen, die in absolute zin schaars zijn, noemt Fred Hirsch positionele goederen. Een bekend voorbeeld hiervan zijn schilderijen van een oude meester, zoals Vermeer. Daarvan zijn er wereldwijd niet meer dan 35 voorhanden, en dat zullen er nooit meer worden, hoe rijk we ook zijn. Als de vraag naar schilderijen van Vermeer – of een andere oude meester – groeit naarmate we rijker zijn, zal de prijs ervan des te sneller stijgen. Zelfs voor de rijksten onder ons wordt een dergelijk schilderij dan onbetaalbaar. Het voorbeeld van een oude meester zou echter ten onrechte de indruk kunnen wekken dat positionele goederen zeldzame verschijnselen zijn. In werkelijkheid zijn ze alom tegenwoordig. Veel goederen die zich op het eerste gezicht niet onderscheiden van ‘gewone’ goederen, blijken bij nadere beschouwing positionele goederen te zijn.



Positionele goederen


Neem een vrijstaand huis in een landelijke omgeving. De vraag naar deze huizen is groter naarmate we rijker zijn. In een klein dichtbevolkt land als Nederland is het aanbod van dergelijke huizen echter per definitie beperkt, waardoor de prijs ervan snel stijgt. Ondanks de welvaartsstijging komen deze huizen daarom toch niet binnen het bereik van meer mensen. En bouwen we het platteland vol met villa’s, dan worden die snel minder aantrekkelijk doordat de omgeving minder ‘landelijk’ wordt.

Vervoer per auto is in zekere zin ook een positioneel goed. Weliswaar heeft inmiddels bijna iedereen de beschikking over een auto, maar dit betekent niet dat we minder tijd kwijt zijn aan reizen dan vroeger. Integendeel, er blijkt een soort ‘wet van behoud van reistijd’ te zijn: naarmate we over snellere en goedkopere vervoermiddelen beschikken, gaan we verder reizen waardoor we minstens even lang onderweg blijven. Feitelijk zijn we de laatste 25 jaar zelfs meer tijd aan reizen gaan besteden: in 2000 was de gemiddelde Nederlander zo’n 7,5 uur per week onderweg, in 1975 was dit nog zes uur. De verklaring hiervoor is tweeërlei: enerzijds zitten we elkaar, naarmate we meer auto’s hebben, letterlijk meer in de weg en staan dus vaker in de file. Anderzijds zijn we, omdat we over een auto beschikken, ook steeds verder van ons werk gaan wonen en moeten dus meer reizen.

Nog een ander positioneel goed is persoonlijke dienstverlening. Een van de prettigste kanten van rijk zijn is dat je anderen voor je kunt laten werken. De allerrijksten hebben zich altijd onderscheiden door het leger aan bedienden, lakeien, hofdames, bewakers, tuinlieden en chauffeurs dat permanent tot hun beschikking stond. Het vooruitzicht anderen voor je te kunnen laten werken is voor velen dan ook een belangrijke drijfveer om rijker te willen worden. Maar als iedereen rijker wordt, zal niemand dit doel weten te realiseren. De dienstverleners die je voor je wilt laten werken, gaan dan immers ook meer verdienen en worden dus duurder. Het gevolg is niet alleen dat steeds minder (rijke) huishoudens nog personeel in dienst hebben, maar ook dat de dienstverlening in de zorg, het onderwijs, het welzijnswerk, de politie, enzovoorts, verhoudingsgewijs duurder wordt. We willen maar al te graag geloven dat welvaartsgroei ons de middelen zal verschaffen om die publieke dienstverlening uit te breiden. Dat zal echter alleen mogelijk blijken als we bereid zijn er een steeds groter deel van ons inkomen aan uit te geven.

Misschien het duidelijkste voorbeeld van een positioneel goed is tijd. Tijd is geld, luidt het gezegde, maar het omgekeerd geldt niet: je kunt met geld geen tijd kopen. Of in ieder geval maar een beetje. Rijke mensen worden wel iets ouder dan arme mensen, maar de tijd die tot je beschikking staat, is voor iedereen eindig. Het aantal uren in een dag en het aantal dagen in een jaar liggen onwrikbaar vast. Lange tijd gingen we, naarmate we rijker werden, wel meer vrije tijd kopen. Een flink deel van de welvaartsgroei hebben we de afgelopen eeuw immers gestopt in een verkorting van de arbeidsduur. Maar daaraan lijkt langzamerhand een einde te komen. De verklaring hiervoor is eenvoudig: naarmate we in een uur werk méér verdienen, gaat een uur vrije tijd meer kosten. Economen zeggen dat de schaduwprijs van een uur vrije tijd gelijk is aan het loon dat je in datzelfde uur kunt verdienen. Daarom willen we die kostbare vrije tijd zo efficiënt mogelijk besteden en er zo veel mogelijk activiteiten in proppen. Het gevolg is echter dat ook onze vrijetijdsbesteding steeds meer lijdt onder de tijdsdruk en de jachtigheid waaronder we op ons werk gebukt gaan. Naarmate we rijker zijn lijken we steeds minder bij machte echt van onze vrije tijd te genieten.



Geluk ligt voor het oprapen


Zodra de economie even wat tegenwind ondervindt, de consumenten een stapje terug moeten doen en de regering de burgers met tal van bezuinigingen confronteert, stelt menigeen zijn hoop op economisch herstel. Als de groei eenmaal maar aantrekt, de koopkracht weer omhoog gaat en de regering meer financiële armslag krijgt, zal het leven weer een stuk prettiger worden. Is het eenmaal zover, dan is de onvrede echter des te groter als die verwachtingen niet blijken uit te komen. Dat ondervonden bijvoorbeeld de bewindslieden van het tweede paarse kabinet: hoewel het de gemiddelde Nederlander in het jaar 2001 in veel opzichten beter ging dan ooit tevoren, bereikte de ontevredenheid met het regeringsbeleid een hoogtepunt. Zolang we de illusie blijven najagen dat meer welvaart en rijkdom ons gelukkiger zullen maken, zullen we steeds weer bedrogen uitkomen – althans de meesten onder ons.

Willen we aan onze welvaart echt meer geluk ontlenen, dan zullen we ons erbij moeten neerleggen dat de schaarste aan vele goederen niet valt op te lossen. We zullen onze ambities moeten aanpassen. Dit betekent niet dat we ervan moeten afzien om te streven naar meer welvaart en geluk. Maar we zullen die vooral moeten zoeken in goederen die niet in absolute zin schaars zijn. Aan de ene kant kunnen wetenschap en technologie ons nog vele nieuwe producten leveren die het leven plezieriger en aangenamer maken: het definitieve geneesmiddel tegen kanker of tegen verkoudheid, de videofoon of de driedimensionale tv, en wellicht komt ook de leerpil er nog ooit. Aan de andere kant zijn er nog vele mogelijkheden voor groei in de immateriële sfeer en in de vrije tijd. Niet door steeds méér van dergelijke activiteiten te ondernemen, maar door je in een beperkt aantal te verdiepen. Van kunst en muziek genieten (zowel actief als passief), een goed gesprek voeren, een boek lezen, een spel spelen en de liefde bedrijven zijn onuitputtelijke bronnen van bevrediging en geluk. Het aantrekkelijke van deze activiteiten is, dat ze, naarmate je er meer tijd en energie in steekt en je er meer bedreven in raakt, meer bevrediging schenken. Aan schaken beleef je langer plezier dan aan klaverjassen, en des te meer naarmate je het beter beheerst. Een boek uit de wereldliteratuur verschaft meer genoegen dan een romannetje uit de boeketreeks. En een serieuze inhoudelijke discussie is bevredigender dan het zoveelste gesprek per mobieltje. De cijfers wijzen echter uit dat we voor deze activiteiten juist steeds minder tijd uittrekken: tussen 1975 en 2000 zijn we bijna de helft minder tijd gaan besteden aan het lezen van boeken (van 1,6 uur naar 0,9 uur per week), een kwart minder tijd aan sociale contacten (van 11,3 uur naar 8,5 uur) en de helft minder tijd aan gezelschapsspelen en spelen met kinderen (van 1,4 uur naar 0,7 uur).



Velen van ons klampen zich vast aan de illusie dat nog meer rijkdom ons eindelijk het geluk zal brengen waar we al zolang naar zoeken. We zouden er echter verstandiger aan doen ons te richten op de ongekende mogelijkheden die onze huidige welvaart ons al biedt. De miljoenen mogen dan niet voor het oprapen liggen, voor het geluk geldt dat – als je er maar oog voor hebt – wel degelijk.




  • Absolute schaarste
  • Positionele goederen
  • Geluk ligt voor het oprapen

  • Dovnload 16.93 Kb.