Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Leven en werk

Dovnload 45.43 Kb.

Leven en werk



Datum05.12.2018
Grootte45.43 Kb.

Dovnload 45.43 Kb.

Emile Derache, Iris Wyckmans,

Maarten Wouters, Gitte Vandersteen 6LatWeWiB Eindwerk Latijn 2012-2013



Nietzsche en de oudheid

Leven en werk


Friedrich Wilhelm Nietzsche is geboren op 15 oktober 1844 in het kleine, Duitse dorpje Röcken bei Lützen. Dit was de verjaardag van de Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV, de man aan wie de vader van Nietzsche zijn stand als dorpsminister aan te danken had. Daarom werd Nietzsche naar hem vernoemd. Nietzsches vader was dominee in de Lutheraanse kerk en ook aan zijn moeders kant waren er vele dominees en andere kerkelijke functionarissen in de familie. Hij leerde dus al van jongs af aan heel veel over het christendom.

In 1849 stierf zijn vader, Karl Ludwig Nietzsche, en kort daarna ook zijn 2 jaar oude broertje, Ludwig Joseph. Friedrich was toen amper vijf jaar oud. Na de dood van zijn vader is hij samen met zijn familie verhuisd naar Naumburg an der Saale. In die periode leefde hij 10 jaar lang in een gezin met enkel vrouwen: zijn moeder, zijn zus Elisabeth, zijn oma van vaders kant en twee tantes. Ondertussen nam Nietzsche pianolessen.

In 1858 werd hij toegelaten tot het elite gymnasium in Schulpforta. Hier bereidde hij zich voor op de universiteit. Hij leerde hier ook zijn levenslange vriend, Paul Deussen kennen. Tijdens zijn zomers in Naumburg, leidde Nietzsche, samen met twee vrienden, een kleine muziek- en literatuurclub, “Germania” genaamd. Elk lid was verplicht om één keer per drie maanden een werkstuk voor te leggen aan de anderen. Dat kon een gedicht zijn, een muzikale compositie, een architectonisch ontwerp of een essay. De anderen moesten dan het werk zo kritisch mogelijk beoordelen. Hierdoor leerde Nietzsche Richard Wagner’s muziek kennen. De jonge Nietzsche las ook de geschriften van Friedrich Hölderlin en Jean-Paul Richter alsook David Strauss’s ‘Leben Jesu kritisch bearbeitet’.

In 1864 sluit Nietzsche zijn opleiding aan Schulpforta af met een essay over Theognis van Megara, een dichter uit de 6e eeuw v Chr. Dit schreef hij in het Latijn. Hiermee zet hij zijn ‘wetenschappelijke’ carrière in. Nadat hij afstudeerde aan Schulpforta, ging hij naar de universiteit van Bonn. Hij studeerde hier theologie en filologie maar zijn interesses gingen al snel uit naar filologie. Nietzsche volgde er lezingen van Friedrich Wilhelm Ritschl en Otto Jahn. Wanneer Ritschl naar de universiteit van Leipzig gaat in 1865, volgt Nietzsche hem. Hij wordt dan ook Ritschl’s meest briljante leerling. In Leipzig leert hij Erwin Rohde kennen, een mede filologie student, waar hij later nog lang mee zal corresponderen. Een belangrijk moment in zijn leven is het lezen van Arthur Schopenhauer’s ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’. Schopenhauer’s atheïstische en turbulente visie op de wereld, samen met zijn grootste lof voor muziek, spraken Nietzsche erg aan. Hierna las hij F.A. Lange’s ‘Geschichte des Materialismus’, wat Nietzsches visie ,dat metafysische speculatie een uiting van poëtische illusie is, bevestigde.

In november 1868 ontmoet Nietzsche Richard Wagner. Ze deelden samen een enorm enthousiasme voor Schopenhauer. Nietzsche, die al sinds zijn tienerjaren piano-, koor- en orkeststukken componeerde, bewonderde Wagner om zijn muzikale genialiteit. Deze vriendschap kwam Nietzsche nauw bij het hard te liggen.

Iets later kreeg Nietzsche een baan aangeboden door Ritschl, les geven in de klassieke filologie aan de universiteit van Basel. In mei 1869 begon hij met lesgeven, hij was toen24 jaar.

In 1872 schreef Nietzsche zijn eerste boek ‘Die Geburt der Tragödie’. Deze was gebaseerd op zijn enthousiasme voor Schopenhauer, zijn inspiratie van Wagner, het lezen van Lande, zijn studies in de klassieke filologie, zijn interesses in gezondheid, zijn frustraties voor de hedendaagse Duitse cultuur en ook vooral zijn ‘dwang’ om zichzelf te bewijzen als een jonge academici. Maar Ulrich Von Wilamowitz-Möllendorff verspreidde een zeer vernietigende bespreking over Nietzsche’s werk. Hierdoor verloor Nietzsche een groot deel van zijn studenten in Basel.

Aan het einde van zijn universitaire carrière maakte Nietzsche zijn boek ‘Menschliches, Allzumenschliches’ af. Ondanks de schade die zijn boek ‘Die Geburt der Tragödie’ had opgeleverd, bleef Nietzsche toch nog een man van aanzien in Basel. Toch moest hij in juni 1879 ontslag nemen omdat zijn gezondheid sterk achteruit ging. Hij had waarschijnlijk Syfilis opgelopen door het bezoek aan een verkeerde buurt.

Tussen 1880 en zijn inzinking in januari 1889, was Nietzsche een dwalend, staatloze persoon. Hij had zijn staatsburgerschap van Duitsland opgegeven, maar nog geen Zwitserland’s staatsburgerschap aangevraagd. Hij zwierf rond tussen zijn moeders huis in Naumburg en verscheidene Franse, Zwitserse, Duitse en Italiaanse steden.

Tijdens zijn trip naar Rome in 1882, leerde Nietzsche Lou von Salomé kennen, een Russische jongedame die filosofie en theologie studeerde in Zurich. Hij werd al snel verliefd op haar. Ze hadden even een relatie, maar Salomé vertrok al snel naar Berlijn, samen met Paul Rée, een oude vriend van Nietzsche.

Deze nomadische jaren waren dé gelegenheid voor Nietzsche’s belangrijkste werken zoals ‘Morgenröthe’(1881), ‘Die fröhliche Wissenschaft(1882/1887)’, ‘Also sprach Zarathustra’(1883-1885),Jenseits von Gut und Böse’(1886) en ‘Zur Genealogie der Moral’(1887). In het jaar 1888 schreef hij zelfs 6 boeken, namelijk: ‘Der Fall Wagner’, ‘Götzen-Dämmerung’, ‘Der Antichrist’, ‘Ecce Homo’, ‘Dionysos-Dithyramben’, en ‘Nietzsche contra Wagner’.

Nietzsche leefde niet lang genoeg om te merken hoe belangrijk zijn werken later zouden worden, maar hij wist wel zijn werken belangrijker en belangrijker werden toen hij merkte dat hij het onderwerp was van de lessen van Georg Brandes op de universiteit van Kopenhagen in 1888.

Maar op de morgen van 3 januari 1889, toen hij in Turijn verbleef, kreeg hij een fatale zenuwinzinking die hem invalide maakte voor het leven. Hij bracht het jaar 1889 door in een sanatorium in Jena, het Binswanger Clinic. In maart 1890 nam zijn moeder hem terug mee naar huis, in Naumburg. Hij leefde hier 7 jaar. Na zijn moeders dood in 1897, zorgde zijn zus Elisabeth voor hem. Zij probeerde Nietzsche’s filosofie te promoten door de ‘Villa Silberblick’, in Weimar, te huren en Nietzsche, samen met zijn werken, naar daar te verhuizen. Dit werd de nieuwe thuis van de Nietzsche Archieven, waar Elisabeth bezoekers ontving die de zieke filosoof wilden bezoeken.

Op 25 augustus 1900 stierf Nietzsche in de villa, door een longontsteking en een hersenbloeding. Hij was 56 jaar oud. Hij werd naast de kerk van Röcken bei Lützen begraven, samen met zijn moeder en zus. Villa Silberblick werd geopend als een museum en in 1950 werden Nietzsche’s manuscripten verzameld in Weimar, in het Goethe- und Schiller-Archiv.


Filosofische ideEËn


Nietzsche’s denken is een voortdurende herwaardering van het voorafgaande met de bedoeling uiteindelijk elke metafysica en moraal achter zich te laten. Het is zeer belangrijk om in te zien dat Nietzsche de neiging had tegen zichzelf in te denken en dus regelmatig zijn standpunten te herzien. Hierdoor lijkt het alsof er veel tegenstrijdigheden in zijn werk zitten. We kunnen zijn ontwikkeling indelen in 3 grote fasen :

Eerste periode: (tot Oneigentijdse Beschouwingen)

Hij aanbidt Schopenhauer en Wagner, evenals de kunst en cultuur van de oude Grieken. Nietzsche treedt op als fileerder van de westerse cultuur.


  • Nietzsche heeft zo goed als heel de metafysica van de Wil van Arthur Schopenhauer overgenomen mits hij er enkele andere ethische consequenties aan verbind: hij verving de apollinische levenshouding waar Schopenhauer voor pleite door een meer dionysische bevestiging van de levenswil. Dit concept werd later belichaamd door de übermensch, het in de toekomst levende resultaat van de voortdurende bevestiging van de wil tot macht.

Tweede periode: (Menselijk, al te menselijk - De Vrolijke Wetenschap)

Hij keert zich tegen al zijn vorige idealen, bekijkt alles nu vanaf een positivistisch standpunt: metafysica, kunst en religie zijn een verraad aan het werkelijke leven, een niet-aanvaarden dat het leven leed inhoudt



  • Hij zette rigoureus de aanval in op alle heersende ideeën, inclusief die van hemzelf. Daarom noemde hij zichzelf de filosoof met de hamer. Hij constateert dat God dood is, meer bepaald dat de mens God heeft vermoord. De levensontkennende slavenmentaliteit van de joods-christelijke traditie heeft volgens Nietzsche afgedaan omdat deze een externe oorzaak heeft. Hier tegenover stelde hij de heersersmoraal, de moraal die zonder invloeden van buitenaf ontstond. De heersersmoraal is de moraal voor degenen die zich als sterk, mooi en voornaam herkennen. De slavenmoraal staat in de ogen van Nietzsche symbool voor alles wat zwak, maar vooral sluw is.

Derde periode: (vanaf Aldus Sprak Zarathustra)

Hierin ontwikkelt Nietzsche een eigen waardenleer en maakt zich los van het positivisme. Zijn toon wordt fel en scherp. Begrippen als de dood van god, de wil tot macht en het idee van de eeuwige wederkeer gaan een belangrijke rol spelen.

Nietzsche heeft geen ethische theorie geschreven zoals de theorie van Immanuel Kant. Veeleer leverde hij kritiek op verschillende ethische theorieën. Men noemt dit vaak Nietzsches moraalkritiek.

Nietzsches moraalkritiek


In zijn natuurfilosofie, metafysica, kentheorie en esthetica verzet Nietzsche zich tegen iedere vorm van verdubbeling van de werkelijkheid. In zijn moraalkritiek bekritiseert hij het hiernamaals als tweede werkelijkheid.

Nietzsche verwijt Plato, Socrates en hun opvolgers onoprechtheid. Hij beweert dat zij hun toehoorders een rad voor de ogen draaien. Zij vervormen het verlangen naar kracht en macht dat iedereen bezit en maken hiervan een verlangen naar een hiernamaals of een geloof in een sublieme moraal. De mensheid verandert hierdoor volgens Nietzsche van sterke individuen in een kudde schapen.

Nietzsche stelt dat het bestaan van moraal een argument is voor de onderliggende fundamentele kracht(de wil tot macht) van al wat leeft (volgens Nietzsche was deze fundamentele wil zelfs aan de res extensa toe te kennen); moraal wordt immers door sterke individuen misbruikt om de zwakkere individuen te onderwerpen. Het perspectivistisch invalspunt van Nietzsche staat hierbij centraal: een objectieve moraal bestaat niet, het wordt verzonnen in overeenstemming met de behoeften van het subject. Moraal is een dekmantel voor machtshonger van de 'priesterkaste'. Volgens Nietzsche ontkennen zij die een sublieme moraal prediken de wil tot macht. Zelf gebruiken zij echter de moraal voor hun eigen machtshonger. Ze laten mensen geloven in een schimmige bovenwereld en devalueren daarmee de aardse werkelijkheid. Waarden worden geprojecteerd in een bovenwereld en raken daardoor hun aardse kracht kwijt.

Nietzsche gebruikt de 'genealogische methode' en doet historisch onderzoek naar de oorsprong van de moraal. De geschiedschrijving is nooit objectief, stelt hij, zij draagt steeds een bepaald perspectief en een bepaald belang uit. Nietzsche wil zo de platonische, christelijke en burgerlijke moraal ontmaskeren.

Nietzsche heeft zich afgekeerd van de christelijke moraal. Dit hangt direct samen met een afwijzing van de bovenwerelden. We hebben volgens Nietzsche geen andere keuze dan de wereld te beamen zoals zij is, inclusief alle leed. Alle bovenwerelden zijn bedacht om het lijden en het menselijk onbehagen uit te kunnen houden. Nietzsche suggereert dat een omwenteling van morele waarden heeft plaatsgevonden. De moraal van de zwakken overheerst momenteel de moraal van de sterken. De zwakken bepalen op dit moment wat 'goed' en 'slecht' is.

Aanvankelijk bepaalde de sterke mens wat goed is. Nietzsche noemt dit de oude riddermoraal die grootsheid en belangeloosheid hoog in het vaandel heeft staan. Nietzsche onderscheidt een aristocratische en een volkse of slaafse moraal. De aristocraat streed voor zichzelf, maar niet uit winstbejag of zelfbehoud. Het slechte was het 'minne', het minderwaardige. Het 'slechte' volk kwam in opstand tegen de aristocraat door een subtiele omvorming van de moraal en morele terminologie. Zij gingen een houding van verdraagzaamheid en onderworpenheid goed noemen, slecht was datgene wat er tegenover stond, de aristocratische houding. Dit is een illustratie van de omkering van de moraal.

De aristocratie heeft volgens Nietzsche de kracht in zichzelf; zij is de dominante kracht en bepaalt zo de werkelijkheid. Door de werkelijkheid te bepalen bevestigt ze haar. De slavenmoraal laat zich bepalen door iets van buitenaf (de herenmoraal) waartegen het reageert: het definieert zichzelf door nee te zeggen tegen datgene wat wél de kracht had om tegen het bestaan ja te zeggen. De slavenmoraal meent dat achter het handelen van een persoon een oorsprong schuil gaat die voor dat handelen verantwoordelijk is. Het subject is in de slavenmoraal een neutrale instantie. Nietzsche ontmaskert het subject echter als een morele illusie. Nietzsche wil de handelende persoon niet losmaken van de handeling zelf en aanvaardt deze tweede werkelijkheid niet.

We moeten de wereld accepteren zoals zij is en moeten aanvaarden dat wij in het spel der krachten zijn opgenomen. Niet als een willend individu, maar als een samenstel van krachten dat aan andere krachten om ons heen is blootgesteld. Dit is de kosmische mystiek in Nietzsche’s filosofie.


Nietzsches deugdethiek


Nietzsche schreef geen deugdethiek zoals Aristoteles of Thomas van Aquino. Toch bespreekt hij in zijn oeuvre vele deugden, zoals grootmoedigheid, medelijden en vlijt. Onder het kopje 'Nietzsche’s moraalkritiek' staan de deugden grootsheid en belangeloosheid al vermeld.

Kenmerkend voor Nietzsche’s opvatting van moraal is zijn weerzin ten opzichte van de negatieve moraal. De moraal die voorschrijft wat niet te doen. In aforisme 304 van De vrolijke wetenschap uit Nietzsche zijn hekel aan alle negatieve deugden door deze aan te duiden als een verarming van het eigen zelf. Nietzsche heeft een voorkeur voor elke moraal die voorschrijft iets goed te doen. Voor een moraal die aanzet opdat men iets wil doen, telkens weer. Door de gerichtheid op het goede, stelt Nietzsche, valt vanzelf al wat niet bij het leven hoort van de mens af. Dit gebeurt zonder haat of ergernis, of zelfs zonder dat men het in de gaten heeft. Nietzsche is dus geen voorstander van een negatieve deugdethiek. Hij kiest daarentegen voor een positieve benadering; een moraal die aanzet tot doen en daardoor bepaalt wat niet te doen.

Op vele plaatsen in zijn oeuvre spreekt Nietzsche van 'Europeanen van overmorgen' of 'eerstelingen van de twintigste eeuw'. Hij duidt hiermee een nieuw soort mens aan dat, volgens hem, weldra op het toneel zal verschijnen. In aforisme 214 van Voorbij goed en kwaad vraagt Nietzsche zich af wat voor soort deugden deze nieuwe mens bezit. Het zullen niet de trouwhartige en robuuste deugden van 'onze grootvaders' zijn stelt Nietzsche. De 'Europeaan van overmorgen' zal deugden hebben die zich het best aan de meest intieme en geheime neigingen van de nieuwe mens hebben aangepast.

het Dionisische en apoLlinische van Nietzsche


Opm: Het Oedipus complex was moeilijk te onderscheiden in het boek Aldus sprak Zarathoestra,. Daarom hebben we onze tweede onderzoeksvraag gewijzigd naar:

Welke invulling gaf Nietzsche aan het Apollinische en Dionysische?

Het Apollinisch/Dionysische concept is een filosofisch idee gebaseerd op de oude Griekse Mythologie. In de Griekse Mythologie zijn Apollo en Dionysus beiden zonen van Zeus. Apollo is de god van de zon, de dromen en het verstand. Terwijl Dionysus de god is van de wijn, de extase en de vergiftiging. De Grieken zagen deze twee goden niet als tegengestelde polen, hoewel ze later door velen wel zo zijn ingevuld en geïnterpreteerd. Van deze twee goden werden twee adjectieven afgeleid. Het apollinische, wat doordacht en beheerst betekent en het Dionysische, wat een extatische geestvervoering en onbeheerstheid uitdrukt. Dit filosofisch idee was al voor Nietzsche´s Geboorte van de tragedie in 1872 gebruikt door schrijvers. Toch worden deze termen vandaag vooral gekoppeld aan Nietzsche’s boek.

In de geboorte van de tragedie stelt Nietzsche als hoofdstelling dat de klassieke Griekse tragedie de puurste vorm van kunst is. Hij zegt dat deze tragedies de nutteloosheid van onze wereld het beste uitdrukken en overbrengen op de toeschouwer. Aangezien Nietzsche als oorspronkelijke studierichting filologie had gekozen, had hij een grote bagage over de oudheid op zak. Uit deze bagage haalt hij de termen het apollinische en dionysische naar boven. Deze twee termen stelt hij vervolgens tegenover elkaar. Zijn stelling luidt dat het leven altijd een strijd is tussen het apollinische en het dionysische. De oude Griekse tragedie is volgens hem dan ook de puurste vorm van kunst omdat deze een mix is van het apollinische en het dionysische. De toeschouwer ziet een samenvatting van heel het menselijk leven in een theateropvoering. Dit zorgt er volgens Nietzsche voor dat de toeschouwer een gezonde kijk op het leven krijgt, omdat hij een samenkomst van het apollinische met het dionysische ziet, en het zo beter begrijpt. Nietzsche stelt ook dat deze twee opposanten elkaar nodig hebben.

Het is niet gezond om als mens volledig het één of het ander na te streven. Het leven is een samenkomst van deze beide, en het is onmogelijk het dionysische te ervaren zonder het apollinische en zijn waarden te kennen.

Voordat deze tragedie bestond was er volgens Nietzsche een tijd van ideale kunst in de vorm van beeldhouwwerken die volgens duidelijke regels werden gehouwen. Deze stelden de apollinische blik op de wereld voor. In die tijd moest het Dionysische dan ook naar boven komen in dronken feesten, liefst met veel muziek (Nietzsche is heel zijn leven gefascineerd gebleven door muziek, en stelt dat deze een pure uiting is van het Dionysische). Deze twee zijden van het leven fuseerden later naar de echte Griekse tragedie, die beiden omvat en uitdrukt.

Deze prachtige kunstvorm raakte echter in verval. Nietzsche verklaart dit door de opkomende invloed van schrijvers als Euripides en Socrates. Deze twee schrijvers zagen het leven zeer rationeel in als product van de natuur. Hun rationaliteit vermoorde volgens Nietzsche de kunst, omdat ze enkel met hun verstand en niet met hun emoties naar een kunstwerk keken. Het dionysische van de kunst ging verloren. Nietzsche sluit zijn boek af met te stellen dat de tragedie herboren zal worden (vandaar ook de titel) in de opera’s van Richard Wagner. Nietzsche was nog jong toen hij dit boek schreef, en had net Richard Wagner ontmoet. Zij waren goede vrienden geworden en Nietzsche keek enorm op naar Wagner. Hij geloofde dat hij het goed voor had met de kunst, en een nieuwe periode van grote kunstenaars inleidde. Wagner stelde Nietzsche echter zwaar teleur toen deze meer en meer naar de romantiek greep. Ze kregen ruzie en Nietzsche zou nooit nog een goed woord laten over Wagner.

Vergelijking de dolle mens met de oudheid


Diogenes van Sinope is een bekende Griekse filosoof. Hij werd geboren in Sinope, een stad aan de zwarte zee, waaraan hij zijn achternaam dankt. Diogenes raakte betrokken bij een schandaal in Sinope en trok naar Athene waar hij zich aansloot bij de filosofische school van Antisthenes. Dit is de stichter van het cynisme, waar Diogenes ook een aanhanger van werd. Het is een leer geïnspireerd op die van Socrates ( Antisthenes was een leerling van Socrates) en wijst het streven naar luxe, bezit en geld af. Dit was volgens hen de enige manier om wijs te zijn. Mensen die deze filosofie nastreven vervreemden echter van de maatschappij omdat deze nu net wel draait om deze dingen. De bekendste filosoof die dit in de praktijk omzette is Diogenes van Sinope.

Deze zwoor al zijn bezit af, en ging buiten de stad op strand in een amfoor wonen. De mensen zeiden dat hij leefde als een hond, wat hem na enige tijd de bijnaam hond opleverde. Zijn enige bezittingen waren een mantel, een kom en een beker om uit te drinken. Nadat hij een arme man een stuk brood als bord had zien gebruiken ontdeed hij zich ook nog van deze beker en kom. Diogenes zou op klaarlichte dag het marktplein zijn opgestormd met een lantaarn terwijl hij uitriep: ‘Ik ben op zoek naar een mens!’. Hiermee bedoelde hij een volledig oprechte persoon, en volgens hem was die niet te vinden. Zelf was hij er natuurlijk ook geen, want hij was zelf betrokken geraakt in een schandaal in zijn geboortestad.

Nietzsche was zeer gefascineerd door deze man toen hij over hem las in de boeken van Diogenes Laertius. Deze geschiedschrijver schreef een verhandeling over vele filosofen uit de oudheid en mag niet verward worden met Diogenes van Sinope. Nietzsche maakt dan ook een directe verwijzing naar Diogenes van Sinope in zijn boek de vrolijke wetenschap, in een passage die sterk lijkt op die van Laertius wanneer hij Diogenes beschrijft wanneer deze het marktplein opstormt.

Laertius schrijft in zijn boek het leven en de meningen van prominente filosofen 11.000 woorden over Diogenes van Sinope. Hij behandelt hierbij heel het leven van Diogenes vanaf diens geboorte tot zijn dood, en vermeldt vaak citaten van Diogenes. Er wordt in zijn beschrijving echter maar zeer kort verwezen naar de gebeurtenis waarop Diogenes met zijn kandelaar op zoek is maar een mens. Laertius besteed amper twee regels aan deze gebeurtenis. Toch moeten deze regels Nietzsche enorm hebben aangesproken en geïnspireerd. Het lijkt zelfs alsof Nietzsche zijn versie geeft van wat er die dag op het marktplein gebeurde. Was het niet dat Diogenes gedachten uitspreekt die enkel een 19de eeuwse persoon kan vatten.


Fragment:

 Hebt gij niet gehoord van de dolle mens, die op klaarlichte morgen een lantaarn opstak, op de markt ging lopen en onophoudelijk riep: 'ik zoek God! Ik zoek God!' - Omdat er daar juist veel van die lieden bijeenstonden die niet aan God geloofden, verwekte hij een groot gelach. 'Is hij soms verloren gegaan?' vroeg de een. 'Is hij verdwaald als een kind?' vroeg de ander. 'Of heeft hij zich verstopt? Is hij bang voor ons? Is hij scheep gegaan? Naar het buitenland vertrokken?' - Zo riepen en lachten zij door elkaar. De dolle mens sprong midden tussen hen in en doorboorde hen met zijn blikken. 'Waar God heen is?' riep hij uit. 'Dat zal ik jullie zeggen! Wij hebben hem gedood - jullie en ik! Wij allen zijn zijn moordenaars! Maar hoe hebben wij dit gedaan? Hoe hebben wij de zee kunnen leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de horizon uit te vegen? Wat hebben wij gedaan, toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? In welke richting beweegt zij zich nu? In welke richting bewegen wij ons? Weg van alle horizonnen? Vallen wij niet aan één stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, naar alle kanten? Is er nog wel een boven en beneden? Dolen wij niet als door een oneindig niets? Ademt ons niet de ledige ruimte in het gezicht? Is het niet kouder geworden? Is niet voortdurend nacht en steeds meer nacht in aantocht? Moeten er 's morgens geen lantaarns worden aangestoken? Horen wij nog niets van het gedruis der doodgravers die God begraven hebben? Ruiken wij nog niets van de goddelijke ontbinding? - ook goden raken in ontbinding! God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood! Hoe zullen wij ons troosten, wij moordenaars? Het heiligste en machtigste dat de wereld tot dusver bezeten heeft, is onder onze messen verbloed - wie wist dit bloed van ons af? Met welk water kunnen wij ons reinigen? Welke zoenoffers, welke heilige spelen zullen wij moeten bedenken? Is niet de grootte van deze daad te groot voor ons? Moeten wij niet zelf goden worden om haar waardig te schijnen? Nooit was er een grotere daad - en wie er ook na ons geboren wordt, omwille van deze daad behoort hij tot een hogere geschiedenis dan alle geschiedenis tot dusver geweest is!'- Hier zweeg de dolle mens en keek opnieuw zijn toehoorders aan. Ook zij zwegen en keken bevreemd terug. Eindelijk wierp hij zijn lantaarn op de grond, zodat die in stukken sprong en uitdoofde. 'Ik kom te vroeg,' zei hij toen, 'het is mijn tijd nog niet. Dit ongelooflijke gebeuren is nog onderweg. Het maakt een omweg - het is nog niet tot de oren der mensen doorgedrongen. Bliksem en donder hebben tijd nodig, het licht der gesternte heeft tijd nodig, daden hebben tijd nodig, ook nadat ze gedaan zijn, om gezien en gehoord te worden! Deze daad is nog steeds verder van hen af dan de verste gesteenten - en toch hebben ze haar zelf verricht!' - Men vertelt verder, dat de dolle mens diezelfde dag nog verscheidene kerken binnengedrongen is en daar zijn requiem aeternam deo aangeheven heeft. Naar buiten gebracht en ter verantwoording geroepen zou hij telkens alleen maar het volgende geantwoord hebben: 'Wat zijn deze kerken eigenlijk nog, als ze niet de graven en gedenktekenen Gods zijn?'

 

-Vertaling:  P. Hawinkels   (Amsterdam, 1976)


We zien in het fragment duidelijk alle typerende kenmerken van Nietzsche terugkomen. De parabel, zoals sommigen het noemen, is gebaseerd op de oudheid. Het bevat een duidelijk kritiek op de morele waarden van de mensen, maar ook op hun onwetendheid. We zien hoe Nietzsche probeert om het nihilisme, de veranderlijkheid van normen en waarden en zijn liefde voor het lot (amor fati) in een compacte vorm probeert over te brengen naar de lezer. Op zich heeft deze parabel helemaal niet tot doel het atheïsme te verkondigen, maar om de mensen te wijzen op het tekort aan inzicht dat ze hebben. Ze beseffen niet wat voor daad ze hebben verricht, en lachen de wijze man uit.


Conclusie


Nietzsche en de oudheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Door zijn opvoeding en onderwijs is Nietzsche´s denken vanzelf beïnvloed door de oudheid. Bewust en onbewust neemt hij ideeën van oude filosofen over, en gebruikt woorden die enkel volledig te begrijpen zijn met een klassieke achtergrond. We lichtten in dit eindwerk hiervan twee concrete voorbeelden uit, die illustreren dat Nietzsche´s filosofie doorspekt is met beelden uit de oudheid. Er zijn er nog veel meer, en ook tussen de lijnen zien we veel beelden van de oudheid terugkeren bij Nietzsche. Zijn filosofie is dan ook het best te begrijpen door lezers met een klassieke achtergrond.

Bronnen


boek: Nietzsche – Michael Tanner

boek: 'Aldus sprak Zarathoestra' van Friedrich Nietzsche

boek: 'Alle lust wil eeuwigheid ' van Peter Claessens

boek: 'De antichrist' van Friedrich Nietzsche

boek: 'de vrolijke wetenschap ' van friedrich Nietzsche

BBC (1999). "Beyond Good and Evil". Human, All Too Human.

http://www.iep.utm.edu/nietzsch/

http://plato.stanford.edu/entries/nietzsche-moral-political/

http://plato.stanford.edu/entries/nietzsche/#Lif184190

http://www.nietzsche-quotes.com/

http://www.dartmouth.edu/~fnchron/

http://www.nietzschesource.org/

http://www.liberales.be/figuren/nietzsche

http://www.philosophos.com/philosophy_article_57.html

http://nl.wikipedia.org/wiki/Also_sprach_Zarathustra_%28boek%29

http://www.academia.edu/1223224/The_eternal_return_of_the_father_The_Oedipus_complex_in_Nietzsche

http://en.wikipedia.org/wiki/Diogenes_of_Sinope

http://www.egs.edu/library/diogenes-of-sinope/biography/

http://www.iep.utm.edu/diogsino/

http://diogenesinthemarketplace.blogspot.be/2012/03/diogenes-in-marketplace-ancient.html

http://www.iep.utm.edu/cynics/

http://plato.stanford.edu/entries/nietzsche/#Lif184190

http://www.nietzsche-quotes.com/

http://www.dartmouth.edu/~fnchron/

http://www.liberales.be/figuren/nietzsche

http://www.isgeschiedenis.nl/invloedrijke-mannen/friedrich-nietzsche-invloedrijke-filosoof-en-filoloog/



http://www.hypothesis.nl/nietzsch.htm



  • Filosofische ideEËn
  • Nietzsches moraalkritiek
  • Nietzsches deugdethiek
  • Vergelijking de dolle mens met de oudheid
  • Conclusie
  • Bronnen

  • Dovnload 45.43 Kb.