Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Levensbeschouwing, religie en waarden als elementen van diversiteit 1 Inleiding

Dovnload 411.52 Kb.

Levensbeschouwing, religie en waarden als elementen van diversiteit 1 Inleiding



Pagina5/5
Datum05.12.2018
Grootte411.52 Kb.

Dovnload 411.52 Kb.
1   2   3   4   5

Bovenstaande tabel heeft echter betrekking op de hele groep. Daarom gaan we ook na of individuele studenten waarden die conceptueel tegenover elkaar staan in het model toch tegelijk belangrijk vinden. In het kader van dit artikel beperken we ons tot drie dergelijke waardenparen. We berekenen telkens de proportie studenten die voor beide waarden een score heeft van 4 of meer8. Op die manier gaan we na welke proportie van studenten de beide waarden typerend vindt voor zichzelf.


  1. Genot versus Altruïsme; voor 90,3% van de studenten zijn beiden belangrijk;

  2. Macht versus Universalism; voor 31,6% van de studenten zijn beiden belangrijk;

  3. Traditie versus Prikkeling.: voor 40, 0% van de studenten zijn beiden belangrijk.


We merken dat vooral voor Genot versus Altruïsme er een sprake kan zijn van ‘concurrerende waarden’. Maar ook voor de twee andere waardenparen is er een belangrijk deel van de student dat beide waarden typerend vindt voor zichzelf. ‘Beide waarden tegelijk belangrijk vinden’ is echter een noodzakelijke doch geen voldoende voorwaarde om van concurrerende waarden te spreken. Wat we op basis van dit onderzoek immers niet weten is of deze conceptueel uiteenlopende waarden (volgens het model van Schwartz) door de betrokkenen effectief als conflictueus worden ervaren. Dit zou een interessante vraag zijn om met de studenten zelf in de klas te bespreken. Hoe zoekt men in het dagelijks leven naar een werkbaar compromis tussen uiteenlopende waarden, zoals het maximaliseren van eigen opbrengsten en genot versus het bijdragen aan het maximaliseren van het geluk, welzijn en welvaart voor de hele maatschappij? Of hoe kan men respect voor traditie verzoenen naar de drang om te vernieuwen?
In de lijst van levenswaarden staan waarden die makkelijk in verband worden gebracht met religie in het algemeen of een religie in het bijzonder. Zo ervaren christenen Altruïsme of ‘naastenliefde’ als een wezenskenmerk van hun godsdienst, vaak zonder te beseffen dat dit evenzeer het geval is voor leden van andere religies of ideologieën. Sommigen zullen waarden als Traditie, Conformisme en misschien ook Universalisme zien als typisch voor religiositeit in het algemeen of een specifieke religie in het bijzonder. Maar het toeschrijven van waarden aan (een bepaalde) religie is op zijn minst gezegd precair. Waarden kunnen immers vanuit verschillende geloofsovertuigingen en ook op basis van een niet-religieuze ethiek belangrijk worden bevonden. Deze discussie willen we hier niet openen maar wat we wel kunnen doen is nagaan of de mate waarin studenten ‘religieus’ zijn, samengaat met het meer of minder beklemtonen van bepaalde waarden.
De ‘religiositeit’ bekijken we op drie manieren: 1) de mate waarin men religieuze bronnen belangrijk vindt (schaal Religie) ; 2) of men zichzelf ‘gelovig’ of ‘ongelovig’ noemt, of twijfelt; 3) de religieuze groep waartoe men zichzelf rekent (christen, moslim, andere geloofsovertuiging en geen geloofsovertuiging).
De eerste berekingswijze houdt in dat we enkelvoudige correlaties berekenen tussen enerzijds de mate waarin men religieuze bronnen van levensbeschouwing belangrijk vindt (schaal Religie) en anderzijds de 10 levenswaarden. Om die correlaties wat in perspectief te plaatsen, geven we ook de correlaties met de andere schalen over ‘bronnen van levensbeschouwing’, namelijk de schaal Rationaliteit en de schaal Zingevingsmarkt.9

Tabel 10 Levenswaarden en bronnen van levensbeschouwing10


We merken dat vooral voor de schaal Religie er heel wat significante verbanden zijn. Naarmate de student hoger scoort op deze schaal hecht hij meer belang aan Traditie, Conformiteit, Universalisme en Zekerheid. Naarmate de studenten hoger scoort op Religie hecht hij minder belang aan Genot, Macht, Prestatie, Zelfsturing en Prikkeling. Voor de andere twee schalen Rationaliteit en Zingevingsmarkt vinden we veel minder significante correlaties. Opvallend is dat de waarde Universalisme correleert met alle drie de schalen. De mate waarin men een beroep doet op bronnen van levensbeschouwing lijkt hier belangrijker dan de aard van de bronnen waarop men zich beroept.
Een tweede manier om de levenswaarden in verband te brengen met levensbeschouwing is de levenswaarden vergelijken tussen drie groepen studenten: gelovig, ongelovig, en de twijfelaar.
Tabel 11 Levenswaarden en geloof11


De grootste verschillen zijn er voor Traditie, Genot en Prikkeling. Ook Zelfsturing, Prestatie, Conformiteit en Macht geven signifante verschillen. De groep van expliciet ‘gelovigen’ kent vergeleken met de andere groepen veel gewicht toe aan Traditie en Conformiteit en relatief minder gewicht aan Genot, Prikkeling, Zelfsturing, Prestatie en Macht. Daarnaast valt op te merken dat Altruisme voor de drie onderscheiden groepen bovenaan de waardenhiërarchie staat. Genot staat voor de drie groepen op rang 2. Universalisme staat voor de ‘gelovigen’ en ‘twijfelaars’ op 3. Voor de ongelovigen is die plaats voorbehouden aan Zelfsturing. Universalisme krijgt in deze groep opvallend minder gewicht en staat daardoor pas op rang 4 in de waardenhiërarchie van de ‘ongelovigen’.
Tabel 12 Levenswaarden en religieuze identiteit


In een derde analyse bekijken we de waarden in functie van de religie waartoe men zichzelf rekent. Gezien de ongelijke verdeling over de vier groepen en de kleine aantallen voor de groepen ‘moslim’ en ‘andere godsdienst’ is deze vergelijking zeer tentatief. We bespreken dan ook enkel de hoog significante verschillen. De score voor Genot is voor de moslimstudenten lager dan voor de andere groepen. Dit is ook het geval voor Zelfsturing. De waarde Traditie scoort relatief hoog voor deze groep, zeker in vergelijking met de groep studenten die zich met geenenkele religie associëren. Als we voor elke groep de top drie van waarden bekijken komen we toch tot een verschil. Voor de moslims is het: 1) Altruïsme; 2) Universalisme; 3)Genot. Voor de christenen en andere godsdiensten is het: 1) Altuïsme; 2) Genot; 3) Universalisme. Voor religie-lozen: 1) Altruïsme; 2) Genot; 3) Zelfsturing.


  1. Bespreking

Het onderzoek waarvan we een aantal resultaten hebben getoond, is exploratief van aard en beperkt zich tot één instelling voor hoger onderwijs (IHO) met vier studiegebieden. We hoeden ons dan ook voor al te veralgemenende uitspraken. De resultaten moeten dan ook exemplarisch bekeken worden. Ze geven een beeld van het ‘hic et nunc’ en zo is het ook bedoeld. Andere IHO’s kunnen de resultaten confronteren met de eigen situatie. Uitbreiding van het onderzoek naar andere IHO’s zou de de validiteit en betrouwbaarheid van de resultaten uiteraard ten goede kunnen komen.


Terugblikkend op de resultaten blijven de volgende indrukken en bedenkingen hangen:

    1. Heel wat studenten vinden levensbeschouwing belangrijk in die zin dat ze het de moeite vinden om stil te staan bij de zin en betekenis van het leven.

    2. Slechts een minderheid van de studenten geeft hieraan een expliet religieuze invulling.

    3. Ruim een kwart van de studenten noemt zichzelf expliciet gelovig. Dat is duidelijk minder dan hun ouders. Ruim een derde van de studenten weet het niet goed en twijfelt. Ze worstelen met andere woorden in geringe of meerdere mate met de eigen religieuze identiteit. Ruim één op drie studenten noemt zichzelf ‘ongelovig’.

    4. Ruim zestig procent, van de studenten identificeert zichzelf met een religie. Behoren tot een religie staat vooral voor de christen studenten niet automatisch gelijk aan geloven of participeren. Voor de moslimstudenten is dit wel het geval. De participatie aan religieuze diensten is algemeen genomen zeer laag. Slechts 4% woont wekelijks een religieuze dienst bij. Anderzijds is het ook zo dat slechts een minderheid van 10% totaal niet participeert aan religieuze diensten.

    5. Ouders en in minder mate ook leerkrachten en vrienden worden als betekenisvolle anderen gezien als het om de eigen levensbeschouwing gaat. Natuur, wetenschap en cultuur hebben de plaats van religie als bron levensbeschouwing grotendeels overgenomen.

    6. Rekening houdend met de verhouding christenen-moslims kan gesteld worden dat de Bijbel als bron van zingeving nog weinig belangrijk is voor de studenten. Dit is verhoudingsgewijs wel het geval voor de Koran.

    7. Beschikken over een levensbeschouwelijk referentiekader of eigen levensfilosofie kan richting geven aan het leven zowel op existentieel vlak als op moreel-sociaal vlak. We stellen vast dat beide functies vooral worden onderkend door studenten die zichzelf ‘gelovig’ noemen. Dit zou er kunnen op wijzen dat de functionaliteit van een religieus-geïnpireerde levensbeschouwing niet ten volle wordt overgenomen door een niet-religieus-geïnspireerde equivalent. Dit vraagt om verdere exploratie, zeker gezien het feit dat de groep van ‘niet-expliciet-gelovigen’ allicht op zich vrij heterogeen is: twijfelaars, zoekers, onverschilligen maar ook studenten met een coherente niet-religieuze levensfilosofie en ethiek.

    8. De mate van openheid voor dialoog met andersdenkenden scoort gemiddeld hoog maar verschilt toch ook sterk van student tot student. In de houding van de studenten herkennen we tevens een zekere ambivalentie: enerzijdsis is er de vraag en bereidheid tot dialoog en anderzijds de vrees dat verschillen in overtuiging toch wel voor heel wat spanningen kunnen zorgen. Voor een deel van de studenten is dit een reden om levensbeschouwing in de individuele private sfeer te houden.

    9. Ook de waardenhiërchie van de studenten kan ambivalent genoemd worden: we vinden zowel Wij-waarden en Ik-waarden bovenaan de waardenhiërarchie. Hebben we hier dan toch te doen met de en-en-generatie die universeel denkt en sociaal geöriënteerd is maar toch ook tegelijk maximaal wil genieten van het leven? Met Altruïsme helemaal bovenaan en Macht helemaal onderaan zouden we toch kunnen gewagen van een overwicht van de Wij-waarden ten opzichte van de Ik-waarden. Op de verticale as van het model ligt de klemtoon meer op openheid dan op vasthouden.

    10. De verbanden tussen ‘religie’ en waarden wijzen in de richting van een traditionele invulling van religie gekenmerkt door onthechting en traditie. Dit mag echter niet in absolute termen worden gezien. Al bij al is de waardenhiërarchie van gelovigen en christenen niet zo verschillend van de andere groepen. Ook in de groep van overtuigde christenen vinden we dezelfde top drie als voor de hele studentenpopulatie: Altruïsme, Genot en Universalisme. Dit houdt ook in dat we in de resultaten geen argumenten vinden om Altruisme (‘naastenliefde’) en Universalisme (‘werken aan een betere wereld’) exclusief aan een christelijk oriëntatie en/of gelovig zijn toe te schrijven. Uiteraard kan het omgekeerde wel: gelovige studenten kunnen in hun geloof uiteraard inspiratie vinden om aan deze Wij-waarden een invulling te geven. Toch onthouden we hier dat het niet op deze Wij-waarden is dat christenen en gelovige studenten zich profileren ten aanzien van de andere studenten.

Naast het opmaken van een status questionis met betrekking tot de diversiteit in onze hogeschool-universiteit, heeft het onderzoek ook als doel diversiteit in het algemeen en in het bijzonder met betrekking tot religie, levensbeschouwing en waarden bespreekbaar te maken, zowel bij de studenten, personeel als externe betrokkenen. Om dit te faciliteren maken we werk van de deseminatie van de onderzoeksresultaten zowel extern (o.a. dit artikel en de presentatie op de VLOR-studiedag rond diversiteit) en intern (o.a. presentatie op de interne jaarlijkse Onderwijsdag). Daarnaast ontwikkelden we interactieve tool. Het gaat om een excel-applicatie die gebruikers (docenten, studenten, ...) de gelegenheid geeft zelf de resultaten van het diversiteitsonderzoek verder te exploreren. Zo kan men elke tabel apart laten opmaken voor het eigen studiegebied.


Eén van de doelstellingen van het diversiteitsbeleid is om het thema diversiteit ‘in de klas’ te brengen. De resultaten van het intern onderzoek, o.a. rond het hier behandelde thema, kunnen hier als lesmateriaal dienst doen. Het laat immers toe samen met de studenten de resultaten verder te exploreren en over de resultaten te debatteren en ervaringen uit te wisselen. Net zoals in onderzoek kan het boeiend zijn om stil te staan bij verschillen tussen mensen en groepen van mensen. Anderzijds mogen we ook niet vergeten om op zoek te gaan naar wat alle mensen net bindt en boeit. We eindigen dan ook graag met een aforisme van Paul Valéry: “Mensen onderscheiden zich door wat ze tonen, en lijken op elkaar door wat ze verbergen”.
Literatuur
Adriaenssens, S., & Van Droogenbroeck, M., (2005). Religious dimensions and well-being. Some preliminary considerations. Paper presented at the 28th ISSR Conference, Zagreb July 18-22.

Batson, C., Schoenrade, P., & Ventis, W.L. (1993). Religion and the individual: A social-psychological perspective. New York: Oxford University Press.

Berings, D. (2006). Concurrerende waarden: een intrigerend en integrerend concept voor het bestuderen en vormgeven van organisatieverandering. In J. Hovelynck, S. De Weerdt, A. Dewulf A. (Red.) Samen leren en werken in en tussen organisaties. (pp. 159-185). Leuven: Lannoo Campus.

Berings, D. (2008). Werken met waarden. De moeite waard. H-ogelijn, 16 (themanummer), 53-60.



Dezutter, J., Soenens, B., & Hutsebaut, D. (2006). Religiosity and mental health: A further exploration of the relative importance of religious behaviors vs. Religious attitudes. Personality and Individual Differences, 40, 807-818.

Dezutter, J., & Hutsebaut, D. (2006). Relishopping: Een explorerende studie bij Vlaamse jongeren. In A. Dillen & D. Pollefeyt (Eds.), God overal en nergens? Theologie, pastoraal en onderwijs uitgedaagd door een ‘sacraal reveil’ (pp. 107-120). Leuven: Acco.

Dillen, A., & Pollefeyt, D. (Red.) (2006). God overal en nergens? Theologie, pastoraal en onderwijs uitgedaagd door een ‘sacraal reveil’. Leuven: Acco.

Glock, C.Y., & Stark, R. (1965). Religion and society in tension.Chicago: Rand McNally.

Maltby, J. (1999). The internal structure of a derived, revised, and amended measure of the religious orientation scale: the ‘age-universal”’ I-E scale-12. Social Behavior and Personality, 27, 407-412.

Pollefeyt, D., Hutsebaut, D., Lombaerts, H., De Vlieger, M., Dillen, A., Maex, J., & it, W. (2004). Godsdienstonderwijs uitgedaagd. Jongeren en (inter)levensbeschouwelijke vorming in gezin en onderwijs. Leuven: Peeters.

Quinn, R.E. (1998). Persoonlijk meesterschap in management. Voorbij rationeel management. Schoonhoven: Academic Service.

Ros, M., Schwartz, S.H., & Surkiss, S. (1999). Basic individual values, work values, and the meaning of work. Applied Psychology: An International Review, 48, 49-71.

Schwartz, S. H. (2003). A Proposal for Measuring Value Orientations across Nations. Chapter 7 in the Questionnaire Development Package of the European Social Survey. [www.Europeansocialsurvey.org.]



Schwartz, S.H. (1992). Universals in the content and structure of values: Theoretical advances and empirical tests in 20 countries. Advances in Experimental Social Psychology, 25, 1-65.

Verhoeven, D. (1994). De levensbeschouwing van studenten aan de K.U.Leuven. Een sociaal-wetenschappelijke studie. Leuven : K.U.Leuven. Departement Sociologie. Sociologisch Onderzoeksinstituut.

1 Zie ook: H-ogelijn tijdschrift, 15(2007) - Themanummer Maatschappelijke diversiteit in katholieke hogescholen.

2 Zie Mission statement van de HUB (www.hubrussel.be)

3 Hoofdcomponentenanalyse laat toe om na te gaan welke vragen samenhoren en eventueel kunnen worden samengenomen voor het construeren van schalen of indicatoren.





4 Als maat voor betrouwbaarheid geven we de Cronbach alfa. Dit is een statistische maat voor de onderlinge samenhang van een groep items uit een vragenlijst. Vanaf 0,70 spreekt men van een goede betrouwbaarheid. Beneden de 0,60 is de schaal onbetrouwbaar.

5 Bij het construeren van de schaal moeten de vragen 1, 3, 4.en 8 worden opgekeerd. Uiteindelijk werd vraag 8 uit de schaal weggelaten omwille van een te lage gecorrigeerde item-schaal correlatie.


6 Elke waarde wordt gemeten met 2 of 3 items, beoordeeld op een zespuntenschaal. Schwartz standaardiseert binnen de persoon, in die zin dat elke toegekende score wordt afgetrokken van de gemiddelde score voor de 21 vragen voor diezelfde persoon. Op die manier bekomen we zowel negatieve als positieve scores. Een negatieve of positieve score betekent respectievelijk dat de waarde lager of hoger staat in de waardenhiërarchie.


7 De score die de waarden krijgen verschillen tussen de onderzochte studiegebieden die bovendien ongelijk vertegenwoordigd zijn in de steekproef. Daarom berekenden we de gemiddelden opnieuw waarbij de vier studiedomeinen gelijk worden gewogen. Dit geeft inderdaad kleine verschuivingen van de gemiddelden. De rangorde blijft zo goed als ongewijzigd. Enkel Traditie en Zekerheid verwisselen van plaats.

8 We werken hier met de niet de gestandaardiseerde waarden, maar met de oorspronkelijke scores op de zes-puntenschaal.

9 In de tabellen die nu volgen duiden we de statistische significantie aan met sterretjes: * betekent statistisch significant op 5%-niveau (95% zekerheid); ** betekent statistisch significant op 1%-niveau (99% zekerheid).


10 In deze tabel geven we Pearson-correlatiecoëfficiënten. Hoe verder de waarde van nul ligt hoe sterker het verband tussen de twee grootheden. Een positieve waarde houdt in dat naarmate de waarde op de ene grootheid stijgt dit ook het geval is voor de andere grootheid (bijv. hoe’ religieuzer’ hoe ‘traditionele’). Een negatieve waarde betekent dat naarmate de waarde op de ene grootheid stijgt de waarde op de andere grootheid zal dalen (bijv. hoe ‘religieuzer’ hoe minder belang men hecht aan ‘genot’).

11 In deze tabel geven we de gemiddelde scores. Een positieve score wil zeggen dat de respondenten aan de waarde een hogere score hebben toegekend dan aan alle waarden samen. Een negatieve score wil zeggen dat de respondenten aan de waarde een lagere score hebben toegekend dan aan alle waarden samen. Om na te gaan of de verschillen tussen de groepsgemiddelden statistisch significant zijn werd een één-weg-variantieanalyse uitgevoerd. De Eta is een statistische maatstaf voor de sterkte van het verband.
1   2   3   4   5


Dovnload 411.52 Kb.