Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Lezen: Psalm 145

Dovnload 21.36 Kb.

Lezen: Psalm 145



Datum14.10.2017
Grootte21.36 Kb.

Dovnload 21.36 Kb.

Psalm 145:1,2

Psalm 147:7 (na wet) -

Lezen: Psalm 145

Psalm 145:3,4,5

Tekst: Psalm 145:21

Psalm 144:2,6

LvK 281
Ademloos zat de zaal te luisteren naar de Chinese vluchteling die vertelde wat hij allemaal had moeten meemaken in de gevangenis. En ze waren diep onder de indruk van zijn geloof. Een wonder, dat deze man God was blijven prijzen. Deze man had wat te vertellen. Zijn getuigenis versterkte hun geloof.

Maar moet je altijd iets bijzonders hebben meegemaakt om geloofwaardig te zijn? Het bijzondere van psalm 145 zit ergens anders. Nu weten wel van David, de dichter, dat hij ook vaak gered is uit doodsgevaar. Je kunt het horen in andere psalmen (140-143 b.v.). Maar als je daar nu even niet aan denkt, dan zeg je: die David is een gelukskind. Man naar Gods hart. In zijn jonge jaren tot koning gezalfd. Tijdens zijn omzwervingen heeft hij het moeilijk genoeg gehad, maar ze hebben niet eens zo lang geduurd.Toen werd hij koning. En hij wist steeds al dat dit ook zou gaan gebeuren. David was een gelukskind. En hij zingt dit lied.Het persoonlijke loflied van de koning.

In vervolging hield David vol: door de Heilige Geest. Maar ook in voorspoed vergeet hij God niet. En ook dat is van de Heilige Geest.
David is koning, en hij verstaat zijn ambt, maar hij ziet God als de Koning.Hoe vaak zal David niet gehoord hebben dat men hem aanriep met de woorden: Mijn heer de koning! Ze hadden hem altijd nodig: om recht, om hulp, om bescherming (en had hij zelf niet eens Saul zo aangesproken, 1 Sam. 24:9?). Hij kan zijn taak alleen aan met de hulp van dé Koning, en die roept hij aan.

Trouwens, ook wij moeten allemaal ons inzetten om achter het dagelijks werk de Here God te zien. Moet u voor mensen zorgen: de Here doet het ook en wil U helpen. Bent u verantwoordelijk voor kinderen? Zij zijn kinderen van God. Heeft u een taak voor de samenleving, of voor het milieu: dit is de wereld van God. En ga zo maar door.

Koning David denkt zich de positie van zijn onderdanen in. Hij weet dat er velen zijn die een zwaar leven lijden. Zo moet ieder van ons om zijn medemens denken.
Ik verkeer zelf in de situatie dat mijn eigen leven niet zo zwaar is, maar dat ik bij mijn werk in Indonesie omringd bent door tal van mensen zonder voldoende eten en drinken, met slechte gezondheid en miserabele woonomstandigheden. Kan ik zelf daar wel preken over Psalm 145, of is het beter te aanvaarden wanneer een voorganger uit de kerken daar het doet? Want als je zelf in voorspoed leeft, wordt het dan niet onecht wanneer je zegt: Aller ogen wachten op U, Gij geeft hun te zijner tijd hun spijze. En: de Here is nabij allen die Hem aanroepen?.

Werken in die spanning tussen arm en rijk, kan alleen als je gelooft en de Here dicht bij je is. Uit het geloof komt de zekerheid voort dat de Here schraagt allen die vallen en opricht alle gebogenen. Dat is niet alleen op waarneming en ervaring gebaseerd, maar vooral op geloofsvertrouwen. David heeft het soms in zijn leven ervaren, maar hij werd voortdurend gedragen door dat geloof.


U en ik, wij moeten bidden om de Heilige Geest, om een sterke band met God, gelegd door de Heilige Geest, in het geloof in Jezus Christus. En dan zelf ons loflied zingen. Zoals koning David deed.
Ook de koning looft zijn God en Koning.

1. God is groot

2. God is goed

3. God is groot en goed voor u.


1. Dit lied is helemaal een loflied. Een praise-lied. God is groot en God is goed. Het zou zo in een opwekkingsbundel kunnen staan

Er worden geen gebeurtenissen genoemd om het te bewijzen. Het is weergave van geloofszekerheid. De grootheid van God is zelfs ondoorgrondelijk (vers 3). Het gaat elk onderzoek te boven. Wat God aan wonderen gedaan heeft, is altijd meer dan wat jij weet. Denk eens aan iemand die de ruimte, het heelal, onderzoekt, door een reis of met een telescoop. Je vraagt hem: Wat heb je gezien? Wat weet je nu? En hij antwoord: wat ik ontdekt heb is dat er nog veel meer is dan wij ooit vermoed hadden. Die overtuiging heeft David van God.

Hij is zo doordrongen van Gods grootheid dat hij weet dat ook de generaties na hem God zullen prijzen (vers 4) en dat heel de schepping dat zal doen, alle mensenkinderen (vers 12), al wat leeft(vers 21). Maar: durft u zo groot van God te denken? Zo vol overtuiging dat de kerk altijd zal bestaan en er over heel de wereld zal zijn? Dat is eigen aan het geloof in God!

De mensenkinderen zullen roemen de heerlijkheid van de luister van de majesteit Gods (vers 5). Het ondoorgrondelijke van God heeft niets negatiefs in zich. Want al deze woorden zijn positief. En David sluit zich bij hen aan. Aan de woorden over Gods grootheid komt geen einde.

Ook niet als het gaat over de macht van de geduchte daden van God (vers 6). Dat gaat o.a. over de straffen die God soms laat komen. David heeft het meegemaakt dat bij het vervoer van de ark iemand dood neerviel omdat hij een heilige regel had overtreden. David heeft zelf door zijn zonde bij de volkstelling een besmettelijke ziekte over het hele volk laten komen. Terecht vrees je voor zulke daden van God. Maar ook hier is niets van onberekenbaarheid of onbetrouwbaarheid bij God. Ook vandaag gaan er vreselijke ziekten over de wereld.

Gods grootheid blijkt vooral in zijn goedheid en in zijn trouw (vers 7). Zijn eerlijkheid en zijn vastheid. Daar valt het woord gerechtigheid. Maar koester geen negatieve gedachten bij dat woord. Zeg niet: praat me niet over gerechtigheid. Het grootste recht kan tegelijk het grootste onrecht zijn. David weet dat dit bij mensen zo gebeurt, hij heeft er zelf ook wel eens aan meegedaan om mensen uit de weg te ruimen met schijn van recht, maar hij is er zeker van dat het bij God nooit zo functioneert.


De persoonlijke noot komt dus in dit eerste stuk al aan de orde. Waar in vertaling van het NBV duidelijk staat in vers 5 en vers 6: Ook ik wil uw wonderen bekend maken. En: ook ik wil van uw grootheid vertellen. Geloof moet persoonlijk zijn. En aan de lofzang moet iedere gelovige zelf meedoen.

Moeten alle gelovigen opvallen in het loven van de Here? Koning David deed dat natuurlijk wel. Niet alleen toen hij danste voor de ark, maar ook in al die liederen die hij maakte.Toch zal niet iedere gelovige zijn loflied publiek uiten, en niet iedereen is dichter.De Here weet het wel van ieder persoonlijk. Maar voor de mensen zal je geloof niet altijd zichtbaar zijn.

Er zijn zoveel gelovigen die niet opvallen en zich veilig voelen in de gemeenschap van de kerk. Maar komt hun leven in de crisis, dan blijkt vaak het geloof diep te zitten en niet alleen maar iets geweest te zijn waarin ze anderen navolgden.

Ik weet wel: voor anderen is het juist frustrerend als de gemeenschap de gelegenheid lijkt te bieden aan mensen om onder te duiken. En ze zeggen: Je moet zelf ervoor uitkomen dat je God volgt en anders is het niet echt. Maar dan veroordeel je op dat moment misschien je broeder die anders in elkaar steekt dan jij.

Het gaat me nu om de woorden: ook ik zal u prijzen. Ze hoeven niet te betekenen: ik doe het zo opvallend dat ieder het merkt. Ze kunnen ook betekenen: Samen met al de anderen doe ik het ook. En ik meen het. Al hoor je mij misschien niet apart, ik sta helemaal achter het lied van de gemeente, en ik roep met al de anderen uit: groot is de Here (Psalm 22).
2. Gods grootheid blijkt in zijn goedheid. In zijn liefde, in de komst van zijn Zoon, zo zeggen we op grond van het Nieuwe Testament. De Here is barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Dan spreken we toch over de vergeving van de zonden, door Jezus Christus, van Wie toen al helemaal zeker was dat Hij komen zou?

Waarom is de Here geduldig? Om de tijd van bekering te geven. Als de Here geen mensen zou willen redden zou Hij zo niet zijn. En tegelijk is God eerlijk. God ziet niets door de vingers, maar God kan je vrijspreken en toch eerlijk zijn, God kan met je verder gaan terwijl je echt niet verdiend hebt, en toch eerlijk blijven. Namelijk door de straf op de Here Jezus te leggen.

Die tijd van bekering voor allen zit ook in de zin dat de Here voor allen goed is. En dat heel zijn schepping getuigt van zijn barmhartigheid. De mensen hebben de schepping tot nul teruggebracht door hun zonden. De Here geeft keer op keer redding. Denk ook aan het woord van de Here Jezus in de Bergrede dat God zijn zon doet opgaan over bozen en goeden. Maar Hij zei ook: Bekeert u want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

Zie je om je heen dan is er in de wereld veel dat getuigt van zijn liefde en goedheid. Want de schepping bestaat nog. En in die wereld moeten zijn gunstgenoten Hem prijzen en Zijn Naam aan de andere mensen bekend maken. Dit zijn de mensen die een relatie met Hem hebben die door God zelf is gelegd. Het verbond. Zij die leven in de kerk. Waar je weet van Gods trouw.

En vanuit die kerk laten ze de hele wereld weten hoe groot het koningschap van God is. Dat het een koningschap van liefde is. Daarom blijft het bestaan, en wint het terrein. Het is niet een koningschap waar de haat regeert. David heeft voor zichzelf en zijn ambt in praktijk proberen te brengen, maar weet maar al te goed dat hij in het niet valt bij het koningschap van God.
Spreek je over koningschap dan heb je het over politiek. Een kleine uitstap naar Nederland, waar altijd zoveel kritiek is. In Nederland doet de overheid het nooit goed. De overheid loyaal steunen, dat zie je niet vaak. Maar zo is David wel gesteund door velen van zijn volgelingen (1 Kron.11, mensen als Abisai en Benaja). Een diepe loyaliteit was er bij velen.

En zo moet het zijn tegenover de overheid maar zeker tegenover de hemelse Koning die de aardse overheid heeft aangesteld.

Spreek je over politiek, en zeker wanneer je christelijke politiek beoogt, dan moet het gaan om de hulpvaardigheid, de bescherming aan de armen en verdrukten, het recht dat ze handhaaft. Zo heeft de Here Jezus zelf zijn koningschap in praktijk gebracht toen Hij op aarde was. Toen was het koninkrijk der hemelen nabij gekomen: sterker nog: het was al in hun midden want Hijzelf was er. Het was te zien in de liefde en rechtvaardigheid die Hij uitstraalde en uitdeelde..

Maar zo werkte de Here God reeds in het OT. God is één, en altijd dezelfde. Wat de Heiland doet is hetzelfde als wat God gedaan heeft. God is groot in Christus.

Het koninkrijk van God is het rijk van Christus. Dat is het belangrijkste argument tegen de islam, die ook zo vaak spreekt over de grootheid van hun god. Maar: Gods grootheid is er in Christus.
3. God is groot en goed voor u. Want hoe vaak staat niet het woordje allen in dat laatste stuk van de psalm. Eerder was al gezegd: God is voor allen goed, maar nu: alle struikelenden worden ondersteund, alle gebogenen worden opgericht, ieders oog ziet uit naar de zorg van God.

David durft te spreken over allen die vallen, alle gebogenen, niet alleen omdat hij het zelf heeft meegemaakt maar omdat hij zich verbonden weet met God van wie hij weet dat God zorgt. De hele schepping wacht op God, haar Maker. En de mensen in het bijzonder, de gunstgenoten van de grote Koning.

Spijze komt op Gods tijd. Hier hoor je tussen de woorden door dat het leven zijn problemen kent. Soms moeten wij lang wachten, soms komt het verlangde in dit leven nooit, soms wordt je verdrietig of zelfs boos omdat je zo graag het wilt ontvangen op jouw tijd.

Als er een hand is die zich opent is er ook een hand die zich sluit. Ook hier beluister je dat er moeite kan voorkomen.

En God verzadigt de mensen met welgevallen: zoals het Hem behaagt. Dat is vaak ondoorgrondelijk, maar toch nooit onberekenbaar. Je kunt het niet altijd begrijpen maar blijf wel zeggen dat het eerlijk is.

God is nabij ieder die Hem aanroept, ieder die Hem aanroept in waarheid, zelf God trouw blijft en het meent als hij bidt. Dit is uiting van doorleefd geloof.

Hier loopt de weg om de zegen te ontvangen. God vervult de wens van wie Hem vrezen. Ook dat is doorleefd. God hoort hulpgeroep, David weet er van, David is ervan overtuigd.

God bewaart allen die Hem liefhebben. Dus: God is groot en goed voor u.

Misschien lijkt uw levenssituatie wel een bewijs van de afwezigheid van God. Maar de open weg van het gebed bewijst dat het niet zo is.
David is een koning die wil zorgen voor allen. Maar hij beseft dat zijn God en Koning kan wat hem niet lukt: ieder echt helpen. Wij zijn christenen, ook een beetje koning. Met een taak om te zorgen voor de medemens, maar ook wij kunnen het niet zelf.

Je mag jezelf geen vakantie geven en het verzorgen van armen en verdrukten maar aan de Here overlaat. Maar niemand kan leven zonder dat diepe besef dat het gelukkig niet van ons afhangt maar dat onze grote en goede God voor ieder zorgt.


Amen




Dovnload 21.36 Kb.