Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Lezingen: Ezechiël 34: 20-28; Openbaring 6; Johannes 10: 17-21

Dovnload 35.47 Kb.

Lezingen: Ezechiël 34: 20-28; Openbaring 6; Johannes 10: 17-21



Datum14.09.2017
Grootte35.47 Kb.

Dovnload 35.47 Kb.


Amsterdam Oude Kerk 25 april 2010

Zondag Jubilate

Lezingen: Ezechiël 34:20-28; Openbaring 6; Johannes 10:17-21.

Preek over Openbaring 6


Even hadden ze weer het rijk alleen.

Zoals op die eerste vijfde dag.

Toen er nog geen grote dieren en mensen waren.

Even hadden ze weer het rijk alleen.

De vogels en de vissen.

Even was het weer de vijfde dag boven ons land.

Ergens in het noorden begon een vulkaan te pruttelen.

Even liet de aarde de mens weten wie er de baas is, bromde een geoloog in Nova.

De mens wikt, de natuur beschikt – varieerde een verslaggever bij Schiphol


Apocalytisch die stilte boven ons en het grommen van de aarde onder ons.

Maar we waren snel weer op de been en gingen – iets minder snel - snel weer de lucht in.

Wij westerlingen, wij overleven het wel.
Apocalyptisch: bijna is het een gewoon woord geworden.

Tsunami, aardbeving, vulkaanuitbarsting.

We krijgen op den duur de natuur wel onder, op en over de knie.
Werkelijk?

De lezing deze ochtend laat ànders zien.

Je ogen openen voor de werkelijkheid.

Dat doe je in de kerk.

Omdat we hier in handen ons weten niet van de natuur op zich maar van de Schepper van die natuur die beschikt over ons wikkende en wegende schepselen.
Het boek Openbaring.

Gebroeders van Eijk in de kathedraal van Gent.

Het Lam Gods retabel.

Loofhuttenfeest.

Openbaring 7: Israel de volken met palmtakken.
Nu Openbaring 6.

Alleen met uitzicht op het avondmaal, op de bruiloft van het Lam kunnen we meezien.

Opening van de zes zegels van het gesloten boek van de geschiedenis.

Iedereen in tranen.

De toekomst gaat niet door.

Niemand kan de verzegelde dag van morgen meer openen.

Niemand?

De leeuw uit de stam van Juda.

De telg van David.

Een leeuw?

Een lam zien we – de werkelijkheid.

Een lam – het stáát.

Het staat, terwijl het er uit ziet alsof het zojuist geslacht is.

Het ìs zojuist geslacht.

En het stáát weer op de benen.

Kijk, kijk goed – Goede Vrijdag en Pasen in één.

Het lam – in het Grieks van Johannes een verkleinwoord, een bokje.

Pittig, weerbaar bokje.

Meest voorkomende naam voor Christus in het laatste bijbelboek.

Negen en twintig keer, om precies te zijn.


Dit lam – blijf kijken – dit lam opent de zeven zegels – één voor één.

Dit lam rolt het boek van de geschiedenis open – vandaag, morgen, overmorgen, woensdag, volgende jaar, tot in het einde der dagen.


Dit lam.

En dan kunnen onze ogen niet meer vatten.

Dit lam als herder.

Herder wordt lam.

We hoorden de profeet Ezechiël over het goede herderschap.

We hoorden het Evangelie naar Johannes over Jezus die zijn leven geeft als Goede Herder door een lam te worden.

Je hebt er wel een profeet bij nodig, een evangelist.

Of een dichter.

Martinus Nijhoff bijvoorbeeld.
Waarom waren het herders
Die hun kudde en veld
Verlieten toen de boodschap
In Bethlehem werd verteld?
Omdat er een Lam
En een herder kwam.

Johannes vanaf zijn eenzame eiland heeft het ook gezien (Op. 7:17):

‘Want het lam midden voor de troon zal hen hoeden, hen naar de waterbronnen van het leven brengen’.

Waarop de woorden volgen, die geen droge ogen verdragen:

‘En God zal alle tranen uit hun ogen wissen’.


Zeven zegels.

De eerste vier.

Een serie.

Vier paarden
Eén van de vier wezens rond de troon van God – vier dieren lijken het: leeuw, jonge stier, mens, vliegende adelaar – de latere vier dieren die de evangelisten representeren –
Het eerste dier, de leeuw geeft het startschot.

Kom!


Als een donderslag.

Als in een circus: het paard begint te rennen.

Draven. Hollen. Op hol.
Paarden. Het OT heeft het niet zo op paarden, te sterk geassocieerd met oorlog, strijdrossen die de strijdwagens trekken.

In de Heliand, het negende eeuwse epos waarin het Evangelie de Saksen wordt uitgelegd, zijn de schapen in de kerstnacht opgewaardeerd tot paarden. Apocalyptiek in de heilige nacht.

Het eerste paard rent.

Een wit paard.

Daarop een ruiter met pijl en boog.

Overwinning.

Overwinnaar, kijk: fier en vrolijk.

De overwinning, de volgende, tegemoet.

Op zijn hoofd een krans, de zegekrans, de lauwerkrans, de kroon.

Geen wonder, dat vaak hier Christus in gezien werd.

Maar nee, dat komt, later, tegen het eind van het boek: Christus als de Prins op het witte paard.

Nu kijkt Johannes de geschiedenis van zijn dagen in.

De Parthen, het vermaarde en gevreesde ruitervolk uit het oosten, plaag voor de Romeinen, trefzeker als ze schieten konden, hun pijlen.

Er is altijd een lger dat sterker is dan het onze.


Tweede dier, de jonge stier.

Kom!

Het tweede paard rent.



Een rood, vuurrood paard.

En de ruiter, een zwaard, een groot zwaard in de hand.

Oorlog.

De vrede verdrijft dit paard uit de wereld.



De wapens de wereld uit, te beginnen in ons eigen land.

Welnee, de vrede de wereld uit, te beginnen ter plekke.

Zodat mensen elkaar afslachten.

Met het zwaard dus.


Er is dus vrede geweest – tot verveling geworden – of: tot vrede in de ziel geworden, zoals nu de kerk dreigt: het terugtrekken op de enkele ziel; het vrede-gevoel, de balans. Zoals de negentiende eeuw: de grote verveling (George Steiner). Nietzsche schouwde de nieuwe eeuw – en stortte zich in de waanzin bij wat hij zag. Hij zag de vier paarden de twintigste eeuw binnen hollen. Op 3 januari 1889 omarmde hij een paard op de Piazzo Carlo Alberto in Turijn, dat door de koetsier hardvochtig was geslagen. Dan stort hij ineen. In het ene uur van waken is zijn geest uiteen gescheurd.

Derde dier, met het gezicht van een mens.

Kom!

Het derde paard rent.



Eenzwart paard.

Daarop een ruiter met een weegschaal.

Honger.

Iets van een stem.



Alleen deze derde keer.

Vanwege het gezicht van een mens?

Het eten is op de bon.

De weegschaal staat voor distributie.

Schaarse markt.

Zwarte markt.

Een portie tarwe? Kost een dagloon. Genoeg voor één persoon, maar wat zijn gezin betreft: teveel om te sterven, te weinig om in leven te blijven.

Voor een dagloon kun je ook drie porties gerst krijgen. Het voedsel der armen.

Olie en wijn? Intact laten, daarover beschikken alleen de rijken. Ondanks de hongersnood en hongerdood blijft de luxe gekoesterd.
Honger: geen aandacht meer voor de geest, enkel voor het lichaam.

Vierde dier, de vliegende adelaar.

Kom!

Het vierde paard rent.



Een vaalgeel paard.

De naam van de ruiter: de Dood.

In zijn kielzog: het Dodenrijk.

Zij, Dood en Dodenrijk, krijgen verlof op een vierde deel van de aarde te zaaien dood en verderf.

Viervoudig de middelen:

Zwaard, hongersnood, dodelijke ziekten, wilde dieren.

De Dood hanteert het zwaard en het Dodenrijk neemt in ontvangst.
Geen persoonlijk afscheid – zoals de aardbeving in China: massagraf, tegen alle traditie in – geen condoleantiebezoek, geen gelegenheid voor persoonlijk afscheid.

Het vijfde zegel.

In Jeruzalem zijn we.

In de tempel.

Het altaar.

Aan de voet van het altaar het bloed.

Van de offerdieren.

Bloed is leven.

In het bloed is de ziel.

De ziel roept.

Zoals die van Abel.

Waarom? Waartoe?

De ziel van de martelaar, de getuige van het Woord van God, de getuige met het bloed.

Getuigen met het leven zelf.

Tot hoelang?

Hoelang nog?

Heilige, Betrouwbare Heer.

Wraak.


Wanneer wreekt Ge ons vergoten bloed?
Het is de stem van de martelaren, de bloed-getuigen. Onder de Romeinse keizer toen en nog altijd langs de heggen en steggen van onze aarde nu. De miljoenen godvergeten slachtoffers. Het zijn de christen-martelaren. Maar zij niet alleen. Het zijn de namelozen en ongenoemden die onwetend in de naam van Jezus hun medemens een beker koud water hebben aangereikt. Het zijn de Joodse kinderen in Auschwitz, de verdampten in Hirosjima, de vertrapten in de killing fields van deze planeet. Het is de bloedroep van het afgebroken leven. Tot hoelang, o Heilige?

De gedachte is niet te dragen dat de wereldgeschiedenis zelf het wereldgericht zou zijn. Dat niet een Stem over allen en alles zal oordelen. Wie kan, wie durft het boek van de geschiedenis te openen, zodat op slag alle stemmen van vergoten bloed - vanaf Abel tot op de huidige dag - tegelijk zouden klinken?

Het Lam opent het boek. Het Lam dat geslacht is en dat de geslachten – zo letterlijk - onder het altaar kent. Het is zijn altaar. Het is zijn stem. En Hij geeft antwoord op het ‘hoe lang’? Dat zijn witte gewaden, die de zielen worden omgeslagen. Het witte kleed van gerechtigheid, van de Paasmorgen. Méér is het niet. Voor het overige is het een zaak van geduld. Van wachten. Verwachten vooral. Een kleine tijd. Totdat de maat vol is. Totdat de oude wereld voorgoed bezwijkt onder haar ondraaglijk geworden last van het lijden. Wee ons, wanneer we bij de opening van het vijfde zegel niet zouden mee-schreeuwen van ellende.

Het zesde zegel.

Een aardbeving, een zware schok op de schaal van Richter.

En boven die geschokte en schokkende aarde:

De zon, zwart als een rouwkleed.

De maan, rood als bloed.

De sterren, vallend op aarde als late vijgen door een stormwind van de boom gerukt.

De hemel, als een uitgerolde boekrol, aan de einden vastgehouden, nu losgelaten en ineen gekruld.

De aarde, de bevende aarde.

Geen berg blijft op zijn plaats.

Geen eiland blijft op zijn plaats. Eilanden zijn ook bergen.

Geen houvast boven, geen houvast beneden.

De aarde woest en leeg.

Duisternis over de oervloed.

Geen licht meer.
En de mensen?

Zoals de schepping in zevenvoud terugzinkt in de chaos,

Zo de mensheid in zevenvoudige onderverdeling:

Koningen


Machthebbers

Legeraanvoerders

Rijken

Aanzienlijken



Slaven

Vrije mensen


De natuur is ons de baas.

De natuur – laat de natuur ons te hulp komen, ons verbergen.

In grotten.

Tussen de rotsen in de bergen.

Val op ons neer, gij bergen!

Verberg ons, gij rotsen!


Verberg ons voor het oog van hem die op de troon zit en voor de toorn van het lam!

Want nu is de grote dag van hun toorn aangebroken,

En wie kan doorstaan?
Dies irae, dies illa

Solvet saeclum in favilla,

Teste David cum Sibylla
Dag der toorn, o die dag

De wereld zal in as vergaan

Zoals voorzegd door David en de Sibylle.
David en de Sibylle.

We staan in de Sixtijnse kapel.

Hoog boven: David.

En de Sibylle, de profetes, de Volva in onze noordelijke regionen, de wijze zieneres.


Geen lot, geen noodlot treft ons, maar: de toorn van het lam.

De heilige, vurige, brandende toorn van de Liefde.

De Liefde van de hemel op aarde versmaad, afgewezen, op de ziel getrapt.

De toorn van God als:

de toorn van het Lam.
Het zevende zegel.

We kijken een ogenblik over het volgende hoofdstuk heen alvast:

‘Toen het Lam het zevende zegel verbrak, viel er een stilte in de hemel, gedurende ongeveer

een half uur’ (8:1)


Stilte, bij het brengen van het offer.

Ingehouden adem.

Stilte voor de storm.

Daniël stond een ogenblik verbijsterd (Dan. 4:16)

Uit het zwijgen wordt het woord geboren.

Zoals in den beginne.

En dan:

Ik zag de zeven engelen die voor Gods troon staan. Ze kregen alle zeven een bazuin.



Een sjofar

Nieuwe serie van zeven: hagel en vuur …

Gemeente,

Zeven zegels.

Als de dagen van de week.

In den beginne is het woeste en lege in deze zevensprong geordend.

Nu omgekeerd, terug van de goede schepping naar de chaos.

Maar - in het ritme van opnieuw het getal zeven.

Niet zomaar in wilde weg de chaos.

Ook nu: met oog op de sabbat, de nieuwe schepping, de nieuwe aarde onder de nieuwe hemel.

Er is orde ook in de chaos.

Zevenvoudig.

Zegels.

Bazuinen.

Schalen.
Als de NAAM niet klinkt, als bij de ark van Noach – verzinkt de goede schepping in de chaos weer. Als God één enkele seconde niet zou kijken naar het licht, en blijven zeggen: tov, goed. Licht, wat ben je mooi!
Liturgie in de Oude Kerk is het roepen van de getuigen.

Het roepen van de Naam.

Met de zielen onder het altaar, onder de grafstenen hier in de kerk.

Het Jubilate gaande houden, op de dag na de sabbat, met Israël.

Beschadig de wijn niet.

De wijn niet als luxe, maar als een teug, een slok, een proeve van de bloedrode liefde van het lam.



Kom, we gaan naar het Hoogkoor.
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

Amen.



Dovnload 35.47 Kb.