Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Loonbelasting eindejaarstips Aanpassingen in S&O-afdrachtvermindering

Dovnload 250.88 Kb.

Loonbelasting eindejaarstips Aanpassingen in S&O-afdrachtvermindering



Pagina1/2
Datum05.12.2018
Grootte250.88 Kb.

Dovnload 250.88 Kb.
  1   2

RB EINDEJAARSTIPS EN AANDACHTSPUNTEN 2013



Loonbelasting - eindejaarstips
Aanpassingen in S&O-afdrachtvermindering

Werkgevers met werknemers die zich bezighouden met speur- en ontwikkelingswerk (S&O), kunnen in aanmerking komen voor de S&O-afdrachtvermindering. Per 1 januari 2014 wordt de eerste schijf verlengd van € 200.000 naar € 250.000 maar het tarief gaat opnieuw naar beneden, en wel van 38% naar 35%. Nagegaan moet worden of het aantrekkelijker is om S&O-werkzaamheden nog even uit te stellen of deze juist nog wel in 2013 op te starten. Het starterstarief blijft gelijk op 50%. Het tarief in de tweede schijf (dus vanaf 2014 boven € 250.000) is 14% en verandert niet in 2014.



! S&O-inhoudingsplichtigen die minder S&O-uren realiseren dan was opgegeven, hebben een meldingsplicht.

! Vanaf 2014 mogen alle S&O-inhoudingsplichtigen een S&O-verklaring aanvragen voor een periode van langer dan zes maanden.

! Een eventueel overblijvend recht op S&O-afdrachtvermindering mag vanaf 2014 worden verrekend in andere aangiftetijdvakken in het kalenderjaar waarop de S&O-verklaring betrekking heeft. Is sprake van een verstreken tijdvak, dan volstaat een correctiebericht en is geen officieel bezwaar tegen de aangifte loonheffingen nodig.
Stamrechtvrijstelling vervalt

De stamrechtvrijstelling vervalt per 1 januari 2014. Ontslagvergoedingen zijn vanaf 2014 dus bij uitbetaling direct belast tegen het progressieve tarief van maximaal 52%. Werknemers die in 2013 ontslag krijgen, hebben nog de mogelijkheid om gebruik te maken van de stamrechtvrijstelling. Onder bepaalde voorwaarden kan een ontslagvergoeding dan zonder inhouding van loonheffing worden ondergebracht bij een stamrecht-bv, bank, beleggingsinstelling of verzekeraar. Die voorwaarden zijn:



  1. De aard en omvang van de vrijgestelde stamrechtaanspraak moet op 31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar zijn. Dit betekent dat vóór 1 januari 2014 een vaststellingsovereenkomst moet zijn getekend, waaruit blijkt dat de werkgever aan zijn werknemer een aanspraak toekent op periodieke uitkeringen als vervanging van gederfd of te derven loon.

  2. Uit de vaststellingsovereenkomst moet blijken dat het bedrag voor de financiering van de aanspraak wordt ondergebracht bij een bij de wet aangewezen aanbieder.

  3. Op 31 december 2013 moet de ontslagdatum vaststaan. Dit betekent dat het ontslag vóór 1 januari 2014 moet zijn aangezegd en vóór 1 juli 2014 moet worden uitgevoerd.

! Als de Belastingdienst vindt dat een ontslaguitkering eigenlijk een regeling voor vervroegde uittreding is, krijgt de werkgever te maken met een eindheffing van 52%.


Verlenging crisisheffing van 16% voor hoog salaris

In 2014 krijgen werkgevers opnieuw te maken met een eindheffing van 16% over het loon van een werknemer, dat in het voorafgaande jaar meer bedroeg dan € 150.000. Het gaat dan om loon uit tegenwoordige arbeid, inclusief eenmalige betalingen zoals bonussen, en ook het loon dat is genoten van een verbonden vennootschap telt mee. De werknemer wordt geacht het loon op 31 maart 2014 te hebben genoten, wat inhoudt dat de eindheffing 2014 in de aangifte van april 2015 moet worden verwerkt. Een in 2013 afgekocht levenslooptegoed telt niet mee voor de crisisheffing, voor zover hierop de ‘80%-regeling’ van toepassing is.



! Overwogen zou kunnen worden om een eventuele eindejaarsuitkering pas in 2014 toe te kennen, zodat deze niet meetelt voor de crisisheffing 2014.

! Wellicht is het mogelijk voor de crisisheffing 2014 een voorziening op de balans te vormen.

! Naar aanleiding van zo'n 10.000 bezwaarschriften tegen de crisisheffing 2013 zullen verschillende proefprocedures worden gevoerd. Deze gaan vooral over de vraag of belasting mag worden geheven over loon uit een eerder jaar, terwijl op het moment dat dit loon werd genoten, de maatregel nog niet bekend was c.q. nog niet in werking was getreden. Werkgevers die bezwaar hebben gemaakt en willen aansluiten bij de proefprocedures, hebben nog tot 1 december 2013 de tijd om dit via een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst te regelen.
Voordelig levenslooptegoed opnemen in 2013

De levensloopregeling is per 1 januari 2012 afgeschaft. Wie op 31 december 2011 een tegoed had van € 3.000 of meer, kan blijven sparen tot 1 januari 2022. Er wordt echter geen levensloopverlofkorting meer opgebouwd. Bij opname ineens van het volledige tegoed dat is gespaard tot 1 januari 2012, is in 2013 slechts over 80% van het tegoed loonbelasting verschuldigd. Het opgenomen tegoed hoeft niet te worden besteed aan verlof. Het tegoed dat vanaf 2012 is gespaard, is wel voor 100% belast.



! Is het volledige levenslooptegoed opgenomen, dan kan niet meer worden bijgestort. De levensloopregeling eindigt in dat geval.
Aanscherping CO2-uitstootgrenzen voor bijtelling auto van de zaak

De CO2-uitstootgrenzen voor de bijtelling voor het privégebruik van de door de werkgever ter beschikking gestelde (bestel)auto van de zaak worden vanaf 2014 opnieuw aangescherpt. Bovendien komen er twee nieuwe tarieven bij (4% en 7%), zodat de bijtelling in 2014 0%, 4%, 7%, 14%, 20% of 25% van de catalogusprijs kan bedragen. Is de auto ouder dan 15 jaar, dan moet 10% bij het van toepassing zijnde tarief worden opgeteld en geldt niet de catalogusprijs maar de waarde in het economisch verkeer. De hoogte van de bijtelling is niet alleen afhankelijk van de CO2-uitstoot, maar ook van de brandstof en van de afgiftedatum van het kentekenbewijs (vóór 1 juli 2012, na 30 juni 2012 maar vóór 1 januari 2013, in 2013 of in 2014). Een goede voorlichting kan fiscale teleurstellingen achteraf voorkomen.



! Tijdige aankoop en tenaamstelling kunnen fiscaal voordelig zijn. Zo geldt de 0%-bijtelling alleen als de auto vóór 2014 is aangeschaft en niet meer dan 50 gr/km CO2 uitstoot. Wordt het kenteken in 2014 of daarna afgegeven, dan geldt een bijtelling van 7%. Voor een volledige elektrische auto geldt in 2014 een bijtelling van 4%.

! De auto blijft het bijtellingspercentage bij aanschaf houden voor een periode van 60 maanden.

! De CO2-uitstoot is ook van belang voor de motorrijtuigenbelasting (MRB) en de belasting op personenauto's en motorrijtuigen (BPM) die voor de auto is verschuldigd. De vrijstelling in de MRB voor oldtimers geldt vanaf 2014 alleen als deze 40 jaar of ouder is. Vrijstelling van BPM is vanaf 2015 alleen nog maar mogelijk voor auto's zonder CO2-uitstoot ("nul-emissieauto's").
(Proef)procedures over 30%-regeling

Per 1 januari 2012 is de 30%-regeling aangepast en gelden strengere voorwaarden om hiervoor in aanmerking te komen. De regeling is bijvoorbeeld niet meer van toepassing op werknemers die binnen 150 km van de Nederlandse grens zijn aangeworven. Er geldt een eerbiedigende werking voor bestaande 30%-regelingen.



! Het is verstandig om tijdig na te gaan of deze "oude" 30%-regeling binnenkort afloopt en de betrokken werknemer voldoet aan de strengere voorwaarden van de nieuwe regeling.

! Er worden inmiddels proefprocedures gevoerd over de toepassing van de 150 km-grens. Het is nog niet duidelijk of deze maatregel EU-proof is en daarom is het verstandig om bezwaar te maken tegen een afwijzing van de 30%-regeling.

! Ook was er onduidelijkheid over het schaarstecriterium. De Hoge Raad heeft op 15 november 2013 echter beslist dat ook sprake is van een specifieke deskundigheid die in Nederland niet of schaars aanwezig is als een groot deel van de instroom (het ging om tandartsen) uit het buitenland moet worden gehaald. Sinds 2012 wordt het schaarstecritrium ingevuld met een salarisnorm, maar ook onder deze nieuwe regeling is de beslissing van de Hoge Raad nog van belang, namelijk als binnen een bepaalde beroepsgroep iedereen voldoet aan de salarisnorm.
Gebruikelijk loon directeur-grootaandeelhouder

Het is aan te raden om jaarlijks te toetsen of het gebruikelijk loon (2013: € 43.000) van de directeur-grootaandeelhouder (dga) naar beneden kan worden bijgesteld. De Belastingdienst kan uiteraard ook vinden dat het gebruikelijk loon hoger dan € 43.000 moet zijn. Is een hoger loon gebruikelijk bij soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, dan moet het loon van de dga op minimaal 70% van dit hogere gebruikelijk loon worden gesteld. Er geldt dus een marge van 30%.



! Het kan voor de dga aantrekkelijker zijn om in plaats van loon uit te betalen een dividenduitkering te doen. Over loon wordt immers maximaal 52% loonbelasting ingehouden, terwijl het gecombineerde tarief voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting over een dividenduitkering 40% tot 43,75% bedraagt en in 2014 zelfs 37,6% tot 41,5% door het naar 22% verlaagde tarief in box 2.

! Het voornemen bestaat om de marge van 30% vanaf 2015 te verlagen, mogelijk naar 10%. Dit kan een salarisverhoging voor de dga inhouden en dus een hogere loonheffing.
Pensioenregeling en het nieuwe Witteveenkader

Door de verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 67 jaar per 1 januari 2014 wijzigen vanaf die datum ook de Witteveenkaders voor de aftrek van pensioenpremies in de loonbelasting. De maximaal toegestane opbouw van het ouderdomspensioen bedraagt in 2014 bij toepassing van een eindloonstelsel 1,90% per jaar en bij een middelloonstelsel 2,15% per jaar. Geldt een beschikbarepremieregeling, dan mag het maximaal te bereiken pensioen van 70% van het pensioengevend loon vanaf 2014 pas worden bereikt na 37 jaar in plaats van de huidige 35 jaar. Er gelden ook nieuwe premiestaffels, waaraan een extra leeftijdsklasse van 65 tot en met 66 jaar is toegevoegd.



! De pensioenregeling van de werknemers moet tijdig worden aangepast aan de nieuwe wettelijke regels.

! De pensioenleeftijd mag ook op 65 jaar blijven, maar dan moeten lagere opbouwpercentages worden toegepast.

! Werkgevers die voor een beschikbarepremieregeling nu nog bruto-staffels gebruiken, moeten uiterlijk per 1 januari 2015 overstappen op (lagere) netto-staffels waarin geen kostenopslag meer is verwerkt.
Tijdelijke heffingskorting voor vroeggepensioneerden

Gepensioneerden die jonger zijn dan de AOW-gerechtigde leeftijd en bij wie de bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) wordt ingehouden, krijgen vanaf 2013 tijdelijk een speciale heffingskorting. Dit is een compensatie van de nadelige effecten voor deze groep van de invoering van het uniforme loonbegrip. Nagegaan dient te worden of aan de voorwaarden is voldaan waaronder recht bestaat op deze heffingskorting. De maximale heffingskorting bedraagt € 182 in 2013, € 121 in 2014 en € 61 in 2015. De werkgever is verplicht in de aangifte loonheffingen aan te geven of recht bestaat op deze tijdelijke heffingskorting. De werknemer of uitkeringsgerechtigde moet schriftelijk aangeven dat de werkgever de tijdelijke heffingskorting voor hem mag toepassen en dit verzoek moet in de loonadministratie worden bewaard.



! De tijdelijke heffingskorting mag maar door één werkgever worden toegepast. Als de werknemer in dat geval niet de volledige heffingskorting kan benutten, wordt het restant verrekend in de inkomstenbelasting, voor zover de vroeggepensioneerde nog andere inkomsten heeft.


Verplichte overgang naar werkkostenregeling uitgesteld

De verplichte toepassing van de werkkostenregeling (WKR) is uitgesteld tot 2015. Werkgevers die per 1 januari 2014 nog niet overstappen, hebben dus nog één jaar de tijd om zich hierop voor te bereiden. Het uitgangspunt is dat de werkkostenregeling geldt, tenzij wordt gekozen om de oude regels voor vergoedingen en verstrekkingen toe te passen.



! Het kan zijn dat de arbeidsvoorwaarden moeten worden aangepast bij een overstap naar de WKR. Hiervoor is toestemming nodig van de werknemers en eventueel de ondernemingsraad, dus tijdig starten met de voorbereidingen voor de overstap is van cruciaal belang.

Loonbelasting - aandachtspunten
Laatste jaar afdrachtvermindering onderwijs

De afdrachtvermindering onderwijs vervalt met ingang van 1 januari 2014. Werkgevers kunnen alleen nog in 2013 voor deze korting van de loonbelasting in aanmerking komen. Vanaf 2014 geldt de subsidieregeling praktijkleren die valt onder het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap. De subsidieregeling is inmiddels bekendgemaakt.



! Niet voor alle leerling-werknemers bestaat recht op subsidie, bijvoorbeeld niet voor mbo-studenten die een beroepsondersteunende leerweg (BOL) volgen of vmbo-studenten die een leer-werktraject doen. Voor sommige leer-werktrajecten is een overgangsregeling getroffen.
Consumpties op het werk

Een werkgever mag gratis consumpties verstrekken aan de werknemer. Het is ook mogelijk om te kiezen voor een vrije vergoeding van € 0,55 per dag. De vergoeding is ook toegestaan als thuis wordt gewerkt; dit geldt ook voor de directeur-grootaandeelhouder.



! Bij toepassing van de werkkostenregeling is een vergoeding in geld voor consumpties niet vrijgesteld.
Fiscaal gunstige geschenkenregeling

Een werkgever die de werkkostenregeling nog niet toepast, kan zijn werknemers tot een bedrag van € 70 een geschenk geven, waarop dan een eindheffing van toepassing is van 20%. Is de waarde van het geschenk hoger dan € 70, dan is het mogelijk om gebruik te maken van de kleineverstrekkingenregeling, wanneer het totaal op jaarbasis niet hoger is dan € 272 en per verstrekking niet meer dan € 136. Hierover moet de werkgever het tabeltarief als eindheffing toepassen.



! Bij een geschenk met een waarde van meer dan € 70, is het ook mogelijk om tot een bedrag van € 200 per maand per werknemer gebruik te maken van de eindheffing voor bovenmatige verstrekkingen.

! De geschenkenregeling is niet van toepassing op een contante betaling.

Verklaring geen privégebruik auto werknemer

Een werknemer die een verklaring geen privégebruik auto heeft ingevuld, krijgt niet te maken met een bijtelling op het loon. Heeft de werknemer toch meer dan 500 km privé met de auto gereden, dan krijgt de werknemer een naheffing en niet de werkgever, tenzij deze wist dat de werknemer de bijtelling ten onrechte niet toepaste.



! De werkgever moet de Belastingdienst zelf informeren over onjuistheden of onvolledigheden. Anders dreigt een boete van maximaal € 4.920.

! Een rittenregistratie kan bijtelling voorkomen. Deze moet een aantal basisgegevens over de gegevens per rit en de auto bevatten.
Eigen bijdrage auto van de zaak verlaagt bijtelling

Als een werknemer een duurdere auto wil rijden, kan de werkgever verlangen dat de werknemer een (hogere) eigen bijdrage betaalt. Deze bijdrage kan in mindering worden gebracht op de bijtelling voor het privégebruik van de auto, als de werkgever schriftelijk verklaart dat de duurdere auto zakelijk gezien niet nodig is. Met andere woorden: de bijdrage moet betrekking hebben op het privégebruik van de auto van de zaak. Dit moet goed vastliggen in de administratie.


Verschillende regelingen om bijtelling voor bestelauto te voorkomen

Voor bestelauto's bestaan diverse regelingen die ervoor zorgen dat geen bijtelling in aanmerking hoeft te worden genomen. Zowel de werkgever als de werknemer moet hierbij verschillende voorwaarden in acht nemen.



  1. Maximaal 500 km privé rijden: vereenvoudigde rittenadministratie.

  2. Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik: geen privékilometers rijden, zodat een rittenregistratie niet nodig is.

  3. De bestelauto is nagenoeg uitsluitend geschikt voor het vervoer van goederen.

  4. Doorlopend afwisselend gebruik door verschillende bestuurders: de werkgever betaalt € 300 per jaar per auto aan loonbelasting.

  5. Schriftelijk verbod op privégebruik of verbod om bestelauto mee naar huis te nemen met daaraan gekoppeld een boetebepaling. De werkgever moet toezicht uitoefenen op het naleven van het verbod en de verbodsbepaling moet worden opgenomen in de loonadministratie.

! Als een beroep wordt gedaan op de derde mogelijkheid die hiervoor is genoemd, dan is het aan te raden om met de Belastingdienst te overleggen of een bepaalde bestelauto nagenoeg uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen. Hierover is inmiddels veel rechtspraak verschenen.
VAR-WUO of VAR-DGA voorkomt inhoudingsplicht loonheffingen

Een werkgever die een opdracht verleent voor het uitvoeren van werkzaamheden, kan inhouding van loonheffingen voor de opdrachtnemer voorkomen met een verklaring arbeidsrelatie (VAR) winst uit onderneming (WUO) of inkomsten uit werkzaamheden voor rekening en risico van de vennootschap (DGA) van de opdrachtnemer. De werkzaamheden moeten dan wel in lijn liggen met de werkzaamheden waarvoor de VAR is afgegeven.


Afstempelmogelijkheid voor dga met pensioen in eigen beheer

Een directeur-grootaandeelhouder (dga) heeft sinds 1 januari 2013 de mogelijkheid om het pensioen eenmalig op de pensioendatum belastingvrij af te stempelen. Er moet dan sprake zijn van onderdekking. Dit houdt in dat de commerciële waarde van de activa minder dan 75% van de fiscale waarde van de pensioenverplichting is. Zo'n afstempeling wordt niet gezien als een belaste afkoop door de dga.



! De winst die vrijvalt door de verlaging van de pensioenaanspraak, is bij de bv wel belast voor de vennootschapsbelasting. Dit is uiteraard te verrekenen met eventuele compensabele verliezen.
AOW-gerechtigde leeftijd naar 65 jaar plus 2 maanden

Per 1 januari 2014 bedraagt de AOW-gerechtigde leeftijd 65 jaar plus 2 maanden. Hierdoor duren de verzekerings- en premieplicht voor de werknemersverzekeringen een maand langer dan in 2013 toen de AOW-gerechtigde leeftijd voor het eerst steeg (naar 65 jaar en 1 maand). Hetzelfde geldt voor de werkgeversheffing Zorgverzekeringswet (ZVW) die sinds 1 januari 2013 de ZVW-bijdrage in de meeste gevallen vervangt.



! Blijft de werknemer werken nadat de AOW-uitkering is ingegaan, dan is de werkgeversheffing ZVW verschuldigd tot het einde van de dienstbetrekking.
Extra verplichte gegevens op jaaropgave

Een werkgever moet aan zijn werknemer(s) een jaaropgave verstrekken. Hierop moet een aantal verplichte gegevens worden vermeld, zoals het loon, de ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen en de verrekende arbeidskorting. De jaaropgave over 2013 moet twee extra verplichte gegevens bevatten. Dit zijn de werkgeversheffing Zorgverzekeringswet en het totaal van de premies werknemersverzekeringen.


Werkbonus via loonheffing

De werkbonus verloopt vanaf 2014 via de inhouding van loonheffing bij de werkgever. Hiervoor is gekozen omdat de werknemer zo iedere maand dat hij werkt een deel van de werkbonus waar hij recht op heeft, terugziet in de vorm van een hoger nettoloon. De werkbonus over 2013 wordt via de aangifte automatisch verrekend in de inkomstenbelasting.



! De werkbonus voor 61- tot 64-jarigen wordt vanaf 2015 afgeschaft voor nieuwe gevallen. Vanaf 2018 verdwijnt de werkbonus helemaal.


Storting op depot voor inlener van personeel

Werkgevers die tijdelijk personeel betrekken via een uitzendbureau, kunnen vanaf 1 juli 2015 gemakkelijker aansprakelijk worden gesteld voor belastingschulden van het uitzendbureau. De werkgever ("inlener") moet tot maximaal 35% van de factuur (incl. btw) storten in een depot dat het uitzendbureau ("uitlener") vanaf 1 juli 2014 moet aanhouden bij de Belastingdienst. Gebeurt dat niet en het uitzendbureau komt zijn verplichtingen niet na, dan kan de Belastingdienst de werkgever aansprakelijk stellen voor het niet-gestorte bedrag en ook een boete opleggen van maximaal € 7.800.



Inkomstenbelasting - eindejaarstips
Voorlopige aanslag kan in rekening brengen belastingrente voorkomen

Wie verwacht (meer) belasting te moeten betalen over 2013, kan verzoeken om een voorlopige aanslag op te leggen of een verzoek tot herziening van de voorlopige aanslag doen. Is zo'n verzoek ingediend voor 1 mei 2014, dan is namelijk geen belastingrente verschuldigd als de (nadere) voorlopige aanslag conform het verzoek wordt opgelegd.



! De belastingrente gaat vanaf 1 april 2014 omhoog. Voor de inkomstenbelasting bedraagt de belastingrente dan in ieder geval 4%.
Kleine hypotheek aflossen

Het kan interessant zijn om een kleine hypotheek af te lossen, die nog rust op een eigen woning. Voor een eigen woning geldt het eigenwoningforfait. Deze bijtelling op het inkomen verlaagt de aftrek van de hypotheekrente. Als er geen of een kleine hypotheek op de eigen woning rust, hoeft het eigenwoningforfait, of een deel daarvan, niet bij het inkomen te worden geteld.



! Een bijkomend voordeel van het aflossen van een kleine hypotheek is dat het box 3-inkomen minder zal worden, zodat de aflossing ook nog eens belasting in box 3 bespaart.
In 2012 gestarte verbouwing eigen woning in 2013 afgerond

Is een verbouwing van een eigen woning in 2012 gestart maar de financiering daarvan pas in 2013 geregeld, dan valt de rente op die financieringsschuld nog onder de eigenwoningregeling die tot 2013 gold. Verplichte aflossing van de schuld is dan niet vereist. Om aan te tonen dat in 2012 is begonnen met de verbouwing, moet een schriftelijke overeenkomst met een aannemer kunnen worden overgelegd.



! Om in aanmerking te komen voor hypotheekrenteaftrek moet de verbouwing in 2013 zijn afgerond.
Mogelijkheden om de winst te verlagen

Elke ondernemer kan op een relatief eenvoudige manier zijn winst verlagen door kritisch naar zijn balans te kijken. Vaak is het mogelijk een voorziening voor verwachte uitgaven te vormen of kan een vordering worden afgewaardeerd die onvolwaardig is geworden. Wellicht staan er nog incourante aandelen op de balans die kunnen worden afgewaardeerd of ligt er incourante voorraad in het magazijn.



! Als een voorziening niet mogelijk is, kan soms een kostenegalisatiereserve worden gevormd. Deze reserve is bijvoorbeeld mogelijk voor groot onderhoud van een bedrijfspand.


Tijdelijk maximaal 50% ineens afschrijven in 2013

In 2013 bestaat voor ondernemers in de inkomstenbelasting opnieuw een tijdelijke mogelijkheid om versneld af te schrijven op investeringen in bedrijfsmiddelen. Dit is mogelijk wanneer de investering in het nieuwe bedrijfsmiddel plaatsvindt in de periode 1 juli tot en met 31 december 2013. Wordt voldaan aan de voorwaarden, dan kan direct maximaal 50% van de aanschaf- of voortbrengingskosten ten laste van de winst worden gebracht. Zo kan een liquiditeitsvoordeel worden behaald in 2013, maar daar staat tegenover dat in latere jaren minder kan worden afgeschreven en de winst dus hoger uitvalt dan bij reguliere afschrijving.



! Om in aanmerking te komen voor de versnelde afschrijvingsmogelijkheid moet het bedrijfsmiddel vóór 1 januari 2016 in gebruik zijn genomen. Bepaalde investeringen zijn uitgesloten van de regeling.

! ls het bedrijfsmiddel ná 2013 voor het eerst in gebruik genomen, dan kan in 2013 maximaal het bedrag dat is betaald, willekeurig worden afgeschreven.
Tijdige ingebruikname bedrijfsmiddel voor versnelde afschrijving

In 2011 bestond ook een tijdelijke regeling voor versnelde afschrijving op investeringen in nieuwe bedrijfsmiddelen. Toen was het mogelijk om onder bepaalde voorwaarden maximaal 50% af te schrijven in het jaar van investering en 50% in de jaren daarna.



! Om hiervoor in aanmerking te komen moet het bedrijfsmiddel vóór 1 januari 2014 in gebruik zijn genomen. Bij ingebruikneming na die datum wordt een toegepaste versnelde afschrijving teruggenomen.
Investeringsaftrek vermindert inkomstenbelasting

Bij investeringen in bedrijfsmiddelen zijn er verschillende mogelijkheden om een deel van de investering van de Belastingdienst terug te krijgen via de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), de energie-investeringsaftrek (EIA) en/of de milieu-investeringsaftrek (MIA). Voor de KIA mag het investeringsbedrag niet hoger zijn dan € 306.931. Bij een investering tussen € 55.248 en € 102.311 is de KIA het hoogste, namelijk een vast bedrag van € 15.470.



! De per 1 januari 2014 voorziene verhoging van de aftrekpercentages van de EIA en MIA gaat niet door. De EIA blijft gehandhaafd op 41,5% van het bedrag aan energie-investeringen (boven het drempelbedrag en tot een bepaald maximum) en de MIA op 13,5%, 27% of 36% (afhankelijk van de soort milieu-investering en boven het drempelbedrag).
Hogere drempel voor EIA en MIA/Vamil

Investeringen in bedrijfsmiddelen moeten vanaf 2014 minimaal € 2.500 bedragen om in aanmerking te komen voor de energie-investeringsaftrek (EIA) en milieu-investeringsaftrek (MIA) en/of willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen (Vamil). Dit bedrag geldt per bedrijfsmiddel, zodat sprake is van een aanzienlijke verhoging. In 2013 geldt immers een drempel van € 450 per bedrijfsmiddel en voor de EIA en MIA ook nog eens een drempel van € 2.300 aan totale investeringen in een jaar.



! Als er kleine investeringen zijn gepland, dan kan het voordelig zijn deze nog in 2013 te doen.

! Om in aanmerking te komen voor de EIA, MIA en/of Vamil moet de investering tijdig worden gemeld bij Agentschap NL.

! De EIA, MIA en Vamil worden vóór 2019 geëvalueerd om te bepalen of deze regelingen na 2018 ook nog worden voortgezet. Schuif energie- of milieu-investeringen daarom niet op de (al te) lange baan.
Investeringsaftrek voor zuinige auto's

Zeer zuinige personenauto's met een CO2-uitstoot van maximaal 88 gr/km (diesel) en 95 gr/km (benzine) komen alleen nog in 2013 in aanmerking voor kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). Vanaf 2014 vervalt deze mogelijkheid. Daarom is tijdige investering van groot belang.



! Voor investeringen in (semi-)elektrische auto's blijft het wel mogelijk om milieu-investeringsaftrek (MIA) te krijgen.
Lagere toevoeging aan oudedagsreserve

Ondernemers die winst maken, kunnen een deel van die winst aanwenden voor een oudedagsreserve. Deze toevoeging aan de oudedagsreserve verlaagt de verschuldigde inkomstenbelasting. In 2013 bedraagt de maximale toevoeging aan de oudedagsreserve 12% van de winst met een maximum van € 9.542. In 2014 gaat dit percentage naar beneden en mag maximaal 10,9% van de winst worden toegevoegd aan de oudedagsreserve.



! In 2015 gaat het percentage nog verder naar beneden en kan maximaal 8,9% van de winst aan de oudedagsreserve worden gedoteerd, tot een maximum van € 7.847 (cijfers 2013). Voor elk jaar dat de pensioenleeftijd toeneemt, wordt de dotatie met 0,4%-punt verlaagd.
Voordelige opname stamrecht

Een stamrecht dat is ondergebracht bij een stamrecht-bv, bank, beleggingsinstelling of verzekeraar, kan onder gunstigere voorwaarden worden uitgekeerd. Vanaf 1 januari 2014 vervalt namelijk de eis dat een stamrecht moet worden uitgekeerd in periodieke termijnen. Dit betekent dat een in 2013 bestaand stamrecht vanaf 2014 ineens kan worden uitgekeerd zonder heffing van 20% revisierente. Dit heeft te maken met de afschaffing van de stamrechtvrijstelling in de loonbelasting per 1 januari 2014.



! Er is sprake van een in 2013 bestaand stamrecht als 1) de aard en omvang van de vrijgestelde stamrechtaanspraak op 31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar is, dus de stamrechtovereenkomst vóór 1 januari 2014 is getekend, 2) uit die stamrechtovereenkomst blijkt dat het bedrag voor de financiering van de aanspraak wordt ondergebracht bij een bij de wet aangewezen aanbieder en 3) het ontslag vóór 1 januari 2014 is aangezegd en vóór 1 juli 2014 wordt uitgevoerd.

! Bij een volledige opname van het stamrechtkapitaal in 2014 ineens wordt slechts 80% belast tegen het progressieve tarief. Dit kan een belastingbesparing opleveren. Voor de 80%-regeling komen alleen aanspraken in aanmerking, die voldoen aan de voorwaarde dat het voor de financiering verschuldigde bedrag vóór 15 november 2013 is overgemaakt.

! Bij hoge ontslagvergoedingen kan het aantrekkelijk zijn om een middelingsverzoek in te dienen. Voor zo'n verzoek moeten dan wel de definitieve aanslagen over alle drie middelingsjaren zijn vastgesteld.
  1   2


Dovnload 250.88 Kb.