Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Losse letter: metalen staafje met daarop het verhoogde beeld van een letter, cijfer of teken waarvan in hoogdruk wordt gedrukt. Incunabel

Dovnload 24.56 Kb.

Losse letter: metalen staafje met daarop het verhoogde beeld van een letter, cijfer of teken waarvan in hoogdruk wordt gedrukt. Incunabel



Datum05.12.2018
Grootte24.56 Kb.

Dovnload 24.56 Kb.

Losse letter: metalen staafje met daarop het verhoogde beeld van een letter, cijfer of teken waarvan in hoogdruk wordt gedrukt.

Incunabel: boek, gemaakt in Europa vóór 1 januari 1501, en gedrukt met losse letters.

Postincunabel: boek in Europa gedrukt tussen 1 januari 1501 en 31 december 1540.



Houtsnede: 1. hoogdruktechniek waarbij een in een houtblok uitgesneden voorstelling wordt afgedrukt. 2. prent vervaardigd volgens deze werkwijze.

Kopergravure: 1. diepdruktechniek waarbij een tekening met een burijn in een koperen plaat wordt gegraveerd en vervolgens met een pers wordt afgedrukt. 2. afdruk van een gegraveerde koperplaat.

Matrijs: 1. onderdeel van de gietvorm waarin een of meer letterbeelden verdiept zijn aangebracht voor het maken van een afgietsel in lood van een losse letter, een regel tekst of een halfcilindrische drukvorm. 2. bij fotozetten: de letterbeelddrager.

Losse vellen: bij boeken: in de vorm van (nog) niet gebonden en ongevouwen vellen.

Codex: tekst in boekvorm; dat wil zeggen gedrukt of geschreven op samengebonden katernen. De term wordt specifiek gebruikt als benaming voor een middeleeuws boekhandschrift.

Druk: 1. alle exemplaren van een publicatie die te eniger tijd van hetzelfde of grotendeels hetzelfde zetsel zijn gedrukt. 2. keer dat een uitgave gedrukt wordt, bijvoorbeeld 3e druk.

Oplage: deel van een druk dat alle exemplaren bevat die binnen één tijdsgeheel van de pers zijn gekomen.

Rol: handschrift in de vorm van een rol, in de Oudheid als regel van papyrus.

Perkament: afgeschraapte en vaak gesplitste huid van een dier, bewerkt met kalkwater en puimsteen; om zijn duurzaamheid en oppervlaktekwaliteiten veel gebruikt als schrijfmateriaal en om boeken in te binden.

Octavoformaat: formaat van een boek samengesteld uit driemaal, dus in achten, gevouwen vellen (8°, 8vo).

Platten: onderdeel van de boekband, doorgaans met een kern van karton of hout en een bekleding van leer, perkament, papier, linnen e.d., ter bedekking van de voor- en achterzijde van het boekblok.

Stempels: 1. werktuig waarmee door persing op of in een bepaald materiaal, meestal papier of karton, een afdruk wordt gemaakt van een tekst of voorstelling, al dan niet met gebruikmaking van inkt of folie. 2. in boekbinderij gebruikt handstempel van maximaal ca 10 cm², bestaande uit een vlak (of zeer licht bol) stuk metaal met de af te drukken voorstelling in reliëf. Dit stuk metaal zit vast aan, of maakt deel uit van een metalen staaf die in een handvat steekt. 3. met één van de bovengenoemde stempels vervaardigde afdruk.

Drukletter: afdruk van een in lood gegoten letter; een 'gedrukte letter'. Het letterstaafje waarmee de afdruk wordt gemaakt, wordt ook wel met de naam drukletter aangeduid.

Textura: vroegste en meest formele van de gotische lettertypen, gebaseerd op handschriften in het Latijn: smal en recht van vorm, bestaande uit hoekige, dikke lijnen, aan de onderzijde eindigend in een ruit of een punt; met korte stokken en staarten.

Romein: normale, rechtopstaande drukletter, ter onderscheiding van de cursief, gotische letter, civilité enz.

Cursief: schuin staande (als schuine letter ontworpen) drukletter.

Titelpagina: bladzijde voorin een publicatie waarop de meest volledige titelgegevens voorkomen, evenals meestal een auteursvermelding en een volledig of gedeeltelijk impressum.

Rubricator: persoon die de rubriceringen in een publicatie aanbrengt.

Illuminator: degene die een middeleeuws handschrift of vroege druk heeft geïllumineerd (=> Illuminatie/ Verluchting: geschilderde miniaturen, initialen en randversieringen in middeleeuwse handschriften en zeer vroege drukken.)

Initiaal: door grootte en/of versiering bijzonder gemarkeerde beginletter van een tekst of tekstgedeelte.

Paragraafteken: 1. teken dat in de doorlopende tekst van middeleeuwse handschriften of vroege drukken werd gebruikt om het begin van een nieuw gedeelte (alinea, paragraaf) aan te duiden.
2. in de huidige tijd: teken § dat, in combinatie met een cijfer, in een tekst het begin van een afzonderlijk gedeelte aanduidt; in Angelsaksische landen ook gebruikt als nootverwijzingsteken.

Miniaturen: 1. (in oorsprong) rode beginletter in een handschrift.
2. geschilderde voorstelling in een middeleeuws handschrift of vroege druk.
3. in klein formaat geschilderd portret.
4. klein formaat afbeelding.

Gietvorm: mal voor het gieten van letterstaafjes, bestaande uit twee op elkaar passende helften in één waarvan de matrijs wordt geplaatst.

Stempelsnijder: persoon die metalen letters (voor handzetsel) ontwerpt en daarvan stempels vervaardigt die worden gebruikt voor het maken van matrijzen.

Lettergieter: persoon als ambacht het gieten van lettermateriaal beoefent.

handgeschept papier: handmatig, met een schepvorm vervaardigd gevergeerd of ongevergeerd papier, meestal met watermerk en schepranden.



(papier)pulp: suspensie in water van plantaardige vezels die, meestal in combinatie met hulpstoffen, dient als grondstof voor de fabricage van papier en karton.

Papiermolen: water- of windmolen waar de productie van handgeschept lompenpapier plaatsvond. De aandrijfkracht van de molen werd gebruikt om de stampers die de lompenvezels losslaan in beweging te brengen.

Schepvorm: zeef, bestaande uit een op een houten raamwerk aangebracht fijn raster van koperdraden waarmee de papiermaker of de schepper papierstof uit een kuip schept om een blad papier te vormen.

Watermerk: bij doorvallend licht zichtbare figuren in papier, ontstaan tijdens de bladvorming op de schepvorm of -zeef als afdruk van een verhoogd of verdiept patroon; het figuur is (meestal) een kenmerk van de papiermolen waar het papier vervaardigd is.

Bladspiegel: 1. beschreven gedeelte van een bladzijde in een handschrift.
2. in drukwerk: stand en afmetingen van de zetspiegel op de bladzijde en de onderlinge verhouding met de omringende witmarges.

Incipit: beginwoorden van een tekst in een handschrift of druk.

Colofon: mededeling, meestal aan het slot van handschrift of druk, die over de technische realisatie daarvan informatie geeft, soms aangevuld met andere gegevens.

Formaat: in bibliografische beschrijving: kenmerkende afmetingen van een publicatie of document, bij oud drukwerk uitgedrukt in vouwformaten, bij modern drukwerk uitgedrukt in centimeters; afhankelijk van het medium gemeten naar hoogte en/of breedte en/of diepte, of diameter.

Marginalia: 1. verklarende aantekening, uitlegging, of commentaar gedrukt of geschreven in de marge. 2. commentaar op een eerder verschenen boek of artikel, gepubliceerd in de vorm van een pamflet.

Paginacijfer: nummer dat behoort tot de paginering, meestal geplaatst onder aan de bladzijde of in de kopregel: in het midden of aan de buitenkant.

Bladwachter: weergave - in de rechter benedenhoek van een bladzijde - van het eerste woord of woordgedeelte van de volgende bladzijde.

Rubrieken: 1. met rode inkt geschreven of gedrukt opschrift boven een tekstgedeelte in een middeleeuws handschrift of vroege druk. 2. afdeling in een publicatie die aan een bepaald onderwerp is gewijd.

Blokboek: boek gedrukt met de techniek der blokdruk.

Uitgave: 1. aanduiding van elke presentatievorm van een gepubliceerde tekst die al dan niet is herzien en ongeacht de wijze waarop deze tot stand is gebracht. 2. verschillende presentatievormen binnen één druk, zoals een gebonden uitgave en een ingenaaide, een luxe en een gewone uitgave. 3. tekst die op een bepaalde wijze is bewerkt, bijv. tekstkritisch verzorgd en/of geannoteerd.

Nadruk: 1. herdruk die is vervaardigd zonder toestemming van de auteur of de oorspronkelijke uitgever. 2. het produceren van een nadruk.

Uitgever: 1. iemand die beroepshalve voor eigen rekening en risico publicaties verveelvoudigt, openbaar maakt en verspreidt, voor voldoende grote, al dan niet specifieke groepen van afnemers.
2. iemand die een publicatie of een tekst, door wijziging van de inhoud en/of de vorm, in overeenstemming brengt met de nieuwste gegevens of inzichten of voor een ander doel geschikt maakt.

Diepdruktechniek: drukprocédé, waarbij het beeld verdiept in de drukvorm (plaat of cilinder) wordt aangebracht en, van drukinkt voorzien, wordt overgebracht op het krachtig op het tegen de drukvorm aan geperste papier.

Gravure: 1. illustratietechniek waarbij met een scherpe stift tekeningen in houten blokken of metalen platen worden in- of uitgesneden, om daarvan vervolgens afdrukken te maken. 2. afdruk van een ingesneden plaat of blok.

Boekband: omhulsel van een boekblok, bestaande uit twee stijve, halfstijve of soepele platten en een rug, dat de katernen of de losse velletjes waaruit het boekblok is opgebouwd beschermt.

Katern: 1. bij een middeleeuws handschrift: een of meer in elkaar gestoken dubbelgevouwen bladen papier of perkament. 2. bij een gedrukt boek: een of meermalen gevouwen vel dat (meestal samen met andere gevouwen vellen) tot een boek gebonden wordt.

Binder: iemand die het ambacht van boekbinden beoefent.

Ribben op de rug: dwars over de rug van een boekband lopende verhogingen, ontstaan door de erachter liggende riemen of touwen waarop het boek genaaid is, of door een kunstmatige constructie die dat moet imiteren.

Boekblok: blokvormig lichaam, gevormd door de aaneengehechte vellen, bladen of katernen van een boek, exclusief de boekband.

Snede: elk van de drie zijden van het boekblok, gevormd door de kanten van de individuele bladen die door afsnijden gelijk gemaakt zijn.

Kapitalen: 1. in typografie: hoofdletter. 2. bij handmatig vervaardigde boekbanden vaak toegepaste versteviging van de kwetsbare boven- en (meestal) onderzijde van de boekrug, bestaand uit een stevige kern, die met gekleurd draad geborduurd is.

Handschrift: benaming voor een (in hoofdzaak) met de hand geschreven tekst.

Scriptorium: middeleeuwse schrijfwerkplaats, onder meer in kloosters.

Drukpers: 1. algemene benaming voor een apparaat of machine voor het drukken van boeken, platen enz. 2. geheel van activiteiten in het werk gesteld voor het drukken en verspreiden van geschriften ('de drukpers').

(letter)zetter: persoon die zetsel samenstelt, met de hand of met een behulp van een zetmachine.

(drukkers)kopij: voor de drukkerij bestemde kopij, in sommige gevallen bewerkte tekst met aanwijzingen voor de zetter. (kopij: geschreven, getypte, geprinte of al eerder gedrukte tekst die moet worden gezet.)

Drukproef: vóórafdruk van zetsel en/of illustraties die tot doel heeft deze te controleren en waar nodig te corrigeren.

Lettergieter: persoon als ambacht het gieten van lettermateriaal beoefent.

Schoondruk: 1. eerste drukgang van een vel waarbij de voorkant bedrukt wordt. 2. bedrukte voorzijde van een vel.

Weerdruk: 1. tweede drukgang van een vel waarbij de achterkant bedrukt wordt. 2. bedrukte achterzijde van een vel.

Rubricering: 1. in middeleeuwse handschriften of vroege drukken: de met rode inkt aangebrachte opschriften, beginletters, paragraaftekens e.d. of de met rood onder- of aangestreepte beginletters.

Kopregel: titel of opschrift die aan de kop van iedere kolom of iedere pagina wordt herhaald.

Corrector: persoon die de correctie van de drukproef uitvoert, door vergelijking met de kopij.

Voorwerk: 1. boektechnisch: datgene wat in een boek aan het begin van de tekst voorafgaat, soms met eigen paginering en/of katernsignaturen. 2. catalogustechnisch: de titelpagina van een publicatie, de keerzijde daarvan, en de bladzijden die aan de titelpagina voorafgaan.

(druk)vorm: het materiaal dat de af te drukken tekst of afbeelding bevat, bijvoorbeeld loodzetsel, clichés, offsetplaat e.d.

Zetkast: in vakjes verdeelde lade(n) waarin het lettermateriaal van één corps van een lettersoort voor de handzetter gereed ligt.

Onderkast: kleine letters; oorspronkelijk de onderaan op de bok geplaatste letterkast waarin deze letters zich bevinden.

Bovenkast: hoofdletters, oorspronkelijk de bovenaan de bok geplaatste letterkast waarin deze letters zich bevinden.

Zethaak: bakvormig houten of messing instrument waarin door de handzetter letterstaafjes geplaatst worden om regels te vormen; de regellengte kan met een instelbare klem worden ingesteld.

Zetsel: tekst in de vorm van regels en pagina's, vastgelegd in lood of op film of fotografisch papier, bedoeld om afgedrukt te worden.

Galei: rechthoekige houten of metalen plaat met drie opstaande randen waarop de nog losse letters en regels van het zetsel samengevoegd worden tot kolommen of pagina's.

Uitvullen: bij het zetten: vergroten (of verkleinen) van woordspaties om de regel op de vastgestelde lengte te brengen.

Voorberekening: op basis van de kopij uitgevoerde berekening van het aantal woorden en regels dat overeenkomt met een pagina zetsel, om de omvang van het werk te kunnen inschatten of om het zetten in een andere volgorde dan de numerieke mogelijk te maken.

Zetfouten: 1. door de zetter gemaakte fout waarvan de correctie - in tegenstelling tot een auteurscorrectie - voor zijn rekening komt. 2. fout in de tekst van drukwerk, veroorzaakt door een vergissing bij het zetten.

Grijpfouten: doet zich voor wanneer de zetter een letter uit het verkeerde vakje van de letterkast pakt; dit heeft zetfouten tot gevolg.

Distributiefouten: het verkeerd terugplaatsen van een letter in de letterkast bij het opruimen van gebruikt zetsel, wat zetfouten tot gevolg heeft.

(druk)staten: 1. bij oude drukken: groep exemplaren van een druk die van een groep andere exemplaren verschilt doordat tijdens het drukken wijzigingen in de tekst zijn aangebracht zonder dat sprake is van een afzonderlijke oplage of uitgave. 2. elk van de vormen waarin een prent, met wijzigingen in achtereenvolgende stadia, is afgedrukt.

Folioformaat: formaat van een boek, samengesteld uit eenmaal gevouwen vellen (fol., 2°).

Quarto: formaat van een boek samengesteld uit tweemaal, dus in vieren, gevouwen vellen (4°, 4to).

Insluitschema: schematische voorstelling van de onderlinge posities van de pagina's op het gedrukte vel, in overeenstemming met de beoogde vouwwijze.

Timpaan: onderdeel van de handpers: rechthoekig scharnierend raam waarop een stuk perkament is gespannen; op dit raam wordt het te bedrukken papier gelegd.

Frisket: onderdeel van de handpers: rechthoekig scharnierend raam waarop een stuk papier of perkament is gespannen; hierin is de zetspiegel uigesneden; dient om te voorkomen dat de marges van het papier tijdens het drukken met inkt besmet worden.

  • Houtsnede
  • Losse vellen
  • Oplage
  • Octavoformaat
  • Romein
  • Rubricator
  • Initiaal
  • Gietvorm
  • (papier)pulp
  • Incipit
  • Paginacijfer
  • Blokboek
  • Nadruk
  • Binder
  • Boekblok
  • Handschrift
  • (letter)zetter
  • Drukproef
  • Kopregel
  • (druk)vorm
  • Onderkast
  • Zetsel
  • Uitvullen
  • Grijpfouten
  • Folioformaat

  • Dovnload 24.56 Kb.