Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Luthers kritiek aan de aflaten, in het bijzonder in zijn stellingen 41 – 44 van 31 oktober 1517

Dovnload 47.45 Kb.

Luthers kritiek aan de aflaten, in het bijzonder in zijn stellingen 41 – 44 van 31 oktober 1517



Datum05.12.2018
Grootte47.45 Kb.

Dovnload 47.45 Kb.

Luthers kritiek aan de aflaten, in het bijzonder in zijn stellingen 41 – 44 van 31 oktober 1517

Inleiding op een discussie in de Interconfessionele Werkgroep Luther- Onderzoek in Nederland op 1 november 2016




  1. De aflaten in het kader van de kerkelijke boetepraktijk

    1. Het ideaal van zondeloosheid bleek voor christenen onbereikbaar

De eerste christelijke gemeenten hadden de ambitie om “zonder vlek of rimpel”1 te zijn: christenen mochten na hun doop niet meer zondigen. Wie dat wel deed, werd de gemeente uitgezet. Maar al gauw moesten de gemeenten inzien dat hun leden niet vrij waren van feilen, en zij besloten zulke leden weer op te nemen. Er ontstonden in reactie daarop weliswaar groepen van ‘rigoristen’ die beweerden dat zich - tenminste volgens hun claim - in hun midden geen zondaars bevonden, zoals de Montanisten in Phrygië, de volgelingen van Hippolytus en Novatianus in Rome en de Donatisten in Noordafrika. Maar de meerderheid van de christelijke gemeenten ging een andere weg. Stap voor stap hielden zij er rekening mee dat ook christenen lichtere of zelfs zware fouten maakten.

Een stap op deze weg naar grotere rekkelijkheid verduidelijkt een geschrift uit het midden van de tweede eeuw. Deze ‘Herder van Hermas’, geschreven in Rome ongeveer 140 n. Chr., beweert dat echtbreuk - eenmalig - vergeven kan worden, omdat het einde der wereld nabij is. In de loop der tijd werden zelfs christenen weer in de gemeenschap opgenomen die zich daarbuiten gesloten hadden door misdrijven te plegen of door hun geloof te verloochenen. Wel dienden zij een behoorlijk beschamende weg af te leggen: in de gemeenten in het oosten van het Romeinse Rijk moesten zij bijvoorbeeld eerst een tijdje voorin het kerkgebouw staan en door wenen duidelijk maken dat ze hun fouten betreurden; daarna moesten ze een tijd in het achterste deel van de kerk blijven; een derde stap was dat ze gedurende de eredienst moesten knielen; tenslotte mochten zij weer staan, maar niet ter communie gaan. Pas na afloop van dit proces van boetedoening werden ze weer als volwaardige leden van de gemeente geaccepteerd.2 De volgorde was dus: men moest éérst aantonen dat men echt berouw had, daarna pas werd men weer als volwaardig lid van de gemeente geaccepteerd.



    1. Genoegdoening: Van ‘controle door de gemeente’ naar ‘controle door God zelf’

Op de langere termijn werd de volgorde van het boeteproces veranderd. Een ‘zondaar’ diende allereerst berouw te tonen, en wel liever echt berouw: contritio cordis, berouw van het hart. Maar desnoods voldeed ook attritio: berouw uit vrees voor de goddelijke straf. Sommige theologen gingen er van uit dat door het sacrament van de boete de attritio >>contritio zou worden. Op berouw volgde de biecht bij de priester - of in bijzonder zware gevallen bij de bisschop - , de confessio oris (belijden [van de zonde] met de mond). De priester sprak vervolgens namens God de vergeving uit (absolutio). Wat nog restte was de genoegdoening (satisfactio operis). Die kwam dus niet meer – zoals eerder – vóór de absolutio, maar daarna. De genoegdoening moest wel geschieden. Maar ze werd niet meer voor de ogen van de gemeente volbracht. Ze bleef verborgen. Omdat men er van uitging dat God alwetend is, was het immers niet mogelijk Hem te bedriegen.3


    1. De oproep tot de zogenaamde Eerste Kruistocht - een stap van betekenis in de historische ontwikkeling van de aflaten

Een belangrijke stap in de ontwikkeling van de aflaten is de oproep tot de zogenaamde Eerste Kruistocht.4 De keizer van het Oost-Romeinse Rijk had een verzoek aan paus Urbanus II. doen uitgaan. Hij wilde dat de paus huursoldaten regelde, om zijn rijk tegen de Turken te verdedigen. Hij kleedde zijn verzoek in als een vraag om hulp tegen vijanden van het christelijke geloof, die de heilige plaatsen zouden bezoedelen. De paus riep in november 1095 de in Clermont (Frankrijk) bij een synode aanwezige ridders op, aan dit verzoek gehoor te geven. Hij veranderde daarbij de doelstelling ingrijpend door te beweren dat God zelf deze onderneming wou en dat het om bevrijding van het Heilige Graf van de ongelovigen zou gaan. Aan een ieder die de levensgevaarlijke reis op zich zou nemen beloofde hij kwijtschelding van de hele boetedoening.5 Bewust of onbewust verdoezelde de paus door zijn woordkeuze het eminent belangrijke verschil tussen ‘schuld’ en ‘straf’. Een theologisch correcte woordkeuze zou zijn geweest dat hij alle deelnemers hun kerkelijke straf zou kwijtschelden.


    1. Onzekerheid van de zondaren m.b.t. de ‘open rekening’

Moeilijk werd de berekening van de verschuldigde genoegdoening voor christenen, omdat een van schuld (culpa) vrij gesproken zondaar nooit precies te weten komt hoeveel straf (poena) hij of zij nog af te dragen had. Want volgens de kerkelijke leer zal God bij zijn oordeel (direct na de dood) niet alléén kijken naar de begane misdaden, maar zal hij ook beoordelen wat iemand nagelaten heeft te doen: aalmoezen geven, de hongerige spijzen, de naakte kleden … Haatgevoelens, bijvoorbeeld, mogen ook niet. En wie heeft die nog nooit gehad? Hoe verfijnder gedacht werd, des te meer werd er ook op gelet met welke intenties iemand gehandeld had.

Een klein uitstapje in hedendaagse gevoelens omtrent het verschil tussen ‘intentie’ en ‘misdaad’: kort geleden kon men in de kranten lezen dat de nabestaanden van een familie heel boos waren, omdat een automobilist maar drie jaar de cel in zou moeten, nadat hij onder invloed van drogen met enorm hoge snelheid op een auto met daarin hun dierbaren ingereden was. De bestuurder van de aangereden auto overleed, twee kinderen werden invaliden. Het oordeel was verhoudingsgewijs mild, omdat de schuldige automobilist niet met opzet gehandeld had. Het Openbaar Ministerie heeft intussen bezwaar aangetekend.

Terug naar de Late Middeleeuwen: Een christen kon dus niet met zekerheid zeggen: “Ik weet precies wat mijn biechtvader mij opgedragen heeft te doen: ik heb de bedevaart volbracht, de gebeden gesproken, ik heb gevast … mijn geweten is zuiver.” Zo makkelijk was het dus niet. Theologen en catecheten hebben immers vaak op woorden uit de bijbel gewezen, die een tekort benadrukken: “Zalig de mens, die steeds in vreze leeft”6, en: “Ik was bezorgd over al mijn daden. Want ik wist dat U de overtreder niet zou sparen”7, en „De mens weet niet of hij de toorn of de liefde [van God] waard is.”8 Naast deze Bijbelse woorden kon ook een uitspraak van paus Gregorius de Grote aangehaald worden: „Het is kenmerkend voor mensen met een goede inborst, dat zij schuld erkennen waar dit niet noodzakelijk zou zijn.”9 Het werd christenen behoorlijk ingepeperd dat zij zondaars waren.



    1. Schuldbesef is moeilijk te meten

Dit zijn veel gebruikte woorden om christenen tot berouw aan te zetten. Maar welk resultaat hebben zij bereikt? Was iedere christen rondom het jaar 1500 vervuld van een diep schuldbesef, steeds onzeker over zijn of haar status voor God? Was de middeleeuwse maatschappij er één van scrupulanten? Dat is niet zeker, het is misschien niet eens waarschijnlijk. De befaamde predikant Geiler von Kaysersberg in Straatsburg schetst een heel ander beeld met de uitspraak: “Zó bedorven is in onze tijd de hele wereld, dat het vrij gevaarlijk is om over de barmhartigheid Gods te preken. Want waar zich één enkeling vindt die vertwijfelt, daar vindt men honderd, neen: duizend en tien keer honderdduizend mensen die aanmatigend zijn.”10

Het lijkt mij onmogelijk te zijn om als moderne onderzoeker precies te zeggen wat nu het geval was, of er veel scrupulanten waren, omdat ze zo veel hoorden over schuld en straf, of dat er een overgrote meerderheid van christenen was die dacht: “Het zal wel goed komen met mij.” Er zijn gewoon de weinig uitingen van ‘gewone’ mensen uit het einde van de 15e eeuw en uit het begin van de 16e eeuw. En het maakt de zaak extra ingewikkeld dat er in het onderzoek zo veel belangen op het spel staan. Theologiehistorici van protestantse of rooms-katholieke huize zulllen vaak genoeg verschillend oordelen, indien zij hun eigen denominatie een warm hart toedragen. Want stel dat de overgrote meerderheid van de christenen van die tijd best comfortabel kon omgaan met het zondebesef dat hun aangepraat werd, wat is dan de bevrijdende boodschap van de Reformatie? Was zij dan niet totaal overbodig?


    1. Bijbelse motivering van de pauselijke volmacht tot het verstrekken van aflaten

Bij de aflaten die door de pausen verleend werden, speelde het woord van Jezus Christus tot Simon Petrus volgens Mattheüs 16, 19 een grote rol: “Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel gebonden zijn, en al wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.” Jezus geeft deze volmacht volgens Mattheüs 18, 18 weliswaar ook aan alle discipelen – reden voor bisschoppen om te claimen dat niet alléén de paus als opvolger van Petrus op de zetel van Rome deze volmacht bezit, maar alle bisschoppen -, maar de pausen hamerden er steeds weer op hun leiderschap. Er werd een leer van de ‘schat der kerk’ ontwikkeld: door zijn dood aan het kruis had Jezus zeer veel verdienste vergaard, en omdat hij zonder zonde was, had hij die zelf niet nodig. Aangevuld werd deze schat - volgens de leer van de schat der kerk – door overtollige verdiensten van Maria en de overige heiligen. De pausen mochten uit deze schat van de kerk uitdelen.


    1. Zwakke plekken in theorie en praktijk van de aflaten.

Toen kardinaal Thomas de Vio uit Gaëta (Caietanus) zich in het jaar 1518 op zijn ontmoeting met de augustijneneremiet Martin Luther in Augsburg voorbereidde, ontdekte hij dat er geen sluitende theologische leer van de aflaat ontwikkeld was. Belangrijke theologen zoals bijvoorbeeld Thomas van Aquino hadden weliswaar hun gedachten daar over geuit, maar dat was nog geen algemeen geldige kerkelijke leer. Thomas de Vio Caietanus probeerde dat in allerijl in te halen. Maar er was veel onduidelijk. Een correcte toekenning van de aflaat moest bijvoorbeeld steeds er van uit gaan dat de boeteling echt berouw getoond had en op basis van deze echte berouw de toezegging van Gods vergeving ontvangen had. Een aflaat kon dus alléén van de opgelegde kerkelijke straf bevrijden (poena), nooit van de schuld (culpa). In de dagelijkse realiteit lijkt dit belangrijke verschil vaak genoeg niet beklemtoond te zijn. Er werden sinds het jaar 1300 jubileums-aflaten verstrekt met de toezegging van bevrijding “van schuld en straf” (a culpa et poena).

Problematisch was ook dat pausen door hun voorgangers op de pauselijke troon toegekende aflaten soms ook weer herriepen. Dit deed de indruk ontstaan dat het vergaren van geld hun belangrijker leek dan de zekerheid van de gewetens van de gelovigen. De inkomsten uit de verkoop van aflaten werden gebruikt voor tal van doelen: de bouw van de Sint Pieter in Rome is een zeer bekend voorbeeld, maar er werden ook bruggen en wegen onderhouden met het geld dat binnenkwam.




    1. Heeft de paus macht over de zielen in het vagevuur?

Een belangrijke stap was de aanspraak dat de paus ook macht had om zielen uit het vagevuur te bevrijden. Een christen die weliswaar in vrede met God en met zijn kerk overleden was, maar zijn of haar straf nog niet ‘afgeboet’ had, verbleef immers in het vagevuur, en dat stelde men zich verschrikkelijk voor. Toen vanaf het jaar 1476 beweerd werd dat de paus ook zielen uit het vagevuur zou kunnen bevrijden,11 kwam de vraag op: Heeft hij macht in het vagevuur? Of kan hij alleen bij God voor een mens die in het vagevuur verblijft, biddend pleiten? In dit laatste geval: dat kan de ganse kerk!
1.9. Is de aflaat medicinaal of juridisch?

Al in de middeleeuwen werd onderscheid gemaakt tussen een straf voor zonde in medicinale (helende) zin en in vindicative (straffende) zin. Als men een straf medicinaal opvat, kan niet de één voor de ander boete doen. Voorbeeld: Als ik ziek ben, kan niet mijn vrouw voor mij de medicijn slikken, dat moet ik zelf doen. Als men een straf vindicativ opvat, kan dat wel: iemand anders kan voor mij een geldstraf betalen. Scholastieke theologen beklemtoonden dat iemand, die bijvoorbeeld aflaat koopt in de plaats van de opgelegde straf van veertig dagen vasten, niettemin daadkrachtig rouw moet tonen. Maar is het waarschijnlijk dat hij dat zal doen? Luther stelt in stelling 39: “Het is ook voor de meest geleerde theologen moeilijk, ten overstaan van het volk zowel de vrijgevige toekenning van aflaat als ook echt berouw aan te prijzen.”12

Als de aflaat medicinaal is, dan heelt hij. Maar, in dit geval: moet men dan aflaat überhaupt willen? Moet men niet bereidwillig de straf dragen? Dit is de opvatting van Luther. Of is aflaat vindicativ, in die zin dat christenen die in het vagevuur terecht gekomen zijn, daaruit bevrijd worden, ook zonder dat ze daardoor beter worden? Deze vraag is tot nu toe open.


  1. Barmhartige aflaten

Anderzijds moet ook wel beklemtoond worden dat er aflaten toegekend werden zonder dat er geld op tafel moest komen. Bepaalde beelden met aandacht bekijken of gebeden met aandacht bidden kon ook aflaat opleveren. Wie het verslag van een dominicaan uit Ulm, Felix Fabri, van zijn reis naar Jeruzalem met aandacht las, kreeg ook een aflaat.

Gods genade, bemiddeld door aflaten, werd verder daardoor makkelijker bereikbaar, dat plaatsen waar men eerder naartoe had moeten gaan, dichterbij gehaald werden. Zo kon men bijvoorbeeld de aflaat die in het begin alléén in het Italiaanse Portiuncula gegeven werd, later ook elders krijgen.




  1. ‘De christen’ volgens een fervente verdediger van de aflaten – en ‘de christen’ volgens Luther.

Johannes von Paltz, hoogleraar theologie uit de orde van de augustijnen eremieten, werd ongeveer 40 jaar voor Luther geboren. Hij verliet het convent in Erfurt ongeveer gelijktijdig met Luthers intrede aldaar. Raimundus Peraudi, commissaar voor de aflaten, zette hem twee keer in bij zijn aflaat-campagnes, waarvan een keer als sub-commissaar, wat een hoge eer was.

Paltz is er volgens zijn geschriften van overtuigd dat het einde van de wereld nabij is, omdat ze zo slecht is. Ook de christenen zijn zwak. En daarom moet God - als compensatie voor de toegenomen zwakheid van de christenen – door bemiddeling van zijn kerk en haar priesters extra veel genade geven. Want, schrijft hij, God geeft meer genade door bemiddeling van de priesters van zijn kerk dan direct.

Ik heb eerder gesproken over “echt berouw van het hart”, in het Latijn: contritio cordis. Paltz is van mening dat veel christenen daar toe niet in staat zijn. Wat zij kunnen opbrengen is berouw uit vrees voor straf: attritio. Dat is weliswaar niet optimaal, maar de sacramenten van de kerk kunnen uit dit berouw uit vrees voor straf >>> echt berouw maken. Een voorbeeld: Een christelijke man is getrouwd, maar heeft daarnaast ook een vriendinnetje. De schuinsmarcheerder weet wel dat dat in principe niet mag, maar je bent jong en je wilt wat, nietwaar? Die man biecht bij zijn priester, en ziedaar: Het sacrament van de biecht verandert hem, en hij houdt niet langer van zijn buitenechtelijke scharrel! Hij ontwikkelt weerzin tegen haar.

Het beeld dat Martin Luther van de christen ontwerpt verschilt daar hemelsbreed van. Luther zegt in zijn befaamde 95 stellingen: Een christen die zijn geloof serieus neemt accepteert de straf. Die wil niet op een goedkope manier door een aflaat onder de straf onderuit komen. Neen, zo’n christen beaamt dat hij schuldig is en neemt de straf op zich.

In zekere zin praten Luther en Paltz dus naast elkaar heen. Want de eisen die Luther stelt aan een serieuze christen vindt Paltz overtrokken, niet realistisch.


  1. De polemiek van Luther richt zich op de verkoop van aflaten.

Van belang is dat men beseft dat Luther tegen de verkoop van aflaten fulmineert. Men mag er van uitgaan dat hem duidelijk is dat er ook gratis aflaat is – zoals bijvoorbeeld door het met aandacht bekijken van een afbeelding of door het lezen van een stichtelijk geschrift. Men mag er verder van uitgaan dat hij weet dat een rijk iemand meer dient te betalen voor een aflaatbrief dan een arme persoon.

Maar Luther neemt de verkoop van aflaten op de korrel. Daarmee kan hij – naast theologische kritiek – ook zijn gal spuwen tegen de financiële uitbuiting van Duitsland door de Romeinse curia, de hofhouding van de paus. En dat doet het goed onder zijn tijdgenoten. De aflaten zin toch al onder hevige kritiek komen te staan. De inkomsten lopen in het jaar 1517 toch al terug.13 Luther springt, om het oneerbiedig te zeggen, op een lopende trein.




  1. De 95 stellingen: Theologisch niet het centrum van Luthers theologie, maar wel bijzonder effectief

Het is tegen de intentie van Luther dat men juist de publicatie van zijn 95 stellingen, al dan niet door bekendmaking via het prikboord van de universiteit, beschouwt als de aanleiding voor een kerkscheuring. Luthers 95 stellingen zijn, theologisch gezien, voor hem bijzaak. De hoofdzaak was voor hem immers een poging, de hele christenheid te wijzen op ‘Christus alléén’ – en dus weg van de kerk, indien ze zich beschouwt als onmisbare middelares, om dezelfde reden weg van Maria en de heiligen, weg van de belangrijke rol van de vijf sacramenten voor wie hij niet zowel een ‘toezegging’ als een ‘teken’ meende te kunnen vinden. Anderzijds is het ook weer zo dat zijn pogingen om als hoogleraar theologie daar naar toe te werken buiten de collegezaal in Wittenberg minder aandacht hebben gekregen dan zijn kritiek op iets wat hem theologisch duidelijk minder boeide: de verkoop van aflaten.


  1. Enkele kernpunten uit de stellingen

De formulering van de uitnodiging tot een disputatie is al ongewoon: wie zich aangesproken voelt, mag reageren, ook zonder aanwezig te hoeven zijn. Normaliter spreekt in een disputatie immers alléén mee wie ook aanwezig kan zijn. Sommigen leiden hieruit af dat Luther zijn handgeschreven stellingen wel aan de keurvorst-aartsbisschop Albrecht von Brandenburg en aan zijn bisschop Schulz stuurde, maar niet aan de deuren van de kerken in Wittenberg spijkerde. Anderen beweren dat Luther dat niettemin wel gedaan zou kunnen hebben. Deze discussie is nog steeds open.

De inleiding tot de 95 stellingen zegt plechtig: “uit liefde en ijver, om de waarheid duidelijk te maken.” De aanspraak is duidelijk: het gaat hier om meer dan om een gewone academische disputatie.

De eerste stelling zegt dan ook direct: Jezus Christus, de Heer en leermeester, eist dat het hele leven boete is. Wie de volgende stellingen in het hoofd heeft, kan hier al zien wat Luther later zal beweren: een christen die zijn geloof serieus neemt, wil de straf niet eens afkopen!14 Zoals net gezegd: de eisen die Luther aan een christen stelt, verschillen hemelsbreed van die van een fervente advocaat van de verkoop van aflaten zoals die van zijn medebroeder Johannes von Paltz. Een christen dient volgens Luther te beseffen dat hij schuldig is. Door werken genoegdoen is een uiterlijke wijze van satisfactio. Het komt op een innerlijke wijze van genoegdoening aan, en die is levenslang. In zijn vierde stelling beweert Luther dat echt berouw duurt zo lang een christen in leven is.

In zijn vijfde stelling zegt Luther: De paus kan alléén die straffen wegnemen, die hij ook opleggen kan. Als een kerkelijke straf niet al gedurende het aardse leven voldaan wordt, dient men ze niet in het vagevuur af te boeten.15 Indringend formuleert Luther in de stellingen 42 tot 51 door steeds weer te herhalen: “Men dient de christenen te leren …” In deze stellingen wijst hij er op dat een christen, die niet geld in overvloed bezit,16 allereerst voor zijn gezin dient te zorgen. Mocht hij meer geld bezitten dan daarvoor nodig is, zal hij aan behoeftigen geld lenen of armen geld schenken. Geld besteden voor de koop van aflaten staat dus laag op de ladder. God heeft bevolen barmhartig te zijn. Dus heeft dat voorrang voor het kopen van aflaten, want dat heeft God niet geboden.17 Aflaten aanprijzen staat absoluut niet op hetzelfde niveau als de prediking van het evangelie.18 Deze tegenstelling zou een fervente advocaat van de aflaten absoluut niet accepteren. Want de liturgie van de aflaatverkondiging laat zien dat de liederen deze gelegenheid, Gods genade te verwerven, op hetzelfde niveau plaatsen als Pasen en Pinksteren.19



Bijzonder doeltreffend is ook stelling 62: “De ware schat van de kerk is het heilige evangelie van de heerlijkheid en genade Gods”. Doeltreffend, omdat hiermee de leer van de schat van de kerk onderuit gehaald wordt. Jezus Christus heeft God en mens verzoend, punt uit. De rol van de paus wordt gemarginaliseerd. Het lijkt mij belangrijk te zijn er op te letten dat Luther op het moment, dat hij deze stellingen formuleert, nog duidelijk onderscheid maakt tussen de paus en de predikers die aflaten verkopen. Hij gaat er nog vanuit dat de paus, als hij zou weten wat sommige predikers durven te verkondigen, liever af zou zien van de binnen stromende gelden.20 Dat zal in de komende jaren veranderen, onder andere onder de indruk van de informatie dat de zogenaamde “schenking van keizer Constantinus” waardoor beweerd werd dat deze keizer de bisschoppen van Rome tot heersers van het westen van zijn rijk benoemd zou hebben, een vervalsing is.

1 Efeziërs 5, 27.

2 Wolf-Dieter Hauschild: Lehrbuch der Kirchen- und Dogmengeschichte. Band I: Alte Kirche und Mittelalter, Gütersloh 1995, Paragraaf 2: Institution Kirche, deel 13: Institutionalisierung der Buße, pp. 94-96; hier: 13.2.2. [p. 95].

3 In het kader van onderzoek naar de aflaten gaat het niet om de genoegdoening ten overstaan van iemand die schade geleden heeft – bijvoorbeeld door een diefstal, een leugen, een moord. Het gaat hier dus niet om de burgerlijke rechtspraak, maar om de kerkelijke. Het gaat om de straf die de priester – of de bisschop - namens God oplegt.

4 In het onderzoek werd intussen duidelijk dat de geschiedenis van de kruistochten eerder begint. Ik hoiud hier niettemin vast aan de eerder gebruikelijke naam ‘Eerste Kruistocht’.

5 Nikolaus Paulus: Geschichte des Ablasses im Mittelalter. Vom Ursprunge bis zur Mitte des 14. Jahrhunderts, volume I (1922) 2. oplage, met een inleiding van Thomas Lentes, Darmstadt 2000, p. 372, noot 8: „pro omni poenitentia reputetur.“

6 Prov 28, 14a (Vulgaat): „Beatus homo, qui semper est pavidus.“

7 Hiob 9, 28a (Vulgaat): „Verebar omnia opera mea, sciens quod non parceres delinquenti.“

8  Kohelet = Prediker 9, 1e (Vulgaat): „nescit homo utrum amore an odio dignus sit.“

9  „Bonarum mentium est facere conscientiam, ubi non esset de necessitate facienda.“ Gregorius Magnus: Moralia IX, 34, 52 (PL 75, Sp. 888B), hier geciteerd volgens de parafrase van Jean Gerson (1363-1429) : De consolatione theologiae, liber 4, prosa 2 (ed. Glorieux vol. 9, p. 232).

10 Geiler von Kaysersberg: De XII fructibus spiritus sancti, vertaald uit: Berndt Hamm: Die Dynamik von Barmherzigkeit, Gnade und Schutz in der vorreformatorischen Religiosität, in: Lutherjahrbuch 81, Göttingen 2014, pp. 97-134, hier: p. 118-119 met voetnoot 58.

11 Vgl. Bernd Moeller: Die letzten Ablaßkampagnen. Der Widerspruch Luthers gegen den Ablaß in seinem geschichtlichen Zusammenhang, in: Lebenslehren und Wweltentwürfe im Übergang vom Mittelalter zur Neuzeit. Politik-Bildung-Naturkunde-Theologie. Hg. von H. Boockmann, B. Moeller und K. Stackmann, Göttingen 1989, pp. 539-567, hier: p. 548-551.

12 „Difficillimum est etiam doctissimis Theologis simul extollere veniarum largitatem et contritionis veritatem coram populo.”

13 Vgl. Moeller: Die letzten Ablaßkampagnen (zie noot 8).

14 Toen Luther psalm 32 (31) in de jaren 1513 – 1515 voor zijn studenten uitlegde, zei hij al: “Niet door werken worden zonden vergeven, maar alleen op basis van Gods barmhartigheid.” (WA 3, 171, 26v.).

15 Stelling 8.

16 Stelling 46.

17 Stelling 47.

18 Stelling 53-55.

19 Zie Johannes von Paltz: Coelifodina.

20 Stelling 50.



Dovnload 47.45 Kb.