Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


M. M. Groffen (0049972) Enschede, 15 augustus 2005

Dovnload 1.62 Mb.

M. M. Groffen (0049972) Enschede, 15 augustus 2005



Pagina5/11
Datum05.12.2018
Grootte1.62 Mb.

Dovnload 1.62 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

4.2. Welke theorieeën zijn er omtrent eetstoornissen

4.2.1 Ranking theory


Volgens de ‘ranking theory’ van Troop, Allan, Treasure & Katzman (2003) en Burney & Irwin (2000) komen anorexia nervosa en boulimia nervosa vaak voor in combinatie met onderdanig gedrag en een lage sociale stand. Voorbeelden hiervan zijn weinig zelfvertrouwen, hulpeloosheid en gevoelens van schaamte. Vrouwen die een eetstoornis ontwikkelen laten vaker hulpeloosheid en een passieve coping strategie zien.

Ook tonen Troop et al. (2003) dat depressie sterk aanwezig is bij mensen met een eetstoornis. Depressie zou de psychologische manifestatie zijn van onderdanig gedrag, wanneer er geen uitweg is van de dominante ander of van de dominante situatie (Troop et al., 2003)


4.2.2 Objectification theory


De ‘objectification theory’ van Fredrickson en Roberts (1997) houdt in dat vrouwen en meisjes door de ogen van een observeerder naar zichzelf gaan kijken. Dat wil zeggen dat ze zichzelf als een voorwerp gaan behandelen waar naar gekeken moet worden en ze evalueren zichzelf op de basis van hun voorkomen. Dit proces wordt ‘self-objectification’ genoemd en is een vorm van zelfbewustzijn waarbij het een gewoonte wordt om je lichamelijke voorkomen onder controle te houden. Dit kan leiden tot een verhoogde schaamte en angst over het lichaam. Wanneer iemand zijn lichaam als object gaat zien, is de persoon het lichaam en bestaat het lichaam alleen voor het plezieren van anderen (Fredrickson, Noll, Roberts, Quinn & Twenge, 1998).

Tiggemann en Kuring (2004) menen, verwijzend naar Fredrickson en Roberts dat dit kan leiden tot drie psychologische stoornissen: depressie, eetstoornissen er seksueel disfunctioneren.

Volgens de ‘objectification theory’ is de schaamte over het lichaam een aanleiding voor diëten en het gewicht onder controle te houden door te braken. Dit heeft tot gevolg dat een eetstoornis als anorexia of boulimia wordt ontwikkeld. En dit leidt weer tot meer schaamte over het lichaam, waardoor er een vicieuze cirkel ontstaat. De schaamte over het lichaam wordt dan ook gezien als de mediator tussen ‘selfobjectification’ en eetstoornissen (Noll & Fredrickson, 1998).

5 Delinquentie

5.1 Wat zijn delinquenten nu precies?


Als we in het woordenboek op zoek gaan naar het woord delinquent komen we de volgende definities tegen:

de·lin·quent1 (de ~ (m.), ~en)

1 pleger van een strafbaar feit => misdadiger

de·lin·quent2 (bn.)

1 een strafbaar feit begaan hebbend (Van Dalen taalweb, 2005)

5.2. Welke theorieën zijn er omtrent delinquentie

5.2.1. Braithwaite


Braithwaite (1989) heeft de theorie van ‘reintegrative shaming’ ontwikkeld. Daarmee wil hij laten zien dat een samenleving een grote rol kan spelen in het voorkomen en omgaan met criminaliteit door de communicatie over schaamte. Als het niet schaamtevol is om een misdaad te begaan, dan zal er in een samenleving veel misdaad bestaan (Braithwaite, 1989). Wanneer schaamte op een verkeerde manier wordt gecommuniceerd in de samenleving, kan dit het misdaadcijfer verhogen. Een vorm hiervan is stigmatiseren: de misdadiger wordt gezien als een slecht persoon. Stigmatiseren verhoogt de aantrekkelijkheid van een criminele subcultuur voor het ‘slachtoffer’ van deze stigmatisering, omdat de samenleving hem/haar links laat liggen. Deze criminele subcultuur neutraliseert de schaamte die anders ervaren zou worden voor het begaan van de misdaad (Braithwaite, 1989).

Bij ‘reintegrative shaming’ wordt de schaamte dusdanig gecommuniceerd dat het de misdadiger stimuleert om ermee te stoppen. De misdadiger wordt afgekeurd, maar wel met respect voor hem: hij wordt als een ‘goed’ persoon behandeld, die iets slecht gedaan heeft (Braithwaite, 1989). Het doel is dat de misdadiger de schaamte erkent door excuses te maken. Dit is namelijk beter, meent Braithwaite (2000) verwijzend naar Retzinger en Scheff, dan de schaamte voorbij te gaan en het zich op een andere, ongezonde manier te laten uiten.

Het is belangrijk dat mensen de normen en waarden van belangrijke derden duidelijk worden. Omdat deze personen van ons houden gebeurt dit op een respectvolle en reïntegratieve manier. Een goede hechting aan de ouders/opvoeders zal criminaliteit dan ook verminderen. Braithwaite (2000) geeft aan dat dit vooral geldt voor jongens, omdat die van oorsprong gevoeliger zijn voor een soort van mannelijke identiteit die geleverd wordt in een criminele subcultuur.

6 Schaamte, eetstoornissen en delinquentie

Poulson (2000) maakt in zijn Cognitieve Schaamte Model het volgende onderscheid: je kunt als reactie op schaamte acceptatie tonen, depressief worden of agressief worden. Zodra iemand de schaamte accepteert, heeft dit geen verdere consequenties. Als men echter de schaamte niet accepteert en daardoor depressief of agressief wordt, kan dat volgens dit model leiden tot respectievelijk zelfdestructie of ‘agressie jegens anderen’. Deze zelfdestructie omvat onder andere zelfkritiek, risicovol gedrag, en mishandeling van het zelf. De vrouw met de eetstoornis zou hieronder kunnen vallen in dit onderzoek. Onder ‘agressie jegens anderen’ valt verbaal en fysiek geweld. Hierbij zou het in dit onderzoek kunnen gaan om de delinquente man.

Vrouwen zijn meer geneigd om schaamte te gebruiken als informatie over hen zelf (Poulson, 2000). Poulson (2000) meent, verwijzend naar H.B. Lewis, dat vrouwen gevoeliger zijn voor de mening van anderen dan mannen. Lewis (1992) zegt dat vrouwen vaker depressies als resultaat van schaamte ervaren en mannen vaker woede ervaren als resultaat van schaamte. Depressie is namelijk woede maar dan naar binnen gekeerd.

Scheff (2000) voegt daar, verwijzend naar Howard, aan toe dat vrouwen zich van nature over zichzelf schamen. Ze bevinden zich in een mannenwereld en zullen er daarom zoveel mogelijk aan doen om op het mannelijke ideaal te lijken. Vrouwen mergelen zichzelf dan ook uit om mager te zijn en smalle heupen te hebben. Dit is een teken van schaamte over zichzelf.

Wat blijkt uit de ‘ranking theory’ (Troop et al., 2003) en de ‘selfobjectification theory’ (Fredrickson & Roberts, 1997) is dat schaamte een rol speelt bij het ontwikkelen van eetstoornissen en dat dezelfde schaamte er ook voor zorgt dat iemand zich depressief kan gaan voelen.

Burney & Irwin (2000) menen, verwijzend naar Fodor dat een vrouw met een eetstoornis zich schaamt voor het feit dat ze niet kan voldoen aan de verwachtingen van haar zelf en van een ander en voor haar manieren om dun te blijven. Deze gevoelens van schaamte vormen de kern van de eigenwaarde van iemand met een eetstoornis. Baneke (2002) meent, verwijzend naar Scheff, dat elk conflict begint met schaamte. En dat destructieve, negatieve conflicten ontstaan, blijven bestaan en uit de hand lopen doordat de schaamte niet gevoeld, niet bewust wordt ervaren of niet erkend wordt. Braithwaite (1989) voegt hieraan toe dat schaamte inderdaad een rol speelt bij het ontstaan van criminaliteit. Wanneer er de schaamte voor een misdaad niet op de juiste, reïntegratieve manier geuit kan worden, zal dit vaak leiden tot meer criminaliteit.


Hier kunnen de volgende conclusies uit getrokken worden:

Vrouwen in deze maatschappij willen graag dat hun lichaam voldoet aan de norm die heerst in de samenleving en schamen zich dan ook eerder over hun lichaam dan mannen. En in het bijzonder zullen vrouwen met een eetstoornis zich eerder schamen over het lichaam dan vrouwen zonder eetstoornis en dan mannen. Bovendien zullen vrouwen met een eetstoornis naar verwachting hoger scoren op de depressieschaal van de SCL-90 dan vrouwen zonder eetstoornis. Er vanuit gaande dat de vrouwen zonder eetstoornis de schaamte voelen en accepteren en daardoor niet depressief worden. Optimaal voor dit onderzoek zou het zijn geweest als er een vragenlijst had bestaan die woede/agressie meet, zodat er gekeken had kunnen worden of een delinquente man meer woede ervaart dan een niet delinquente man. Helaas is die er niet en is er voor gekozen om ook bij de mannen naar de depressieschaal te kijken. Want een delinquente man zou volgens het Cognitieve Schaamte Model minder hoog scoren op de depressieschaal dan een vrouw met een eetstoornis.


Deze conclusies leiden tot de volgende hypotheses:

  1. Vrouwen met een eetstoornis scoren hoger op de items van de ESS die gerelateerd zijn aan het lichaam, dan vrouwen zonder eetstoornis.

  2. Mannen scoren lager op de items van de ESS die gerelateerd zijn aan het lichaam, dan vrouwen.

  3. Vrouwen met een eetstoornis scoren hoger op de depressieschaal van de SCL-90, dan vrouwen zonder een eetstoornis.

  4. Delinquente mannen scoren lager op de depressieschaal van de SCL-90, dan vrouwen met een eetstoornis.

Met het researchonderzoek in het volgende deel van dit verslag zal geprobeerd worden om een antwoord te kunnen geven op de hypotheses.



Deel II Researchstudie




8 Inleiding

Vrouwen in deze maatschappij willen graag dat hun lichaam voldoet aan de norm die heerst in de samenleving en schamen zich dan ook eerder over hun lichaam dan mannen. Tevens zullen vrouwen met een eetstoornis zich eerder schamen over het lichaam dan vrouwen zonder eetstoornis en dan mannen. Bovendien zullen vrouwen met een eetstoornis naar verwachting hoger scoren op de depressieschaal van de SCL-90 dan vrouwen zonder eetstoornis. Er vanuit gaande dat de vrouwen zonder eetstoornis de schaamte voelen en accepteren en daardoor niet depressief worden. Een delinquente man tenslotte zou volgens mijn interpretatie van het Cognitieve Schaamte Model minder hoog scoren op de depressieschaal dan een vrouw met een eetstoornis


Deze conclusies leiden tot de volgende hypotheses, die in dit deel getoetst zullen worden door middel van Superior Package for Statistical Services- software (SPSS, 10.0):

  1. Vrouwen met een eetstoornis scoren hoger op de items van de ESS die gerelateerd zijn aan het lichaam, dan vrouwen zonder eetstoornis.

  2. Mannen scoren lager op de items van de ESS die gerelateerd zijn aan het lichaam, dan vrouwen.

  3. Vrouwen met een eetstoornis scoren hoger op de depressieschaal van de SCL-90, dan vrouwen zonder een eetstoornis.

  4. Delinquente mannen scoren lager op de depressieschaal van de SCL-90, dan vrouwen met een eetstoornis.

9 Methode

9.1 Instrumenten


Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de Nederlandse vertaling van de Symptom Checklist-90 en de Nederlandse vertaling van de Experience of Shame Scale.

9.1.1 SCL-90


De Symptoms CheckList-90 (SCL-90) is in 1975 ontwikkeld door L.R. Derogatis en is in 1986 naar het Nederlands vertaald door W.A. Arrindell, en J.H.M. Ettema. De SCL-90 is een zelfbeoordelingschaal met 90 items die lichamelijke en psychische klachten meet ten behoeve van de screening en het evalueren van algemene psychopathologie. De vragenlijst bestaat uit 90 omschrijvingen van klachten, waarbij de onderzochte moet aangeven op een vijfpuntsschaal in welke mate hij of zij daar de afgelopen week - ‘helemaal niet’ (1), ‘een beetje’ (2), ‘nogal’ (3), ‘tamelijk veel’ (4), of ‘heel erg’ (5) - last van heeft gehad. De SCL-90 bestaat uit de volgende negen subschalen:

Ang= Angst

Ago= Agorafobie; het vermijden van plaatsen waar men angstig wordt

DEP= Depressie

SOM= Somatische (lichamelijke) klachten

IN= Inadequatie; het gevoel tekort te schieten

SEN= Sensitiviteit; hecht veel waarde aan het oordeel van anderen

HOS= Hostiliteit; vijandigheid

SLA= Slaapstoornissen

PsNeur= algemeen niveau van klachten

Omdat voor dit onderzoek alleen een screening op de aanwezigheid van depressieve gevoelens van belang is, is er alleen gekeken naar de depressieschaal van de SCL-90. Deze schaal omvat een groot aantal symptomen die gewoonlijk bij het klinische syndroom ‘depressie’ worden opgemerkt. In de schaal zijn vooral symptomen met betrekking tot neerslachtige stemming, onvermogen om te genieten, verlaagde zelfwaardering, gedachten van schuld, hopeloosheid en dood en zelfmoord aanwezig, alsmede lichamelijke aspecten zoals verlies van eetlust, gebrek aan energie en vermindering van seksuele interesses.

9.1.2 ESS


De Experience of Shame Scale (ESS) is opgesteld door Andrews (2002) en is in het Nederlands vertaald door Baneke (2003). De vragenlijst bestaat uit 25 stellingen die betrekking hebben op schaamte. De ESS meet drie verschillende gebieden die betrekking hebben op schaamte; karakter, gedrag en lichaam (Andrews, Qian, Valentine, 2002). Op een vierpunt Likertschaal kan voor ieder item worden aangegeven in welke mate de respondent daar het afgelopen jaar mee te maken heeft gehad. De ESS zegt depressie te kunnen voorspellen.

Er is gebruik gemaakt van de ESS in plaats van de Test of Self-Conscious Affect (TOSCA; Tangney, Wagner & Gramzow, 1989), omdat de ESS specifieke gebieden van schaamte meet, terwijl de TOSCA schaamte alleen in het algemeen meet. (Andrews, Qian & Valentine, 2002)


9.2 Respondenten


Voor dit onderzoek is er gezocht naar 25 vrouwen met als inclusiecriterium: het hebben van een eetstoornis en 25 vrouwen zonder eetstoornis die zoveel mogelijk overeen kwamen qua leeftijd, opleiding en nationaliteit.

Deze vrouwen met een eetstoornis zijn geworven door contact op te nemen met een 11-tal instanties die werken met mensen met eetstoornissen.

Ook zijn er 25 mannen geselecteerd uit de dossiers van prof. dr. J.J. Baneke. Voor deze mannen gelden de volgende inclusiecriteria: er moet een ESS en een SCL-90 bij afgenomen zijn en ze moeten een geweldsdelict begaan hebben zonder zeden. Bovendien moet blijken uit de NEO Personality Inventory -Revised (NEO-PI-R; Costa & McCrae, 1992) dat er geen sprake is van narcisme. Dit vanwege de tendens die bij narcisten heerst om alle schaamte te ontkennen (Poulson, 2000). Bij deze 25 mannen zijn 25 passende niet-delinquente mannen gezocht die qua leeftijd, opleidingsniveau en nationaliteit zoveel mogelijk gelijk waren.

9.3 Procedure


Er is aan de vrouwen die zoveel mogelijk overeen kwamen met de eetstoornispopulatie gevraagd of ze de twee vragenlijsten, de SCL-90 en de ESS, in wilden vullen. Bovendien hebben deze vrouwen ook allemaal een demografische vragenlijst (geslacht, leeftijd, nationaliteit, geboorteland en hoogst afgeronde opleiding) ingevuld. Ze hebben de vragenlijsten in een enveloppe mee naar huis gekregen met de vraag of ze deze zo snel als mogelijk weer wilde retourneren. Alle deelnemers zijn er vooraf over geïnformeerd dat de antwoorden anoniem en vertrouwelijk verwerkt zouden worden

Aan de 25 mannen die zoveel mogelijk overeen kwamen met de delinquente mannen is ook gevraagd of ze de twee vragenlijsten in wilde vullen. Ook zij hebben de demografische vragenlijst in gevuld.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

  • 4.2.2 Objectification theory
  • 5 Delinquentie 5.1 Wat zijn delinquenten nu precies
  • 5.2. Welke theorieën zijn er omtrent delinquentie
  • 6 Schaamte, eetstoornissen en delinquentie
  • Deel II Researchstudie 8 Inleiding
  • 9 Methode 9.1 Instrumenten

  • Dovnload 1.62 Mb.