Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Marijke ekelschot

Dovnload 295.16 Kb.

Marijke ekelschot



Pagina1/4
Datum10.01.2019
Grootte295.16 Kb.

Dovnload 295.16 Kb.
  1   2   3   4

MARIJKE EKELSCHOT

Darwinisme: racisme en seksisme als

wetenschap1
Een natuurfilm op de televisie, over een Amerikaanse rivier. We zien een wasbeertje dat

zich - o zo onhandig - nieuwsgierig voortbeweegt over een stuk wallekant dat duidelijk

op instorten staat. De grote wasbeer op de achtergrond vertrouwt het ook niet, maar doet

wijselijk niets om het jong terug te halen. En daar gaat het kleintje dan, met een hoop klei

de vreselijk snelstromende rivier in, kopje onder en weer boven, meegesleurd met zo'n

vaart dat zelfs het gevoel van zwemmen ontbreekt.

Ach god, ach god, wat zijn het toch altijd sadistiese rotfilms; laten ze eens een wasbeertje

zien, en meteen, weg wasbeertje! Maar wacht, daar verschijnt opeens naast het bijna

verdronken wasbeertje een wilddrijvende boomstam - boomstam drijft tegen beertje -

beertje haakt vertwijfelde nageltjes in boomstam en wordt even later met stam en al op

een soort zandplaat aangespoeld. Tevreden stellen we vast dat het dus toch nog goed

afgelopen is - een geluk bij een ongeluk!

Maar dàt is niet de bedoeling! De gedragen stem van de kommentator deelt ons mee dat

wij zojuist getuige zijn geweest van de strijd om het bestaan en dat alleen de sterksten



overleven! En dreigend roept hij er nog achteraan: de survival of the fittest!
Darwin dus - de man is inmiddels ruim 100 jaar dood, maar aan populariteit hebben zijn

denkbeelden weinig ingeboet. Integendeel, er is een hele Darwinrevival op gang

gekomen, met iets modernere vervangingen van een aantal 19de eeuwse termen, maar

met dezelfde kerngedachte.

In Amerika bevechten al weer een paar jaar de zogenaamde Creationisten en Evolutionis-

ten elkaar; scheppingsverhaal of evolutieleer, wat leren wij onze kinderen op school, dat

is de inzet van het gevecht.

Ook in onze kranten krijgen we regelmatig de laatste veldslagen opgediend. En juist

omdat de 'creationisten', die griezels van de 'Moral Majority' zijn - veel god, gezin; geen

homoseksualiteit, abortus en feminisme - lijkt het vanzelfsprekend om je blind aan de

kant van de 'evolutionisten' te scharen. Uiteindelijk hebben we niets op met het

scheppingsverhaal, hebben we er geen enkel bezwaar tegen om van aap of ander dier af-

gestamd te zijn en hebben we dus geen enkel bezwaar tegen de evolutieleer. Of toch wel?

Wat houdt die evolutieleer eigenlijk precies in?


Malthus' bevolkingsteorie

In 1798 verscheen - anoniem - een Essay on the Principle of Population and lts Effect on

Human Happiness2, waarin de schrijver zijn Engelse publiek uitlegde dat de idealen van de

franse revolutie helaas niet verwezenlijkt konden worden. Hij had namelijk een

natuurlijke barrière ontdekt tegen de mogelijkheid van vrijheid en gelijkheid voor

iedereen. Die barrière vormde de mensheid zelf, of liever gezegd de menselijke voortplan-

tingssnelheid. Er waren eenvoudig teveel mensen om vrijheid, gelijkheid en broederschap

aan iedereen te kunnen garanderen. En dat zou altijd zo blijven. Dat was een natuurwet-

matigheid die met de onverbiddelijkheid van de zwaartekracht zijn werk deed.

Het pamflet sloeg aan en herdruk na herdruk verscheen, inmiddels voorzien van de naam

van de auteur, dominee Malthus. De natuurwet die hij ontdekt meende te hebben was van

een ongekende eenvoud: mensen vermenigvuldigen zich volgens een meetkundige reeks

(2-4-8-16 enzovoorts) terwijl het voedsel dat zij tot eigen levensonderhoud produceren

niet sneller toeneemt dan een rekenkundige reeks (2-4-6-8-enzovoorts). Honger, armoede

en een vroegtijdige dood zijn voor een groot deel der mensheid onontkoombaar.

Het cijfermateriaal waarop Malthus zich baseerde was afkomstig van onderzoek naar de

Noord-Amerikaanse bevolkingstoename in de l8e eeuw. Daar had zich elke 25 jaar een

verdubbeling van het inwonersaantal voorgedaan - tenminste bij de immigranten; van de

indianen waren er steeds minder gekomen, meldde Malthus plichtsgetrouw - dus die

bevolkingstoename moest als normaal menselijk opgevat worden, als een absoluut

gegeven, dat slechts door natuurrampen of hongersnoden aangetast kon worden.

Natuurrampen, hongersnoden, ellende en armoe waren dan ook volgens Malthus een

noodzakelijk kwaad. Sterker nog, het voorkómen van ellende zou het leven op aarde pas

echt ondragelijk maken omdat er dan veel te veel mensen zouden zijn. Voor Engeland

stelde Malthus dan ook voor om de armenwetten onmiddellijk af te schaffen. Voedsel-

voorziening aan mensen die niet in hun eigen onderhoud konden voorzien zou er maar toe

leiden dat ze zich gingen voortplanten, met als gevolg dat er steeds meer armen zouden

komen, wat voor henzelf toch ook niet prettig was.

Er verschenen vele kritieken op Malthus' stelling dat er per definitie te weinig voedsel

zou zijn voor iedereen, verhandelingen over verbeteringen in de landbouwsystemen

waardoor ongekende oogsten werden geproduceerd en bevolkingscijfers uit allerlei

landen waar niets te bespeuren viel van een 'meetkundige reeks'. Wetenschappelijk

gezien bleef van Malthus' betoog niets overeind maar de propagandistiese uitwerking

van zijn geschrift was niet te stuiten.

Hoe heerlijk was het immers voor de rijken om zich niet schuldig te hoeven voelen over al

die armen. Dat hun tragies lot niet veroorzaakt was door de jammerlijke omstandigheden

waarin zij moesten leven en werken, maar dat juist die omstandigheden als het ware door

de natuur waren voortgebracht voor het heil der mensheid, was precies wat ze wilden

horen.
Marx' kritiek

De bekendste Malthuskritiek is van Marx3.

Marx vond Malthus als ekonoom - zijn bekendheid leverde hem in de jaren twintig een

professoraat in de politieke ekonomie op - helemaal niet zo slecht. Als overbevolkings-

deskundige sloeg de 'baviaan' echter, volgens Marx, louter onzin uit. Hij ontwikkelde

in zijn kritiek op Malthus' konsept van 'absolute overbevolking' het begrip 'relatieve

overbevolking'. Volgens Marx ligt het aan de produktiewijze in een bepaalde historiese

periode of er mensen tot 'overbevolking' gemaakt worden en hoeveel. Een kenmerk van

het kapitalisme is dat er een permanente, ja zelfs een steeds in aantal toenemende

overbevolking is, dat wil zeggen een steeds groter aantal mensen dat van het bezit van

produktiemiddelen wordt buitengesloten om er, als het kapitaal behoefte heeft, grote

aantallen goedkope arbeidskrachten uit te putten. Dat er steeds meer armen komen heeft

dan ook niets met de natuur te maken en alles met het kapitalisme, dat eerst mensen hun

eigen middelen van bestaan afpakt om ze vervolgens zolang als ze bruikbaar zijn te

kunnen uitbuiten; met het gevolg dat degenen die niet (meer) bruikbaar zijn voor het

kapitaal - de 'overbevolking' dus - een nog jammerlijker bestaan hebben dan degenen die

zestig uren in de fabriek mogen werken. Verdergaande mechanisatie zou - aldus Marx-

voor steeds grotere legers 'paupers' zorgen, een ontwikkeling die hij in zijn meest

optimistiese momenten liet eindigen met een opstand van een deel van de 'paupers' samen

met arbeidersters tegen het kapitaal!

Dat het aan de produktiewijze ligt of er zogenaamde overbevolking of onderbevolking is

of niet, kan ook geïllustreerd worden met de in de 16de eeuw gestarte deportatie van

mensen uit verschillende Afrikaanse landen naar Amerika. Daar werden ze verkocht als

werkkracht, voorzover ze de reis overleefd hadden, en ze werden verder tot een

slavenbestaan gedwongen door de 'wettige' eigenaars. Geschat wordt dat tot aan het

begin van de 19de eeuw 22.000.000 mensen gedeporteerd zijn, van wie er 11.000.000

tijdens het transport om het leven gekomen zijn. Geschat wordt ook dat door toedoen van

slavenjagers in Afrika zelf 100.000.000 mensen zijn omgekomen.



'De slavenhouder koopt zijn arbeiders zoals hij een paard koopt. Wanneer hij een slaaf

verliest, verliest hij een kapitaaldeel, dat hij door een nieuwe besteding op de slavenmarkt

moet vervangen. Maar: "De rijstvelden van Georgië en de moerassen van Mississippi

mogen op een fatale wijze schadelijk zijn voor de menselijke konstitutie, nochtans is de

vernietiging van menselijk leven niet zo groot of zij kan worden goedgemaakt uit de

overvloedige reservoirs van Virginië en Kentucky. Overwegingen van economiese aard,

die nog een zekere waarborg konden bieden voor een menselijke behandeling van de

slaven, voorzover het belang van de meesters samenviel met het welzijn van de slaven,

worden na invoering van de slavenhandel omgekeerd de oorzaak van de meest ekstreme

vernietiging van de slaven; immers zodra de slaaf door toevoer uit andere neger-

reservoirs kan worden vervangen, wordt zijn levensduur minder belangrijk dan zijn

produktiviteit tijdens zijn leven. In een op slavenarbeid gebaseerd ekonomies stelsel is

het derhalve een stelregel dat in landen met een slaveninvoer de meest effektieve

ekonomie die is, waarbij de grootst mogelijke hoeveelheid arbeid in de kortst mogelijke

tijd uit het menselijk vee (human cattle) wordt geperst."'4

De behandeling als 'menselijk vee' betekende ook dat vrouwen niet alleen slavenwerk

moesten verrichten, maar dat ze ook als fokvee werden behandeld.

'Een jaar nadat de import van Afrikanen gestopt was, besliste een rechtbank in South

Carolina dat slavinnen geen enkel recht op hun kinderen konden doen gelden... omdat "de

jongen van de slaven ... op hetzelfde nivo staan als andere dieren."'5
Natuurlijke historie

Het waren niet alleen rechters die zorgden voor rechtvaardigingen van het gedrag van

slavenhouders en van al die andere mensen die van de uitbuiting en onderdrukking

leefden en profiteerden: de denkende standen waren al een eeuw bezig die rechtvaardi-

ging in allerlei wetenschappelijke vormen te ontwikkelen. Zo had de Zweedse botanikus

Linnaeus al in 1739 de mensheid keurig geordend, als onderdeel van zijn 'Systema

Naturae': Onder het kopje 'antropomorpha' (mensvormigen) kunnen wij dan ook

aantreffen:



'Europeus albus (witte Europeaan): (...) schrander, vindingrijk, (...) blank, sanguinisch.

(...) Hij wordt geregeerd door wetten.

Americanus rubescens (rode Amerikaan): tevreden met zijn lot, vrijheidslievend, (...)

door de zon verbrand, cholerisch. (...) Hij wordt geregeerd door gebruiken.

Asiaticus luridus (vaalgele Aziaat): (...) trots, gierig, (...) geelachtig, melancholisch, (...) Hij

wordt geregeerd door overtuiging.

Afer niger (zwarte Afrikaan): (...) slim, lui, nalatig, (...) zwart, flegmatisch. (...) Hij wordt

geregeerd door de eigenmachtige wil van zijn meesters.'6

Dat boek verscheen in 1739, de tijd van de verlichting, de tijd waarin de opkomende

natuurwetenschappen steeds meer het model werden voor het inventariseren, ordenen en

verklaren van menselijke gedragingen en gebeurtenissen. Al deze geleerden probeerden

dat wat voor de werkelijkheid gehouden werd het karakter van 'natuurlijk' mee te geven.

Linnaeus en veel van zijn tijdgenoten meenden verschillende mensen'merken' te hebben

kunnen inventariseren, de latere geleerden zouden het op zich nemen om een zogenaam-

de logika aan te brengen in die indeling. Die logiese indeling ging verder dan het

aanbrengen van een hiërarchiese ordening in een in vieren gedeelde mensheid.

In Linnaeus' tijd werd over het algemeen nog de scheppende hand van god achter het be-

staan van mensen gezocht. Aan de hand van de bijbel werden verschillende interpretaties

van het bestaan van verschillen tussen mensen gemaakt. Gebruikelijk was om Cham, de

verstoten zoon van Noach, te zien als voorvader van alle zwarte mensen. Die droegen de

vervloeking tot dienstbaarheid als een soort erfzonde met zich mee. Die 'erfzonde' werd

in latere tijden biologies geherinterpreteerd en tot 'raskenmerk' gemaakt, naar analogie

van goede of slechte eigenschappen die bijvoorbeeld gezien werden in paarden of honden.

De plaats van die eigenschappen werd gezocht in het bloed, zo dichtte Tollens in 1815:

'Wien neerlands bloed door d'adren vloeit, van vreemde smetten vrij, ...' Maar het zou nog

even duren eer de obsessie met 'vreemde smetten' en 'raszuiverheid' tot een wetenschap-

pelijk programma zouden worden omgebouwd.


Darwin

In Engeland had het Malthusiaanse overbevolkingsverhaal veel sukses gehad, ondanks de

kritiek. Halverwege de 19de eeuw werd het zelfs de grondslag voor een revolutie in het

wereldbeeld dat tot dan toe door het scheppingsverhaal bepaald was. Deze revolutie

werd tot stand gebracht door Charles Darwin in zijn 'The Origin of Species' van 18597.

In het begin van de eeuw had Lamarck gesuggereerd dat de verschillende soorten planten

en dieren min of meer uit elkaar waren ontstaan. Hij had doorgedacht op het schema

waarin Linnaeus en zijn navolgers de 'natuur' geordend hadden, op grond van overeen-

komsten in bouw en uiterlijk. Deze overeenkomsten hadden iets te maken met

verwantschap, volgens Lamarck, en de verschillen moesten verklaard worden volgens

het principe dat aangeleerde eigenschappen overerfbaar waren. Dieren die iets nieuws

geleerd hadden, hadden dat via 'de erfelijkheid' overgedragen op hun nakomelingen.

In 1838 las Darwin, volgens zijn autobiografie8, Malthus' essay over de bevolking. Op dat

moment bedacht hij hoe de verschillende soorten op een andere manier uit elkaar hadden

kunnen ontstaan; via de 'overbevolking', niet alleen van mensen, maar ook van alle

soorten planten en dieren. De natuurwet die Malthus had ontworpen voor menselijke

samenlevingen werd door Darwin op de hele organiese wereld toegepast. Van alles was

er teveel; van alles moest een deel jammerlijk omkomen; van alles redde maar een deel het



om aan de voortplanting toe te komen. Dat deel onderscheidde zich - volgens Darwin -

van de omgekomenen doordat zij beschikten over iets wat die anderen niet hadden. Dat

'iets' zou dan weer overgeërfd worden door de nakomelingen, die - omdat die ook weer

met teveel zouden zijn - het zouden winnen of verliezen, afhankelijk van de hoeveelheid

'iets' die zij bezaten, en zo voort en zo voort. Op den duur, aldus Darwin, konden die ver-

schillende ietsen ertoe geleid hebben dat er een nieuwe soort plant of dier ontstaan was.

Het 'teveel' van Malthus werd dus door Darwin verabsoluteerd. Er waren teveel

individuen van iedere soort dan dat zij zich allemaal zouden kunnen voortplanten. Net als

bij Malthus, die het voorplanten - zij het met mate - wou reserveren voor de niet-armen,

zo kregen bij Darwin planten en dieren (en in laatste instantie ook mensen) ook

kwalifikaties mee, die hen tot al dan niet voortplantingsgeschikt bestempelden. Darwin

deelde de hele organiese natuur in in de twee kategorieën 'fit' en 'unfit'; binnen iedere

soort moest uitgevochten worden wie bij welke kategorie hoorde; dat was 'the struggle

for life', ofwel 'de strijd om het bestaan'.

Het konijn dat na het werpen der jongen opgegeten wordt was dus volgens Darwin een

konijn dat 'overleeft', een 'fit' konijn. Als het al eerder onder een auto gekomen was was

het 'unfit' en had het verloren in de 'strijd om het bestaan'. De scheiding in 'fit' en 'unfit'

had Darwin opgemerkt bij plantentelers en dierenfokkers. Die bleken ongewenste

eksemplaren uit bloem- of kraambed te verwijderen en door te fokken of te telen met de

gewenste eksemplaren: de appels met rode blosjes, de honden met hangoren en paarden

met allerhande bijzondere voorbenen en achterhanden. Menselijke aktiviteiten rond het

uiterlijk van hun planten en dieren werden door Darwin in 'de natuur' geprojekteerd.



'Hoe langzaam het proces van selektie ook mag gaan, als de zwakke mens zoveel voor el-

kaar kan krijgen door kunstmatige selektie, dan kan ik geen grens ontdekken aan de mate

van veranderingen, aan de schoonheid en komplexiteit van de aanpassingen van alle

organiese wezens, zowel aan elkaar als aan de fysieke levensvoorwaarden, die gedurende

lange tijd door het selektievermogen van de natuur tot stand gebracht zijn; dat wil zeggen

door de "overleving van de sterkste".'9

Alle ingrediënten van Darwins evolutieleer zijn verzameld in het volgende fragment:



'... de Strijd om het Bestaan (Struggle for Existence) onder alle organiese wezens op de

hele wereld, die het onvermijdelijke gevolg is van de hoge meetkundige ratio waarmee zij

toenemen, zal behandeld worden. Dit is Malthus' doktrine, toegepast op de hele dieren- en

plantenwereld. Omdat er veel meer individuen van iedere soort geboren worden dan er

mogelijkerwijs kunnen overleven; en omdat, ten gevolge daarvan, er een frekwent

terugkerende strijd om het bestaan plaatsvindt, heeft dat als gevolg dat ieder wezen dat

varieert - hoe weinig ook - op een wijze die voor hemzelf voordelig is, een betere kans

heeft om te overleven, en om dus door de natuur geselekteerd te worden. Door het sterke

erfelijkheidsprincipe zal iedere variëteit er naar neigen zijn nieuwe en gewijzigde vorm te

verspreiden.'10

Dat er opwinding over Darwins werk ontstond is bekend. Konservatieve geestelijken

wierpen zich met het scheppingsverhaal in de strijd, en ook menig niet zo christelijk

persoon had grote bezwaren tegen Darwins mededeling aan het slot van The Origin, dat

ook de mensensoort volgens de natuurwet van 'the survival of the fittest' ontstaan moest

zijn. Kon zoiets fijnbesnaards als de ontwikkelde engelsman van zoiets laags als een aap

afstammen? Desondanks was het entoesiasme over Darwins werk zo groot dat hij bij zijn

dood een keurige staatsbegrafenis kreeg en allang voor die tijd beroemd en geëerd was.

Iedereen die er prijs op stelde om zichzelf als een beetje progressief op te vatten, was aan-

hanger van Darwin geworden, toegetreden tot het geloof in een 'natuurlijke historie' die

gekenmerkt werd door onontkoombare honger, dood en ellende voor de meerderheid, op

basis waarvan een minderheid de vooruitgang kon beleven; het geloof dat de uitbreiding

van de kapitalistiese produktiewijze de natuurlijke gang van zaken was.

Dat geloof ging heel goed samen met een soort christendom. Weliswaar moest, als men

Darwin volgde, het bijbelse scheppingsverhaal met een korrel zout genomen worden,

opgevat worden als metafoor, maar eigenlijk werd de goddelijke almacht niet echt

aangetast. De god van Darwin opereerde achter de koelissen; hij had het mechaniese

principe van de natuurlijke selektie aan het begin van de schepping meegegeven, zoals

Darwin zelf niet moe werd uit te leggen. God was niet dood maar had in tegendeel zijn

werkzaamheden aangepast aan de 19de eeuw; hij werkte wetenschappelijk verantwoor-

der. Natuurwetenschappelijker.
Gewenst en ongewenst

Het streven van Darwin en tijdgenoten - taalwetenschappers, fysiologen, antropologen,

geologen, biologen, psychologen - was om de bevindingen in hun discipline in de vorm

van een natuurwet à la Newtons zwaartekrachtwet te gieten, in de vorm van een

wetmatigheid die zich aan het menselijk reilen en zeilen onttrok. Voor zover ze op

mensen betrekking hadden verdeelden die natuurwetten de wereldbewoners altijd in

tweeën, in gewenste en ongewenste eksemplaren, in 'fit' en 'unfit' of enige andere variatie

op 'zijzelf' en 'de anderen', een verdeling die dan weer van 'wetenschappelijk' bewijsma-

teriaal werd voorzien.

In 'The Descent of Man, and Selection in Relation to Sex'11 dat in 1871 verscheen, maakte

Darwin duidelijker hoe hij die tweedelingen bij mensen voor zich zag. In zijn inleiding

schreef hij:



'Het zou natuurlijk ook onderzocht kunnen worden of de mens, net zoals zovele andere

dieren, variaties heeft doen ontstaan en subrassen, die slechts gering van elkaar

verschillen, óf rassen die zo veel van elkaar verschillen dat ze geklasseerd moeten worden

als twijfelachtige soorten. Hoe zijn dergelijke rassen verdeeld over de wereld, en hoe

reageren ze bij kruising op elkaar, zowel in de eerste als in volgende generaties?..

De onderzoeker zou vervolgens bij het belangrijke punt aankomen, of de mens de neiging

heeft zich met zo'n snelheid voort te planten dat dat leidt tot een zware strijd om het be-

staan, en - als gevolg daarvan - tot het behoud van gunstige variaties, lichamelijk en

geestelijk, en tot de eliminatie van de schadelijke variaties?

We zullen zien dat al deze vragen, zoals inderdaad al duidelijk is met betrekking tot de

meeste ervan, bevestigend beantwoord moeten worden, precies zoals bij de lagere

dieren.'12

In de beantwoording van al deze vragen ontwikkelde Darwin een moderne racistiese

teorie, zo modern dat het racisme ervan ook tegenwoordig meestal niet onderkend

wordt. In zijn tijd was het onder racisten gebruikelijk om de begrippen superioriteit en in-

ferioriteit op te hangen aan beschrijvingen van de hand van antropologen van wat zij als

saillant uiterlijk kenmerk opvatten: huidskleur, haarkleur, krullen, lichaamslengte,

neuzen, oogkleur enzovoort. Darwin vond al die kategorieën oninteressant, ja, hij was als

zodanig zelfs een anti-racist, een verklaard voorstander ook van de afschaffing van de

slavernij. Hij betoogde ook nadrukkelijk dat alle mensen tot één soort behoren. Maar dat

betekende niet dat hij alle mensen als gelijk of als gelijkwaardig opvatte. Hij introduceer-

de in The Descent een nieuwe graadmeter voor meer of minder menselijkheid: Intellek-

tuele en morele vermogens.



'Deze vermogens zijn variabel; en we hebben alle reden om te geloven dat de variaties

neigen naar erfelijkheid. Daarom moeten zij, als ze vroeger van groot belang waren voor

de oermens en voor zijn aapachtige voorouders, vervolmaakt of op een hoger plan

gebracht zijn door middel van natuurlijke selektie.'13

Die natuurlijke selektie werkte dan als volgt:



'We kunnen zien dat in de ruwste staat van de maatschappij de individuen die het

scherpzinnigst waren, die de beste wapens en vallen uitvonden en gebruikten, en die

zichzelf het best konden verdedigen, het grootste aantal nakomelingen voortbrachten. De

stammen die het grootste aantal van dergelijke begaafde mannen bezaten namen in aantal

toe en verdrongen andere stammen.'14

De volgende stap die Darwin maakte was van 'stammen' naar 'naties':



'Heden ten dage verdringen overal beschaafde naties barbaarse naties, behalve als het

klimaat voor een dodelijke barrière zorgt; en zij slagen daar hoofdzakelijk - hoewel niet

uitsluitend - in door hun vaardigheden die het produkt van hun intelligentie zijn. Het is

dan ook hoogst waarschijnlijk dat bij de mens de intellektuele vermogens zich langzaam

via natuurlijke selektie vervolmaakt hebben.'15
De kategorieën 'begaafdheid', 'intellekt' en 'morele vermogens' werkten - zoals boven te

zien is - naar twee kanten. Enerzijds konden ze gebruikt worden om binnen een 'natie'

onderscheid te maken tussen de heersende klasse en de rest, anderzijds konden ze

internationaal gebruikt worden om verschillende volkeren kwalitatief te onderscheiden.

Hoe imperialistieser een natie, hoe intelligenter. Onderworpen en uitgeroeide volkeren

waren gewoon een beetje dom. De winnaar had het gelijk van de natuur aan zijn zijde.

Darwin's teorie ontleende zijn overtuigingskracht aan de werkelijkheid van zijn tijd: wat

hij beschreef, was wat iedereen zag gebeuren. Engeland was op weg naar heerschappij

over de hele wereld; het kapitalisme had niet alleen de Engelse verhoudingen getransfor-

meerd, maar begon de verhoudingen op een groot deel van de mensheid te beheersen.

Steeds meer mensen kwamen te leven - of te sterven - onder kapitalistiese verhoudin-

gen.


Men moest wel een kritiese blik hebben om deze machten als tijdelijk, vergankelijk,

histories te doorzien, men moest er belang bij hebben om dat te doen. Marx en Engels viel

het inderdaad op dat Darwins beschrijving van de strijd in de natuur zo precies leek op de

manier waarop de ondernemers elkaar bekonkurreerden, maar ook Marx knoopte in Het

Kapitaal zijn beschrijving van de historiese ontwikkeling van de technologie aan Darwins

evolutieleer vast, als een voorbeeld van het denken in ontwikkelingen. Op het punt van

achterlijkheid van vrouwen in het algemeen en vreemde volkeren in het bijzonder,

verschilde hij met Darwin niet van mening. Bij Marx is sprake van een spanning tussen

natuur en geschiedenis waar zijn navolgers vandaag nog mee worstelen; bij Darwin zijn

natuur en geschiedenis op een knusse manier samengevallen. Hier geen ingewikkelde

betogen over kapitaal dat om te blijven bestaan steeds meer menselijke arbeid moet

verslinden; in plaats daarvan een eenvoudig beeld van de van nature strijdende man. Als

voorbeeld nog één keer Darwin in reaktie op suggesties omtrent geboortebeperking:

'De mens heeft, net als ieder ander dier, ongetwijfeld zijn huidige hoge peil bereikt door

een strijd om het bestaan die een gevolg is van zijn snelle vermenigvuldiging; en als hij op

een nog hoger peil wil komen dan moet hij onderworpen blijven aan een hevige strijd. An-

ders zou hij snel in indolentie afglijden en zouden de meer begaafde mannen niet

suksesvoller zijn in de strijd om het bestaan dan de minder begaafden. Vandaar dat onze

natuurlijke toename, hoewel hij tot vele, duidelijke euvels aanleiding geeft, niet al te zeer

moet worden afgeremd, met welk middel dan ook. Er moet een open kompetitie zijn voor

alle mannen; en de bekwaamsten moeten er niet door wetten of gewoontes van

weerhouden worden om het meeste sukses te hebben en het grootste aantal nakomelin-

gen groot te brengen.'16

  1   2   3   4

  • Malthus bevolkingsteorie
  • Marx kritiek
  • Natuurlijke historie
  • Gewenst en ongewenst

  • Dovnload 295.16 Kb.