Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Marijke ekelschot

Dovnload 295.16 Kb.

Marijke ekelschot



Pagina2/4
Datum10.01.2019
Grootte295.16 Kb.

Dovnload 295.16 Kb.
1   2   3   4

Vrouwen

Tot nu toe ging het vooral over mannen, onmiskenbaar in de ogen van Darwin de dragers

van de natuurlijke historie, zoals ook in de ogen van Marx en Engels - en hun en onze ge-

middelde tijdgenoten mannen de dragers van de geschiedenis der mensheid waren. Maar

Darwin kon alle vrouwen natuurlijk niet tot 'unfit' of 'ongewenst' bestempelen. Want

waar zou hij dan met al die mannen die zich willen voortplanten naar toe moeten? Boven

werden we al onthaald op 'begaafde mannen' die hun voortreffelijke eigenschappen

polygaam uitzaaiden, waardoor 'hun stam' andere stammen had kunnen onderwerpen,

enzovoort. Darwin beschouwde verkrachting waarschijnlijk niet als een mooie mannelij-

ke gewoonte. Hij moest dus ook vrouwen - en voor het dierenrijk 'vrouwtjes' - enige

zelfstandige eigenschappen meegeven. In het dierenrijk waren mannetjes volgens hem

voorzien van 'schoonheid' of 'kracht'. Als beide seksen in het dierenrijk erop uit zouden

zijn elkaar te behagen, dan zou dat - volgens Darwin - verspilling van energie zijn. Dus

doen de mannetjes het; die zijn gepassioneerder, entoesiaster, ondernemender - vrouwtjes

zijn uitsluitend 'zedig'. De mannetjes houden een soort vlootschouw met hun mooie

sekundaire geslachtskenmerken - het enige wat vrouwtjes hoeven te doen is een 'juiste

keuze maken', dat wil zeggen de beste mannetjes uitkiezen. Een vraag die frekwent

voorkomt is of vrouwtjes eigenlijk wel in staat zijn om een keuze te maken uit een zo

prachtig aanbod. Darwin zat duidelijk met een probleem. Enerzijds vond hij het eigenlijk

te veel eer voor vrouwtjes om het laatste woord te hebben - te mogen kiezen. Maar

anderzijds zou zijn hele teorie over het mannelijk vertoon nergens op slaan als er geen

keuze gemaakt zou worden; als het - met andere woorden - de vrouwtjes een zorg zou

zijn wat die mannetjes uitspookten. Zij het met tegenzin, toch beantwoordt Darwin

bovengenoemde vraag dus maar met 'ja, vrouwtjes zijn in staat om te kiezen en om de

mannelijke schoonheid en kracht dus op hun juiste waarde te schatten.'

Schoonheid en kracht zijn tobberige kategorieën, ook voor Darwin. Als je immers het

dierenrijk doorwandelt kom je allerlei variaties tegen; er zijn soorten waar maar één

sekse van bestaat, er zijn er waar mannetjes en vrouwtjes even groot zijn, waar de

vrouwtjes groter zijn, waar de vrouwtjes 'mooier' zijn, waar de mannetjes 'mooier' zijn.

De grootte kan samenhangen met 'kracht' maar ook met 'zwakte'. En erg veel mannetjes

die met elkaar vechten zijn er ook niet. Wat Darwin doet is al die soorten die niet in zijn

verhaal passen, de plaats toekennen van 'uitzondering', 'iets wat nog verklaard moet

worden' of iets waarvan het noemen alleen voldoende is. Dat laatste doet hij bijvoorbeeld

met de spin:



'Mr. Blackwell herinnert zich niet dat hij ooit de mannetjes van enige spinnensoort samen

heeft zien vechten om het bezit van het vrouwtje. Noch, redenerend vanuit de analogie, is

dit waarschijnlijk; want de mannetjes zijn meestal veel kleiner dan de vrouwtjes, soms in

ekstreme mate. Als de mannetjes als gewoonte hadden gehad om met elkaar te vechten

dan zouden ze toch waarschijnlijk groter en sterker geworden zijn. Mr. Blackwell heeft

wel eens twee of meer mannetjes op hetzelfde web zien zitten met maar één vrouwtje,

maar hun hofmakerij is te saai en langdradig om makkelijk bestudeerd te worden. Het

mannetje gaat buitengewoon omzichtig te werk in zijn toenaderingen, terwijl het

vrouwtje haar zedigheid tot gevaarlijke hoogte drijft. De Geer zag een mannetje dat

"midden in zijn voorbereidende strelingen" gegrepen werd door het objekt waartoe hij

zich aangetrokken voelde - door haar in een web werd ingeweven en vervolgens

verslonden; een aanblik die hem - zoals hij toevoegt - met afgrijzen en verontwaardiging

vervulde. '17

Nu moet Darwin van insekten in het algemeen duidelijk niet zoveel hebben, omdat die het

meest tegenstribbelen tegen zijn teorie. Darwin vond bijvoorbeeld alleen maar vlinders

mooi, maar stuitte daar meteen al op het probleem dat vrouwtjesvlinders groter zijn dan

mannetjes - even 'mooi', 'mooier' of 'minder mooi'. Dus daar had hij niets aan.

Hij komt dan ook pas lekker op gang als hij van de insekten via week- en schaaldieren

(die ook al zo onwetmatig leven) bij de vogels is aangeland. Waarschijnlijk vond hij dan

dat hij in de voorgaande hoofdstukken al genoeg tegenmateriaal tegen zijn teorie had

geleverd, want bij de vogels selekteert hij uit het brede aanbod vrolijk 'mooie mannetjes',

ze introducerend met luchtige zinnen als: 'Veel hoeft niet gezegd te worden over de



prachtige verschillen tussen de seksen, of over de uitzonderlijke schoonheid van veel

mannetjes'.18

En daar beginnen ook steeds plaatjes te verschijnen van 'mooie mannetjes', al dan niet

voorzien van een bewonderend vrouwtje. Na 4 hoofdstukken met 'mooie mannetjes'

komt in de konklusie van de vogelafdeling toch weer even de aarzeling bij Darwin op of

die schoonheid toch niet valt onder 'paarlen voor de zwijnen werpen': 'De veronderstel-

ling dat de vrouwtjes de schoonheid van de mannetjes niet waarderen, is hetzelfde als

toegeven dat hun schitterende versieringen, al hun pracht en praal nutteloos zijn; en dit

kan niet geloofd worden.'19

Na de vogels zijn de zoogdieren aan de beurt. Bij zoogdieren is het veeleer de 'Law of batt-

le' dan de 'display of charms' die ervoor zorgt dat de 'beste' mannetjes de toegang tot

vrouwtjes krijgen, ter verspreiding van hun goede eigenschappen over de leden van de

volgende generatie - een evolutionair eigenaardige stap van mooie veren naar brute

kracht. De beste mannetjes worden nu de mannetjes voorzien van de beste 'wapens',

waarmee ze hun seksegenoten te lijf kunnen gaan als het voortplantingsseizoen aan-

breekt. Omdat echter niet alle zoogmannetjes van slagtand of gewei voorzien zijn, springt

Darwin vervolgens weer over op andere kenmerken, zoals haargroei, kleur, strepen en

stippen. Bij de apen verraadt de bewonderende omschrijving van de baard- en snorgroei

bij sommige soorten hoe hoog dergelijke voorzieningen in het 19de eeuwse Engeland in

aanzien stonden: 'Bij de snor-aap (Cercophitecus cephus) is de algemene kleur van de



vacht groen-gevlekt met een witte hals; bij het mannetje is het eind van de staart

kastanjebruin; maar het gezicht is het meest versierd - de huid hoofdzakelijk blauw-grijs,

overlopend in een zwartachtige tint onder de ogen - de bovenlip is van een delikate kleur

blauw, aan de uiteinden voorzien van een dunne zwarte snor; de snorharen zijn

oranjekleurig en aan de bovenkant zwart.'20
Bij de mens aangekomen slaat Darwin opeens geheel nieuwe wegen in. In plaats van

gezellig te vertellen hoe mooi zijn eigen baard is en hoe sterk zijn broer, verwijst hij in een

klap zijn zo zorgvuldig opgebouwde seksuele selektieteorie op basis van mannelijke

kracht en schoonheid naar vroeger, heel veel vroeger. Heel lang geleden, aldus Darwin,

leefde de mensheid promiscu en toen ging het ook zo: de mooiste en sterkste mannen

werden uitverkoren door de vrouwen en zo werden die mannen alsmaar sterker en

kregen ze ook steeds meer behoefte aan steeds meer vrouwen, die ze bij gebrek in hun ei-

gen stam, maar gingen roven bij naburige stammen (die dus waarschijnlijk een heel

andere ontwikkeling doormaakten). De baas van de stam had dan gewoon de meeste

vrouwen en zo werden zijn voortreffelijke eigenschappen op vele nakomelingen overge-

dragen.

Bij sommige 'wilden', kom je dit verschijnsel nog wel tegen, aldus Darwin - maar daar



kom je ook nog wel tegen dat ze allemaal promiscu zijn of dat vrouwen het voor het zeg-

gen hebben (polyandrie!). Om echt tot 'beschaving' te geraken is er echter nog wel wat

anders nodig, kracht en schoonheid zijn niet genoeg. Wat de Europese man nu

onderscheidt van 'wilde mannen' is hun 'moed', 'volharding', 'vastberaden energie',

'genie'. Dus weer die 'mentale kapaciteiten'. Kapaciteiten die 'wilde' vrouwen en mannen

nauwelijks bezaten en 'beschaafde' vrouwen eigenlijk ook niet. Mannelijke superioriteit

was dan ook volgens Darwin een typies Europese aangelegenheid; daar kon je de grote

verschillen tussen mannen en vrouwen het duidelijkst aantreffen; daar had de man zich

het voortreffelijkst ontwikkeld. Voor de eventueel protesterende lezeres voegde hij er

nog dreigend aan toe dat het maar een geluk was dat nog iets van die 'mentale

kapaciteiten' via de voortplanting ook bij de dochters terechtkwam: 'anders was de

mannelijke mentale superioriteit ten opzichte van vrouwen, precies zo geworden als de

verenpracht van de mannetjespauw ten opzichte van de vrouwtjespauw.'21

Mentale kapaciteiten waren volgens Darwin net zoiets als een baard - in het kader van de

erfelijkheid wel te verstaan. Ze vormden een sekundair geslachtskenmerk van mannen

dat zich pas in volle wasdom ontwikkelde op een bepaalde leeftijd. De aanzet tot die

ontwikkeling was bij beide seksen gelijk. In hun jeugd hadden jongens en meisjes beiden

heel kleine haartjes op de kaken én een heel klein beetje 'mentale kapaciteit'. Met vreselijk

veel inspanningen zou het misschien wel lukken om de 'mentale kapaciteiten' van een

aantal vrouwen een beetje op te vijzelen.

Door machtsverschillen tussen mannen en vrouwen - of onderdrukking en uitbuiting van

vrouwen door mannen - toe te schrijven aan beperkte mentale kapaciteiten van

vrouwen, verrichtte Darwin dezelfde operatie als bij zijn 'verklaring' van racisme,

kolonialisme en imperialisme. De bestaande verhoudingen waren niet alleen op 'natuurlij-

ke wijze' ontstaan, ze zouden zich kontinueren en versterken via de erfelijke eigenschap-

pen van de mensen die die verschillende posities innamen; van binnenuit als het ware.


Natuur en werk

De kategorie arbeid of werk komt bij Darwin niet voor; alles is natuur en ontwikkelt zich

volgens de wetten van die natuur. Alles gaat zogezegd vanzelf. Automaties kan je ook

zeggen. Nu hoorde Darwin tot die maatschapelijke klasse die door de 19de eeuwse

socioloog Thorstein Veblen met 'nietsdoend' werd aangeduid. Behalve met het inkasseren van

de opbrengsten van het werk van anderen konden zij hun tijd besteden aan waarin zij zin

hadden. Darwins inkomen kwam grotendeels uit het aardewerkkapitaal van de firma

Wedgwood. De aardewerkindustrie was een van de bedrijfstakken die door parlementai-



re kommissies in de jaren vijftig en zestig was onderzocht:

'Voor ons doel is het voldoende aan de verslagen van 1860 en 1863 enkele getuigenissen

van de geëksploiteerde kinderen zelf te ontlenen. Uit de situatie van de kinderen kan men

de situatie van de volwassenen (in het bijzonder van meisjes en vrouwen) afleiden en dat

nog wel in een tak van industrie, vergeleken waarbij de katoenspinnerij en dergelijke een

aangename en gezonde bezigheid blijkt te zijn.

De 9-jarige William Wood "was 7 jaar en 10 maanden toen hij begon met werken." ... Hij

komt iedere werkdag om 6 uur in de ochtend en hij houdt om ongeveer 9 uur 's avonds

op...

J. Murray, een jongen van 12 jaar, zegt: "I ran moulds and turn jigger (draai het wiel).

Kom om 6 uur, soms om 4 uur 's ochtends. Ik heb de afgelopen nacht gewerkt tot 8 uur

vanmorgen. Sinds de afgelopen nacht ben ik niet naar bed geweest. Behalve ik hebben 8 of

9 andere jongens de afgelopen nacht doorgewerkt... Ik krijg per week 3s.6d. Ik krijg niet

meer als ik de hele nacht doorwerk." (...)

'Dr. J. T. Arledge, eerste geneesheer van het ziekenhuis van North Staffordshire, zegt: 'Als

klasse vertegenwoordigen de arbeiders in de aardewerkindustrie, mannen en vrouwen ...

een gedegenereerde bevolking, zowel lichamelijk als geestelijk. Zij zijn gewoonlijk

dwergachtig, slecht gebouwd en zij hebben vaak een vergroeide borst. Ze worden vroeg

oud en ze leven kort en flegmatisch en bloedarm als ze zijn treedt de zwakte van hun con-

stitutie aan het licht door hardnekkige aanvallen van dyspepsie, lever- en nierkwalen en

rheumatiek. Maar van alle ziekten zijn zij vooral gevoelig voor borstziekten: longontste-

king, tering, bronchitis en asthma. Een vorm van de laatste ziekte is typerend voor hen en

staat bekend onder de naam van pottebakkersasthma of pottebakkerstering. Scrofulose,

die de amandelen, beenderen of andere lichaamsdelen aantast, is een ziekte waaraan meer

dan 2/3 van de pottebakkers lijdt..." (...)'

'In het verslag van de commissie wordt de hoop uitgesproken "dat een bedrijfstak, die in

de wereld zo'n belangrijke plaats inneemt, niet langer de schandvlek zal dragen van het

feit dat haar groot succes gepaard gaat met fysieke degeneratie, zeer omvangrijk

lichamelijk lijden en een vroege dood van de arbeidersbevolking, welke door haar arbeid

en bekwaamheid in staat was zulke grote resultaten te bereiken."'22
Het enige wat in de parlementaire rapporten als 'natuurlijk' benoemd werd was dat

overmatig werk, ondervoeding, het inademen van gevaarlijke stoffen tot ziektes, lijden en

vroegtijdig sterven aanleiding gaven. In dezelfde tijd van 'industrieële revolutie' bestond

er ook een steeds manifester optredende arbeiderstersbeweging, een vrouwenbeweging

en een anti-slavemijbeweging, die ieder op eigen wijze de als natuurlijk gepresenteerde

bestaande orde trachtten aan te tasten en soms zelfs omver te werpen.


Wetenschap en beleid

Darwin was een 'positieve' geest; hij had zich beziggehouden met datgene wat volgens

hem mooie menselijke eigenschappen waren; die waren door hem tot 'overerfbaar'

gedefinieerd en daarmee was de kous af, inzoverre dat hij voorstander was van de boven

aangehaalde 'vrije kompetitie tussen alle mannen om zoveel mogelijk nakomelingen te

verwerven'. Zijn neef Galton dacht daar anders over. Die vond in zijn werk 'Hereditary

genius, an inquiry into its laws and consequences' (1869) dat de mensheid door middel

van kruising en geboortebeperking verbeterd en op een hoger peil gebracht moest worden,

In 1884 stichtte hij het antropometries laboratorium - waar lengte, gewicht, borstomvang,

ademvolume, spierkracht en reaktietijden werden gemeten, in de hoop dat de resultaten

gekorreleerd konden worden aan veronderstelde 'mentale kapaciteiten'. Hoewel Galton

geen van de korrelaties vond waar hij op uit was - integendeel zelfs: individuele mensen

bleken zo verschillend dat hij zelfs de 'vingerafdruk' uitvond in zijn speurtocht naar

'rassenverschillen' - bleef hij hameren op regeringsmaatregelen als premies op geboortes

in 'hogere' maatschappelijke kringen en geboortebeperking tot en met sterilisatie in

'lagere' kringen. Dat soort maatregelen zou een eugeneties effekt hebben op de

bevolking. Galton vond dat de staat ferm moest optreden en dat de weerstanden tegen het

uitroeien van wat hij bestempelde als 'inferieure rassen' maar eens moest afnemen.

Vooral in Duitsland en in de Verenigde Staten sloeg het eugeneties gedachtengoed in al

zijn vormen het meest aan. Dat waren ook de landen waar met afgunst gekeken werd

naar het Britse imperium en waar het kapitaal zijn ekspansiedriften nog waar moest

maken.


'Wat hebben de grondbeginselen van de erfelijkheidsleer ons te leren in verband met de

binnenlandse politieke ontwikkeling en de wetgeving van de staat?' Zo luidde de

prijsvraag die in 1900 in Duitsland door de eigenaren van het grootste Duitse staalconcern

- de familie Krupp - werd uitgeschreven.23 De hoofdprijs was 50.000 mark en in de jury

zaten onder andere wereldberoemde geleerden, onder wie de Duitse zoöloog Ernst

Haeckel, een fervent aanhanger van Darwin en altijd druk in de weer om de 'natuurwet'

van de 'survival of the fittest' in politieke daden om te zetten.24

Zo'n zestig inzendingen kwamen er op de prijsvraag binnen en de jury benadrukte in zijn

rapport dat als er één ding duidelijk geworden was dankzij de erfelijkheidsleer, het was

dat het sprookje van de gelijkheid tussen de mensen voor altijd naar het rijk der fabelen

verwezen was. Zo werd er een prijs toegekend aan een arts die de superioriteit van de

blonde, noordse langschedeligen bezong en vermenging van dat biezondere soort mensen

met allerlei als inferieur benoemde groepen ten zeerste afried.

De eerste prijs ging naar Wilhelm Schalmeier, een Beierse arts die één en ander aldus for-

muleerde: 'De staatsman wiens geest niet slechts gericht is op kortstondige successen, en



wiens horizon verruimd en verlicht is door de beginselen van de erfelijkheidsleer, zal

erkennen dat de toekomst van zijn volk afhankelijk is van een juist beheer van de

voorplanting.' Een aanhoudende eugenetiese staatskontrole moest er dan ook volgens

hem komen. Slechts na goedkeuring mochten mensen zich voortplanten.


De Verenigde Staten

Linda Gordon schrijft in 'Woman's Body, Woman's Right' (1976) over 'de ontwikkelin-

gen in de Verenigde Staten':

Het erfelijkheidsdenken veranderde in de 1870er jaren drasties en werd gekoppeld aan

een sociaal en politiek pessimisme dat gebruikt werd om de ellende en ongelijkheden van

de status quo te rechtvaardigen... In de mediese en juridiese wetenschap, in de sociologie,

kriminologie, psychologie - in bijna iedere sociale wetenschap - werden erfelijkheidsar-

gumenten gebruikt om sociale problemen te verklaren met individueel falen, en om

twijfel uit te drukken over de doeltreffendheid van sociale hervormingen als het om het

oplossen van dit probleem ging.'25

In 1904 ging de Carnegie Foundation - het fonds van de Amerikaanse staalgigant van de

familie Carnegie - over tot de financiering van een 'Laboratorium for Experimental

Evolution' dat zich moest gaan wijden aan de 'verbetering van het menselijk ras'. Aan het

hoofd stelden zij de bioloog Charles Benedict Davenport, een fervent navolger van

Galton:


'Pauperisme is een resultaat van een komplex van oorzaken. Enerzijds ontstaat het

vooral door de omstandigheden, zoals bijvoorbeeld in het geval waarin een onverwacht

ongeluk, zoals de dood van de vader, een weduwe en het gezin zonder middelen van

bestaan achterlaat, of als een langdurige ziekte van de kostwinner het spaargeld opmaakt.

Maar men kan zo zien dat in dit soort gevallen de erfelijkheid ook een rol speelt; de doel-

matige arbeider zal immers genoeg geld kunnen sparen voor de zorg van zijn gezin als hij

een ongeluk krijgt; en de man met een sterke afstamming (dat wil zeggen de erfgenaam

van sterke karaktereenheden) zal onder geen langdurige ziekte lijden. Afgezien van een

paar hoogst uitzonderlijke voorwaarden, betekent armoede relatieve ondoelmatigheid en

dat betekent op zijn beurt geestelijke inferioriteit.'26

In deze redenering stelde Davenport uiteindelijk armoede gelijk aan een erfelijke

geestesziekte.

'De mens is een organisme - een dier; en de verbeteringswetten voor graan en renpaarden

zijn ook op hem van toepassing. Als men deze eenvoudige waarheid niet aanneemt en de

huwelijkskeuze niet laat beïnvloeden, dan zal er geen menselijke vooruitgang meer

zijn. '27

Daarin moest de Amerikaanse bevolking gaan geloven; 'Eugenics as a Religion' was dan

ook de titel waaronder Davenport ooit een lezing hield waarin hij zijn eugenetiese

geloofsbelijdenis uit de doeken deed. Naast Davenport waren Prescott Farnsworth Hall,

Henry Herbert Goddard en Madison Grant de wetenschappers die het nadrukkelijkst met

hun eugenetiese opvattingen aan de dag traden. Ieder had zo zijn eigen specialiteiten in

'erfelijke inferioriteit' maar allen voerden strijd tegen die mensen die verdedigden dat 'de

omgeving' misschien toch meer over levensomstandigheden zei dan 'de erfelijkheid'. In

de woorden van Madison Grant:

'Er bestaat heden ten dage een wijdverbreid en noodlottig geloof in de macht van de

omgeving en in onderwijs en kansen als middel om de erfelijkheid te veranderen. Dat

komt voort uit het dogma over de mensenbroederschap, dat op zijn beurt afkomstig is

van de slordige denkers van de Franse Revolutie en van hun Amerikaanse nabootsers.

Dat soort geloof heeft veel schade berokkend in het verleden en als er niet tegenin gegaan

wordt, dan kan het zelfs nog ernstiger schade berokkenen in de toekomst. (...) en het heeft

ons vijftig jaar gekost om te leren dat Engels spreken, nette kleren dragen en naar school

en de kerk gaan een Neger niet in een witte man verandert. Net zo min als een Syriese of

Egyptiese vrijgemaakte slaaf veranderde in een Romein door een toga te dragen en in het

amphiteater voor zijn favoriete gladiator in de handen te klappen. Amerikanen zullen een

vergelijkbare ervaring opdoen met de Poolse Jood, wiens dwergachtige gestalte, eigenaar-

dige geestesgesteldheid en genadeloze aandacht voor zijn eigenbelang worden geënt op de

stam van de natie.'28

Net zoals Galton en Davenport propageerde hij in zijn aanval op sociale hervormersters

van verschillende stromingen zijn eugeneties programma, met een beroep op de darwini-

aanse natuurwet:



'Het onterechte ontzag voor datgene waarvan men denkt dat het goddelijke wetten zijn

en het sentimentele geloof in de heiligheid van het menselijk leven strekken ertoe dat de

eliminatie van defekte kinderen wordt voorkomen, evenals de sterilisatie van die

volwassenen die van geen enkele waarde voor de gemeenschap zijn. De natuurwetten

eisen de vernietiging van de 'unfit', en het menselijk leven is alleen waardevol als het

bruikbaar is voor de gemeenschap of het ras.'29

Vanaf ongeveer 1910 begonnen de overheden van de staten én de centrale overheid het

beleid van de zogenaamde natuurlijke selektie vorm en inhoud te geven. Huwelijksverbo-

den tussen 'zwart' en 'wit' waren er al als een soort basis.

Een eenvoudige en doeltreffende vorm van dat beleid was het onthouden van mediese

zorg aan armen. Dat gebeurde over het algemeen met het argument dat hun ziektes geen

echte ziektes waren maar erfelijke degeneratieverschijnselen, waartegen niets te doen

was. In 'The legacy of Malthus' geeft Allan Chase als een van de voorbeelden van een der-

gelijke strategie een uitgebreide beschrijving van onder andere de wetenschaps- en

overheidsbemoeienissen met de ziekte 'Pellagra', die veroorzaakt werd door vitamine-H-

tekort.30

Sterilisatie was een andere manier om de 'undeserving poor' aan te pakken. Indiana was

de eerste staat die, in 1907, met een sterilisatiewet kwam waarin de gedwongen

sterilisatie van alle 'confirmed criminais, idiots, rapists, and imbeciles' werd geëist. In de

loop der jaren volgden nog zo'n dertig staten en ook de kolonie Puerto Rico kreeg zijn

wet. De opgesomde kategorieën konden zeer ruim geïnterpreteerd worden. In alle staten

golden 'epilepsie', 'zwakzinnigheid' en 'kriminaliteit' als gronden voor gedwongen

sterilisatie. De 'zwakzinnigheid' werd vaak gemeten aan de hand van de gestandaardi-

seerde intelligentietests zoals die vooral door Goddard, in navolging van Galtons wensen,

samengesteld waren. Het intelligentie-quotient - IQ - zoals dat door de testmakers en

testafnemers werd vastgesteld ging steeds meer funktioneren als graadmeter van

menselijkheid. De uitkomst stond overigens al van tevoren vast: die korrespondeerde

nauwkeurig met de wensen van de eugenetici rond de inrichting van de samenleving, en

welke mensen daarin wel of niet hoorden. 83% van de Joden, 80% van de Hongaren,

79% van de Italianen en 87% van de Russen maten zij debiel. De Immigration Act van

1924 (die ook wel Johnson Act genoemd wordt) regelde dat ze daarom nog maar zeer be-

perkt tot de Verenigde Staten toegelaten zouden worden.31

Tussen 1900 en 1924 waren gemiddeld 434.810 immigranten uit Italië, Rusland, Polen

en andere centraal-Europese, Zuid-Europese en Oost-Europese landen toegelaten. Op grond

van de Johnson Act werden dat er tussen 1925 en 1939 gemiddeld 24.430 per jaar!32

Het waren dan ook de immigranten uit bovengenoemde landen die in de Verenigde Staten

het doelwit van het eugeneties overheidsbeleid vormden, naast alle zwarten en diegenen

van de 'Yankee-stock' die een blaam op het 'ras' wierpen.

In 1924 had de in 1915 opgerichte Ku Klux Clan 5.000.000 leden. Zij streefden ernaar 'de

moraal' te verhogen door zwarten, joden en katholieken (meestal immigranten uit Italië

en Ierland) te vervolgen.

De enigen die door niemand werden lastiggevallen waren diegenen met wier steun, ijver,

inzet het erfelijkheidsgeloof verbreid was: de blanke bezitters en hun goedgekeurde

woordvoerdersters. Ook progressieve blanke groeperingen ontsnapten niet aan de

verleiding om aan de 'goede' kant te gaan staan. Het racisme van de burgerlijke

vrouwenbeweging is al herhaaldelijk aan de kaak gesteld.33

Linda Gordon laat in 'Woman's Body, Woman's Right' zien hoe de geboortebeperkings-

beweging, ook die uit anarchistiese of socialistiese hoek, altijd een malthusiaanse kant

gehad heeft. De pogingen om voorbehoedmiddelen beschikbaar te stellen waren niet

alleen gebaseerd op meegevoel met het lijden van al die vrouwen die in het kraambed

stierven of ziekte en dood riskeerden via klandestiene abortussen; ze berustten ook op de

gedachte dat armoede veroorzaakt wordt door de grote kindertallen van de armen. Dat

het vanuit die gedachte maar een kleine stap is naar de overtuiging dat armoe erfelijk is

liet Margaret Sanger, één van de belangrijkste pioniers zien. Zij raakte door haar wens de

geboortebeperking respektabel te maken in steeds rechtser vaarwater, tot haar uitspra-

ken niet meer van die van de meest reaktionaire racistiese eugenetici te onderscheiden

waren.

1   2   3   4

  • Natuur en werk
  • Wetenschap en beleid
  • De Verenigde Staten

  • Dovnload 295.16 Kb.