Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Media en mentaliteit

Dovnload 300.38 Kb.

Media en mentaliteit



Pagina1/5
Datum01.08.2017
Grootte300.38 Kb.

Dovnload 300.38 Kb.
  1   2   3   4   5



Samenvatting

MEDIA EN MENTALITEIT

Ideologiekritiek en deontologie

Bart Pattyn

Vrijdag 29 maart 2013

Inleiding
pagina 7 t.e.m. 12

In discussies wordt vaak gedacht dat mediaproducties overeenkomen met consumptiegoederen. Dit is echter niet het geval. Mediaproducties worden niet waardeloos nadat we ze gezien of gelezen hebben. We beschouwen ze ook niet zonder meer als privaat bezit. Integendeel. We vinden het fijn als onze media-ervaringen gedeeld worden. Sociale netwerken, kranten, magazines, radio en televisie zijn belangrijk geworden omdat ze vorm en inhoud geven aan onze gemeenschappelijke belevingswereld en omdat ze het mogelijk maken aan die belevingswereld te participeren. In onze actuele verstandhouding hebben we weinig oog voor onze gemeenschappelijke belevingswereld. We gaan er vanuit dat elke beleving een beleving is van een concrete persoon en we vinden het daarom vanzelfsprekend in de eerste plaats rekening te houden met wat zich afspeelt op het niveau van het individu. Media doen veel meer dan inspelen op private referenties, ze oefenen een invloed uit op onze publieke verstandhouding. Men beschouwt begrippen als ‘publieke opinie’ of ‘gemeenschapssfeer’ veel te vaak als de som van individuele meningen en opinies. Dit is echter een foutieve opvatting. Intersubjectieve referentiekaders kunnen dus niet opgevat worden als de som of het gemiddelde van individuele referentiesystemen.

Een gemeenschappelijke belevingswereld kenmerkt zich door zijn structuur en zijn inhoud. De inhoud wordt bepaald door concrete historische, sociale en economische ontwikkelingen of particuliere gebeurtenissen. De manier waarop die feiten en ontwikkelingen gezamenlijk zullen worden geïnterpreteerd en de manier waarop men binnen die gemeenschap verwacht wordt op die zaken te reageren, zal echter moeilijk afgeleid kunnen worden van die feiten en ontwikkelingen zelf, maar van de mentaliteit of de verstandhouding die zich in de gemeenschap heeft ontwikkeld.

Een mentaliteit, verstandhouding of ethos wordt gevormd door een set van gedeelde emotioneel geladen conceptuele onderscheidingen, uitgangspunten en verwachtingen. Die set maakt het mensen mogelijk om hun interacties en hun communicaties onderling op elkaar af te stemmen. Overal waar mensen op elkaar betrokken zijn vormt er zich spontaan een mentaliteit. Door emotionele ervaringen, kennis en info uit te wisselen, kan de set van gedeelde concepten, vooronderstellingen en verwachtingen bijgesteld en geactualiseerd worden. Onder publieke verstandhouding verstaan we de mentaliteit binnen een gegeven samenleving.

Mensen begrijpen elkaar zolang ze er in slagen hun emoties, waarnemingen en redeneringen onderling te spiegelen. Dat kunnen ze alleen als ze de realiteit waarop ze met hun gesprekspartners betrokken zijn op een gemeenschappelijke manier organiseren en wanneer ze de verbalen en nonverbale tekenen waarmee anderen zich uitdrukken perfect kunnen interpreteren op de manier zoals van hen verwacht wordt. Vervreemding zal aanleiding geven tot misverstanden en als die misverstanden zich opstapelen tot isolement. Juist omdat mensen wilen vermijden het contact met anderen en met de realiteit waarop ze samen met die andere betrokken zijn te verliezen, zullen ze hun notie van de verstandhoudingen binnen hun referentiegroepen regelmatig bijstellen.

In groepen waarin het synchroniseren van de gemeenschappelijke belevingswereld niet kan berusten op face to face gesprekken, zullen mensen gebruik maken van een of andere vorm van massacommunicatie. Dat geeft hen het gevoel deel uit te maken va een groep en niet van de buitenwereld afgesloten te zijn.

In functie van de morele druk, de aard van de referentiekaders, de eigenschappen an de interactiepatronen of het soort taalcode dat men in een specifieke groep geacht wordt te respecteren, kan de structuur van de verstandhoudingen grondig verschillen. Omdat een verstandhouding de scripts en de patronen bepaal van onze interactie en onze vertogen is het niet om het even wat voor een soort publieke verstandhouding er in onze gemeenschap tot stand komt.

Media fungeren als de fora waarop info en ervaringen worden uitgewisseld en dragen op die manier bij tot de ontwikkeling van onze gemeenschappelijke belevingswereld. Die informatie en ervaringen dragen ertoe bij dat die belevingswereld voortdurend evolueert. Om op de hoogte te zijn, willen mensen die evolutie volgen. Om voeling te hebben met wat er in hun referentiegemeenschap leeft, zullen mensen zich voortdurend via massamedia een beeld willen vormen van de actuele verstandhouding. Media komen aan die behoefte tegemoet. Omdat de meeste mensen slechts van een beperkt aantal mediakanalen gebruik maken en er geen andere middelen bestaan om zich van feiten en reacties op de hoogte te stellen, zal de door de media geboden perceptie van publieke verstandhouding die publieke verstandhouding vorm geven.

Mediagebruik als groepsparticipatie

Mediagebruikers worden vaak opgevat als actieve individuen, geïnteresseerd in informatie (uit behoefte of uit plezier). Hierover zegt de Uses and Gratifications Theory dat mediagebruikers zich niet zomaar laten beïnvloeden door wat op hen af komt. Men moet mensen beschouwen als actoren die rationele keuzes maken in functie van hun eigenbelang.

Dat je als individu op de media betrokken bent, sluit niet uit dat massacommunicatie als een vorm van groepsparticipatie kan worden beschouwd. Elke keuze die iemand maakt i.v.m. media stelt die persoon in verbinding met anderen (ook al is de intentie er om een actie uit te voeren als individu). De informatie is voor dat individu vooral relevant voor zover die info hem toelaat zich te orienteren op wat zijn referentiegroep in de ban houdt. De massamedia stellen individuen in staat om hun bewustzijn te verruimen door zich te laten opnemen in de belevingswereld van hun referentiegroep. Mediabelangstelling voor een gebeuren wordt groter naarmate er meer mensen uit een referentiegroep bij betrokken zijn. Nieuws waar geen belangstelling voor bestaat, is geen nieuws.

Mentaliteit

De vuistregel van de allereerste communicatiespecialisten was “boezem je publiek vertrouwen in”, je moet de indruk wekken dat je goed bent in wat je publiek goed vindt. Als je publiek gelooft dat je dezelfde vooronderstellingen en gevoeligheden hanteert, zullen ze je beschouwen als één van hen en dus je boodschap gemakkelijker aanvaarden.

Aristoteles hanteert in deze context het begrip ethos, dat betrekking heeft op de hebbelijkheden en de neigingen van de toehoorders (wat ze onderscheiden van elkaar en wat ze als gemeenschappelijk beschouwen). Wat hem op dit vlak ten zeerste interesseert is hoe je van een groepsethos gebruik kan maken om overtuigend te zijn. In zijn literatuur is ‘ethos’ de verzamelnaam voor verschillende psychologische disposities (gevoelens, verlangens, verwachtingen,… maar niet logisch redeneren). Het is in je keuzes dat je ethos tot uiting komt.

de bedenking maken dat indien Aristoteles ethiek begreep als ‘hoe een individu zich We kunnen aannemen dat ‘ethos’ overeenkomt met wat wij begrijpen als verstandhouding. We kunnen voortreffelijk kan gedragen in zijn referentiegemeenschap’, dan moet wat zich voordoet in de sfeer van ethiek terugslaan op wat zich voordoet in de sfeer van de communicatie en vice versa. In dat opzicht hebben communicatie en ethiek betrekking op één en dezelfde realiteit. Daarom moeten we nauwkeurig analyseren wat een ethos of verstandhouding is

In zijn Ethica Nicomachea omschrijft Aristoteles om welke redenen iemands ethos in een samenleving voortreffelijk is en gewaardeerd wordt en hoe een dergelijke levensstijl aansluit bij datgene waar mensen van nature naar streven.

Mensen die uitgaan van hetzelfde ethos maken gebruik van hetzelfde conceptueel kader (gebruiken dezelfde uitdrukkingen, respecteren dezelfde taalcodes, …) Door hun gemeenschappelijke kijk bewonderen ze de wereld op dezelfde manier. Deze communicatie – die de verstandhouding vormt – bestaat uit verbale en non-verbale tekenen (gebruik van kleuren, gebaren, …). Op die manier bestaat de verstandhouding dus ook in een fysieke stijl en tastbare tekenen, ze ‘schrijft zich in’ in het eigen lichaam en is om die reden ook niet te veranderen. In deze context kunnen we ‘ethos’ in de buurt plaatsen van wat Bourdieu habitus’ noemde.

Een verstandhouding wordt echter ook gekarakteriseerd door een emotioneel aspect, wat dient als een belangrijke motivationele factor. Wie op basis van de sociale controle wordt misprezen of verworpen (bv: pesten) zal het bijzonder moeilijk hebben zich te handhaven. Durkheim stelt dat het respect voor sociale instellingen teruggaat op het collectieve ontzag (of respect) voor deze instellingen. Mensen houden voortdurend rekening met wat in zulke verstandhouding gangbaar is en wat niet. Het belangrijkste richtsnoer waardoor mensen zich dus laten leiden is (zo zeiden reeds veel filosofen, waaronder Locke) the law of fashion, een wet die vaak onopvallend functioneert, waardoor mensen zelden de indruk hebben dat wat hun groep voorschrijft eigenlijk wordt afgedwongen. Door die sociale controle zijn mensen vaak in staat door slechts kleine aanduidingen te weten wat mensen uit een groep bedoelen met bv: een glimlach, een gebaar, … Deze eigenschappen van een groep zijn echter niet statisch, ze veranderen voortdurend; hiervoor moet men dus voortdurend aan het communicatieproces deelnemen. De invloed die uitgaat van een ethos is dus niet iets waar mensen aan overgeleverd zijn.

Kritische bedenkingen



  1. Media zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de publieke verstandhouding.

Zelfs wanneer redactionele onafhankelijkheid wordt gerespecteerd, zijn er in principe slechts een handvol redacteurs, netwerkverantwoordelijken of producers die beslissen over de toon en de strekking van de berichtgeving of over de programmering van fictie en entertainment.

Ook al zijn deze vertegenwoordigers van de vierde macht niet democratisch verkozen, toch wordt hun autocratie zelden betwist. We gaan er immers van uit dat in een vrije markt niet de producent, maar de consumenten de aard van het aanbod bepalen. Een publieke omroep beschikt over dit punt over meer vrijheid, maar ook die vrijheid is begrensd, omdat als uit de kijk- of bereikcijfers blijkt dat het grote publiek stopt met kijken, de legitimiteit van de subsidieregeling onder druk komt te staan. In deze zin lijkt de mediagebruiker verantwoordelijk voor de manier waarop de media de publieke opinie beïnvloeden. De idee dat media invloed uitoefenen op de publieke verstandhouding wordt in de context van een consumentenparadigma in die zin als irrelevant ervaren. Binnen het consumentenparadigma gaat men aan moeilijk te operationaliseren interindividuele fenomenen voorbij. In de marketing is men er zich van bewust dat een productimago correspondeert met een groepsethos. Ze weten hoe ze de brand van een product moeten afstemmen op de verstandhouding van een doelpubliek en hoe ze op die verstandhouding kunnen inspelen. Het komt niet vaak in hen op om de implicaties van hun creatieve projecten in verband te brengen met het ethos in de samenleving. De invloed van marketingstrategieën op de morele verstandhouding kan worden ontkend omdat marketinginterventies zo fragmentarisch en zo uiteenlopend zijn dat particuliere interventies geen noemenswaardig effect kunnen hebben op het maatschappelijk ethos. Bovendien gedragen consumenten, zowel met betrekking tot hun muziek en zendervoorkeur, zich als kritische en zelfstandige actoren die verstandig genoeg zijn om een onderscheid te kunnen maken tussen wat grappig is bedoeld en wat ernstig moet worden genomen, tussen realiteit en fictie of tussen reclame en berichtgeving. Als er van de media dan toch nog een morele invloed uitgaat, dan kunnen we aannemen dat de effecten van de diverse programma’s en rubrieken elkaar opheffen. Zeker zolang pluralisme gegarandeerd blijft, lijkt de morele impact van de media aldus beperkt. De segmentering van het media-aanbod weerspiegelt de verschillen in opleiding en is op die manier nog altijd gekoppeld aan klasseverschillen. De impact van manifeste levensbeschouwelijke ideologieën is vandaag kleiner geworden, maar de impliciete invloed van entertainment en reclame op de actuele publieke verstandhouding wordt wellicht onderschat.



  1. Oefenen media invloed uit op onze publieke verstandhouding?

Deze vraag heeft enkel zin als er nog een dergelijke ‘verstandhouding’ bestaat. Mensen zouden namelijk kritischer en zelfstandiger geworden zijn en zich niet meer laten beïnvloeden door wat de publieke opinie voorschrijft. Toch zijn er allerlei tekenen die erop wijzen dat er ook in de moderne samenleving een publieke verstandhouding bestaat. De impliciete collectieve overtuigingen die ertoe bijdragen dat sommige mensen worden gewaardeerd en anderen worden vergruisd, werden nooit opgeheven. (bv wat er in de mode is en wat niet). Mensen lijken zich nog steeds te orienteren op een officieel ijkpunt en dat ijkpunt wordt gevormd in functie van wat behoort tot de set van uitgangspunten en ordeningsprincipes die deel uitmaken van de publieke verstandhouding.

  1. Zal het uitgangspunt van dit betoog niet automatisch uitmonden in een conservatief betoog waarin de zorg voor de publieke verstandhouding primeert op de zorg voor ieders individuele keuzevrijheid?

Het klopt dat als je gaat nadenken over de impact van de publieke verstandhouding er minder ruimte overblijft voor een romantische vrijheidsopvatting waarin vrijheid wordt verward met vrijblijvendheid. Dit boek zal echter niet uitmonden in een pleidooi voor meer bevoogding en strengere regelgeving. Het lijkt verstandiger om het gezag van zoveel mogelijk halfzachte, vrome en misleidende vrijheidsopvattingen te doorprikken en de factoren die onze vrijheid beperken te belichten.

De invloed die uitgaat van een ethos of verstandhouding is trouwens niet iets waar mensen aan overgeleverd zijn. Ook vandaag kan iedereen die dat wil van de heersende verstandhouding een zekere afstand nemen door na te denken.



  1. Op basis waarvan kan je zinvol uitmaken welke verstandhouding je wilt stimuleren of ontmoedigen, als je evaluatie wordt bepaald door de verstandhouding waarvan je deel uitmaakt? Impliceert dit een kwalijke vorm van relativisme?

Veronderstelt een normatief gezichtspunt niet veeleer dat we beoordelingen funderen op iets dat zich buiten de context van een ethos bevindt, bijvoorbeeld natuurlijke wetmatigheden, rationele principes,…? Er is onder filosofen veel over dit soort normatieve funderingen gediscussieerd en er werden tal van theorieën ontwikkeld waarin men effectief voorhoudt dat ethische principes kunnen worden afgeleid van niet-contingente principes zoals God, de natuur of de rede. Naast het feit dat de voorgestelde funderende uitgangspunten over het algemeen merkwaardig goed pasten in het kader van het ethos waarin ze tot stand kwamen, waren die uitgangspunten doorgaans behoorlijk abstract.

Vandaag wordt vaak gesuggereerd dat de normatieve conflicten die te maken hebben met de onverzoenbaarheid van verstandhoudingen het resultaat zijn van culturele tegenstellingen. Men gaat er aan voorbij dat dergelijke normatieve conflicten zich ook voordoen binnen wat we als homogene culturen percipiëren. Alle mensen participeren in verschillende verstandhoudingen tegelijk en weten dat de doelstellingen die gelden in de ene verstandhouding vaak in strijd zijn met de doelstellingen die gelden in een andere verstandhouding, ongeacht of die verstandhoudingen zich ontwikkelen in dezelfde cultuur of niet. Er doen zich vanwege die verschillende verstandhoudingen voortdurend loyaliteitsconflicten voor zonder dat ze leiden tot het soort impasses dat men zich in discussies over moreel relativisme op abstract niveau voorspiegelt. Mensen weten met dergelijke conflicten om te gaan en wie die omgang observeert, zal merken dat het zelden morele theorieën zijn die daarbij uitkomst bieden. Mensen blijken morele onenigheid het hoofd te kunnen bieden in de mate dat ze bereid zijn zich in de leefwereld van hun medemensen in te leven en het voor elkaar zo goed als dat kan mogelijk te maken te leven in de lijn van wat ieder binnen zijn set van verstandhoudingen nauw aan het hart ligt. Ze weten wat loyaliteitsconflicten impliceren omdat ze door hun loyaliteit tav verschillende groepen vaak conflicterende standpunten innemen en omdat ze intern met dit soort conflicten hebben leren omgaan.

De reden waarom abstracte ‘niet-relativistische’ morele theorieën geen uitkomst bieden, is dat ze abstractie maken van elke historische, economische, politieke, culturele of nationale contect waardoor ze voorbij gaan aan wat een persoon, een relatie, een gedrag of een object betekensivol maakt.

Dat ieders moreel engagement op basis van particuliere omstandigheden betekenis krijgt, kan niet worden aangegrepen om te verdedigen dat daarom alles om het even is. Er zijn tal van morele opties die we belangrijk vinden, ook al weten we dat er tijden zijn geweest waarin men ze onbenullig vond en ook al kunnen we hypothetisch vermoeden dat er tijden zullen komen waarin men andere engagementen belangrijker zal vinden. Dat besef doet niets af aan het feit dat we die opties voor het ogenblik gerealiseerd willen zien. Dat besef is over het algemeen gemeenschappelijk genoeg om met elkaar zinvol van gedachten te wisselen over het soort samenleving dat we willen uitbouwen of het soort samenleving dat wel willen vermijden en dus ook over het soort media dat ons het meest geschikt lijkt om een goede samenleving te helpen realiseren of om de ontwikkeling van een onverkwikkelijke publieke verstandhouding te ontwijken.



H1: componenten van een mentaliteit

Grenzen en verwachtingen

Behoudsgezinde burgers vinden dat we grenzen moeten respecteren, terwijl vooruitstrevende burgers vinden dat we grenzen moeten doorbreken. Wat wordt er met dit soort grenzen precies bedoeld? Wie al dan niet een grens overschrijdt, bruuskeert een verstandhouding. Alle vormen van transgressie hebben gemeen dat ze een vertrouwensband schenden. Grenzen nemen zelden de vorm aan van een fysieke afbakening. Welke limieten je in bepaalde omstandigheden in acht moet nemen kun je alleen aanvoelen als je vertrouwd bent met de mentaliteit van de groep waarin de limieten gelden. De aard van een grens wordt klaarblijkelijk bepaald door de aard van de verstandhouding waarin de grens functioneert. Wanneer een verstandhouding wijzigt, dan wijzigen ook de daarin geldende grenzen. En omgekeerd: wanneer grenzen vervagen of verschuiven, dan heeft dat onmiddellijk effect op het karakter van de verstandhouding. => grenzen kunnen niet worden beschouwd als op zichzelf staande, onveranderlijke barrieres die in alle omstandigheden als definitieve principes gelden. Voor zover mensen erin slagen om de intersubjectieve sfeer in een relatie of een groep te laten kantelen, zijn ze ook in staat grenzen te laten verschuiven. Hoe schokkender de transgressie, hoe sterker de confrontatie met het besef dat al dat soort zaken waarvan we gewoonlijk uit het oog verliezen hoe vreselijk fout ze kunnen gaan, vreselijk fout KUNNEN gaan. Dat is wellicht en van de redenen waarom mensen op zaken die de gangbare orde doorbreken emotioneel reageren. Die reactie is doorgaans collectief. Na de shock die door een kwetsend incident wordt veroorzaakt, zal de groep ernaar streven de gemoedsrust te herstellen. De procedure die hierbij wordt gevolgd, zal verschillen in functie van het soort instituties, rituelen, gebruiken, en tradities die er met betrekking tot dit soort incidenten in particuliere verstandhoudingen gelden. Na een shockerende misdaad zullenweons in een dergelijke verstandhouding een zo geruststellend mogelijk beeld willen vormen van het incident. We zullen namelijk aansturen op een voorstelling waarin ‘het kwaad’ contained of isoleerbaar blijkt. => dat heeft een geruststellend karakter, dit idee maakt het mogelijk er van overtuigd te zijn dat het kwaad kan worden uitgebannen.

We mogen niet vergeten dat grenzen ook ruimte creëren. Grenzen stellen tussen signaal en impuls een cesuur in, waardoor er ruimte ontstaat om primaire impulsen af te stemmen op wat onze medemensen attent, mooi, nuttig of zinvol vinden. De impact van de verandering, de paniek of de terreur bij het schenden van iemands eer, kunnen moeilijk empirisch worden vastgelegd. Maar dat maakt de grenzen niet minder reëel. Een grens is pas een grens als de verschillende individuen die op die grens betrokken zijn van elkaar weten dat ze die grens op dezelfde manier percipiëren en dat ze van elkaar weten dat iedereen geacht wordt die grenzen te respecteren. Een grens is maw pas echt een grens wanneer ze berust op een afspraak. Grenzen worden in die zin per defenitie een intersubjectief karakter.

George Herbert Mead is de gangmaker van het Symbolisch interactionisme. Hij heeft het intersubjectief karakter van regels, afspraken, interpretatieschema’s en betekenissystemen aan de orde gesteld. De reflectie over wat grenzen zijn en wat binnen een verstandhouding gebeurt wanneer grenzen worden overschreden, zal voor de bezinning over de impact van media op de publieke verstandhouding, bijzonder relevant blijken. Onder andere omdat de interesse in wat zich in een samenleving afspeelt vaak samenvalt met de interesse voor wat de publieke verstandhouding in beroering brengt. Zo komt bijvoorbeeld ‘sensatie’ vaak overeen met het groepsaffect dat ontstaat wanneer gangbare grenzen werden doorbroken en heeft iets alleen ‘nieuwswaarde’ als het ons verwachtingspatroon doorbreekt.

Interactiepatronen

We zijn in staat met grenzen rekening te houden omdat we (zoals Herbert Mead liet inzien) de reacties op ons gedrag van onze componenten kunnen inschatten ( dieren). In communicatie onder mensen functioneert een fysiek of verbaal ‘gebaar’ (gesture) als een symbool, waarmee wordt bedoeld dat de voorstelling van dat gebaar de voorstelling van zijn respons uitlokt. Zo kan het individu over de effecten van gedragingen nadenken nog vooraleer hij iets onderneemt. (bijvoorbeeld luid brand! Roepen = vocal gesture).

In Meads benadering komt de betekenis van een gedrag, object of woord overeen met de voorstelling van de reactie of van de reeks reacties die door dat gedrag, dat object of dat woord wordt uitgelokt (en bij mensen zelden instinctief). Hoe vertrouwder we zijn met de gangbare interactiepatronen, hoe nauwkeuriger we de reacties van leden van onze groep op gedragingen, woorden of objecten zullen kunnen inschatten. Begrijpen wat iets te betekenen heeft, is zich de fysieke of mentale reacties realiseren die dat gegeven in een particuliere groep spontaan zal uitlokken. De oorsprong van ons denkvermogen (mind) is in die zin sociaal. Gedragingen, objecten en woorden ontlenen hun betekenis aan de manier waarop men binnen een gegeven interactiepatroon verwacht wordt er op te reageren.

De positie van hoe ‘men’ wordt geacht te reageren (= de positie van the generalized other). De respons die men verwacht dat gegeven zal worden, vertegenwoordigt de objectieve betekenis van dat gegeven. Het onderscheid tussen de ‘objectieve’ (officieel gangbaar in de groep) en de ‘subjectieve’ (origineel en persoonlijk) perceptie van wat zich voordoet, draagt ertoe bij dat het individu zich in allerlei situaties realiseert wat het gezichtspunt is waar andere mensen zich op oriënteren bij het inschatten van wat er aan de hand is.

Het individu zal wanneer hij iets overdenkt een dubbel perspectief kunnen innemen:



(1) Eerste standpunt: houdt rekening met de gangbare betekenissen en met de officiële interpretatie van wat zich voordoet.

(2) Tweede standpunt: kenmerkt zich door persoonlijke gevoelsmatige reacties of strikt private gezichtspunten.

Mead werkt deze visie uit in het kader van zijn opvattingen over het menselijke zelfbewustzijn. Het vermogen zich in de plaats van een ander te stellen zorgt ervoor dat het individu zich van zichzelf bewust is. Iedere keer dat een persoon een gedraging stelt ten aanzien van een andere persoon, kan het individu zich immers realiseren hoe die andere zijn gedrag ervaart. Op basis van die spiegelende interactie ontwikkelt het individu zelfbewustzijn, dat Mead ‘Me’ noemt. De interne dialoog doet zich voor tussen het ‘Me’ en het ‘I’ (het principe dat actief interageert). Door zichzelf te beschouwen vanuit het standpunt van de veralgemeende andere kan het individu zich een idee vormen over het officiële beeld dat ‘men’ in een groep van hem heeft.

Als je je echter geen idee kan vormen van wat ‘men’ denkt, kan je je ook niet realiseren wat er van jou verwacht wordt of wat de gangbare uitgangspunten zijn wanneer er over een onderwerp wordt gediscussieerd. Als je het karakter van de interactie niet kent, kan je er dus ook niet aan deelnemen.

Om je een beeld te kunnen vormen over wat zich voordoet op basis van verschijnselen die je op het eerste zicht niet goed kan plaatsen, zal je je een beeld moeten vormen van het referentieperspectief. Dit blijkt in die zin onontbeerlijk als uitgangspunt van onze fysieke en mentale interacties. Dit referentieperspectief (of frame) zal in alle gevallen waarin een situatie ‘officieel’ wordt gepercipieerd, fungeren als het referentiepunt op basis waarvan je de status van je eigen spontane reactie en de reacties van anderen kan inschatten.

Als het om grote groepen gaat, is het echter veel moeilijker om het perspectief van de veralgemeende andere te wijzigen. In die gevallen zal je verplicht zijn gebruik te maken van massamedia! Mead merkte terecht op dat in grote groepen zoals nationale gemeenschappen of staten mensen zich nooit een beeld kunnen vormen van de generalized other op basis van persoonlijke interacties! Van officieel nieuws gaat men uit dat het de basis vormt van de manier waarop de realiteit door de PO wordt gepercipieerd. Eens een PO een bepaalde vorm heeft aangenomen, zal die moeilijk kunnen worden gecorrigeerd. Dat is de reden waarom, zelfs als het om pure onzin gaat, ‘as seen on television’ een verschil maakt.

Frames


Het begrip frame werd in de traditie van het symbolisch interactionisme geïntroduceerd door Erving Goffman. In tegenstelling met de huidige betekenis is een ‘frame’ (manier waarop een gebeurtenis geframed wordt door bv de media) voor Goffman geen bewust gekozen conceptueel of metaforisch kader.

Het is een door een groep gedeeld referentieschema van waaruit men zich binnen een gegeven verstandhouding spontaan een beeld vormt van wat er gaande is, en van waaruit men de onderlinge interactie spontaan coördineert.

Het gaat dus eerder om de volgorde waarin iets verschijnt als een feit bij gratie van een frame (en niet omgekeerd zoals het vandaag is, niet eerst feiten en dan frames). Het biedt de uitgangspositie van waaruit men in een verstandhouding een situatie verwacht wordt in te schatten. Het is ook geen voorwerp van een specifieke keuze, het is verstandhoudingspecifiek.

In zijn frame analyse beschrijft Goffman hoe een frame kan evolueren in functie van de interactie, de beschikbare informatie of de omstandigheden. Het start met een primary frame, een ruwe beschrijving van wat zich fysisch voordoet. Dat basiskader wordt ingeruild voor een specifieker perspectief dat fungeert als een sleutel of key. Deze versleuteling (of keying) kan een perceptie verfijnen, maar ze kan de oorspronkelijke perceptie ook volledig heroriënteren.

Wie geen idee heeft van de frames waarvan de interpretatiegemeenschap gebruik maakt om uit te maken wat er aan de hand is, kan zich op basis van wat zich materieel voordoet nauwelijks een idee vormen van wat er ‘feitelijk’ aan de hand is. Het is pas wanneer zich een gemeenschappelijk frame aandient van waaruit een situatie ‘officieel’ wordt ingeschat, dat interacties ondubbelzinnig interpreteerbaar zijn. Goffman benadrukt echter ook hoe kwetsbaar een frame kan zijn (wanneer de interactie slecht wordt uitgevoerd). Zonder frame wordt het echter weer moeilijk om de interactie te synchroniseren. Zo werkt een conversatie ook:

- Het vertrekpunt (zo zegt ook Aristoteles) is een ‘gangbare vaststelling’ of een ‘gemeenplaats’.


- Als die argumenten overtuigend zijn, zullen de gesprekspartners hun gemeenschappelijke frame bijstellen

Men gaat er ook in het algemeen van uit dat mensen het zullen meedelen indien ze informatie hebben dat er toe verplicht het gemeenschappelijke frame te heroriënteren. Ook in grote democratische gemeenschappen gaan mensen er vanuit dat het officiële frame zo accuraat en actueel mogelijk is. Het is vanuit de verwachting dat men alles wat de gemeenschap aanbelangt zal meedelen, dat men kwaliteitseisen stelt ten aanzien van journalistiek.


  1   2   3   4   5

  • Uses and Gratifications Theory dat mediagebruikers zich niet zomaar laten beïnvloeden door wat op hen af komt.
  • Aristoteles
  • Het is in je keuzes dat je ethos tot uiting komt.
  • Bourdieu ‘habitus’
  • Locke ) the law of fashion
  • H1: componenten van een mentaliteit
  • Meads
  • Begrijpen wat iets te betekenen heeft, is zich de fysieke of mentale reacties realiseren die dat gegeven in een particuliere groep spontaan zal uitlokken.

  • Dovnload 300.38 Kb.