Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Meedogenloze martelingen voor het landsbelang’ Een onderzoek naar moraal en emotie in Jesper Kies 16 augustus 2010

Dovnload 2.07 Mb.

Meedogenloze martelingen voor het landsbelang’ Een onderzoek naar moraal en emotie in Jesper Kies 16 augustus 2010



Pagina37/65
Datum12.03.2017
Grootte2.07 Mb.

Dovnload 2.07 Mb.
1   ...   33   34   35   36   37   38   39   40   ...   65

4. Resultaten

Dit onderzoek heeft zich gericht op de morele keuzes binnen seizoen vier van de populaire dramaserie 24. Door middel van een narratieve analyse in de vorm van een WOW-analyse van Wester en Weijers (2006) is onderzocht hoe de verschillende morele keuzes in 24 tot stand komen en hoe deze keuzes en de factoren hierbinnen zich herleiden tot emotie.

Uit deze analyse zijn verschillende resultaten voortgevloeid. De verschillende morele keuzes in 24 zijn hierbij in kaart gebracht. De aanwezige morele keuzes vielen op te delen in twee overkoepelende thema’s: ‘doel heiligt middelen’ en ‘individueel belang versus groter belang’. Binnen deze thema’s was het thema ‘doel heiligt middelen’ het meest dominante en meest voorkomende thema. Dit thema viel dan ook nog op te delen in vijf verschillende subthema’s. Beide hoofdthema’s bevatten zowel keuzes van de ‘goede’ personages als de ‘slechte’ personages. Toch vielen er in 24 meer keuzes van de ‘goede’ personages waar te nemen dan van de ‘slechte’. Bepaalde subthema’s bestaan dan ook alleen uit de morele keuzes van ‘goede’ personages. Daarnaast blijkt ook dat de ‘slechte’ personages aanzienlijk minder emoties vertoonden in hun keuzes dan de ‘goede’. Zij lijken op een minder menselijke manier te zijn neergezet in de serie en vertoonden daardoor ook minder zwakten en onzekerheden. Zoals verwacht waren daarbij hun keuzes immoreler van aard, en was het vaak lastiger om te onderscheiden hoe hun verschillende keuzes tot stand waren gekomen en welke factoren hierin een rol speelden. Hoewel dit bij de keuzes van de ‘goede’ personages ook niet altijd expliciet werd vermeld, was dit in deze gevallen eenvoudiger uit de betreffende verhaallijnen waar te nemen.
4.1. Doel heiligt middelen

Het eerste voorkomende thema van morele keuzes in seizoen vier van 24 is ‘doel heiligt middelen’. Er bleken in 24 voortdurend keuzes te worden gemaakt waarbij een bepaald doel de genomen middelen moest verantwoorden. Deze morele keuzes dienden in de betreffende gevallen dan dit hogere doel. Bovendien werd het doel gebruikt om de vaak immorele, middelen tegenover zichzelf en tegenover anderen te kunnen verantwoorden. Daarbij gold het doel vaak al als motivatie om dergelijke keuzes in eerste instantie te maken. De gebruikte middelen en dus de betreffende gemaakte keuzes zijn in deze context als (im)moreel gedefinieerd, vanwege het feit dat het keuzes zijn die betrekking hebben op bepaalde andere individuen (Gert, 2005) (zie paragraaf 2.3). Tevens zijn het keuzes die relateren aan algemeen geldende morele regels die voor iedereen bekend en herkenbaar zijn (Gert, 2005). Bovendien wordt door Gert (2005) de morele regel dat het doel de middelen niet rechtvaardigt, gehanteerd. Volgens hem kan een beter resultaat nooit immorele middelen rechtvaardigen. Bij ‘doel heiligt de middelen’ draait het dus om een al langer bekend thema in de literatuur omtrent moraal (zie paragraaf 2.3).

Er viel binnen de morele keuze ‘doel heiligt middelen’ een vijftal subthema’s te onderscheiden. Deze subthema’s zijn: ‘bedreiging en marteling’, ‘pleging van een aanslag’ ‘liegen voor een groter doel’, ‘negeren van bevelen en protocollen van autoriteiten’ en ‘het uitschakelen van (gevaarlijke) individuen’.
4.1.1 Bedreiging en marteling

‘Bedreiging en marteling’ betreft verschillende handelingen van personages, waarbij andere personages op uiteenlopende manieren onder druk worden gezet. Het bedreigen of martelen van personen valt te beschouwen als een morele keuze, omdat er sprake is van gedrag dat betrekking heeft op anderen en er tevens sprake is van een algemeen heersende morele regel, namelijk anderen geen pijn doen (Gert, 2005; Rachels, 1993) (zie paragraaf 2.3). Met deze morele regel wordt binnen de keuze om te martelen of te bedreigen gebroken, omdat iemand martelen of bedreigen betekent dat diegene zowel lichamelijk als geestelijk wordt gekwetst. De keuze om te bedreigen en te martelen kwam bij zowel de ‘goede’ als de ‘slechte’ personages voor, maar was bij de eerste groep het meest frequent waar te nemen. Hier leek marteling een alom geaccepteerde handeling in de werkzaamheden van de CTU-agenten. Opvallend was dat de ‘slechte’ personages in hun keuzes om te bedreigen en te martelen aanzienlijk minder emoties vertoonden dan de ‘goede’ personages. Laatstgenoemde groep vertoonde in veel gevallen de emotie woede.

De personages in 24 kozen er op verschillende momenten voor om een ander bewust lichamelijk of geestelijk te kwetsen. De keuze om iemand anders bewust pijn te doen, werd in deze gevallen gemaakt om een bepaald doel te bereiken. Dit maakte het martelen of bedreigen een geaccepteerde handeling in het gedrag van personages. Om deze reden is het thema ‘bedreiging en marteling’ als subthema van het thema ‘doel heiligt middelen’ onder te verdelen. In de analyse van het subthema was te zien hoe verschillende personages in 24 de keuze maakten om anderen te pijnigen en dreigen te pijnigen of vermoorden, om zo informatie te verkrijgen. Ook kon hierbij gedreigd worden andere individuen dan de bedreigde persoon in kwestie te pijnigen of te vermoorden. Dit kon bijvoorbeeld door te dreigen iemands familielid, vriend of partner te vermoorden of pijn te doen. Bovendien kon het onder druk zetten plaatsvinden door te dreigen dat iemand zijn geliefden nooit meer terug zou zien, indien diegene niet zou meewerken aan het verstrekken van informatie. Personages kozen er op deze momenten bewust voor om iemand voor het hogere doel te bedreigen, al dan niet met behulp van pijniging. Deze keuze werd dan ook meermaals verantwoord door dit hogere doel dat zij voor ogen stonden. Zo kon voor de ‘goede’ personages te verkrijgen informatie er toe leiden dat terroristische aanslagen voorkomen konden worden. Daarnaast kon informatie bij de ‘slechte’ personages bijvoorbeeld gebruikt worden om terroristische doelen te bereiken. Beide soorten personages bedreigden of martelden dus met een bepaald doel dat de handeling rechtvaardigde.

Bedreiging en marteling’ was, zoals genoemd, een handeling die zowel bij ‘goede personages’ (personages werkend voor de antiterreureenheid CTU en andere personages die de terroristen tegenwerkten) als ‘slechte personages’ (terroristen of personages die samenspanden met terroristen) waar te nemen viel. Toch was de handeling het vaakst te constateren bij de ‘goede personages’. Martelen en het onder druk zetten van verdachten door bedreigingen werd door verschillende eenheden van CTU veelvuldig toegepast om bepalende informatie over terroristische doelen die zij niet zomaar zouden vrijgeven, uit verdachten te krijgen. Vaak lieten verdachten namelijk uit zichzelf niet veel los, maar was men er zeker van dat een verdachte wel essentiële informatie zou achterhouden. Daarbij was er in deze gevallen weinig tijd om achter de informatie te komen, omdat de volgende terroristische acties alweer op het punt stonden plaats te vinden. De verdachte was dan het enige aanknopingspunt in de zaak. Om deze reden vond men het daarom noodzakelijk om een verdachte te ‘breken’ door middel van ernstige bedreiging (op basis van diverse leugens), het toedienen van ‘pijninjecties’ of geblinddoekte desoriëntatie door middel van allerlei op hoog volume afgespeelde geluiden. Wanneer martelen niet tot een resultaat zou leiden, ging men in bepaalde gevallen over tot een beloning voor te verstrekken informatie door de verdachten. Deze beloning betrof dan veelal een speciale verklaring door de president getekend, waarin de verdachte en zijn of haar familie bescherming en vrijstelling van aanklachten gegarandeerd werd. Informatie die de verdachte verstrekte zou daarbij wel moeten leiden tot het vinden van bepaalde terroristen of het voorkomen van plaats te vinden aanslagen. Een dergelijke verklaring in het verschiet maakte dat verdachten in veel gevallen alsnog wilden meewerken en de gewenste informatie verstrekten. Met name het belang van een goede situatie voor het gezin of de familieleden van de verdachte speelde hierbij een belangrijke rol. In één van de gevallen waarin veiligheid en vrijstelling van aanklachten door de president aan de verdachte was verstrekt en beloofd, werd deze alsnog teruggetrokken, terwijl de informatie van de verdachte wel tot het gewenste en afgesproken resultaat had geleid. De president en CTU hielden in dit geval niet hun woord en kozen ervoor om de verdachte zijn afgesproken rechten te ontnemen.

Factoren binnen de morele keuzes om verdachten in te verlenen rechten tekort te komen, te martelen of op andere manieren onder druk te zetten, betroffen dus vaak een dreigende terroristische ramp, een tijdgebrek en het niet meewerken van verdachte personen. Martelen werd vanwege deze factoren binnen CTU gezien als een reguliere activiteit in de werkzaamheden van veel agenten en werd bij de instantie door het merendeel van de werknemers volkomen geaccepteerd. Het doel om terroristische aanslagen te voorkomen rechtvaardigde voor CTU het martelen van verschillende verdachten. Zelfs familieleden werden voor dit doel op bepaalde momenten opgeofferd. Zo viel waar te nemen dat minister van defensie James Heller opdroeg zijn zoon (die informatie leek achter te houden) meerdere malen te laten martelen. In aflevering zes is te zien hoe hij het laten martelen van zijn zoon verantwoordt door middel van de plicht die hij naar eigen zeggen tegenover zijn land dient te vervullen:


Heller: Agent Manning, I am authorizing you to do whatever you feel is necessary to get this information out of my son.
Richard: Dad…
Heller: I love you, son. But I have a duty to my country.
Richard: You can’t be serious.
[Heller goes towards the door.]
Richard: Dad!
(James Heller en Richard Heller, afl. 6)

Eén van de ‘goede’ personages die het meest frequent zelf martelingen uitvoerde, was Jack Bauer. Hij deed dit vaak tijdens zijn werkzaamheden op locatie, buiten de muren van CTU om. De beslissing om te martelen was vaak een ingeving die Jack ter plekke kreeg, zonder dat daar toestemming voor werd gegeven vanuit de autoriteiten of CTU. Dit was bij het onder druk zetten en martelen binnen het kantoor van CTU wel altijd het geval. Hier moest de leidinggevende toestemming geven tot een dergelijke manier van onder druk zetten. Een voorbeeld van Jack Bauer die iemand ter plekke besluit te martelen is de situatie waarin Jack Paul Raines ziet als verdachte en bij hem thuis is om hem te ondervragen. Dit martelen gebeurt onder toeziend oog van Audrey, Jack’s vriendin en tevens voormalig echtgenote van Paul. Zij is het niet eens met de marteling en tracht Jack te stoppen. Maar Jack is overtuigd van de schuld van Paul en laat stroomstoten op Paul los om hem aan het praten te krijgen. Hij verantwoordt zijn keuze om te martelen met het het feit dat Paul een belangrijke verdachte is die niet meewerkt en Jack weinig tijd heeft:



Audrey: Jack. I don’t think that Paul would be a traitor to this country.
Jack: Right now Paul is a prime suspect, and he’s not cooperating with me and I don’t have time to do this any other way. I need to know for sure.
(Jack Bauer en Audrey Heller, afl. 11)

Op bepaalde momenten vertoonden ook de ‘slechte’ personages de keuze om te martelen en te bedreigen. Er werd op verschillende momenten gekozen om op deze manier een ander bewust pijn te doen om een bepaald doel te verwezenlijken. Dit element van een ander bewust pijnigen maakt de keuze van de ‘slechte’ personages om te martelen en te bedreigen een morele keuze. Een morele keuze is binnen dit onderzoek namelijk gedefinieerd als een keuze die betrekking heeft op anderen en gemeenschappelijk bekende morele regels, idealen of andere eigenschappen bevat. De regel om een ander geen pijn te doen is één van deze morele regels (Gert, 2005) (zie paragraaf 2.3). Bovendien vindt er bij de keuze om te martelen en te bedreigen een overweging van verschillende belangen plaats, hetgeen volgens Rachels (1993) als element van moraal kan worden gezien (zie paragraaf 2.3). De belangen van het doel om te martelen of te bedreigen worden binnen deze keuze boven de belangen van het slachtoffer verkozen. De morele keuze om te martelen en te bedreigen werd door de ‘slechte’ personages aanzienlijk minder vaak gemaakt dan door de ‘goede’ personages.

Ook de motieven om te martelen verschilden bij de ‘slechte’ personages van de ‘goede’ personages. Waar de ‘goede’ personages voornamelijk martelden en bedreigden om informatie te verkrijgen met als uiteindelijk doel terroristische daden te voorkomen, martelden en bedreigden ‘slechte’ personages veelal om allerlei zaken, die juist een terroristisch doel konden beschermen of hielpen te behalen, zoals toegang en middelen. Beide soorten personages maakten hun morele keuzes om te martelen en bedreigen dus voor een vergelijkbaar doel, al waren deze doelen totaal tegengesteld aan elkaar. De morele keuze om andere individuen bewust (lichamelijk en geestelijk) pijn te doen vond bij de terroristen in de meeste gevallen plaats door bedreiging of het op andere manieren onder druk zetten van andere individuen. Zij deden dit met als doel het verkrijgen van informatie over de vorderingen van CTU bij het opsporen en voorkomen van terroristische gevaren. Zij wilden dan weten welke aanknopingspunten CTU had omtrent hun activiteiten, om zo een bepaalde tactiek te kunnen uitzetten. Deze tactiek zou hen dan kunnen helpen in het uiteindelijk bereiken van hun terroristische doel(en). In andere gevallen werden personen met de dood of de dood van geliefden bedreigd om de terroristen toegang te verlenen tot bepaalde middelen of om een ontsnappingsroute te verschaffen. Door middel van deze toegang kon de terrorist dan uit de handen blijven van CTU of in staat worden gesteld om een terroristisch doel te kunnen ondersteunen. Beide situaties konden vervolgens er toe leiden dat een terroristisch doel werd behaald. Het uit handen blijven van CTU verminderde namelijk het risico dat er essentiële informatie over de terroristische activiteiten in handen van de antiterreureenheid zou komen (iets dat door middel van druk met bijvoorbeeld marteling zou kunnen plaatsvinden). Daarbij leidt het verkrijgen van middelen tot opties voor het behalen van een terroristisch doel, zoals de aanslag op het presidentsvliegtuig (in de volgende subparagraaf nader te behandelen). Iedere keuze die werd gemaakt een ander pijn te doen werd verantwoord door middel van het grotere terroristische doel dat door het martelende of bedreigende individu werd nagestreefd.

Achteraf dient echter gesteld te worden dat de verschillende subdoelen van de ‘slechte’ personages in de meeste gevallen uit de betreffende contexten moesten worden waargenomen. Waar de ‘goede’ personages vaak expliciet de verantwoording van hun keuzes in gesproken tekst naar voren brachten, werd deze verantwoording door de ‘slechte’ personages vrijwel nooit genoemd. Uit de betreffende verhaallijnen en gebeurtenissen moest dan blijken hoe de morele keuze tot stand was gekomen.

Binnen de morele keuzes om te martelen en te bedreigen, vertoonden de verschillende karakters bepaalde subjectieve gevoelens, door Frijda (1988) uitgelegd als emoties (zie paragraaf 2.4). Van de zeven door Ekman (2008) onderscheiden emoties (woede, verdriet, afschuw, minachting, vrees, verrassing en plezier) (zie paragraaf 2.4) vertoonden de ‘goede’ personages in hun keuzes om te bedreigen en te martelen voornamelijk de emotie woede. In bepaalde gevallen was men dan daadwerkelijk woedend op een verdachte, door het zich persoonlijk aantrekken van de gruwelheden die hij of zij had begaan, maar vaak leek deze woede door agenten opzettelijk te worden opgeroepen om het verhoor en de marteling meer impact te laten hebben. Op deze manier werden emoties dus gebruikt en toegepast voor een gewenst resultaat. Er was hierbij sprake van het opzettelijk overdrijven van emoties, zoals door Philippot en Feldman (2004) al omschreven (zie paragraaf 2.4). Bij de ‘slechte’ personages was het opvallend dat tijdens het martelen en bedreigen in bepaalde gevallen geen emoties werden vertoond. Er was om deze reden weinig onzekerheid of mededogen waar te nemen in de martelingen en bedreigingen die de personages op anderen uitvoerden. Waar door bijvoorbeeld Frijda, Manstead en Bem (2000) (zie paragraaf 2.4) emotie als belangrijke aanstuurder van gedrag wordt beschreven, lijkt dit element bij de terroristen te ontbreken. Emotie en moraal lijken bij de terroristen niet te zijn verlochten met elkaar. Morele keuzes vonden namelijk zonder vertoonde emoties plaats. Volgens Frijda et al. (2000) worden morele keuzes in vrijwel alle gevallen beïnvloed door een bepaald subjectief gevoel, ofwel een emotie. Deze emoties die volgens Frijda (1988) de betekenis van eerdere ervaringen bewaken en vervolgens gedrag aansturen, leken bij de terroristen geen rol te spelen in de keuzes die zij maakten. Hun morele richtlijnen en waarden leken op dit punt geenszins verbonden te zijn aan emotie, iets dat door verschillende auteurs wel als natuurlijk wordt beschouwd (Frijda, 1988; Frijda et al., 2000). De ‘slechte’ personages ontbeerden op deze manier algemeen kermerkende menselijke trekken en maakten daardoor een koele en meedogenloze indruk. Enige identificatie van de kijker met deze personages lijkt hierdoor onwaarschijnlijk. Een emotie die net als bij de martelingen en bedreigingen van de ‘goede’ personages wel in bepaalde gevallen waar te nemen viel, was woede. Het leek er echter wederom op dat personages in deze gevallen niet echt boos waren, maar een bepaalde woede overdreven om meer indruk te maken op het betreffende individu dat gemarteld of bedreigd werd (Philippot & Feldman, 2004) (zie paragraaf 2.4). Op deze manier konden zij meer druk leggen op deze persoon, waardoor hij of zij beter te manipuleren was naar de wensen van het dwingende personage.

4.1.2. Plegen van een aanslag

Een ander thema binnen het hoofdthema ‘doel heiligt middelen’ is ‘het plegen van een aanslag’. Dit thema komt maar enkele keren binnen het hele seizoen van 24 voor, maar vormt telkens de kern van de verschillende verhaallijnen in de serie. Het thema is in de resultaten als morele keuze opgenomen, omdat er sprake is van een keuze die handelt over leven en dood van anderen (Gert, 2005) (zie paragraaf 2.3). De morele keuzes binnen dit thema zijn bepalend voor de doelen en activiteiten van zowel de ‘goede’ personages als de ‘slechte’ personages. Het plegen van een aanslag vormt namelijk het constante hoofddoel van de ‘slechte’ personages, terwijl het voorkomen van dit doel eigenlijk het immer aanwezige hoofddoel van de ‘goede’ personages inhoudt. Hierbij bestaan de ‘slechte’ personages uit de terroristen en de individuen die de terroristen ondersteunen, waarbij de ‘goede’ personages bestaan uit de mensen werkend voor CTU en de Amerikaanse autoriteiten (zoals het ministerie van Defensie dat vaak terugkomt). De terroristen achten het in hun aanslagen acceptabel dat er verschillende slachtoffers zullen sterven door middel van hun aanslagen, omdat er een hoger doel wordt gediend. Zij hebben verschillende, hierna te benoemen, politieke redenen die het leed en de dood van Amerikaanse burgers rechtvaardigen. Hun keuze heeft daarmee zowel betrekking op anderen, als dat er algemeen bekende morele regels (de afkeuring van moord en het aanbrengen van leed bij anderen) in hun keuze worden overtreden. Er wordt bovendien in de morele keuze om een aanslag te plegen een afweging gemaakt tussen de verschillende belangen van personen (Rachels, 1993) (zie paragraaf 2.3). De terroristen achten hun belangen om wraak te nemen op volgens hen politiek onjuist gedrag waardevoller dan de belangen van de Amerikaanse burgers om in vrijheid en veiligheid te kunnen leven. Ten slotte viel waar te nemen dat de morele keuze van het plegen van een aanslag vrijwel altijd zonder vertoonde emoties gepaard ging.

De morele keuze van ‘het plegen van een aanslag’ komt binnen seizoen vier van 24 een vijftal keren voor. De verschillende aanslagen zijn: het laten ontsporen van een trein, het onder geweld ontvoeren en ‘berechten’ van de minister van Defensie James Heller, het creëren van een nucleaire ramp, de aanslag op Air Force One (het Amerikaanse presidentsvliegtuig) en het stelen van een kernkop om deze middels een raket af te vuren op Los Angeles. De verschillende aanslagen hangen voor een deel met elkaar samen en vormen elke keer opnieuw de basis van de verschillende verhaallijnen waarin CTU de terroristische aanslagen tracht te voorkomen. Elke nieuwe gebeurtenis en vondst leveren weer nieuwe aanknopingspunten op om een volgende aanslag trachten te voorkomen. Zo laten de terroristen een trein ontsporen om een bepaald apparaat in handen te krijgen dat hen in staat stelt om een nucleaire ramp te ontketenen. Ook de aanslag op Air Force One staat in een relatie tot een andere aanslag. Door middel van het neerhalen van Air Force One krijgen de terroristen namelijk de locatie van een de kernkop in handen die ze later zullen stelen.

Zoals al duidelijk is geworden zijn de morele keuzes om een aanslag te plegen slechts gemaakt door de ‘slechte’ personages, de terroristen. Zij handelden hierbij, zoal ook al eerder geïndiceerd, uit politieke overwegingen. Politieke redenenen rechtvaardigden voor hen de keuze om anderen leed aan te doen. Verschillende belangen zijn, zoals eerder gesteld, door de terroristen hierbij tegenover elkaar afgewogen. Hierbij werden de belangen om de Amerikaanse wanpolitiek te bestraffen doorslaggevender geacht dan de belangen van de Amerikaanse burgers. De verantwoording van de keuze en het leed dat anderen na een afweging van belangen werd aangedaan, toont nogmaals de morele kern van deze keuze (Rachels, 1993) (zie paragraaf 2.3). Marwan, het brein achter de verschillende aanslagen, heeft op verschillende momenten in bepaalde afleveringen nog eens duidelijk gemaakt wat het motief en de achterliggende redenen waren voor de verschillende aanslagen die hij heeft georganiseerd. In deze voorbeelden werd duidelijk dat de aanslagen voortkwamen uit een bepaalde haat jegens de manier waarop de Verenigde Staten buiten hun grenzen om opereerden. De terroristen vonden dat de Verenigde Staten met hun imperialistische politiek op een respectloze manier verschillende mensenrechten schenden en dat het Amerikaanse volk hier te passief tegenover staat en dit allemaal toelaat. Dit maakte de keuze voor hen om een aanslag te plegen een moreel goede keuze. In een videoboodschap die Marwan heeft opgenomen om na de aanslagen aan het Amerikaanse volk te vertonen, geeft hij een toelichting op zijn daden:



Marwan: People of America, you wake up today to a different world. One of your own nuclear weapons has been used against you. It’ll be days and weeks before you can measure the damage we’ve caused, but as you count your dead, remember why this has happened to you. You have no understanding for the causes of the people you strike down or the nations you conquer. You choose to meddle in their affairs without respect. You follow your government unquestioning toward your own slaughter. Today you pay the price for that ignorance. Unless you renounce your policies of imperialism and intervention in these activities, this attack will be followed by another and another after that.
(Marwan, afl. 21).

Een andere gebeurtenis waarin de motieven van de terroristen voor hun aanslagen duidelijker worden, is wanneer de ontvoerde James Heller door de terroristen eigenhandig wordt berecht. In een uitzending, live uitgezonden over het internet over de hele wereld, willen de terroristen de minister van Defensie berechten voor de ‘oorlogsmisdaden’ gepleegd door hem en de Verenigde Staten. De minister zal voor het oog van de hele wereld voor zijn misdaden geëxecuteerd worden. In een pleidooi geeft de betreffende terrorist zijn toelichting op het berechten van Heller:

1   ...   33   34   35   36   37   38   39   40   ...   65


Dovnload 2.07 Mb.