Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Misko Cermak: levensgenieter in zwart door Mart Smeets

Dovnload 24.85 Kb.

Misko Cermak: levensgenieter in zwart door Mart Smeets



Datum23.09.2018
Grootte24.85 Kb.

Dovnload 24.85 Kb.

Misko Cermak: levensgenieter in zwart – door Mart Smeets
Als ik de straat inkom waar volgens zeggen Misko Cermak moet wonen, zie ik slechts spelende kinderen en Fred DeVaughn die zijn auto staat te wassen. Het is koud en Freds handen lijken van steen. “Misko lives up there…,” wijst de Amerikaan ergens in het zwerk. Op de vierde etage, geloof ik, stopt de lift en wacht de Joegoslaaf me op. Hij is gekleed in het zwart. Alles is zwart: haar, wenkbrauwen, sloffen, broek en trui. Zijn donkere stem zegt: “Hello.”

Binnen is het lekker ingericht, ruim en met makkelijke stoelen. We lopen naar het balkon om de heen DeVaughn te bewonderen in zijn werk. Misko Cermak roept naar beneden dat even verderop een garage is waar voor twee gulden je wagen schoongemaakt wordt. DeVaughn baalt dan vreselijk.


“Wat drink je,” vraagt hij. Het is twee uur in de middag en de Berenburger kan voor de dag komen. Naast dit Friese product komt er even later koffie op tafel, een drank, voortreffelijk op Joegoslavische manier bereid door mevrouw Cermak, die de gehele middag de koppen gevuld houdt. Tijdens een ruim twee uur durend gesprek zal de familie Cermak trouwens zeer aardig, zeer gastvrij en zeer open vertellen over het hoe en wat, het wanneer en het waartoe.

Misko Cermak, die als echte voornaam Dragutin heeft, werd geboren in Belgrado op 12 oktober 1944. De tweede wereldoorlog woedde in al zijn kracht, vooral rond Belgrado waar op 20 oktober de slag het grootst was. Zijn vader was in de oorlog gewikkeld, zijn moeder een Servische, zorgde voor hem terwijl de hele stad stond te rammelen. Als is vraag hoe de naam Cermak in elkaar zit, of dat wel Joegoslavisch is, zegt hij: “Je verwacht natuurlijk iets met ‘ic’ op het eind. Ik heb een Tsjechische grootvader en een Russische grootmoeder, d’r zit dus nogal wat internationaal bloed in me. En mijn moeder komt uit Servië.”

Misko Cermak is twaalf jaar als hij op school in aanraking komt met de basketbalsport. Zijn gymnastiekleraar is Vasolevic, een man die later coach in Italië zal worden. Gedurende zes maanden traint en speelt hij bij Rode Ster Belgrado, maar omdat de trainingsvelden te ver van zijn ouderlijke woning verwijderd zijn, gaat hij naar een andere club. Hij kiest Radnicki, een volgens zijn zeggen oude club voor arbeiders. Cermak: “Radnicki betekent arbeider en was ook een club voor die mensen. Zoals Partizan voor het leger was en is.”

Cermak is zestien of zeventien (“dat weet ik niet precies meer”) als hij in het eerste team komt. Hij spelt dan al goed en Joegoslavië als basketbalnatie begint iets te worden. het is de tijd van de generatie Daneu en Korac die doorbreekt. In Belgrado worden in 1960 de Europese Kampioenschappen gehouden en Cermak ziet veel wedstrijden. Met zijn ploeg wordt hij twee maal juniorenkampioen en haalt dan het Joegoslavisch B-team. Hij: “Voor het eerste team was is nog te jong, daar had ik nog geen kan. Met de B’ploeg maakte ik mijn eerste buitenlandse reis. We speelden in Italië.”


De eerste buitenlandse reis (Mediterrane Spelen in Napels in 1962) werden in de komende jaren gevolgd door ettelijke tripjes buiten Joegoslavië. Cermak zag alles en speelde bijna overal. Noord-Amerika, Rusland, China en Zuid-Amerika.
“In Chili werd het Extraordinario Campeonato Mundial verspeeld, een mooi woord voor een groot toernooi waas de FIBA de zachte hand over gehaald had. Dit werd het eerste grote optreden van Misko Cermak. Hij denkt terug: “Als deelnemers waren daar Amerika, Rusland, Brazilië, Tsjechoslowakije, Spanje, Chili en wij in de finaleronde. In speelde nog niet veel maar kreeg steeds meer kansen. We wonnen daar voor het eerst van Brazilië, een ploeg met de toenmalige wereldklassespelers Ubiratan en Vladimir Marques. Ik speelde guard, samen met Danau. In datzelfde team begonnen we eigenlijk met een nieuwe groep spelers. Mensen als Skansi, Cvetkovic en Trvdric begonnen daar, net als ik, hun internationale loopbaan.”
Die loopbaan van Cermak strekte zich uit over 168 interlands, een knap aantal (ter vergelijking: Ton Boot heeft 110 interlands. Waarbij je mag opmerken dat Joegoslavië natuurlijk veel meer speelt dan Nederland). Op mij vraag welke periode hij als beste herkent uit zijn loopbaan denk hij na. Twee maal wil hij antwoorden maar slikt de eerste woorden net in. Dan, toch bedachtzaam, komt hij: “In 1969, in Joegoslavië, speelde we tegen Amerika een tweetal wedstrijden. In Belgrado en in Ljubljana speelde ik allebei zeer goed, maar ik moet zeggen dat iedereen toen een wereldvorm had, zowel de Amerikanen als wij. Ik geloof dat het basketbal van toen heel erg dicht tegen het profpeil aanlag. Iedereen speelde vreselijk goed, verdedigde magnifiek en er werk geschoten tegen een waanzinnig hoog percentage. In één van de wedstrijden kwam ik als spelverdeler tot 27 punten en ik geloof dat ik toen wel goed speelde. Maar ook in Mexico ging het wel goed met me, toen was de hele Joegoslavische ploeg trouwens uitstekend.”
“Mexico, maar zelfs de Olympische Spelen uit München, zijn zeker al een beetje uit onze herkenning weg. Mexico was de tijd van Ada kok, van de zwangere Lia Louer, van Henko Baars de bokser, van de zwart gehandschoende Amerikaanse sprinters en van de basketbalfinale Amerika-Joegoslavië. Misko Cermak: “Spelen voor je nationale ploeg op de Olympische Spelen is toch een eer, wat je ook denkt over sport en nationaal gevoel. Het is een moorddadig treffen, een samenzijn van allemaal atleten, van allerlei volgen en dat doet iedereen wat. De stemming is goed, de omgeving is leuk. En daarbij komt dat je als sportman in zo’n tijd helemaal in topvorm bent en wanneer voel je je sterk? Natuurlijk als je die vorm hebt.”

Klassiek uit Mexico is de halve finale wedstrijd Rusland-Joegoslavië. De volgende dag waren beelden te zien op de Nederlandse televisie en herinneringen gaan terug naar een wild hossende Joegoslavische massa na afloop van de wedstrijd. Het stadion in Mexico was overvol en genoot uitvoerig mee, want de winst van de Joegoslaven was een sensatie.



Vrij uitvoerig gaat Cermak op die wedstrijden in: “Weet je, in onze ploeg heerste bij de oudere spelers een Russische vrees. Het was een vreemd complex, ontstaan na vele nederlagen gedurende oefenwedstrijden en toernooien in Rusland. We waren in Mexico echter met zes jongeren hadden helemaal geen angst voor de Russen, in tegendeel zelfs, we zouden ze direct liever opeten dan ons laten kloppen. Voor de wedstrijd waren we ook nog eens goed opgeklopt door verhalen in Mexicaanse kranten, die vertelden dat deze wedstrijd een politieke achtergrond had en zo. Dat was niet zo, we wilden gewoon winnen, punt uit.
“De meeting voor de wedstrijd vergeet ik nooit van mijn leven meer. Anderhalf uur hebben we erover gedaan. Onze coach had de scoutingcijfers van de vele wedstrijden die wij tegen de Russen hadden gespeeld gedurende de afgelopen twee jaar. Er hing een vreselijke sfeer in feite met dat doorpraten en diverse keren dreigden er woorden te vallen. Maar we wisten dat we als één moesten optreden en daardoor ontstond een schitterende saamhorigheid. Daneu en Skansi raakten bijna in de clinch maar toen we het veld opgingen, was er een hechte band tussen iedereen: De Russen speelden met Sergei Belov, Paulaskas, Sakandelidze, Polivoda en Andreev en wij met Korac, Skansi, Rajcovic, Daneu en ikzelf. We wisten dat Rusland wilde scoren door Paulaskas uit te spelen. Hij zou dan via de baseline komen en zich naar de basket hooien, iets wat hij goed deed. Wij stonden daarom met vier man achter en Daneu werkte daarvoor tegen de twee spelverdelers van de Russen. Natuurlijk kwamen die guards vrij en wat heet in zo’n geval vrij…? Niet te geloven. Maar omdat ze ingesteld waren op de acties van Paulaskas moesten ze eerst hun hele denkwezen wijzigen. Het werd tenslotte 63-62 voor ons en de rondedansen na afloop waren grandioos. Het gehele publiek werd gelijk met ons gek en schreeuwde en tierde mee. Ik heb thuis, in Belgrado, nog een stukje bal. De wedstrijdbal dan, die we kapot gesneden hebben en naast de uitslag staat de handtekeningen er op van alle spelers van ons team.”
Toen dan de Olympische finale: Amerika-Joegoslavië. Cermak: “In feite was iedereen van ons tevreden met de zilveren medaille. Dat klinkt gek maar je gaat op zo’n moment er vanuit dat Amerika veel beter is. Na de wedstrijd tegen de Russen hadden we twee dagen vrij en wat gebeurde? We lagen in het zwembad, we dronken, gingen zonnen en dachten eigenlijk niet meer aan de finale. Voor ons was de overwinning op Rusland al iets fantastisch geweest. Als ik nu achteraf denk wat er had kunnen gebeuren met een maximum aan concentratie, bekruipt me het gevoel dat we iets hadden kunnen maken tijdens die finale. Maar goed, daar was Amerika dan. Zal ik namen noemen? Moet je goed luisteren. Spencer Haywood, nu bij de Seattle Supersonics; Jo Jo White nu bij de Boston Celtics; Charlie Scott nu bij de Phoenix Suns en Dan Issel nu bij de Kentucky Colonels, om maar wat te nomen. Natuurlijk een vreselijk goed team met een coach Iba die nog wat durfde, in tegenstelling met wat hij in München deed.
In de wedstrijd speelden we nog een tijdje gelijk op, we hadden zelfs nog kans op bij rust voor te komen, maar bij 32-29 miste Korac vier vrije worpen op rij, en mensen die Korac hebben gekend, weten wat dat betekent. Korac schiet namelijk altijd ergens in de negentig procent. Maar we kwamen er eigenlijk niet meer aan, helemaal toen Fowler een paar maal achtereen de bal stal van Daneu. Tweede dus en ik moet zeggen dat het eigenlijk het beste is wat ik ooit gewonnen heb. Die zilveren medaille ligt keurig in Belgrado.”
Misko Cermak praat makkelijk verder. We spreken Engels, een taal waarover hij zegt dat hij er zich niet gemakkelijk mee kan redden. Als hij eenmaal bezig is, gaat het makkelijk, geen probleem. Geen problemen heeft hij eveneens met Italiaans en Frans, beide talen spreekt hij in feite zeer goed. De stroom wedstrijd- en toernooiherinneringen gaat voort. Van Maxico gaan we door naar de wereldkampioenschappen van 1970 in Joegoslavië. In dat toernooi werd de thuisploeg wereldkampioen nadat alle andere ploegen op de meest vreemde manieren van elkaar wonnen.

Maar Joegoslavië versloeg Amerika en dat was een prestatie van formaat hoewel de Amerikaanse ploeg een samenraapsel was van twee of drie sterke legerteams (één der Amerikanen bijvoorbeeld was de nu voor Maccabi Tel Aviv spelende Talbot Brody). Maar goed, Misko Cermak weet het zelf nog allemaal zeer goed: “Laat ik beginnen met het feit dat Tito in de hal was toen we tegen Italië moesten spelen. Sprak ik eerder over een Rusland-complex bij wat oudere spelers, bij anderen was er een zogenaamd Italië-complex. Het werd dan ook een erg moeilijke wedstrijd. Daarna speelden we in een schitterende partij Brazilië van het veld, het verschil was 18 punten. Toen wonnen we makkelijk van Uruguay en daarna kregen we Tsjechoslowakije. Voor zover ik terugga weet ik dat Jiri Zidek, de Tsjechische center, tegen ons altijd goed speelt. Zo ook deze keer. Cosic, onze center, had geen enkele greep op Zidek die er weer zo’n dertig punten ingooide. Maar ja, dat wonnen we ook net en omdat diezelfde avond Rusland verloor van Brazilië was voor ons de wedstrijd tegen Amerika weer van het hoogste belang.


“Het werd een steengoeie wedstrijd, in feite een botsing van twee verschillende scholen. Zij wilden gaan, gaan en blijven gaan. Wij wilden ze niet op snelheid laten komen en dat lukte ook. Ikzelf speelde man-to-man tegen Kermit Washington, speler van UCLA. Een vreselijk hoog springende jongen. Andere Amerikanen die erg goed waren… ach Brody toch wel en Silliman en de super springer Williams. Toch wonnen we en wat en toen allemaal gebeurde is nauwelijks te beschrijven. We waren dus wereldkampioen en heel Ljubljana wilde dat weten. Het veld werd overstroomd met toeschouwers en iedereen was gek. Na een tijdje kon de politie ons ontzetten, maar toen waren er ruim 10.000 mensen voor de sporthal die een onstellend lawaai maakten en die onze spelersbus geheel omringden. Ze zaten op de bus en waren er niet af te krijgen.

Na veel toestanden konden we eindelijk gaan rijden en werden we naar een motel buiten Ljubljana gebracht. Daar was een diner met alle internationals die ooit voor Joegoslavië hadden gespeeld. Maar iedereen en alles was ons gevolgd en op weg naar dat motel. Er reed een stoet van 400 auto’s luid toeterend achter de bus aan en die auto’s bleven tot 2 uur in de nacht rondrijden. Wij, als spelers, waren toen ten eerste doodmoe en begonnen langzaam wat dronken te worden. Via sluipwegen gingen we naar de bus om naar ons eigen hotel te gaan. Maar toen we daar aankwamen, de meesten van ons toch kapot, stond iedereen daar weer klaar met eten en drinken, met orkesten en met blije gezichten. Of we maar weer wilden gaan feesten. En omdat iedereen zo geweldig zijn best deed, kun je die mensen niet laten zitten. Dus daar ging iedereen weer, dansen en drinken. Met dat alles achter de rug moesten we toen tegen Rusland spelen en het is natuurlijk logisch dat je dan verliest. Maar we waren wereldkampioen en heel Joegoslavië stond op zijn kop. Tito stuurde een vliegtuig om ons te halen en we werden ontvangen. Dat zijn zalige herinnering.”


Misko noemt het zalige herinneringen maar tegelijkertijd zal hij ongetwijfeld met pijn terugdenken aan de dagen direct na die bewuste wereldkampioenschappen. Omdat hij en zijn zeer grote vriend Rajcovic, eveneens speler van de wereldkampioensploeg, inmiddels helden waren geworden, werd het tweetal uitgenodigd, daags na de wereldkampioenschappen, op een groot eindexamenfeest van middelbare scholieren. Er werd gepraat en de leerlingen wilde graag handtekeningen hebben. De beide basketballers voldeden aan deze verzoeken, zonder problemen. Rajcovic zou blijven tot 12 uur, hij zou in de buurt in een hotel slapen. Misko was al weg en verbleef thuis toen er de volgende ochtend gebeld werd. Cermak: “Ik nam aan en hoorde dat ‘Rajco’ dood was, dood in zijn hotelkamer. Er hebben na zijn dood wilde verhalen in de pers gecirculeerd. Ik hou me vast aan de officiële autopsie die uitwees dat ‘Rajco’ gestorven was aan arterio sclerose. ‘Rajco’ was 32 jaar.”
Maar niet alleen deze klap moest Cermak in zijn sportieve loopbaan incasseren. Een jaar later in Serajowo speelden de grote mannen van het Joegoslavische basketbal hun jaarlijkse demonstratiewedstrijd. Iedereen was er, Daneu, Cosic, Korac, de jonge Solman, Plecas en Cermak. ’s Avonds werd er gezellig gegeten en een glas gedronken. Cermak stelde zijn grote vriend Korac voor samen naar Belgrado terug te rijden. De rit zou dan gezellig zijn, konden ze lekker lang praten en waren ze diezelfde avond nog in hun woonplaats. Totdat Korac zich wist te herinneren dat hij een afspraak had gemaakt met een plaatselijke journalist. Korac stelde voor dat Cermak gewoon alleen terug zou gaan en dat Korac in een plaatselijk hotel zou blijven om de volgende dag terug te rijden. Zo gebeurde het ook. Mesko reed terug naar Belgrado waar hij de volgende morgen uit zijn bed werd gebeld. Misko: “Ik nam aan en hoorde dat Korac dood was. Auto-ongeluk, vreselijk.”

De dood sloeg twee keer vreselijk toe binnen het Joegoslavisch basketbal en beide keren was Misko Cermak de laatste man die de dode meemaakte. Twee maal verloor hij een hele goede vriend. Ik vraag hem of zijn zwarte kleding iets met de dood te maken heeft. Hij glimlacht en aarzelt. Dan: “Neen, ik geloof het niet. Zwart is een mooie kleur, ik heb graag zwarte dingen alleen geen zwarte auto.” Dus toch…


Als Cermak dan 28 jaar oud is, reist hij nog eenmaal lang weg met de nationale ploeg. Na de Olympische Spelen van München is er weinig groot internationaal basketbal en de reis naar China is een zeer speciale belevenis. Cermak: “China was ongelofelijk, werkelijk waar. Je hoort veel van dat land maar je moet zulke dingen altijd zien. Als je dan uitgenodigd wordt om een maand lang te komen en wat wedstrijden te spelen, is dat schitterend. Zoiets vergeet je niet gauw.”

Uit de vele verhalen uit China pakken we er één: “Voor een training kwamen we een keer een gigantisch grote zaal in. De tribune waar we tegenop keken was volledig leeg. Toen we de zaal inliepen dachten we dus dat de hele hal leeg was. Maar toen we ons omdraaiden en naar de tribune keken die boven de kleedkamers was, zaten daar duizenden mensen. Werkelijk duizenden maar zo stil als die mensen waren! Men had waarschijnlijk gezegd dat men naar de training mocht kijken, maar dan stil moest blijven. Dat bleef de hele middag zo. Je hoorde geen enkel geluid.”


In juni afgelopen jaar reisde Cermak voor een bespreking naar Groningen. Als 28-jarige mocht hij Joegoslavië verlaten om in het westen wat geld te gaan maken. De besprekingen werden vlot afgerond en op 23 augustus kwam Misko Cermak samen met zijn vrouw naar Groningen om bij Nationale Nederlanden te gaan spelen. Wat wist hij van het Nederlands basketbal? Misko Cermak: “Ik had hier in Haarlem een toernooi gespeeld, een voortoernooi op de Europese Kampioenschappen in 1969. Van de Nederlandse spelers kende ik nog twee mensen. De aanvoerder van Levi’s, Frank Kales en de man die in 1969 erg goed speelde, die nu bij Gerard de Lange spel verdeelt, ik geloof dat hij Jan Schappert heet. Meer wist ik eigenlijk niet. Wel had ik verleden jaar Levi’s in Belgrado tamelijk oneervol zien verliezen van Rode Ster.’

Eenmaal in Nederland ontpopte Cermak zich als een echte prof. Hij trainde de selectie van NND en deed dat goed. Hoe denkt hij over de ploeg? Hij: “De atmosfeer binnen het team is goed. Mijn relatie met de spelers is goed. Ik heb een beetje het idee dat men redelijk tevreden is over deze competitie. Tevreden ben ik zeker niet, dat wil ik wel zeggen. We hebben kunnen winnen, wedstrijden die we zomaar lieten lopen. Natuurlijk moet je geluk hebben in de sport, maar je moet ook vechten. Je moet durf hebben. Ik heb in mijn sportleven altijd één regel aangehouden: Als je top wilt zijn, moet je meer trainen dat wat gemiddelde eredivisiespeler doet. Dat is toch logisch.”


Die situatie met Perrier als coach en jij als trainer, is dat nou wel prettig? Cermak: “Voor mij is spelen en trainen beslist niet te veel, dat is punt één. Als ik train dan praat ik en dan leid ik. Als Hans coacht dan luister ik en praat ik niet. Dat is een simpele zaak. Hans en ik hebben trouwens dezelfde mening over topsport.”
Hoe lang denk je dit leven vol te houden? Hij: “Dat weet ik niet. Ik wil spelen tot ik duidelijk terug moet stappen. Blijft het goed gaan, dan speel ik. Misschien hier, misschien daar, daar weet ik nog niets van. In Groningen heb ik het leuk. Ik ben tevreden.”
Met een vijfde kop koffie wordt de maag gevuld. Dan komt er een vruchtensla die zijn weerga absoluut niet kent. Misko eet alles weg. Tussendoor heeft hij rustig gerookt. Zoals hij ontspannen achterover leunt, is hij een echte levensgenieter. Hij: “Ja, dit is zo. Ik hou van goeie muziek, Golden Gate Quartet, ik ga graag naar de bioscoop, ben graag in de omgeving van prettige mensen en hou van erg lekker eten.” Een Alfa Romeo voor de deur onderstreept het beeld van de levensgenieter, annex snelle jongen.
Op mijn laatste vraag of ik iets vergeten ben, schudt hij het zwarte hoofd. Om dat toch op te veren: “O ja, natuurlijk. Ik speelde twee keer in de Europese selectie. In Athene en Genève.” Waarna wij bescheiden opmerken dat dit wapenfeit zeker gememoreerd zou worden, ook al zou hij het vergeten hebben.


Dovnload 24.85 Kb.