Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Mémoires van een gewone Egmondse jongen

Dovnload 496.66 Kb.

Mémoires van een gewone Egmondse jongen



Pagina1/16
Datum25.09.2018
Grootte496.66 Kb.

Dovnload 496.66 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   16

Mémoires van een gewone Egmondse jongen

1
Hoofdstuk 1


Het moet nu maar gebeuren. Ik ga mijn herinneringen opschrijven.

Hoe zullen we het noemen? Mémoires van een gewone Egmondse jongen? Oke’!!

Geboren ben ik op 7 oktober 1903 te Egmond a/Zee in het "Waaigat", zo heette die buurt. Waarom het zo heette weet ik niet, het waaide er net zo hard of zacht als in andere buurten van het dorp. Er is echter één plek waar het altijd hard waaide en dat zal nog wel zo zijn: dat is het gedeelte van de Voorstraat nabij de Oud-Katholieke kerk. Daar had men soms moeite om er tegenin te komen.

Wij woonden in een rijtje huisjes dat liep van Zuid naar Noord. Wie woonden er zoal in die buurt? In onze rij Agie Abie, Lijpie Buis, Manni en de familie Prins. van welke vrouw ik altijd een dubbeltje kreeg met nieuwjaarwensen, een uitzonderlijke gift voor die tijd en voor hun beurs, maar dat kwam omdat zij een zoontje hadden gehad, net zo oud als ik. die was overleden. Verder nog Jan Broek en wij.

Om ons been had je Keetje Buur en buur Ansje, Arie van Roetje Schuit, Kees van Wouter, Gerrit van Kiek, IJskonijn, Piet van Tijssie Glas, Ka Bel met haar zonen. Jan de Star en Let (Gerrit van Werven).

In het rijtje huisjes, haaks op die van ons en meer naar de Voorsrraat, daar woonden Jan Half. Jan van Job, Klaas Groen en Jan Smit met zijn vrouw Antje.

Het erf dat bij deze huisjes hoorde, was geheel behangen met "scharrenhangeni’. dit waren houten staketsels waaraan scharren werden gedroogd of ponen, voordat deze gerookt werden. Ook waren er een aantal hokken waarin biggen werden grootgebracht. voor een deei met visafval. Als deze biggen opgegroeid waren tot schrammen, kwamen Simon Genet en Bertus van Boetje of Jan Broek en dan wisselden deze dieren onder veei gepraat en nandgeklap van eigenaar.
De huisjes, ook het onze. bestonden uit twee vertrekken. In het achterend werd eten geKookt en daar zat ik met een of twee van mljn zussen 's avonds bij een petroleumlampje een emmer vol aardappelen te schillen. Daar was ook een soort trap naar de zolder, waar in twee 'koetsjes“ een aantal kinderen. 4 of 5, dat weet ik niet meer, heerlijk op de haverdoppen siiepen. Door de kieren van de dakpannen zag je de buitenlucht, zodat als het ‘s winters sneeuwde. de vlokken in je bed belandden.

Wij hadden ook nog een erfje, wat de "tuin" genoemd werd, er groeide echter niets. Er stonden wel twee hondenhokken en een kettenstal, er was een mestvaalt. de plee en ook nog een hokje waar moeder op maandag de was kookte. Het erfje was dus volledig bezet.


Vader en Moeder zijn in april 1901 getrouwd. Moeder was een weduwc van P. Huiberts, zij had drie kinderen.

2
Zij had het als jonge weduwe erg arm gehad, er bestonden toen geen sociale voorzieningen voor zulke mensen. Er zijn uit het huwelijk met Vader nog negen kinderen geboren: vier dochters en vijf zonen. Van de meisjes is de oudste, Coba, in augustus 1916 overleden aan buikvliesontsteking, zij zou op 4 september 14 jaar zijn geworden. Ik wect nog wat Vader zei bij het graf: "De Heer heeft' gegeven, de Heer heeft genomen, de Naam des Heren zij geprezen."

Van de jongens is Gerrit, 1_ jaar oud, in juli 1911 aan de mazelen overleden. Er heerste toen een epidemie van die ziekte, veel gezinnen moesten een baby verliezen. Er was toen blijkbaar nog geen medicijn tegen die ziekte. Op 26 september van datzelfde jaar werd weer een Gerrit geboren, die leeft nog terwijl ik dit schrijf.
Hoofdstuk 2.
Ik zal nu proberen mijn herinneringen in chronologische volgorde te vermelden.

Mijn vroegste her-innering is de "Bewaarschool", 'dat was een gedeelte van een schuur op het erf van Ruigewaard, in de steeg. Tussen het huis van Ruigewaard en de slagerij van Cor Kwast kon men de school bereiken. De nieuwc school was in aanbouw, want ik herinner mij dat ik samen met Dirk Bakkum met een mand erop uit werd gestuurd om krullen en klosjes hout te halen bij Jaap Zijp, die aan die school werkte.

Twee juffrouwen staan mij voor de geest: Ma Bruineberg en Annie Zijp. Enkele jaren geleden heb ik deze laatste weergezien bij de begrafenis van mijn zus Lien, die als Zuster Gemma ingetreden was bij de zusters Ursulinen in Bergen. Zij, Annie Zijp, behoorde ook tot die orde en zij was inmiddels ver in de tachtig. Ik kende haar natuurlijk niet. maar broer Gerrit maakte mij op haar attent.
1909
Ik zit in de eerste klas bij juffrouw Zuidgeest, een zuster van pastoor, weduwe met twee kinderen. Zij is denk ik maar kort geweest. want ik heb ook nog een juffrouw Semee meegemaakt.

Het is 30 april en daar komt Piet v.d. Schinkel met een paar bakplaten, waarop beschuiten met muisjes liggen: voor ieder één. Ook werden er papieren rood-wit-blauwe vlaggetjes uitgedeeld en hebben wij, wat een feest, een liedje geleerd, "Prinses Juliana is geboren". waarvan ik enkele regels heb onthouden:

3
't Is Juliaantje's dag! ontplooit voor haar den vlag! en: Koninklijke bloempjes bloeien helder schoon Parelend van Glorie aan d'Oranjekroon!
Van 1910 weet ik alleen dat ik 's avonds op de rug van zuster Cor Huibens buiten ben geweest om naar een staartster te ldjken: de komeet van Halley.

Ook krijg ik dit jaar voor mijn verjaardag een draagmand, een klein model. Vrijwel iedereen. zeker de mensen die land in de duinen hadden, of gingen strandlopen, bezaten zo'n mand. die buiten Egmond kriel werd genoemd.

Van 1911 herinner ik mij dat het een zeer warme zomer was. Ik moest helpen op het "vetland". Wat voor taak een achtjarige jongen daar had, is mij ontgaan.

Wel werd ik met mijn draagde op mijn rug naar Arendje Peet gestuurd om hoger bier en zoet bier voor het vrouwvolk. '

Arendje Peet (Arendje de doiwel) was een zus van mijn grootmoeder, Japikje Zwaan. Arendje had een soort winkeltje waarin enige stopflessen met snoep stonden en waar beurrige peren ('??) en bier (4 cent per fles) werden verkocht.
1912/1913
In een van beide jaren is er een soort fancy-fair in het dal waar nu nog de tennisbanen zijn. Het kostte natuurlijk geld om op dat terrein te komen en dat bezaten wij niet. Ook toen al waren wij vindingrijk genoeg om toch binnen te komen. Ik denk dat het een of ander historisch gebeuren moest voorstellen, waarin een aantal grote jongens liepen in een blauw kostuum met een pofbroek en een raar hoofddeksel, en gewapend met een sabel en een hellebaard. Het meest spectaculaire wat ik mij van dit feest hen’nner is dat een Stuntman. hangende aan zijn tanden aan een gespannen draad uit de nok van het toenmalige Kurhaus naar beneden zakte en zo het feestterrein bereikte. Over die draad liep een rol en zo vloog hij als een wervelwind naar beneden tegen een elastieken vangnet.

In het jaar 1912 breekt er ook nog een staking uit onder het zeevarend personeel van de visserijvloot in IJmuiden. Een groot deel van de Egmonders verdienen bun schamele boterham bij die visserij, is het niet als zeevarende dan toch, zoals mijn vader en grootvader, als visventer. Er wordt grote armoede, ja zelfs honger geleden in "derp". Ome Arie. vaders broer in IJmuiden, wist nog een vat baring bij ons te krij gen waar wij nog mee ventten: drie voor een dubbeltje, maar ja, wie kon er nog een dubbeltje missen? Ik kan mij nog goed de edele daad herinneren die Piet v.d. Schinkel, de bakker, stelde toen hij tegen moeder zei: " Vrouw Stam, niet minder brood nemen hoor! Ik weet dat je geen geld hebt, daar zit ik niet om te springen.

4
Als de staking is afgelopen dan treffen we wel een soepele regeling. U mag er jaren over

doen.”


Er komen agitatoren in de zaal van Job Half (de Vergulde Valk) de stakers toespreken. Ik ben dan nog te jong om alles te kunnen volgen.

Vader vangt een konijn, wat twee kwartjes oplevert. Hij krij gt echter wel een "bekeuring", ik denk dat de rechter tolerant is geweest.

Op 4 mei 1912 overlide mijn grootmoeder Japikje Zwaan, vrouw van Kees Stam. Zij werd 74 jaar. Het enige wat ik mij herinner is dat ik na de begrafenis enkele kadetjes met ham verorberde, het was voor het eerst van mijn leven dat ik zulk lekkers te eten lqeeg!

In oktober van dit jaar moet broer Olof Huiberts in militaire dienst bij de veldartillerie in Den Haag. Na enige weken komt hij met zwaard en gespoord, omhangen met een cape en met een

soort berenmutsje op zijn hoofd en ook nog een ketting onder zijn kin met verlof.
1914
Op een dag in het voorjaar, maart of april, komt 's morgens rond 7 uur zoals gewoonlijk Piet v.d. Schinkel met zijn nog warme broden ook bij ons. Hij heeft groot en sensationeel nieuws: "Vrouw Stam, het Kurhaus staat in de brand!"

Dit imposante gebouw stond op de plaats waar nu de z.g. Sterflat is gebouwd. Er bestond toen nog geen Noordboulevard.

Het Kurhaus bezat een eigen strandafgang in de vorm van een trap langs weiks leuningen je zo lekker naar beneden kon glijden. Er waren ook van die zeegroen geschilderde badkoetsen. waarover Kees Koopman in de zomer de scepter zwaaide. Die koetsen hadden een andere vorm dan die van Van Schaik of die van Pieter de Graaff:‘ zij zagen er gewoon deftiger uit. Samen met Dirk Bakkum en Teunis Koopman zijn wij eens op een winterse zondagmiddag naar binnen gegaan. Teunis Koopman had een sleutel van het Kurhaus georganiseerd die bij hemn thuis lag omdat zijn vader ’s winters een oogje op het gebouw moest houden. Ik herinner mij van deze tocht veie spiegeis en dikke tapijten waarin je diep wegzakte.

Hier wil ik geen enkele suggestie doen. maar je weet hoe dat gaat in zo’n dorpje (toen 3000 inwoners): er werd gefiuisterd over “in brand gestoken" en er werden ook namen zachtjes genoemd. Het gebouw was, zei men, een financiele strop. Het was re mooi en te duur voor Egmond. Wat hier allemaal van waar is, ben ik nooit aan de weer gekomen.

In dat jaar, in mei, gaan wij verhuizen van het Waaigat naar war toen naamioos was, maar wat nu Wilhelminastraat heet. Een als stolpboerderij gebouwd huis, eigendom van G. Ruigewaard. Wat een vo'oruitgang! 2 kamers, een gang en een schuur. Het woongedeelte was afgescheiden van de boerderij waar mevrouw Ruigewaard als hobby wat koeien hield, waarover "Skeleve

??? Jaap" (ik heb nooit geweten hoe de man echt heette) boerde. 's Morgens voor dag en dauw

5
hoorde je hem dan poeteren tegen die beesten, als ze zijn melkemmer probeerden om te

trappen.

Er worden op ons erf een kettenstal en een wagenhok gebouwd en twee grote poorten met een ???????

afsluiting aan de binnenkant om ket en wagens toegang en uitgang te verschaffen. Maar buiten die poort is alleen maar zand, onberijdbaar voor een zware kar met vis. Vader schaft raad: op het West-end wordt een oud huis gesloopt, ongeveer daar waar nu Café De Boei is. Er woonde in dat huis ene Kees Dekker, bijgenaamd "De Klokkefrik". Hij had een groot gezin, waarvan ene Clara, Christien, Jacob en Wim bij ons op school zaten. Ik meen te weten dat zij naar Beverwijk verhuisden. Of het gratis was weet ik niet, maar er werden wagens met afbraak steen en hele stukken muur gestort tussen onze poort en de Kerkstraat. Bij Ome Thijs Hoebe werden voorhamers geleend om die brokken stuk te slaan en zo ontstond het eerste primitieve gedeelte van de Wilhelminastraat.

Ten oosten van de Kerkstraat en de pastorie was er ruimte met stukjes land. Wel was er wat nu Watertorenweg heet: een karrepad naar landerijen,'o.a naar de Nollen.

In dat jaar wordt er begonnen met de bouw van een watertoren, met daarachter een pompstation. Het bouwen wordt stopgezet om een reden die ik U nu ga vertellen.

Het is de laatste dag van juli, dus ik heb vakantie. Die dag, een vrijdag, ga ik Vader tegemoet. die van de visventerij zal terugkeren uit Warmenhuizen met de kettenkar. Hoewel het via het melkpadje korter is, moet ik via De Hoef anders loop ik mijn Vader misschien mis.

Ergens op ’t Wand zie ik Vader aankomen en ik rijd met hem mee naar huis. Op De Hoef gekomen bemerken wij een grote konsternatie: huilende‘ vrouwen, grote rood-wit-blauwe plakkaten aan bomen en publikatieborden: algehele mobilisatiel! Wat een paniek! 2/3 van de bouwers van de watertoren moeten opkomen zoals dat heet. Vele middenstanders met eenmanszaken, jonge boeren en bouwers. De hele maatschappij ligt overhoop.

De volgende week komt Olof doodop met verlof. Hij is drie dagen en halve nachten behulpzaam moeten wezen bij het keuren van gevorderde paarden.

Ergens ver weg in Serajewo in Servié wordt een Oostenrijkse kroonprins met zijn vrouw doodgeschoten. Hoe het allemaal precies gegaan is weet ik niet meer, maar binnen een week is half Europa gewikkeld in wat nu de eerste wereldoorlog wordt genoemd. Nederland b1ijftz.g. neutraal; aan de grenzen staan echter onze soldaten.

Omdat Duitse troepen Belgié binnentrekken en steden bombarderen, komt een stroom Belgische vluchtelingen ons land binnen met wat inderhaast bijeengepakte kleding, moe en hongerig.

Ook Egmond aan/Zee met zijn koloniehuizen krijgt zijn deel, de daarin nog verblijvende "bleekneusjes" worden ijlings naar hun woonsteden teruggebracht of -gehaald.

Nadat de eerste woelige en spannende dagen voorbij zijn, gaat het leven weer normaal verder. Vele oudere landweerrnannen komen weer thuis, zij zwaaien af. Anderen staan aan de grens.

6
Ook Olof met zijn veldartillerie wordt in Geldrop geSIationeerd. Ook de kust dient te women bewaakt, daarom komen er in Egmond wat soldaten en matrozen, die bij bewoners worden ingekwartierd. Naast de vuurtoren wordt zelfs een heus kanon van de marine geplaatst, waarover Jan Tukke, korpl. konstabel, met zijn stuksbemanning het bevel voerde. Het heeft Jan in zoverre geluk gebracht, dat hij zijn latere vrouw daar heeft leren kennen. In 1926 was hij o.a. instrukteur bij de kanonniersopleiding op de oudes H.Ms. "Gelderland". Eén keer ben ik samen met Dirk Bakkum bij hem thuis op bezoek geweest. Zijn vrouw, die geloof ik "Kok" van haar achtemaam heette, had daarop aangedrongen omdat wij "derpers" waren.


Met Grootvader ging ik vaak mee uit de "late Kerk" (Hoogmis) naar zijn huis op .het Westend naast het cafe van Hofhuis, de Honie, later Evers.

Daar stonden wat kleine huisjes, daar woonden o.a. Engeltje van het Hemelrijk, wat een naam! en de familie Visser, bijgenaamd Dop. Hier was een zoon Engel Dop, die wat aan zijn benen mankeerde maar het desondanks presteerde om op'zijn handen lopend badgasten te vergezellen naar hun logeeradres en dan een stuiver of een dubbeltje incasseerde.

Een steegje door dan kwam je op een erfje daar woonde Aal van Filles en pal daamaast tegen het duin rnijn grootouders. Uit het zolderraampje kon je zo op het duin stappen.

Grootmoeder Japikje Zwaan was nogal een kattig wijfje, maar er lagen wel altijd van die framboosvormige zuurtjes in de suikerpot, waarvan je er altijd een kreeg, lekker in de suiker gewikkeld. Wat kon zij lekker vis stoven in een roodbruinachtige stenen schaal - urenlang stoven op een petroleumstel. In 1912 is zij overleden. Achteraf gaf dat nog een hele rel. dat heb ik veel later pas vemomen. Japikje was Oud-Rooms, zoalsdat genoemd werd en Vader wilde niet naar de Oud-Katholieke kerk om de uitvaart van zijn Moeder bij te wonen, niet goed te keuren vanzelf. Toentettijd stonden Oud- en Rooms-katholieken als water en vuur tegenover elkaar en aangezien Vaders wagenloodsen en scharrendrogerij op een erf stonden van een fanatieke Oud-Katholiek, moest hij‘meteen van dat erf verdwijnen en werd zijn "bedrijf' voortgezet op het erf van Lou'w Genet. achter Gerrit Hoebe. lk meen te weten dat die kerkmensen nu wat soepeler met elkaar omgaan. ook omdat velen hun kerken. die toen op de eerste plaats kwamen. minder vaak binnentreden of zelfs helemaal vaarwel hebben gezegd. Ik was toen 8 jaar. lk kan mij niet herinneren of ik toen wel naar de Oud-Roomse kerk ben geweest of mee naar het kerkhof, maar dat zal wel. De kadetjes hebben bij mij snel de beste herinneringen achtergelaten. Op zulke vrije dagen ging ik of met Grootvader mee met de hondenkar of met Vader met de kettenkar mee visventen. Ik kan mij nog de eerste trip met Grootvader herinneren: "Waar benne we nou, Grofader?" "Op de Keinsmerbrug me jonge”. Een paar manden met gedroogde scharren moesten we zien kwijt te raken, in die tijd een niet erg gevraagd artikel. want de mensen waren arm, net als wij. Maar Grootvader had ook vaste klanten bij wie of bij wiens ouders hij al een halve eeuw kwam. Dat was voor mij dan ook

altijd een uitje, want het "Kees wil een koppie” was veel gehoord en dan schoot er voor mij

7
ook wel een bombakker(koek) of een platter of heerdkoek over.

Als je weet dat Grootvader in zijn jonge jaren, later met zijn dochters Engeltje (wed. Van Voorst) en Maartje (later vrouw van Thijs Zwart) 's morgens om drie uur met een draagmand met vis beladen langs strand tot Camperduin (14 km) liep en dan de Zijpe in waar 2e uitzwermden langs diverse routes. Deze trip vond tweemaal per week plaats. Kunt U U voorstellen dat de hondenkar voor die oude baas een luxe voertuig was? Dit klinkt nu belachelijk in de eeuw van de auto's e.d.

Het bouwen van de watertoren vindt dan ook weer voortgang. Een incident doet zich voor: Tegen half twee zijn wij op het open terrein naast de school, waar nu de huizen Wilkstr.l8 en hoger en ook daarachter, aan het ravotten. Daar komt Piet Wesseling, de loodgieter met een stuk regenwaterpijp over zijn schouder aangclopen, richting watertoren. Tinus Koopman, de jongen die alles durfde en altijd over geld beschikte, had een groot soort rotje, welke "bom" werd genoemd, in zijn bezit. Hij snelt op kousevoeten achter Wesseling aan, steekt het vuurwerk an en werpt het in het vierkate blokjc aan het eind van de door de man gedragen regenpijp. Een oorverdovende knal is het gevolg, waarop Wesseling het stuk pijp een eind van zich afgooit, een paar slagen in de rondte draait, niet beseffende wat hem is overkomen. Hij zal gedacht hebben dat ook voor hem de oorlog was begonnen.


Er worden soldaten gelegerd in de stal van de lunchroom "Het Witte Huis”. De stal is gelegen in de Kerkstraat en na enig timmerwerk geschikt gemaakt als soldatenverblijf. Eten wordt bereid in de keuken van de lunchroom, ook voor post 17, die zich ter hoogte van Bakkum aan Zee bevindt. Ergens in de duinen zijn enkele soldaten in een hok met uitzicht op zee, om ook daar onze neutraliteit in stand te houden. Dagelijks brengt Bertus Wijker met zijn schelpkar voedsel naar deze mensen. Ik kan niet bevestigen of het eten nog warm was bij het ter tafel kornen.
1915.
In juni wordt er een schoolfoto gemaakt. Van ons gezin staan er 8 kinderen op.De foto is nog in mijn bezit. Coba. de ou'dste, Cor, Marie. Lien. Ka, Joost, Gerrit, Engel bij Coba op schoot. Zij hebben Engel speciaal voor de foto van huis gehaald, want hij is pas twee jaar. “Op de kiek gaan”, zoals dat toen heette, was iets heel bijzonders. Nu maakt iedereen foto's te kust en te keur.

Wereldoorlog I woedt nog voort en er is over Egmond een tragedie gekomen. De trawler Rijndam komt niet terug, zij is het eerste slachtoffer van een zeemijn. Vermoedelijk, want geen mens heeft het gezien. Er is geen enkel spoor nagelaten. Ene Van der Plas was de schipper, een zoon van Jannetje Krab. die een winkeltje had in de Zuiderstraat nabij het (oude) postkantoor.

Zijn vader was IJs v.d. Plas, timmerman van zijn vak. Bemanningsleden uit onze kringen
8
waren: Janus Hopman ann, zwager van mijn broer Olof, en Thijs Hopman, vader van 9 kinderen, waarvan er vijf op de hierbovengenoemde schoolfoto voorkomen. Engel (bigges) Piet mijn speciale vriend, Jaap, Annie, jaren later getrouwd met Dirk Bakkum en Breg. Als ik dit schrijf leeft alleen Janus nog, denk ik. Na dit schip zijn er nog vele gebleven, zie het monument met meet dan 100 namen op het duintje nabij het Kerkhof.

Vader heeft land op het Starrenvlak. Wij, Coba, ik en Marie, moeten op een dag doppers plukken. Toen gebeurde het dat op een dag "Kalfie" (Philippus Stam), die in de buurt een stukje land had, naar ons toekwam en zei:" As je'n pod (Pad) ziet, mejonge, wil je'm den bai me brenge, den kraje'n diwweltje van me". Gezien het feit dat een dubbeltje voor mij een hoop geld betekende, ging ik naarstig op zoek naar een pad tussen de natte doppersplanten en al gauw vond ik er een. Ik naar Filles, zoals hij werd aangesproken. Na mij het beloofde bedrag te hebben betaald, deed de man zijn trui omhoog, zodat een soort knikkcrzakje tevoorschijn kwam, wat hij om zijn middel droeg. Tot mijn stomme verbazing kwam hieruit een dode pad tevoorschijn, die hij weggooide en het zojuist door mij gevangen dier ervoor in de plaats stelde. Daama werd de hele troep weer op zijn plaats teruggeschoven. Nadat ik van mijn griezelen en verbazen bekomen was, vroeg Waar doe je dat voor Filles?"

"Tege de rimmetiek, me jonge". Blijkbaar heeft het geholpen want hij is nog jaren schipper van de reddingsboot geweest. Er bestaan nog foto's van hem in die funktie.
1916
Op een ochtend in oktober ben ik in de buurt van “De Vergulde Valk" als er twee vrachtwagens, beladen met doodkisten arriveren. Deze bevatten de stoffelijke resten van de schipbreukelingen afkomstig van de op de Vliehors gestrandde logger "Johanna". Een ramp voor "derp". Ik kende die mensen niet allemaal. Twee kwamen er van De Hoef: Arie Kabel en Thijs Rozing. Arie is bij mijn weten nimmer aangespoeld. Ook waren erbij Germ Smit met zijn twee zonen Job en Cor; naar men zei waren deze in hun vaders arrnen aangespoeld. De lijken werden in de dors van Piet Zwart (Piet van Aad) ondergebracht. Het verhaal gaat dat de sloep of een lijn daarvan. waarin zij zaten door de nog draaiende schroef moet zijn geraakt, waardoor de sloep gekapseisd is. Ook zei men dat de logger later is vlotgetrokken en weer in de vaart is genomen, maar er wordt bij dergelijke drama's veel verzonnen.

Augustus 1916.

In de zomer wordt mijn zus Coba emstig ziek, buikpijn. Na een paar weken thuis in bed, moet zij naar het ziekenhuis in Alkmaar, waar zij op 16 augustus is overleden, 13 jaar oud. Ik wist toen van vrouwenzaken nog niets af. Later heb ik begrepen dat mijn ouders dachten dat het iets te maken had met het "groot meisje worden", zoals dat toen werd genoemd. De dokter werd toen niet zo gauw geroepen, want dat kostte een rijksdaalder. Hier wil ik uitdrukkelijk niemand

9
iets verwijten.

Ik ging ongeregeld naar school. Alleen als ik geen werk had. Met een paar jongens vormden wij de 7e klas. Meester Ganitsen leerde ons worteltrekken, de grootste gemene deler en het kleinste gemene veelvoud. Hier zij vermeld dat toen ik definitief van school was, Meester Garritsen 's avonds, toen ik al te bed was, bij ons thuis is geweest om mijn ouders aan te raden om mij verder te laten leren in Alkmaar. Hij wist wel een methode dat het weinig of niets zou kosten. Maar er was hiervan geen sprake. Er moest geld verdiend worden (6 gulden per week). Ik ben dit later aan de weet gekomen van zus Pietje, die bij het gesprek aanwezig was geweest. Hoewel mijn leven dan zeker heel anders zou zijn verlopen, ben ik met de manier zoals het wel verlopen is dik tevreden.

Laat in het najaar ga ik samen met Piet Hopman bollen planten bij Jozef v.d. P01 in het duingebied dat Amerika genoemd werd. Gonjezakken als knielappen om in het natte zand en trots als aan pauw op zaterdagavond met twee rijksdaalders en een gulden naar huis! Daarvan krijg ikzelf twee kwartjes. Fantastischll Dat heeft'twee weken geduurd. Daarna ging ik bollen planten op Soekebakker bij Dirk Bont. Oude Jan Hopman, zijn zonen Jaap en Jan en voomoemde Piet van Thijs Hopman. Er was een bepaalde reden om in de ochtendschemerin g bij het bollenland te zijn, er staat n.l. een hek van vlechtwerk omheen waarin enkele gaatjes zaten en er was ook een damhek. Ieder was door Jan Hopman een gaatje of een damhek toegewezen. Er waren toen wel konijnen in dat land die de openingen ook wisten te vinden. I e lag daar dan op je knieen bij en zodra een konijn zijn kop door het gat stak, greep je hem (of haar) en sloeg hem met een nekslag dood. Soms hadden wij 4 of 5 konijnen, die toen f l.- of f 1,25 opbrachten, welke opbrengst eerlijk onder ons werd vezdeeld, zodat ons dagloon bijna werd verdubbeld. Het was overigens een riskant bedrijf, die beesten gingen dan bij J. Hopman in zijn draagmand en werden zo mee naar huis genomen. Siemen Zwaan (van Buuren) of Engei Half waren de afnemers. Er was toen een boze, strenge jachtopziener om de Zuid, ene Jaap. die altijd in het gezelschap was van een in onze ogen razende bloedhond. Voor zover ik mij kan herinneren hebben wij nooit kontakt met hem gehad. Zulke klusjes duurden altijd maar een paar weken en dan stond je weer met lege handen. Zondags “uit de late kerk” kon je je loon halen bij Dirk Bont thuis in de toen nog niet afgebrande boerderij achter de gemeenteschool waar nu het

  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   16


Dovnload 496.66 Kb.