Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Modellen jaar 2 Administratieve organisatie

Dovnload 9.53 Mb.

Modellen jaar 2 Administratieve organisatie



Pagina57/63
Datum05.12.2018
Grootte9.53 Mb.

Dovnload 9.53 Mb.
1   ...   53   54   55   56   57   58   59   60   ...   63

Grondvorm productielogistiek



  1. Besturingssysteem productielogistiek



  1. Informatiesysteem productielogistiek



  • Productterminologie



  • Productstructuren

  • Distribution requirements planning (DRP-I)



  1. Personele organisatie productielogistiek





  • Supply Chain Management

  • = Ketenlogistiek / ketenintegratie: alle activiteiten die er op gericht zijn om alle partijen in de keten zodanig te laten samenwerken dat de consument optimaal wordt bediend en waarbij de gezamenlijke ketenkosten zo laag mogelijk zijn.



  • Naast het feit dat de gezamenlijke kosten zo laag mogelijk moeten zijn, wordt er ook een steeds grotere druk gezet op het beheer van de voorraad. Oorzaken:



  • Vroeger was er meer sprake van een supply chain (leveringen/aanbod): PUSH

  • Tegenwoordig is er meer sprake van een demand chain (vraag): PULL



  • Vier vormen van ketenintegratie (gezien vanuit logistiek concept!):

  1. Fysieke integratie

  2. Informatie-integratie

  3. Besturingsintegratie

  4. Grondvormintegratie







  • Recht H3

    • Onderwerp

    • Inhoud

    • Toepassen

    • Schade aan de ‘werknemer’ waarvoor zijn ‘werkgever’ aansprakelijk is

    • (moeilijk uit wet te halen)

    • Art. 7:658 BW

    • Art. 7:658 BW

    • Schade

    • Bedrijfsongeval

    • Causaal verband schade en ongeval

    • Causaal verband ongeval en schending zorgplicht

    • Opzet/bewuste roekeloosheid

    • Werknemer bewijst

    • Schade

    • Causaal verband

      • Tussen schade en ongeval

      • Tussen ongeval en schending zorgplicht

    • Bedrijfsongeval



    • Werkgever kan zich verweren, door te bewijzen dat:

    • Zorgplicht is nagekomen, of

    • Sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid bij de werknemer

    • Schade door de ‘Werknemer’ waardoor de ‘Werkgever ’ aansprakelijk

    • Art. 6:170 BW

    • Art. 6:170 BW

    • Fout ondergeschikte

    • Kans op fout vergroot door opgedragen taak

    • Opdrachtgever zeggenschap over gedraging hebben



    • Fout van een ondergeschikte

    • Kans op fout vergroot door opgedragen taak

    • Opdrachtgever moet zeggenschap over gedragingen hebben



    • Met fout wordt bedoeld toerekenbare OD. Dus ook 6:162 BW toetsen voor de vraag of er sprake is van een fout!!!

    • Art. 6:162 BW

    • Art. 6:162 BW

    • Onrechtmatige daad

    • Toerekening

    • Schade

    • Relativiteitseis

    • Causaal verband

    • Onrechtmatige daad

    • Toerekening

    • Schade (6:95 BW)

    • Causaal verband (6:98 BW)

    • Relativiteitseis (art 6:163)



    • Ad. 1

    • Inbreukrecht

    • Strijd wet

    • Maatschappelijke zorgvuldigheid (kelderluikcriteria bij gevaarzetting:

        • Mate van waarschijnlijkheid dat het slachtoffer het gevaar niet tijdig onderkent

        • Kans op een ongeval

        • Ernst van de mogelijke gevolgen

    • Bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen)







    • Schade door een product, waarvoor producent aansprakelijk is

    • (gevolgschade)

    • Art. 6:185 BW

    • Art. 6:185 BW

    • Producent

    • Product

    • Schade

    • Gebrek

    • Causaal verband (schade veroorzaakt door gebrek)

    • Uitzonderingen a t/m f



    • Product

    • 6:187, eerste lid, product: roerende zaak



    • Producent

    • 6:187, tweede lid,

    • Fabrikant eindproduct, producent grondstof, fabrikant onderdeel, quasi-producent, importeur EU



    • Gebrek

    • 6:186, niet veiligheid die men mag verwachten + criteria wet



    • Schade

    • 6:190, dood of lichamelijk letsel

    • Zaakschade privesfeer met franchise



    • Vervolgens moet de benadeelde voor aansprakelijkheid het volgende bewijzen

    • (6:188 BW)

    • De schade

    • Het gebrek

    • Causaal verband



    • Verweermiddelen

    • 6:185 BW a t/m f

    • Art. 7:24 BW = voor als het product zelf kapot is

    • Arbeidsovereenkomst

    • Art. 7:750 e.v. BW

    • Art. 7:750 e.v. BW

          • Aanneming van werk

          1. Geen arbeidsovereenkomst

          2. Tot stand brengen werk van stoffelijke aard

          3. Betalen bepaalde prijs

    • Art. 7:400 e.v. BW

    • Art. 7:400 e.v. BW

          • Opdracht

    1. Verrichten werkzaamheden

    2. Geen arbeidsovereenkomst

    3. Werkzaamheden iets anders dan werk van stoffelijke aard

    • Art. 7:610 e.v. BW

    • Art. 7:610 e.v. BW

          • Arbeidsovereenkomst

    1. Gedurende zekere tijd zelf verrichten van arbeid

    2. Aanwezigheid van gezagsverhouding en ondergeschiktheid

    3. Betalen van loon

    4. ‘Extra’ criteria uit jurisprudentie:

      1. Continuïteit

      2. bedoeling van de contracterenden

      3. eindverantwoordelijkheid

      4. regelmatige loonbetaling



    • Omgevingsrecht

    • (vergunningsplicht in artikel 2.1 WABO voor het oprichten, het veranderen of het in werking hebben van een inrichting, indien inrichting nadelige gevolgen voor het milieu heeft)

    • Art. 2.14 WABO

    • Art. 2.14 WABO

        • Vergunning voor activiteit ‘Milieu’

    • Algemene weigeringsgrond in belang bescherming milieu

    • Uitgangspunt is niet weigering, maar verbinden van voorschriften om nadelige gevolgen milieu te voorkomen.

    • Doel- of middelvoorschriften (bijv uitstoot)

    • Art. 2.10 WABO

    • Art. 2.10 WABO

    • Vergunning voor activiteit ‘Bouwen’

    • In strijd met …

    • Strijd met bouwbesluit – technische toets bouwplan op gebied:

            • Veiligheid

            • Gezondheid

            • Bruikbaarheid

            • Energiezuinigheid

    • Strijd met bouwverordening:

    • Strijd met bestemmingsplan:

      • Bestemmingsplan bevat ‘goede ruimtelijke ordening’

      • is het bouwplan op locatie toegestaan?

    • Ontheffingsmogelijkheden

    • Redelijke eisen van welstand:

    • Betreft uiterlijk bouwplan

    • Welstandscommissie adviseert





  • H4
    Europees Recht




  • Week 1 – Export en Europees recht
    Leerdoelen H4 (Nadruk of EU verdrag en EU werkingsverdrag)
    - De juridische vormen van export beschrijven

  • - De basisstructuur van de Europese Unie uitleggen

  • - De werking van de Europese Verdragen doorgronden

  • - De ‘Vier Vrijheden’ (vrij verkeer van goederen in het bijzonder)op een vrij complexe casus
    toepassen (toepassingsvraag op tentamen)



  • Wijze van exporteren

  • 1) via een agent

  • 2) via een distributeur

  • 3) persoon in loondienst

  • 4) franchise

  • 5) joint venture (zelfstudie)



  • 1. Export via een ‘agent’
    Deze overeenkomst is geregeld in art. 7:428 BW voor in Nederland. Als je de grens over gaat krijg je te maken met Europese richtlijnen, je krijgt hier te maken met het EVO verdrag en het vertegenwoordigings verdrag. Als je exporteert via een agent heb je met de volgende partijen te maken. Namelijk exporteur  Agent  klant. Van exporteur naar agent heb je te maken met een internationale agentuur overeenkomst. Het bijzondere van deze overeenkomst is dat de exporteur de koopovereenkomst sluit met de klant en niet de agent. De agent is hier een zelfstandige ondernemer, die kent ook het land waarvoor die bezig is voor de exporteur. Het nadeel hier is dat de klant op afstand zit, bijvoorbeeld is de klant wel kapitaal krachtig genoeg? Tussen de agent en exporteur wordt vaak een delcrederebing gesloten, dat is een onderdeel van de agentuur overeenkomst. De agent beloofd dan dat de klant kredietwaardig is, de klant is dus kapitaal krachtig genoeg. Stel de klant betaald niet, kan de exporteur ook bij de agent aankloppen. De agent verdiend zijn geld door elke geslaagde bemiddeling. Bij elke internationale overeenkomst komen problemen voor namelijk 3 IPR – problemen (internationaal privaat recht):
    - Welk recht is van toepassing?
    - Welke rechter is bevoegd? (Nederlandse rechter of een rechter in het buitenland)
    - Ten uitvoerlegging vonnis? (Is het vonnis rechtsgeldig?)



  • 2. Export via een distributeur
    Het is een generieke overeenkomst, partijen zijn vrij te bepalen wat ze opnemen in de overeenkomst. De volgende partijen zijn van belang; Exporteur (principaal)  Distributeur  klant. Tussen de distributeur en de klant ontstaat een nationale koopovereenkomst, tussen de exporteur en distributeur ontstaat een internationale koopovereenkomst. De export verkoopt zij goederen aan de distributeur, op deze goederen komt een toeslag en verkoopt de distributeur ze aan de klant. Het voordeel voor de exporteur is dat hij alleen te maken heeft met de distributeur. Het nadeel is dat de exporteur niet precies weet wie zijn klanten zijn, bijvoorbeeld met marketing. De overeenkomst mag niet in strijd komen met de mededingingswet, bijvoorbeeld prijsafspraken mogen niet afwijken. Het Weens koopverdrag en het EVO verdrag zijn hier van toepassing.



  • 3. Export via persoon in loondienst (arbeidsovereenkomst)
    Je hebt hier te maken met een arbeidsovereenkomst art. 7:610 BW. Je hebt hier te maken met een Exporteur (werkgever)  Werknemer (Nederlandse of buitenlandse). Bij een buitenlandse werknemer is het beter voor buitenlandse recht te kiezen, maar je kunt ook het Nederlandse recht kiezen (7:610). Het is beter om voor buitenlands recht te kiezen i.v.m. ontslagrecht. De werknemer is ondergeschikt aan de werkgever. Als werkgever neem je een geheimshoudingsbeding op en een concurrentie/relatie beding op in de arbeidsovereenkomst t.o.v. de buitenlandse werknemer.



  • 4. Export via Franchise overeenkomst
    De partijen waar je mee te maken hebt: Exporteur (franchisegever)  Franchisenemer (in het buitenland)  Klant. Je hebt te maken met een internationale franchise overeenkomst tussen de franchise gever en nemer. Tussen de nemer en klant heb je te maken met een nationale overeenkomst. De franchisegever levert veel verplichtingen op aan de franchisenemer, op het gebeid van marketing, logo, boekhouding, uitstraling etc. Het Weens koopverdrag en het EVO verdrag zijn hier van toepassing.



  • Europees recht
    - EU verdrag (4311), toetreding van een nieuwe lidstaat
    - EU werkingsverdrag (4231)



  • Week 2

  • EU heeft zich ontwikkeld tot een grote macht door 4 sporen:

  1. Uitbreidingen van lidstaten (omvang) (van 6 naar 27)

  2. Aantal verdragen uitgebreid (EGKS, kolen en staal) (EEG, Europese economische gemeenschap) (EG verdrag, totale economie), Univerdrag, Kernverdrag, Buitenlandse zaken, veiligheid, politie en justitie. Eerst heette ze EEG, daarna E van economisch weg want het werd meer dan economie. Toen de EU. Dus steeds meer beleidsterreinen worden door EU bepaald waardoor EU dus ook machtiger wordt.

  3. Jurisprudentie: (cost NL = voorrangbeginsel en van Gend en Kos directe werking Dit leidt tot supranationaliteit)

  4. Wetgeving en verordening :Eu mag op steeds meer terreinen, wetten maken en de EU moet zich eraan houden.

  • Twee verdragen
    VEU en VWEU



  • Wie is de baas in europa



  • Uitgangspunt: Art. 13 EU verdragen (VEU),

  1. Europees parlement ( gekozen burgers van lidstaten)

  2. Europese raad ( Staatshoofden, regeringsleider (RUTTE), en VOORZITTER VAN EUROPESE COMISSIE) (die zijn de baas)

  3. De raad: Vakministers: als het gaat om landbouw: Gaan alle ministers van landbouw van de EU landen daar naartoe

  4. De commissie: zitten eurocommissarissen

  5. Hof van justitie = rechter van EU, je hebt heel veel soorten rechters

  6. Rekenkamer: Budgetten controleren van de EU, ze houden in de gaten wat binnen komt, lidstaten moeten bijvoorbeeld geld betalen om lid te blijven

  7. Europese centrale bank = Houdt koers in de gaten, zonder winstoogmerk maar wordt wel geld in gestopt. Doel: Economie van eu bevorderen.





  • 1. Europees parlement:
    Waar geregeld:art 14 VEU
    Wie:Gekozen burgers (vertegenwoordigers)
    Vertegenwoordigt:De burgers
    Wat doen ze: Stellen begrotingen op/vast samen met de raad (niet Europese) obv evenredigheid wetgever van eu



  • 2. De Europese raad:
    Waar geregeld: art 15 VEU
    Wie: Staatshoofden, regeringsleiders (Rutte, merkel) en voorzitter Europese Commissie (Die zijn de baas in EU)
    Vertegenwoordigen: De EU zelf
    Wat doen ze? Ze bepalen de richting die ze opmoeten



  • 3. De raad:

  • Waar geregeld: art 16 VEU

  • Wie?: Vakministers (minster van landbouw, ministers van milieu)

  • Vertegenwoordigt: De regering van de lidstaten

  • Wat doen ze?: wetten en begrotingen maken samen met europees parlement



  • 4. De commissie

  • Waar geregeld: Art 17 VEU

  • Wie: Eurocommissarissen van elk één lidstaat

  • Vertegenwoordigt: De EU

  • Wat doen ze?: Ze houden toezicht van nakoming verdragen. Als ze iets constateren naar het hof van justitie. Maken ook wetsvoorstellen om te vooromen dat het europees parlement en de raad te machtig worden. (trias politicas)



  • 5. Hof van justitie

  • Waar geregeld: art 19 VEU
    Wie: Rechters op alle gebieden waarmee mensen te maken hebben met recht

  • Wie vertegenwoordigen?: art 19 lid 3 sub A: iedereen

  • Wat doen ze?: Pre juridiciele: voordat Nederlandse rechter uitspraak doet eerst vragen of ze europees recht goed hebben uitgelegd.



  • 6.Rekenkamer

  • Waar: art 285 VWEU
    Wat doen ze: Budgetten controleren van de EU, ze houden in de gaten wat binnen komt, lidstaten moeten bijvoorbeeld geld betalen om lid te blijven



  • 7. ECB:

  • Waar: Art 282 VWEU

  • Wat doen ze: Houdt koers in de gaten, zonder winstoogmerk maar wordt wel geld in gestopt. Doel: Economie van EU bevorderen.

  • Vertegenwoordigt: EU













  • Week 3
    Mogelijke tentamenvraag
    Wat is (bijvoorbeeld) het verschil tussen art. 214 lid 1 en 4 EUW en art. 91 lid 1 EUW?
    Humanitaire hulp (art. 214 lid 1/4 EUW) en bijzondere aspecten van vervoeren (art. 91)



  • Onbeperkt bevoegd, t.a.v. beleidsterreinen.
    3 uitgangspunten :

  • - Art. 4 en 5 EU

  • - Art. 3-6 EUW

  • - Rechtsbasisbeginsel, het moet in het recht/wet staan.



  • Art. 4 EU: blz 4311
    lid 1: verhouding unie en lidstaten. Wat de lidstaten niet hebben weggegeven, daar mag de unie ook niet aan komen.
    lid 2: de Unie eerbiedigt de gelijkheid tussen staten, niet alle staten zijn gelijk.
    lid 3: loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten, elkaar aanvullen.



  • Art. 5 EU: blz 4312
    lid 3: subsidiariteitsbeginsel
    lid 4: evenredigheidsbeginsel, als je hetzelfde resultaat kunt behalen met een kleiner bedrag/minder werk moet je dit doen.



  • Art. 3 EUW blz 4231 (Grote bevoegdheid)
    De Unie is exclusief bevoegd (=alleen bepalen), in het artikel staat over werken onderdelen.



  • Art. 4 EUW blz 4231 (Minder grote bevoegdheid)
    lid 1: gedeelde bevoegdheid EU + lidstaten (minder grote bevoegdheid)

  • lid 2: staat alles wat gezamenlijk wordt gedaan.



  • Art. 5 EUW blz 4232 (Nog minder bevoegdheid)

  • lid 1: een van de instellingen (Raad) van Europese Unie stelt maatregelen en de lidstaten coördineren. (deze bevoegdheid is kleiner voor de EU)



  • Art. 6 EUW blz 4232
    De unie ondersteunt, coördineert en vult aan. (laagste bevoegdheid t.o.v. lidstaten)



  • T.o.v. wie worden deze bevoegdheden afgebakend? De lidstaten.



  • Besluitvorming
    Drie procedures art. 289 EUW

  1. Gewone procedure, lid 1 (Europees parlement + raad op voorstel van Europese commissie besluiten nemen)

  2. Speciaal, codecisie, lid 2 (Europees parlement + deelname raad of raad + deelname parlement, er kunnen twee verschillende partijen de leiding nemen)

  3. Overige, lid 4 (initiatief lidstaten op Europees parlement + aanbeveling Europese centrale bank + verzoek Europese justitie of Europese investeringsbank)









  • Gemeenschappelijkheden
    - Altijd voorstel Cie = Europese commissie

  • - Alleen de Raad of de Raad en Parlement kunnen van een voorstel een rechtsgeldig besluit, een
    ‘wet’, maken

  • - art 4 lid 3 EU, loyaliteitsbeginsel (goede samenwerking tussen Unie en lidstaten)



  • Type besluiten, wetten
    - Primair, basisverdragen (EUW), primair is alleen de lidstaten

  • - Secundair

  • - Art. 288 EUW

  • 1. Verordening, directe werking in de lidstaten, er staat vastgesteld hoe je iets moet bereiken

  • 2. Richtlijn, zelf de weg bepalen hoe je bij het resultaat komt (geen directe werking)

  • 3. Beschikking, is verbindend

  • 4. Aanbeveling, zijn niet bindend, vragen ze naar om van te leren



  • Richtlijn

  • - 4 elementen, LS, resultaatverplichting en termijn, keuzevrijheid, beperkte rechtstreekse werking

  • - Doel? Harmonisatie

  • - Het is een instructie van de EG aan de LS om hun wetgeving aan te passen

  • - Praktijk, weinig verschil met Verordening



  • Verordening
    - Omzetting nationale regel is dus niet nodig! Het werkt direct!



  • * Verschil tussen beschikking en aanbeveling weten.





  • Fiscaal Recht



  • Week 1

  • Voorbeeldonderneming




  • Het voordeel hiervan is risicospreiding, je kunt vermogens spreiden. Als het bijvoorbeeld failliet gaat en de winsten zijn al uitgekeerd gebeurt er niks met deze bedragen. Een andere redenen is dat bedrijven hun winst liever in het bedrijf houden, stel ze nemen het direct op dan moeten ze meteen belasting betalen. Als ze de winst in het bouwbedrijf houden hoeven ze nog geen belasting te betalen.



  • BOX 1, inkomen uit werken en woning max 52%
    BOX 2, inkomen uit aanmerkelijk belang, meer als 5% aandelen. Er wordt 25% belasting betaald.
    BOX 3, inkomen uit sparen en beleggen



  • Bepalen van de winst in de Inkomstenbelasting (IB)
    Eindvermogen volgens balans

  • - Beginvermogen volgens balans

  • - Stortingen

  • + Onttrekkingen (huishoudgeld enz.)

  • + Beperkt en niet-aftrekbare kosten

  • - Vrijstellingen (landbouw enz.) (art. 3.11 IB)

  • - Ondernemingsfaciliteiten (investeringsaftrek art. 3.41 IB)

  • - MKB-winstvrijstelling (art. 3.79a IB)

  • = Belastbare winst uit onderneming voor Box 1

  • In de vennootschapsbelasting (Vpb) ongeveer dezelfde berekening !



  • Schakelbepaling wet IB
    -
    Schakelbepaling van artikel 8 lid 1 Wet Vpb

  • -Naast vermogensvergelijking (vorige dia) ook mogelijk om belastbaar bedrag te berekenen met als
    uitgangspunt de commerciele winst !

  • In dit artikel staat dat de artikelen die genoemd zijn gelden voor een BV.

























  • Bepalen van belastbaar bedrag in de VPB (vermogensvergelijking) (subjectief)

  • Eindvermogen volgens balans (EV) …………

  • - Beginvermogen volgens balans (EV) ………… -/-

  • + Onttrekkingen ………… +/+

  • + Kapitaalterugbetalingen ………… +/+

  • - Kapitaalstortingen ………… -/-

  • VERMOGENSMUTATIE …………

  • - Objectieve vrijstellingen (landbouw enz.) …………..

  • + Niet of beperkt aftrekbare kosten …………..

  • + Giften …………..

  • - Investeringsaftrek …………..

  • +/- Fiscale reserves …………..

  • - Correctie deelnemingsvrijstelling ………….. -/-

  • FISCALE WINST ………….

  • - Aftrekbaar deel van de giften …………. -/-

  • BELASTBARE WINST ………….

  • - Te verrekenen verliezen …………. -/-

  • BELASTBAAR BEDRAG ………….



  • Wie van de personen / vennootschappen moeten aangifte doen? Voor welke belastingsoort?
    Het bouwbedrijf, Vennootschapsbelasting, BTW
    Jan en Paul, inkomstenbelasting
    Holdings BV (Jan&Paul), Vennootschapsbelasting



  • Vennootschapbelasting
    1. Subjectief belastingplicht, wie moet belasting betalen
    2. Objectieve belastingplicht, wat wordt belast



  • Subjectief belastingplicht
    - Binnenlands belastingplicht (art. 2 VPB, bij case vooral sub a of b)
    - Buitenlands belastingplicht (art. 3 VPB, sub a of b bij case, c en d bij MC)



  • Tarief (art. 22 VPB)
    Stel: Bouwbedrijf Konings B.V. heeft een belastbaar bedrag van € 100.000.

  • Hoeveel Vpb is Bouwbedrijf Konings B.V. verschuldigd?

  • 20%, 100.000 x 0,2 = 20.000 (ARTIKEL BIJNOEMEN OP TENTAMEN)



  • Stel: Bouwbedrijf Konings B.V. heeft een belastbaar bedrag van € 230.000.

  • Hoeveel Vpb is Bouwbedrijf Konings B.V. verschuldigd?

  • 200.000 x 0,2 = 40.000

  • 30.000 x 0,25 = 7.500























  • Bepalen van belastbaar bedrag in VPB (objectief)

  • Eindvermogen volgens balans …………

  • - Beginvermogen volgens balans ………… -/-

  • + Onttrekkingen ………… +/+

  • + Kapitaalterugbetalingen ………… +/+

  • - Kapitaalstortingen ………… -/-

  • VERMOGENSMUTATIE …………

  • - Objectieve vrijstellingen (landbouw enz.) …………..

  • + Niet of beperkt aftrekbare kosten …………..

  • + Giften …………..

  • - Investeringsaftrek …………..

  • +/- Fiscale reserves …………..

  • - Correctie deelnemingsvrijstelling ………….. -/-

  • FISCALE WINST ………….

  • - Aftrekbaar deel van de giften …………. -/-

  • BELASTBARE WINST ………….

  • - Te verrekenen verliezen …………. -/-

  • BELASTBAAR BEDRAG ………….



  • Onttrekkingen (eenmanszaak)
    Je ontrekt iets zakelijks naar privé. Bijvoorbeeld als ondernemer 100 euro uit kassa halen omdat je geld nodig hebt, dat is een onttrekking.



  • Kapitaalstortingen (eenmanszaak)
    Iets wat je vanuit privé in het bedrijf stopt. Bijvoorbeeld een computer van 1000 euro ga je zakelijk gebruiken.



  • Onttrekkingen (rechtspersoon)
    - Winstuitdelingen(waarbij geen arbeid is verricht = winstbonus)/(verkapte)dividenduitkeringen



  • Kapitaalstortingen (rechtspersoon)
    3 vormen:
    - Nominaal gestort kapitaal
    - Agio
    - Informeel kapitaal



  • Informeel kapitaal / verkapt dividend
    Bij een willekeurige derde had de vennootschap/aandeelhouder nooit op deze manier gehandeld

  • Verkapt dividend: Aandeelhouder(AH) bevoordeeld door BV, i.p.v. dividend op andere manier geld gegeven. (onttrekking)

  • Informeel kapitaal: BV wordt bevoordeeld door AH (kapitaalstorting)



  • Voorbeeld 1

  • Bouwbedrijf Konings B.V. verstrekt aan Paul Konings Holding B.V. een geldlening van € 200.000 met een rentepercentage van 3%, terwijl een zakelijke rente op dat moment 4% zou zijn.

  • Informele kapitaalstorting of verkapt dividend?
    Verkapt dividend, want de aandeelhouder heeft hier een voordeel namelijk 0,01 x 200.000 = 2.000

  • Voorbeeld 2

  • Paul Konings Holding B.V. verstrekt aan Bouwbedrijf Konings B.V. een geldlening van € 200.000 met een rentepercentage van 4%, terwijl een zakelijke rente op dat moment 3% zou zijn.

  • Informele kapitaalstorting of verkapt dividend?

  • Verkapt dividend, de aandeelhouder heeft hier een voordeel. Normaal krijgt hij 3% en nu krijgt die 4%, een voordeel van 1% van 200.000 is 2.000.

  • Voorbeeld 3

  • Paul Konings Holding B.V. verkoopt haar pand aan Bouwbedrijf Konings B.V. voor een bedrag van € 100.000, terwijl de werkelijke waarde van het pand € 150.000 bedraagt.

  • Informele kapitaalstorting of verkapt dividend?
    Informele kapitaalstorting, het bouwbedrijf BV heeft hier een voordeel van 50.000.



  • Aftrekbare bedragen
    - Winstuitdelingen (tantième) Artikel 9 lid 1 onderdeel a Wet Vpb, hier is arbeid voor verricht

  • - Oprichtingskosten vennootschap Artikel 9 lid 1 onderdeel d Wet Vpb

  • - Kosten van wijziging van kapitaal (emmissie- en notariskosten) Artikel 9 lid 1 onderdeel d Wet Vpb



  • Met deze bedragen moet je niks mee doen, ze zijn er terecht vanaf gegaan.



  • Niet-aftrekbare bedragen

  • Niet-aftrekbaar, o.a.:

  • - Rentevergoedingen op bepaalde leningen (principe kennen!)

  • - Fictief loon, tenzij redelijk tarief
    - Bronheffingen, zoals dividend en kansspelbelasting



  • Beperkt aftrekbaar, o.a.:

  • - Giften (drempel € 227 en maximaal 10% van de winst) – 2012 anders!! Artikel 16 Wet Vpb
    * Algemene nu beogende instellingen (rode kruis)

  • - Commissarissenbeloning Artikel 11 lid 1 Wet Vpb



  • Fiscale winst = 120.000 Gift = 10.000
    Je mag ten hoogste 50% van de winst aftrekken, dat is 60.000 hier maar je hebt maar 10.000.



  • Fiscale winst = 500.000 Gift = 110.000
    Je mag hier tot het maximum 100.000 aftrekken.



  • Verliesverrekening (art. 20 lid 2 VPB)
    Negatieve winst = verlies

  • - Carry Back: Verrekening met belastbare winst van voorafgaand jaar (was 3 jaar)

  • - Carry Forward: Verrekening met belastbare winst van 9 opvolgende jaren (was onbeperkt)



  • Oudste verlies wordt eerst verrekend !

  • Crisismaatregel 2009, 2010 en 2011 zegt het volgende: een belastingplichtige mocht kiezen of het verlies met de winst van 3 jaar terug wordt verrekend of met 6 jaar vooruit. (Geldt alleen als je nog aangifte moet doen over deze jaren)



  • Commissarisbeloning (Art. 11 VPB)
    * Een commissaris bij een NV is een toezichthouder of een adviesorgaan.
    Als de beloning meer dan €1815 bedraagt wordt de helft in aftrek gebracht. De aftrek is minimaal 1815 en maximaal 9076.



  • Bij een bedrag van 5000 euro, is volgens art. 11 VPB €2.500 niet aftrekbaar en de andere helft €2.500 euro wel in aftrek.
    Bij een bedrag van 25.000 euro, is volgens art. 11 VPB €15.924 niet aftrekbaar en €9.076 wel aftrekbaar.


  • *Wat niet aftrekbaar is doe je + op de balans.





  • Voorbeeld 1

  • De fiscale resultaten van Bouwbedrijf Konings B.V. luiden als volgt: Hoe werkt de verliescompensatie uit?

  • 2006 Winst van € 200.000, belasting over betalen

  • 2007 Winst van € 100.000, aangifte van 100.000, na verlies – 100.000 = 0 Belasting

  • 2008 Verlies van € 150.000, (art. 20 lid 2 VPB), - 50.000 over

  • 2009 Winst van € 110.000 110.000 – 50.000 = 60.000 (verlies verrekend) – 60.000 = 0 (B)

  • 2010 Verlies van € 60.000 Verlies verrekend hierboven.



  • Voorbeeld 2

  • De fiscale resultaten van Paul Konings Holding B.V. luiden als volgt: Hoe werkt de verliescompensatie uit?

  • 2006 Verlies van € 200.000 (art. 20 lid 1 VPB)

  • 2007 Winst van € 100.000 100.000 – 100.000 = 0, 100.000 verlies over

  • 2008 Winst van € 150.000 150.000 – 100.000 = 50.000 aangifte belasting over betalen

  • 2009 Winst van € 110.000 110.000 belasting over betalen – 60.000 = 50.000 aangifte

  • 2010 Verlies van € 60.000 Geen verlies



  • Voorbeeld HUISWERK

  • Met betrekking tot het resultaat van Bouwbedrijf Konings B.V.

  • zijn de volgende gegevens over 2012 bekend:

  • Begin- en eindvermogen: zie balans

  • Commerciële winst: € 77.000

  • tantième directie: € 5.000 (Aftrekbare kosten)

  • Dividenduitkering: € 12.000 (onttrekking)

  • Giften € 1.000

  • Nominaal kapitaal is uitgebreid met: € 10.000 (kapitaalstorting)

  • Emissiekosten bij kapitaalsuitbreiding € 2.000 (Aftrekbare kosten)

  • Te verrekenen verlies uit 2008 € 6.000

  • Hoe hoog is het belastbare bedrag ? Voer dit uit volgens de Vermogensverlijking!



  • Eindvermogen volgens balans 468.000

  • - Beginvermogen volgens balans 400.000 -/-

  • + Onttrekkingen 12.000 +/+

  • + Kapitaalterugbetalingen ………… +/+

  • - Kapitaalstortingen 10.000 -/-
1   ...   53   54   55   56   57   58   59   60   ...   63


Dovnload 9.53 Mb.