Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Moderniteit en klank

Dovnload 18.94 Kb.

Moderniteit en klank



Datum12.06.2017
Grootte18.94 Kb.

Dovnload 18.94 Kb.

Moderniteit en klank

Inleiding


In deze discussiepaper wordt het belang van klank in moderniteit bekeken als een onderdeel van de sound studies. Fragmenten uit Veit Erlmann’s Reason and Resonance en Karin Bijsterveld’s Listening to machines voorzien de argumentatie. Erlmann zorgt vooral voor de meer theoretische, “metafysische” benadering van de relatie tussen klank en moderniteit terwijl Bijsterveld’s werk meer gericht is op praktische voorbeelden en de evolutie van de omgang met klank.

Wat is moderniteit?


Een vraag die zich altijd stelt als het onderwerp “moderniteit” is, is de invulling van dat begrip. De opvattingen over dit begrip variëren sterk, maar vaak komen concepten zoals industrialisering, vooruitgang door (en van) technologie of zelfs het Westers beschavingsideaal naar voor als populaire kenmerken. Wanneer men gaat kijkt naar auteurs die de discussie over het concept moderniteit in diepgang aangaan, echter, wordt het heel wat complexer om een vast omlijnd beeld te vormen.

Erlmann stelt het algemene beeld van begin van de moderniteit voor als het ontstaan, of de ontdekking van, reason (de menselijke rede). Die moderniteit die gebaseerd is op objectiviteit loopt tot op vandaag door. De rede (reason) is nauw verbonden met kennis, die losstaat van menselijke gevoelens. Erlmann gaat daar echter tegen in en stelt dat zowel reason als resonance gelijkwaardige, parallelle onderdelen van de moderniteit zijn, hoewel resonance minder gewaardeerd wordt. Resonance stelt hier niet de losstaande rede voor, maar de verbondenheid van de mens met de wereld door waarnemingen (een heen-en-weer uitwisseling tussen de dingen). In Erlmann’s werk zal resonance van belang zijn voor de studie van onder andere het oor, maar ook de klankgeschiedenis in het algemeen.1

De definitie van moderniteit zoals gegeven door Erlmann, of eigenlijk de in vraag stelling ervan, is niet de enige versie gegeven in de academische wereld. Michel Foucault stelt in zijn werk What is Enlightenment dat de gangbare (historische) definitie van moderniteit diegene is van een tijdsperiode, namelijk die waar de Moderniteit als een tijdsvak na de Verlichting komt, en opgevolgd wordt (of zal worden) door een Postmoderniteit. Hij stelt echter dat de opvatting van Moderniteit niet zo tijdsgebonden moet zijn, maar eerder in het licht staat van “contramoderniteit”. Hiervoor haalt hij een definitie van Baudelaire erbij, waarin gesteld wordt dat moderniteit vaak een besef is van een tijdsbreuk (met het verleden). Toch is dat te limitatief: volgens Baudelaire is moderniteit ook het feit dat de moderne zelf zichzelf “maakt” (self-producing self).2 Deze definitie is vooral relevant bij het begrijp van Bijsterveld’s tekst, waarbij de omgang met geluid plaats heeft in moderniteit als de self-producing self.

Naast deze twee definities van moderniteit zijn er nog talrijke anderen, die hier niet opgesomd zullen worden. Toch is het interessant te onthouden dat niet elke auteur hetzelfde idee over moderniteit hanteert als hij dat begrip gebruikt. Er zijn aldus meerdere (gangbare) definities over moderniteit en elke auteur zal zich verbinden met één van de definities, zich erbij neerleggen dat er meerdere definities zijn, of trachten zelf een invulling te geven aan het begrip “moderniteit”.


De rol van klank


Volgens Erlmann speelt klank een belangrijke rol in het begrip moderniteit: “The acoustic and physiological phenomenon of resonance, I suggest, played a constitutive role in the history of modern aurality and rationality. It was, for all intents and purposes, modernity’s second science.”3 Hij stelt hier dat het fenomeen van resonance, dat zijn belang vooral terugvindt in het onderzoek naar de werking van het oor en daardoor tot uiting komt in aurality (het omvattend concept van de omgang met geluid), een belangrijk onderdeel is van de moderniteit dat sterk ondergewaardeerd wordt: “(…), instead of joining in the chorus of those who lament our era’s alleged hearing loss only the better to dismiss the modern project all told, what is required is a more dynamic elaboration of the concept of modernity through hearing.”4

Erlmann leidt zijn stelling in door de great divide theory over moderniteit van de Annalen-school en auteurs zoals Marshall McLuhan en Walter Ong als voorbeeld te gebruiken; deze auteurs stellen dat zien en horen gescheiden zijn. Deze theorie, waar zien gerelateerd wordt met het “uiterlijke” (maar ook intelligentie) en horen met het “innerlijke” (maar ook gevoelens), wordt door Erlmann echter afgewezen. Erlmann poseert zijn stelling buiten de great divide; de modern aurality valt niet onder deze tweedeling. In tegenstelling tot die tweedeling staat het erboven; het bevindt zich op een “veld” dat resoluut onderdeel is van de moderniteit: “(…) I consider resonance as being inextricably woven into the warp and woof of modernity.” “(…), instead of joining in the chorus of those who lament our era’s alleged hearing loss only the better to dismiss the modern project all told, what is required is a more dynamic elaboration of the concept of modernity through hearing.”5

Daar waar Erlmann kijkt naar de “theoretische” rol van klank in moderniteit, en de toepassing van modern aurality op het concept moderniteit zelf, gaat Bijsterveld meer naar de culturele perceptie van klank kijken tijdens de moderniteit. Voor Bijsterveld’s werk is het dan ook interessant om de definitie van moderniteit zoals die geponeerd wordt door Foucault in het achterhoofd te houden; het concept is onlosmakelijk verbonden met het individu en de self-making self. Het is in het licht van Foucault’s definitie dat de omgang met geluid door de personen(categorieën) die in Bijsterveld’s werk worden opgesomd, geplaatst kunnen worden als inherent met de moderniteit zelf.

Bij Bijsterveld ligt de rol van klank in de moderniteit in de manier waarop men omgaat met geluid, in deze casus dan voornamelijk industrieel geluid. Gehoorschade is door de opkomst van machines een relevanter thema geworden. Vroeger (pre-industriële revolutie) was er wel iets dat bekend stond als de blacksmith’s disease maar gehoorschade door te werken in een luide omgeving was minder voorkomend. Het is slechts door studies dat de relevantie van gehoorschade, en de manier om dat tegen te gaan, op de voorgrond treed vanaf de vroege 20e eeuw. Naast gehoorschade wordt ook het belang van geluid op de werkvloer aangehaald, zoals de ritmiek van muziek of het belang van het horen van machines.6

Het dragen van oorbeschermers is iets wat gedurende lange tijd bij arbeiders op weinig bijval kon rekenen. Het werd gezien als “sociaal minderwaardig” door een verlies aan mannelijkheid (“Ik kan tegen dit lawaai”) en zelfs als een ongemak, gezien de eerste generaties oorbeschermers niet al te comfortabel waren en het reinigen ervan tijdrovend was. Gevraagd aan de arbeiders waarom ze geen oorbescherming willen dragen lopen de antwoorden uit elkaar: sommigen willen de machines horen om zeker te zijn dat ze normaal werken, anderen stellen dat een zekere vorm van doofheid nu eenmaal bij hun beroep hoort, weer anderen spreken over ongemak (belemmering van conversatie, ongemakkelijk gevoel, …). 7

De omgang met geluid zat (en zit) diep geworteld in de mens en de opkomst van industriële machines heeft daar weinig aan veranderd. Geluid zorgt voor een zekere verbondenheid met de machine die een persoon niet al te graag laat vallen, als is het maar voor een gevoel van veiligheid te creëren. Ook de effecten van gehoorschade worden vaak als minder belemmerend gezien omdat deze schade zich “opbouwt” over een verloop van tijd. Het is pas in de jaren 1970, met de opkomst van een nieuw soort oorbeschermer, die veel aangenamer om te dragen is, dat de acceptatie van oorbeschermers toeneemt.8

Naast de gevaren van geluid komt in Bijsterveld’s werk ook geluid als een arbeid bevorderend element voor. De ritmische gang van muziek zorgde volgens verscheidene onderzoeken in de 20e eeuw tot een bevordering van de arbeidsproductiviteit, mits men de juiste soort muziek speelt (niet te seksueel of dramatisch, ook niet aritmisch zoals jazz). De acceptatie van muziek op de werkvloer is zeer hoog en staat in schril contrast met die van het dragen van oorbeschermers. De gedachtegang hierachter is dat ritmisch geluid, zoals dat van muziek, de arbeid bevordert en tevens de geluidsoverlast van machines kan “verzachten”.9

Besluit


Erlmann’s werk zorgt voornamelijk voor een eerder theoretische benadering van de rol van geluid bij het definiëren én begrijpen van het begrip moderniteit. Hij gaat dieper in op de rol van klank en zijn onderzoek omspant dan ook een relatief groot tijdsvak. Als argument voert hij aan dat de rol van geluid los geweekt moet worden van de eerder gangbare tweedeling visueel-auditief, en dat het op een (metafysisch) platform komt te staan dat boven die tweedeling staat. In zijn werk poneert hij voornamelijk een zelf ontwikkelde stelling over de rol van klank in moderniteit.

Bijsterveld gaat praktischer te werk en hanteert voorbeelden van arbeiders e.d. en hoe zij omgaan met geluid in de 20e eeuw; door hun invulling van geluid geven zij vorm aan de moderniteit zelf en daarmee ook aan de plaats van klank in de moderniteit. Zowel technische als sociale vooroordelen zijn belangrijk in de ontwikkeling van de omgang met industrieel geluid.



1 V. ERLMANN, ‘Introduction: the string and the mirror’, Reason and Resonance. A History of Modern Aurality, New York, 2010, 11.

2 M. FOUCAULT, ‘What is Enlightenment?’, The Foucault Reader, Columbia.edu, 1984, 6-7.

3V. ERLMANN, ‘Introduction: the string and the mirror’, Reason and Resonance. A History of Modern Aurality, New York, 2010, 9-27.

4 Ibid.

5 Ibid.

6 K. BIJSTERVELD, ‘Listening to machines: industrial noise, hearing loss and the cultural meaning of sound’, in Interdisciplinary Science Reviews, 31, 4 (2006), 323-337.

7 Ibid.

8 Ibid.

9 Ibid.

  • Wat is moderniteit
  • De rol van klank
  • Besluit

  • Dovnload 18.94 Kb.