Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Muziekgeschiedenis A. 0 Vroegchristelijk tijdvak Vroege & Late Middeleeuwen Ludwig Jansegers Docent muziekgeschiedenis Periodes muziekgeschiedenis

Dovnload 283.98 Kb.

Muziekgeschiedenis A. 0 Vroegchristelijk tijdvak Vroege & Late Middeleeuwen Ludwig Jansegers Docent muziekgeschiedenis Periodes muziekgeschiedenis



Pagina1/4
Datum27.04.2017
Grootte283.98 Kb.

Dovnload 283.98 Kb.
  1   2   3   4



Muziekgeschiedenis

A.0 Vroegchristelijk tijdvak -

Vroege & Late Middeleeuwen

Ludwig Jansegers

Docent muziekgeschiedenis

Periodes muziekgeschiedenis


  • Vroege middeleeuwen 600 - 1160

  • Middeleeuwen 1160 - 1400

  • Renaissance 1400 - 1600

  • Barok 1600 - 1750

  • Classicisme 1750 - 1800

  • Romantiek 1800 - 1890

  • Impressionnisme 1890 - 1910

  • Expressionisme 1910 - 1920

  • Modernen... 1920 - …

Een terpbewoner snijdt van been een fluit…




  • Ca. 300 voor Christus:…




  • Terpbewoner: rechterscheenbeen schaap: ontdoen van vleesresten en merg

  • Bovenkant: een venster snijden

  • Voorkant: drie gaatjes voor de vingers

  • Onderaan: een gat om een koord door te rijgen: een benen fluit…

  • Een terpbewoner bespeelt een benen fluit…

  • Reconstructie van een soortgelijke fluit uit schapenbot, met vier gaten, opgegraven in Emmeloord.

  • Benen fluit gevonden te Kimswerd.

  • De fluit van Kimswerd: gevonden in een terp bij het Friese dorp Kimswerd in 1981.

  • … de ‘gewone’ mensen.



  • Uit de Romeinse tijd zijn benen signaalfluiten, aardewerken rammelaars in diervorm, panfluiten, talloze klokjes, kleine bekkentjes, een schalmei en een buxushouten panfluit opgegraven.




  • Luistervoorbeeld: zie CD ‘Een Muziekgeschiedenis der Nederlanden’. ♫ ‘De fluit van Kimswerd’




  • Maar ook uit de laatmiddeleeuwse cultuur zijn er vondsten, zoals aardenwerken en bronzen hoorns, mondharpen, bellen en klokken, trommelstokken…




  • Bekend is de blokfluit van rond 1400, die werd opgevist uit de slotgracht van het Huis te Merwede bij Dordrecht.




  • Luistervoorbeelden:




  • 1. Benen fluit (De fluit van Kimswerd)

  • 2. Hoornpijp

  • 3. Lier

  • 4. Eenhandsfluit

  • 5. Pelgrimshoorn



  • Vroegchristelijk tijdvak
    Vroege en Late Middeleeuwen




  • I. Vroegchristelijk Tijdvak.




  • Algemene situering: historisch kader & het christendom en de vroegchristelijke kunst.

  • Het vroegchristelijk gezang: overname van het jodendom; kenmerken van het vroegchristelijk gezang; repertorium & lokale ritussen (gallicaanse, mosarabische, ambrosiaanse, romeinse ritus).




  • II. Vroege Middeleeuwen.

  • Algemene situering: historisch kader & cultureel kader.

  • Het Gregoriaans.

  • Ontstaan van de meerstemmigheid.

  • Profane muziek voor 1160.




  • III. Late Middeleeuwen.

  • Algemene situering: historisch & cultureel kader.

  • Eenstemmige wereldlijke muziek in de Late Middeleeuwen.

  • Meerstemmige muziek in de Ars Antiqua.

  • Ars Nova in Frankrijk: Philippe de Vitry (1291-1361).

  • Ars Nova in Frankrijk: Guillaume de Machaut (ca. 1300-1377).

  • Prerenaissance in de Nederlanden: Johannes Ciconia (ca. 1370-1411)



  • Vroegchristelijk tijdvak…




  • Hoofdstuk 1: Algemene situering…




  • 70 na Chr.: Jeruzalem → tempel wordt verwoest → joden worden vervolgd.

    • (Joden willen de officiële politiek en godsdienst van de Romeinse heerser niet aanvaarden.

    • Zij moeten een verdoken, ondergronds bestaan leiden ofwel vluchten: zij geraken verspreid over het Romeinse Rijk.)




  • 313: de godsdienstvrijheid wordt afgekondigd → Edict van Constantijn.

  • 392: Christendom staatsgodsdienst.

  • 395: Het West-Romeinse Rijk (= Rome) & het Oost-Romeinse Rijk (= Byzantium of Konstantinopel).

  • 476: val van West-Romeinse Rijk – Volksverhuizingen – Odoaker koning van Italië.

    • Het vroegchristelijk tijdvak vangt aan in 313 en wordt afgebroken met de val van Rome in 476.



  • Algemene situering: 2. Christendom en de vroegchristelijke kunst…




  • Het christendom is als een speciale sekte ontstaan uit het jodendom.




  • De christenen nemen bepaalde aspecten van de joden over, zowel op het gebied van de godsdienst, als op het gebied van de kunst en van de muziek.




  • De bouwkunst wordt beheerst door de eenvoud van de basiliek, het basisgrondplan voor de middeleeuwse kerkarchitectuur:




  • Voorbeeld: Rome: eerst (niet meer bestaande) bouw van Sint-Pieter (ca. 333 na Chr.).



  • Een tweede type is de Centraalbouw:




  • Bijvoorbeeld: San Vitale in Ravenna (6de eeuw).




  • De gebedsgebouwen zijn versierd met Mozaïeken en met fresco’s of muurschilderingen.




  • Deze laatste treft men ook aan in de catacomben (onderaardse schuil-, gebeds- en begraafplaatsen).




  • Rome: columbarium. (= plaats met nissen waarin urnen geplaatst worden.)




  • Wie tot de kring van vrienden, kennissen en zelfs cliënten van een rijke familie behoorde kon bijgezet worden in het familiegraf.

  • Deze columbaria bestonden uit al of niet ondergrondse grafkamers met talrijke nissen waarin de urnen met de as van de overleden werden bijgezet.

  • Dit is de detailopname van het columbarium bij het graf van de Scipiones te Rome.




  • Rome: sarcofaag Christus docens

  • Op deze sarcofaag domineren de bijbelse voorstellingen.

  • Er wordt veel plaats en dus aandacht gegeven aan Christus, die onderricht geeft.



  • Hoofdstuk 2:
    Het vroegchristelijk gezang… Blz. 17




  • 1. Overname van het jodendom







  • Door de vervolging en het verborgen leven, hadden de joden een synagogaal gezang ontwikkeld,

  • dat zeer sober was,

  • dat treurde over de situatie van vervolging en ondergedoken zijn.



  • 2. Kenmerken:




  • Vocaal, a capella.

  • Eenstemmig: verstaanbaarheid…

  • Toonherhalingen & kleine intervallen.

  • ‘Vrije’ ritme = er is geen eigen muzikale ritmiek: langere en kortere duurwaarden worden ingegeven door de tekst van het gezang of door het melodisch verloop van het gezang.

      • Dit noemen we ‘modale ritmiek’.

  • Diatoniek: muziek die is opgebouwd uit de stamtonen van de toonladder, dus bestaat uit hele en halve tonen.

  • Vanaf de 4de eeuw is het Latijn de officiële voertaal van de christenen.




  • Het vroegchristelijk gezang…




  • Doel: religieuze en meditatieve muziek verwezenlijken: de gemeenschap zingt eenstemmig: men ervaart de samenhorigheid van alle christenen.




  • Eerste geheime bijeenkomsten volgens Joodse gebruiken en synagogale tradities – essentieel: eenvoudige cantillatie en psalmodie.




  • Geschiedschrijver Plinius. Brief van 122 n.C. over de liturgie van de volgelingen van Christus:…




  • Hun dwaling beperkt zich tot de gewoonte op een bepaalde dag, voor de zonsopgang, onder elkaar te zingen, elk om beurt, ter ere van hun God.”




  • Luistervoorbeeld?

  • = Zingende (Oostenrijkse) monniken van Stift-Heiligenkreuz.



  • 3. Repertorium




  • Gregoriaans als ‘expressiemiddel van de spiritualiteit van de Kerk’…




  • Achtergrond: liturgie → de eucharistie (misgezangen) en het officie (officiegezangen of gezangen voor de andere gebedsdiensten).

  • Vroegchristelijke gezangen → uitvoering uitsluitend tijdens de verschillende kerkdiensten.

  • Reciteren of declamatorisch zingen op een gelijke toon, waarbij men de woordaccentuering volgt, met eenvoudige begin- en eindformule.




  • Luistervoorbeeld:

  • ‘Passio Domini nostri Jesu Christi secundum Ioannem’ – fragment uit het passieverhaal volgens Johannes 18, 28-38a: CD 1, 2 - DWK1.




  • Reciteertoon i.p.v. spreektoon:

  • om subjectieve tekstvertolking te vermijden:

  • voordragen op constante toonhoogte, met bij het begin en aan het einde van elke zin typische stembuigingen: bijv. de dalende zinswending bij het aankondigen van de Christus-woorden.






  • Gallicaanse ritus

  • Mosarabische ritus

  • Ambrosiaanse ritus

  • Romeinse ritus




  • Door de verspreiding van de christenen voor 313 en door de missionering en de bekering tot het christendom van volkeren over gans Europa,




  • is het logisch dat er lokale verschillen ontstaan (o.a. door contacten met de eigen volksmuziek en met de plaatselijke muzikale uitvoeringstradities).




  • Deze muzikale eigenheden geven aanleiding tot het ontstaan van de lokale ritussen.




  • Lokale ritussen




  • A. Gallicaanse ritus =




  • het vocale repertorium van de Gallische liturgieën van de Franken.




  • Pas onder Karel de Grote zal het gregoriaans ingevoerd worden.

  • Karel de Grote (742 - 814)




  • Luistervoorbeelden: Gallican Chant.




  • 1. Versus de l’évêque Théodulfe d’Orléans: ♫ Gloria laus.

  • 2. Semaine Sainte: ♫ Tenebrae factae sunt.




  • CD Moyen Age CD2, 1 & 2. La répertoire gallican.



  • B. Mosarabische ritus




  • = de ritus van de Visigoten in Spanje, vanaf het einde van de 4de eeuw tot de 11de eeuw: pas dan wint het gregoriaans wat terrein.




  • (Visigoten = De Visigoten (of Westgoten ter onderscheiding van de Ostrogoten of Oostgoten) waren een Germaans volk ten tijde van, en vlak na, het Romeinse Rijk.) Klik op deze tekst…




  • Luistervoorbeeld: Pater noster. Mosarabisch. CD 1, 1 DWK1.



  • C. Ambrosiaanse ritus =




  • Ambrosius, bisschop van Milaan op het einde van de 4de eeuw, zou bijgedragen hebben tot het ontstaan van deze ritus.




  • Als bisschop komt hij in een moeilijke positie terecht als de Arianen (ketters, volgelingen van Arius) met de moeder van keizer Valentinus II de Nieuwe Basiliek in het centrum van de stad voor hun eredienst opeisen.




  • De heilige Ambrosius (333-397 na Chr.), is de patroonheilige van de imkers.




  • Ambrosius zou als kind in de wieg bezocht zijn door een zwerm bijen. De bijen gingen op de lippen en in de mond van het slapende kind zitten en vlogen na enige tijd weer weg. Wonderlijk genoeg bleef het kind ongedeerd achter.




  • Deze wonderbaarlijke gebeurtenis vormt deel van het levensverhaal van Ambrosius, dat is opgeschreven door zijn secretaris Paulinus van Milaan.




  • De gebeurtenis met de bijen was volgens hem een teken van de toekomstige heiligheid van Ambrosius.




  • Ambrosius werd later bisschop van Milaan en bekend kerkleraar.

  • Ook dichtte hij vele kerkelijke gezangen.




  • Omdat bijen beschouwd werden als hemelse dieren en hun nectar als godendrank altijd samen genoemd werd met ambrozijn - hier komt de naam Ambrosius vanaf - de godenspijs, werd de H. Ambrosius de patroonheilige van de imkers.




  • Het verhaal van Ambrosius is een zogenaamde vita, een heiligenleven.




  • Deze heiligenlevens werden geschreven om de heiligheid van de beschreven persoon te illustreren.




  • De verhalen, die deels waarheid en deels fantasie waren dienden ter ondersteuning van het (katholieke) geloof en als voorbeeld voor de eenvoudige gelovige.




  • Men vertelt dat Ambrosius met een groep christenen in de kathedraal ontzet werd. Tijdens dat beleg zou de Ambrosiaanse ritus ontstaan zijn, waarbij ook de idee om het volk te laten meezingen zou gegroeid zijn

  • (= antifonale zangwijze).

  • De Ambrosiaanse ritus zou ook gekenmerkt zijn door melodieën met gesloten beweging en door een zuiver syllabische (syllabe of lettergreep) zetting.

  • Deze ritus heeft veel invloed uitgeoefend op het christelijk gezang in West-Europa.




  • Luistervoorbeelden:




  • 1. Psaume: Tecum principium in die virtutis tue. (With Thee from the beginning in the day)

  • 2. Responsorium: Congratulamini mihi omnes qui diligitis Dominum. (Congratulate me all ye who love the Lord)




  • Luistervoorbeeld: psalm:



  • ♫ Tecum principium in die virtutis tue. CD Moyen Age 1, 7

  • Tecum principium in die virtutis tue, splendoribus sanctorum genui te.

  • Verset: Dixit Dominus Domino meo: sede a dextris meis, conec ponam inimicos tuos scabellum pedum tuorum…”

  • With Thee from the beginning in the day of Thy strength, in the splendour of the saints, I have engendered Thee.

  • Versus: The Lord said unto my Lord, Sit thou at my right hand, until I make thine enemies the footstool…”




  • ♫ Responsorium: Congratulamini mihi omnes qui diligitis Dominum. Track 8

  • Congratulamini mihi omnes qui diligitis Dominum.

  • Quia dum essem famula placui Altissimo.

  • Et per mea viscera genui Deum et hominem.

  • Verset: Clausa parentis viscera, celestis intrat gratia.

  • Venter puelle bajulat secreta que non noverat.

  • Et per mea viscera genui Deum et hominem.

  • Congratulate me all ye who love the Lord, for when I was a handmaid I pleased the Most High, and by my womb I bore (‘baren’) God and man.




  • Versus: By the inviolate womb (‘baarmoeder’) of the mother the grace of heaven entered.

  • The womb of the maiden has borne a mystery that passes understanding.

  • And by my womb I bore God and man.



  • D. Romeinse ritus =




  • De christenen te Rome hebben hun eigen ritus, die erg Grieks en Byzantijns aandoet in de versieringen.

  • Deze ritus blijft voortbestaan tot in de 13de eeuw, ondanks de invoering van het gregoriaans.




  • Luistervoorbeeld:

  • ♫ Office de l’Adoration de la Croix: Agios o Theos, Sanctus Deus - CD Moyen Age, CD 1, 11

  • « Agios o Theos / Sanctus Deus

  • Agios Iskyrros / Sanctus fortis

  • Agios Athanatos, eleyson ymas

  • Sanctus et immortalis miserere nobis. »

  • « My people, what have I done unto thee? »




  • II. Vroege Middeleeuwen.




  • Algemene situering: historisch kader & cultureel kader.

  • Het Gregoriaans.

  • Ontstaan van de meerstemmigheid.

  • Profane muziek voor 1160.



  • Vroege middeleeuwen.
    Hoofdstuk 1: algemene situering.
    1. Historisch kader. Blz. 24.




  • De Vroege Middeleeuwen (476 – 1160) worden in drie periodes ingedeeld:…




    • Merovingisch tijdvak (476 – 800)

    • Karolingisch tijdvak (800 – 1000)

    • Romaans tijdvak (1000 – 1160)




  • Merovingisch tijdvak (476 – 800)

    • = een periode van grote verwarring in West-Europa, om verschillende redenen:




  • 1. vanaf het begin van de 5de eeuw zijn er grote bewegingen door de volksverhuizingen.

  • 2. De Merovingische koningen hadden weinig macht.

  • 3. Door het Frankische erfrecht wordt het eigendom van een vader steeds verdeeld in gelijke delen over al zijn zonen: versnippering van de macht is het gevolg.

  • 4. Reeds vanaf het einde van de laatromeinse tijd is de feodaliteit ontstaan.




  • Belangrijkste Merovingische koning = Clovis (ca. 500); maar ook zijn gebied zal onder zijn zonen verdeeld worden.




  • In de feodaliteit steunt alle macht op grondbezit. De economie is nog volledig afgestemd op de landbouw.

  • Het analfabetisme is erg groot.

  • Er is zeer weinig ontplooiing op cultureel vlak.



  • 2. Karolingisch tijdvak (800 – 1000)




  • Karel de Grote wordt keizer in 800: hij zal gans het Westen tot één rijk verenigen, onder zijn persoonlijk gezag.




  • De cultuur krijgt alle mogelijkheden tot zelfstandige en volledige ontwikkeling.




  • Deze Karolingische Renaissance duurt echter niet lang: door het Verdrag van Verdun (843) wordt zijn eenheidsrijk verdeeld in het West-Frankische en het Oost-Frankische Rijk; hier wordt de basis gelegd voor het latere Frankrijk en Duitsland.



  • 3. Romaans tijdvak (1000 -1160)







  • Gans de maatschappij is een piramide van ondergeschikten aan elkaar: bovenaan staat de adel, onderaan de lijfeigenen.

  • Ook de clerus is uitermate machtig op politiek gebied.




  • Van drie kanten worden invallen in Europa gepleegd:

    • de Noormannen in het noorden,

    • de Turken of Saracenen in het zuiden

    • en de Hongaren in het oosten.




  • Tegen de Turken worden de kruistochten georganiseerd.

  • De eerst kruistocht duurt van 1095 tot 1099, tot de laatste (8ste) wordt opgeroepen in 1270.




  • Cultureel en in de levensstijl is er een zekere verfijning merkbaar door de invloed van de oosterse contacten van de kruisvaarders.




  • De centra voor de culturele ontwikkeling zijn de abdijen en de daaraan verbonden abdijscholen.

2. Cultureel kader. Blz. 25.


  • Merovingische kunst: kronkelende motieven van de sierkunst




  • Karolingische kunst: uitwerken centraalbouw: Aken, Paltzkapel; miniatuurkunst




  • Romaanse kunst: kruiskerk; rondbogen, tongewelven (later kruisribgewelven): domkerk van Mainz, kathedraal van Laon; versierde kerkportalen en kapitelen; muurschilderingen.




  • = kunst in dienst van de religie. Kathedraal van Laon


  • VROEGE MIDDELEEUWEN



  • Hoofdstuk 2: Het Gregoriaans



  • 1. Gregorius de Grote (540 – 604). Blz. 26

  • = Paus van 590 tot 604.




  • Hij bewonderde de perfecte organisatie van de kerkgezangen in Byzantium.







  • voor de muziek van de rooms-katholieke kerk.




  • Deze eenheid zou de kracht en de macht van de kerk beklemtonen.




  • Het gregoriaans, naar paus Gregorius genoemd, is dus geen nieuwe muziek:…




  • volgens bepaalde bronnen zou de Romeinse en Ambrosiaanse ritus als uitgangspunt gebruikt zijn,

  • aangepast door een nieuwe interpretatie van o.a. de versieringen.




  • Maar andere bronnen beweren dat deze drie muzikale strekkingen los van elkaar en naast elkaar verder ontwikkeld zijn.




  • Nog andere bronnen menen dat het gregoriaans pas in de 9de eeuw, tijdens de Karolingische bloeitijd, een feitelijke realiteit wordt, ontwikkeld uit de Romeinse ritus, in de abdijen van de streek rond Metz.




  • Het gregoriaans = verzamelnaam voor het geheel van de religieuze gezangen van de katholieke kerk.




  • Benaming pas in 11de eeuw algemeen in gebruik.




  • Gregorius wil dat in iedere eredienst hetzelfde gezang op dezelfde dag gezongen werd, bovendien met dezelfde uitvoeringswijze.




  • Hij zal daarom in de Schola Cantorum te Rome zangers vormen, die na een negen jaar durende opleiding, over gans Europa uitgestuurd worden, om de juiste, in Rome geleerde zangwijze door te geven aan de plaatselijke bevolking...




  • De lokale ritussen zullen echter ook lang standhouden.
  1   2   3   4

  • Barok 1600 - 1750 Classicisme 1750 - 1800 Romantiek 1800 - 1890 Impressionnisme 1890 - 1910

  • Dovnload 283.98 Kb.