Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Muzikale spiegels van het leven

Dovnload 166.71 Kb.

Muzikale spiegels van het leven



Datum09.06.2017
Grootte166.71 Kb.

Dovnload 166.71 Kb.

TOELICHTING

MUZIKALE SPIEGELS VAN HET LEVEN



Peter Holman & Philip Pickett
De voorbije honderd jaar werd de samenleving gekenmerkt door een uiterst gefragmenteerde muzikale cultuur. Hoewel er de laatste decennia heel wat wordt gegoocheld met termen als fusion en cross-over, blijken muzikanten die actief zijn binnen de klassieke muziek, jazz, folk en populaire muziek vaak in heel aparte omgevingen te werken, zelfs in een zeker isolement, vanuit verschillende muzikale achtergronden, interesses en intenties. Zelden delen zij een gemeenschappelijk repertoire.
In het verleden zat dit wel enigszins anders. Er zijn natuurlijk wezenlijke verschillen tussen de straatmuzikanten en de muzikanten die in de 16de en 17de eeuw aan de Koninklijke hoven actief waren. Toch kende de brede Britse muzikale cultuur in die tijd een behoorlijk gelijklopende evolutie. Het repertoire van de populaire muziek van de straatmuzikanten en volkszangers was vaak een vereenvoudigde versie van de muziek die hofcomponisten zoals Byrd en Dowland schreven. Maar ook omgekeerd deinsden de grote componisten van die tijd er niet voor terug om melodieën die zij opvingen op straat, te verwerken tot waardige composities met gesofistikeerde variaties. Een wisselwerking die bovendien behoorlijk bevruchtend werkte.
De meest voorkomende vorm waarin de Elizabethaanse en Jacobijnse populaire muziek verspreid raakte, was via het pamflet - ballades, gedrukt op aparte bladen. Zoals de huidige dagbladen waren zij op een bepaald ogenblik de voornaamste en meest gelezen informatiebronnen voor een stedelijke omgeving (meestal geschreven en gedrukt in Londen, hoewel ze ook landelijk verspreid raakten via pamflettisten en rondtrekkende troubadours).
En net zoals in dagbladen kon ook in die pamfletten een veelheid aan onderwerpen aan bod komen, van politieke commentaren, tot religieuze en staatszaken, over natuurrampen, misdaden, tot gedichten van bekende en minder bekende poëten en rijmelaars, naast dagdagelijkse thema’s in uiteenlopende stijlen over liefde, seks, trouw, bedrog en moraal.
Misschien laat dit uitschijnen dat er een overvloed aan keuzes is, toch bleek de samenstelling van het programma niet zo evident. De meeste ballades uit de 17de eeuw vallen op de eerste plaats erg lang uit … te lang … Bovendien levert het relaas van bepaalde historische politieke en religieuze evenementen en polemieken - ontstaan in een nadrukkelijk orale traditie - voor een hedendaags publiek een veeleer saai en vervelend verhaal op. En dan is er nog het gegeven dat hoewel er een zeer uitgebreid arsenaal aan pamfletten is bewaard gebleven, heel wat teksten op dezelfde bekende melodieën worden gezongen.
De pamfletten bevatten doorgaans enkel de tekst en zelden een transcriptie van de muziek die erbij hoorde. In de plaats daarvan werd naast de titel gewoon melding gemaakt van het populaire voorbeeld waarnaar deze nieuwe ballade verwees, zodat iedereen meteen doorhad welke melodie er bij het pamflet hoorde. Ook Vlaanderen kende tot begin vorige eeuw deze traditie, waarbij heel wat pamfletten naast de tekst de richtlijn meekregen … op de wijze van …
Heel wat van die pamfletten werden in de late 19de en vroege 20ste eeuw gebundeld in volksmuziekbundels, folkloristische lied- en zangboeken. Maar vaak zonder dat er nog een spoor was van hun inhoudelijke of literaire oorsprong, en ook zonder de vermelding van de melodie of het standaardlied waarop de melodie gebaseerd was. Dit werk was dan weer weggelegd voor latere musicologen en specialisten en de generatie folkmuzikanten uit midden en eind van vorige eeuw.

WETENSWAARDIG
All In A Garden Green

In het decor van een aangename Engelse tuin, probeert een jongeman een meisje te veroveren. Zij blijkt echter moeilijk te winnen voor zijn avances. Hij beweert dat hij enkel een kusje wil, maar zij laat dit niet toe, omdat dit haar goede reputatie zou kunnen schaden. Toch stemt ze uiteindelijk in. De jongeman grijpt haar hand, maar zij weert zich met de mededeling “laat me los, als mijn moeder dat te weten komt” …

Maar hij sleurt haar mee achter een boom …

Wanneer ze terugkeren, wil zij nog een laatste kusje voor ze scheiden. Ze gaan van elkaar heen in tranen. Hij belooft haar zijn eeuwige trouw, wat er ook mag gebeuren. De moraal: na lang aandringen blijken ook de meest hardnekkige jongedames toch gemakkelijk toe te geven aan de verleiding.

Dit lied dateert van rond 1550, maar verschijnt pas tegen het einde van de zestiende eeuw in Ballet’s Lute Book en later in Playfords’s Dancing Master uit 1651. Op deze melodie werden ook nog andere teksten gezongen, de bekendste is An Outcast Lover. In de Playford Collection staan ook nog de titels Greenwood, Goddesses en Picking Up Sticks als varianten, maar zonder tekst. Vermoedelijk konden op deze melodie meerdere liederen worden gezongen.
Go Silly Note

Heb lief en wees geliefd nu het nog kan, want liefde en geluk gaan even snel voorbij als het leven zelf. De deugden en weldaden van de jeugd zijn tijdelijk en hoe zelfinge-nomen de mens ook is, het is niets dan dwaze ijdelheid. Goed en kwaad zijn bondgenoten van het lot. Een mooi leven leiden, is een kwestie van geluk en een lang leven is niet noodzakelijkerwijze een zegen en stelt niets voor in vergelijking met het eeuwig leven.

Hou niet teveel vast aan het leven want de zoete slaap van de dood overvalt iedereen. Zelfs de hoogste wijsheid kan de dood niet tegengaan of weerstaan aan de kwalen van de liefde. Wat moeten we dan van het leven verlangen als niets het verlangen waard is. We zijn niet meer dan stof die tot aarde zal terugkeren, maar toch denken we naar de hemel te moeten streven.

Dit liefdeslied werd vermoedelijk geschreven rond 1590, mogelijk door de dichter en componist Thomas Campion. Zijn versie begon met de woorden … “what if a day or a night or a year”. Hoewel er ook heel wat pamfletten en latere versies verschenen met de beginlijnen zoals ze door The Musicans Of The Globe worden gebracht.


Dido Was The Carthage Queen

Dido, de koningin van Carthago, was verliefd op Aeneas van Troje. Tijdens een regen-storm schuilen ze in een grot, waar Aeneas haar verleidt. Haar passie kreeg de boven-hand op haar eer, zoals dat heet. Ze vielen in slaap en tijdens een droom verscheen de zoon van Jupiter die Aeneas gebood de slapende Dido achter te laten. Dido ontwaakte alleen en van slag.


Deze versie werd geschreven door George Mason en John Earsden, ter gelegenheid van een feest voor James I en uitgevoerd in Brougham Castle, Westmoreland, op

6 augustus 1617. Dit stuk werd naar alle waarschijnlijkheid speciaal gecomponeerd voor de gelegenheid in de vorm van een ballade.
How can the tree

Een boom die geen zonlicht ziet, sterft af, net als een bloem. Alle wezens hebben voeding, zorg of gezelschap nodig. De mens leeft zowel van de kennis van de geest als van de warmte van het hart, zonder dat blijft er alleen pijn en smart.

Deze pessimistische regels van Thomas Lord Vaux werden oorspronkelijk geschreven voor vioolkwartet en stem, hoewel er ook een aantal versies bestaan voor een andere instrumentale bezetting. Van dit lied werd alvast ook één pamflet teruggevonden.
A Cautionary Tale Of Mother Watkins Ale

Een plattelandsmeisje is ongerust dat ze zal sterven als een oude vrijster. Toevallig verneemt een jongeman haar klacht en hij neemt de kans te baat haar een verhaal te vertellen over de deugden van Mother Watkins Ale. Zij stemt ermee in dit blijkbaar wonderbaarlijk goedje uit te proberen op een geheime plaats … Nadat ze een eerste keer heeft geproefd, kan zij er blijkbaar niet genoeg van krijgen en vraagt ze om meer. Voor hij vertrekt geeft de jongeman haar nog de raad nooit alleen van Mother Watkins Ale te proeven. Na negen maanden komt echter toch de kater. Dus meisjes, wanneer je uit drinken gaat, wees voorzichtig en denk aan de gevolgen.

Deze eufemistische dansmelodie was zeer populair rond 1590, een staat symbool voor heel wat gelijkaardige scabreuze verhalen van verleiding en de onzalige consequenties.
The Wooing of the Baker’s Daughter

Daphne is dan weer een voorbeeld van een meer cultureel hoogstaand lied, geschreven voor viool en stem. Molenaar Miles is een aantrekkelijke en welstellende jongeman, die in Manchester op zoek gaat naar een vrouw. Hij valt op de mooie dochter van de bakker. De kleermaker, de leerlooier, de slager … ze hebben het allemaal al eens geprobeerd, maar de jongedame laat zich het hoofd niet op hol brengen. Ze kan alles krijgen wat ze wil, maar pas wanneer hij met haar danst tussen het meel, weet hij haar liefde te winnen. Dus jongelui, probeer een vrouw niet in te palmen met weelde en rijkdom, maar volg het voorbeeld van de molenaar. Soms doet een vrolijk dansje ook wonderen. Naar alle waarschijnlijkheid is dit lied gebaseerd op de populaire danstune Nutte & Finger, bedoeld voor een gemengd ensemble en rond 1590 neergeschreven door Matte Homes, een muzikant uit Oxford.



Lie Still My Dear

Waarom zou je opstaan? Het is niet het daglicht dat ik nodig heb, maar het licht van je ogen, niet de dageraad maar je hartslag wekt me tot leven. Blijf of mijn vreugde sterft. Ik zou liever sterven dan jou te verlaten.


Dit lied kan eigenlijk model staan voor heel wat ballades en instrumentale stukken uit de Elizabethaanse periode die het thema verlies en verlaten als tragische inspiratie hebben. Het verlaten van de geliefde of geliefden, het schip dat de haven verlaat, het stervensverlies … zoals dit ook aan bod komt in andere pamfletten zoals Loath to depart, Fortune my foe, Sellingers Round …
Dulcina

Vermoedelijk verwijst Dulcina oorspronkelijk naar een Jacobijnse gemaskerde dans. De tekst zou er pas later aan toegevoegd zijn.

Een herder botst toevallig op de mooie en verleidelijke nimf Dulcina, tijdens haar middagdutje. Hij wil naast haar gaan liggen, maar ze weigert zijn gezelschap. Tenminste ze wil niet met hem gezien worden overdag, pas rond middernacht. Hij kan echter zo lang niet wachten en wil nu van de gelegenheid profiteren, in plaats van te wachten op een onzekere, duistere belofte …
Dr Faustus

Een erg bekend verhaal, dat ergens omstreeks 1587 voor het eerst in het Engels werd gepubliceerd als The Judgement of God shewed upon John Faustus, doctor of Divinitie.

Dr Faustus is veroordeeld tot een eeuwig leven in pijn. Hij was van goede afkomst, maar verloochende de Bijbel en koos voor de duivel. Tot twee keer toe verpande hij zijn ziel aan de duivel, waardoor hij zichzelf in de eeuwige verdoemenis joeg, in ruil voor kennis en macht. Door de duivel kreeg hij een onmetelijke kennis, zodat hij iedereen kon verbazen met zijn wijsheid, maar toen zijn tijd gekomen was, kon hij van dit ijdel leven niet scheiden, ten koste van alles. Hij wilde eeuwig van deze roem genieten en was gedoemd zich weer tot de listige duivel te wenden.

Een goede raad dus, blijf trouw aan God en vermijd zo eeuwig leed en verdoemenis.


Have Over The Water

Ook dit lied vertrekt van een oorspronkelijke dansmelodie nl. Sellingers Round. De tekst is afkomstig uit het toneelstuk The History of Horestes van John Pickeryng uit 1567, hoewel ook hier heel wat andere teksten op deze melodie in omloop zijn.

Het lied is een soort dapper strijdlied voor soldaten. Wij laten het rustig bestaan achter ons, om met moed en strijdlust ten oorlog te trekken. Wij zullen zegevieren, onze vijanden verslaan met list en handigheid. En dan met onze dappere kameraden de vruchten van de overwinning plukken en de zoete smaak van de zege proeven.

TEKSTEN

Some verses may be omitted in performance




A merrye new ballad of a

countrye wench and a clown

to the tune of All in a Garden Green
All in a garden greene,

where late I layde me downe

Vppon a banke of camemeyle,

where I sawe vpon a style,

sitting, a countrey Clowne,

howldinge within his armes

a comelye countrey mayde:

courting her with all his skyll,

working her vnto his will,

Thus to her he sayd:-

'Kisse me in kindness,

'sweet hart' quoth he.

'Syr, not for twenty

good pounds,' quoth she.

He sayd 'Saye not soe.

'She sayd 'Let me goe.'

'Staye, sweet hart,' quoth he.

'Fye! how you ruffle me.'

'What a lyfe is this:-

'Lord, how I love thee,

sweet hart,' quoth he.

'But I must hie me

to home' quoth she

'Fye for shame, I saye:

'take your hand awaye.'

'Sweet,' quoth he, 'be styll;

'Though against thy will,

'I must haue a Kysse.

'yf thow will tarrye styll;

'And here I make a vowe to thee

'thow shalt not be toucht, for me,

'more then thy good will.'

'Hands off, for shame!' she sayd,

'In fayth, yow are to blame.

'Yf any body should vs see,

'what a blemish would it be

'to my honest name.'

'Syt but a lyttle, by me,

on this style;

'and I will bringe thee

on thy way a mile.'

There she sate her downe

by this lovely Clowne.

'Sweete!' quoth he,

'Wilt thow wed with me?'

'No! good fayth, not I~'

'Let me but laye

'my hand upon thy knee.'

'Fye!' quoth the bony lasse,

'That may not be.'

'Sweete come kisse me then.'

'Mauydes must kisse no men:

'Fye! for shame I say.'

'yf yow say me nay,

'Then for love I dye.'
'Lord, how yow hurt my hand;

'for god's sake let me goe:

'By my fayth and my troth,

'I did little thinke, forsooth!

'yow would haue servd me so.'

'Graunt me my suite;' quoth he,

'and then I'le let the goe:

'I praye thee, doe me not denye,

'gentle sweeting, but say I!'

Styll she answered 'No!'

'Let me but lay

my hand vpon thy knee.'

'No! let me goe.

'I must be gone,' quoth she.

'If my mother knew

'that I were with yow,

'Woe should be my part.'

'Stay!' quoth he, 'sweet hart!

'she shall never know.'

Then did he carrye her

behynd a tree.

What they did there

is unknown to me;

But I hard her say,

when she caame awaye,

making low curtsye,

'Once again,' quoth she,

'kysse me ere yow goe.'


Then the[y] went hand in hand,

a furlong and more;

Where, as hey parted lovinglye

She put her finger in the eye,

nd did weepe full sore.

Sighing, 'Sweet hart,' whe sayd,

'Since now yow haue me won

'To yeeld and let you haue your will,

'if yow would not love me styll,

'I were quite vndone.'

'Sweete!' then quoth he,

'I pray thee be content.'

'If this be knowne,' quoth she,

'I am sure I shall be shent.'

'Hie thee home,' quoth he,

'for I dow sware to thee

'long it shall not be

'ere I come to thee

'to hear what yow wilt saye.'

Lore, how her colour

went and came for shame.

As other mayds

having done the same.

Though they make a showe,

and say often 'No!'

they will take it, tho

they crye 'fye away!'

Go, silly note [What if a day]
Go, silly note, to the ears of my dear;

Make thyself blest, and in sweetest passions languish.

Lay thee to sleep on the bed of her heart;

Give her delight, though thyself hath nought but anguish.

There where thou art, think on me,

That from thence am banished;

Say that once I had content,

Though that it be vanished.

Yet when time doth run back

And time past doth renew,

She shall cease to be fair,

And I will leave to be true.


What if a day, or a month, or a year,

Crown thy delights with a thousand sweet contentings ?

May not the chance of a night, or an hour,

Cross thee again with as many sad tormentings?

Fortune, honour, beauty, youth,

Are but blossoms dying;

Wanton pleasures, doting love,

Are but shadows flying.

All our joys are but toys,

Idle thoughts deceiving;

None have pow'r of an hour

In their lives bereaving.


Earth's but a point of the world, and a man

Is but a point to the earth's compared center.

Shall then a point in a point be so vain

As to triumph in a silly point's adventure?

All is hazard that we have;

There is nothing biding,

Days of pleasure are but streams

Through fair meadows gliding.

Weal or woe; time doth go,

In time's no returning.

Secret fates guide our states,

Both in mirth and mourning.


What if thy birth, if thy wit, if thy love

Make thee appear to be happy for the highest?

May not a star at thy birth on thee frown?

Vaunt not thyself to be happy till thou diest.

Destiny men may foresee,

But they shun it never.

Mischief, sooner than content,

Doth befall men ever.

Since our life is so rife,

Of ill not prevented,

Happy's he that lives free,

Poor and yet contented.


What if thou chance to become very old,

Which happens to some mortal men assured?

Joys pass away, sad events do abide;

What is an age to eternity compared?

Fear not death thou canst not keep;

Death is a sweet slumber.

Love not life thou canst not keep;

Life is woe and cumber.

Who fears death, and draws breath

Lives like senseless creature,

For at last death will blast

Witless senseless feature.


What if thou chance to become very rich?

Then think upon the getting of thy treasure.

Think but how some men do strive to do ill,

When they do think they do all well out of measure.

Minds puffed up with heaps of gold,

Such is miser's madness;

Gold possessed brings not such joy

As the loss brings sadness.

You shall see rich men be

Sad and almost starved.

Take content what is sent,

Nature soon is served.


Wert thou as wise as the king Solomon,

What will thy wisdom avail thee when thou diest?

What if thy love make thee glad with a smile ?

Ah, silly fool, it is vanity thou spiest.

Silence is a scholar's course,

As ploughman's is digging.

Women love not all they kiss,

For they're always frigging.

Knowledge true tells us so,

Of our bliss bereaved.

Women's smiles are but guiles,

Proved by men deceived.


What should a man then desire in this world,

Seeing there is nothing in the world worth desiring?

Let not a man cast his eyes to the earth,

But to the heav'ns with his thoughts still high aspiring.

Think that living thou must die;

Be assured thy days are told.

Though on earth thou seem to be,

Assure thyself thou art but mold.

All our wealth brings no health,

Till we return from whence we came;

Therefore let we all agree,

Thinking always on the same.
Dido was the Carthage Queen
Dido was the Carthage queen,

And lov'd the Trojan knight,

That wand'ring, many coasts had seen,

And many a dreadful fight.

As they on hunting road, a show'r

Drove them in a loving hour

Down to a darksome cave:

Where Aeneas with his charms

Lock'd Queen Dido in his arms,

And had what he could have.


Dido Hymen's rites forgot,

Her love was wing'd with haste:

Her honour she consider'd not,

But in her breast him plac'd.

And when her love was new begun,

Jove sent down his winged son,

To fright Aeneas' sleep:

Bade him by the break of day

From Queen Dido steal away:

Which made her wail and weep.


Dido wept, but what of this?

The gods would have it so:

Aeneas nothing did amiss,

For he was forc'd to go.

Learn lordlings then no faith to keep

With your loves, but let them weep;

'Tis folly to be true:

Let this story serve your turn,

And let twenty Didos burn,

So you get daily new.



How can the tree
How can the tree but waste and wither away

That hath not sometimes comfort of the sun?

How can the flow'r but fade and soon decay,

That always is with dark clouds overrun?

Is this a life? nay death you may it call,

That feels each pain and knows no joy at all.


What foodless beast can live long in good plight?

Or is it life, where senses there be none?

Or what availeth eyes without their light?

Or else a tongue to him that is alone?

Is this a life? nay death you may it call,

That feels each pain and knows no joy at all.


Whereto serve ears if that there be no sound?

Or such a head, where no device doth grow?

But all of plaints, since sorrow is the ground,

Whereby the heart doth pine in deadly woe.

Is this a life? nay death you may it call,

That feels each pain and knows no joy at all.


A ditty delightfull of Mother Watkins ale
A warning wel wayed though counted a tale
There was a maid this other day,

And she would needs go forth to play;

And as she walked she sighed and said

"I am afraid to die a maid."

With that, behard a lad

What talk this maiden had,

Whereof he was full glad

And did not spare

To say "Fair maid, I pray,

Whither go you to play?"

"Good sir" then she did say,

"What do you care?"

"For I will, without fail,

Maiden, give you Watkins ale."

"Watkins ale, good sir," quoth she,

"What is that, I pray you tell me."


"'Tis sweeter far than sugar fine,

And pleasanter than muskadine;

And if you plewase, fair maid, to stay,

A little while with me to play,

I will give you the same

Watkins ale called by name,

or else I were to blame

In truth, fair maid."

"Good sir," quoth she again,

"If you will take the pain,

I will it not refrain,

Nor be dismayed."

He took this maiden then aside,

And led her where she was not spied

And told her many a pretty tale

And gave her well of Watkins ale.


When he had done to her his will,

They talked, but what it shall not skill:

At last quoth she: "Saving your tale,

Give me some more of Watkins ale,

Or else I will not stay,

For I must needs away,

My mother bad me play -

The time is past;

Therefore, good sir," quoth she,

"If you have done with me..."

"Nay soft, fair maid," quoth he

Again at last,

"Let us talk a little while."

With that the maid began to smile,

And said "Good sir, full well I know

Your ale I see runs very low."


This young man, then, being so blamed,

Did blush as one being ashamed;

He took her by the middle small,

And gave her more of Watkins ale;

And said, "Fair maid, I pray,

When you go forth to play,

Remember what I say,

Walk not alone."

"Good sir," quoth she again,

"I thank you for your pain,

For fear of further stain,

I will be gone."

"Farewell maiden." then quoth he;

"Adieu, good sir." again quoth she.

Thus they parted at last

Till thrice three months were gone and past.


This maiden then fell very sick,

Her maidenhead began to kick.

her colour waxed wan and pale

With taking much od Watkins ale.

I wish all maidens coy

that hear this pretty toy,

Wherein most women joy,

How they do sport!

For surely watkins ale

And if it be not stale

Will turn them to some bale,

As hath report.

New ale will make their bellies bowne

As trial by this fame is known;

This proverb hath been taught in schools -

It is no jesting with edged tools.

Good maids and wives, I pardon crave,

And lack not that which you would have:

To blush it is a woman's grace,

And well becomes a maiden's face;

For women will refuse

The thing that they would choose

'Cause men should them excuse

Of thinking ill;

Cat will after kind,

All winkers are not blind,

Fair maids, you know my mind,

Say what you will.

When you drink ale beware the toast,

For therein lay the danger most.

If any here offended be,

Then blame the author, blame not me.



A pleasant ballad of the Mery Miller's wooing of the Baker's daughter of Manchester
The miller, in his best array,

Would needs a wooinge ride.

To Manchester he takes his way;

Saint Clement be his guide!

He can singe, he can ring,

And doe many a pretty thinge.

He can pipe daunce a downe,

No man better in the towne.

His face is fayre, and curled his hayre.

Miles they this miller call.


In Manchester a baker dwels,

Who had a daughter fayre:

Her beauty passinglye excells;

None may with her compare.

Her he leekes, her he seekes,

And commends her crimson cheeks.

He would pipe her daunce a downe,

Before anye in the towne.

But she is coye, and loveth not to toye,

Beauty makes her disdaine.


Tom tayler trip it verye trim,

With nosegay in his hat.

Giles glover, when he vieweth him,

Thinks nothing well of that;

In his gloves, that he loves,

He like a true lover proves,

Bordring them with bleedinge hearts

Pierced through quite with darts.

Then the tanner swares he'll have him by the eares

That doth this rivall prove.


It happened on a holyedaye

These lusty wooers met;

And every party doth assaye

The baker's gyrle to get.

First began to fayre Anne

The tayler, like a proper man:

"I will make the garments gay,

And daunce with thee each holyday;

In fashions straunge thy clothes I will change."

"No!" poynt, the mayden cryde.


"A tayler shall not be my love;

And glover I'll have none.

With tanners I will never toy,

I love to lye alone.

The bucher shall not be my halfe,

For feare he dresse me like a calfe.

Therefore together get yow gone,

For I will marry ne'er a one.

But I will be a mayden certainlye;

I like to lye alone."


Away these heavy suters wend,

With sorrow in their hearts.

Miles miller learned by a friend

Howe they maye plead their parts.

He is bold, nothing could;

In his purse is store of gold.

He puts on his Munimouth cap;

And, on the door he lovd, doth rap,

Crying "God be heere's!"

At length coms forth his deare,

Bending her pretty browes.
"Fayre mayd," quoth he, "I must intreate

Your companye a while."

With that, he rudly rushed in,

And she began to smile,

Saying: "Staye, friend, I praye

None but I keep house, I saye.

My father and my mother be

Both in garden certainlye."

"The better then for me:

I came to none other but thee,"

Answered the myller playne.
"Here's forty pound in gould, faire mayd;

Use yow yt at your will.

Besyde, before your feet be layde

The miller and his mill.

Your fayre eyes doe surprize,

And bewitch my fantasies."

"Sweete!" quoth he (with that he kist),

"Use the miller as yow list."

The mayde lookt red; and blushing, hung her hed,

Saying: "I cannot love."


"Sweet," sayd the miller, "be not strange,

But blythely looke on me.

Unto my mill I praye you range,

Where we will merrye be.

Lad nor lowne in the towne

Shall better teach you daunce a downe.

While my mill goes click a clacke,

I will set yow on a sacke.

Sweete, goe with me where we will pleasant be."

"Fye!" sayde shee, "howe yow faigne!


I meane to trye your curtesye,

And go unto your mille.

I'll keepe this monye for a pawne

For feare yow use me ill.

In the towne daunce a downe

Is loved of lasse and lowne.

If yow doe teach the same to me,

Your trew love I doe vowe to be."

"Content!" he sayde, "goe with me, gentle maide

Yow shall my cunninge see."

Now are they in the merry mill,

Where Miles the daunce doth play,

And woon the maiden's heart's good will:

Shee could not start awaye.

So he playd that the mayde

To her mother plainely sayde,

"I have learnd to daunce a downe,

The prettyest sport in all this towne.

The miller hee did teach the same to me:

He shall my husbande be."


Thus are the miller and the mayde

A marryed couple now.

The matter nothing was delayd;

Their friends the same allow.

Yow that woo learne to doo

As the miller teacheth yow.

Neither gloves, nor tokens, bringe;

But daunce a downe teach mayds to sing.

Else favour none unto yow will be showne,

Although yow dye for love.



An excelent Ditty called The

Shepheards woing faire Dulcina
to a new tune called Dulcina

As at noon Dulcina rested

In her sweet and shady bower,

Came a shepherd and requested

In her lap to sleep an hour.

But from her look

A wound he took,

So deep that for a further boon

The nymph he prays;

Where to she says:

"Forgo me now, come to me soon".


But in vain she did conjure him

To depart her presence so,

Having a thousand tongues to allure him

And but one to bid him go.

Where lips invite

And eyes delight

And cheeks as fresh as rose in June

Persuade delay,

"What boots", she say,

"Forgo me now, come to me soon".


He demands "What time for pleasure

Can there be more fit than now?"

She says "Night gives love that leisure

Which the day cannot allow".

He says, "The sight improves delight"

Which she denies: "Night's mirky noon

In Venus' plays

Makes bold", she says,

"Forgo me now come to me soon".
But what promise or profession

From his hands could purchase scope?

Who would sell the sweet possession

Of such beauty for a hope?

Or for the sight of lingering night

Forgo the present joys of noon?

Though never so fair

Her speeches were -

"Forgo me now, come to me soon".
How at last agreed these lovers?

She was fair and he was young.

The tongue may never tell what the eye discovers,

Joys unseen are never sung.

Did she consent

Or he relent?

Accepts she night, or grants she noon?

Left her a maid

Or not? she said

"Forgo me now, come to me soon".



The Judgement of God shewed upon

John Faustus Doctor of Divinitie

to the tune of Fortune My Foe
All Christian men, give eare a whyle to me,

how I am plungd in paine, and cannot dye.

I livde a lyfe the lyke did none before,

forsaking CHRIST, and I am damnd therefore.


In Wittenberge, a towne in Germany,

there was I borne and bred, of good degree.

In learninge lore my uncle brought up me,

and made me Doctor of Divinitye;


Then did I shun the holy Bible booke,

nor on God's lawes would never after looke;

But studied cursed, cursed conjuration

which was the cause, the cause of my damnation.


The Devill, in Frier's weed, appeard to me;

and soone to my request consented he.

That I might have all things I would desire,

I gave him soule and body, for his hire.


Twise did I make my tender flesh to bleed;

twise, with my blood, I wrot the Devill a deed:

Twise, wretchedly, both soule and body sould,

to live in pride and do what thing I would.


For fowre and twentye yeares this bond was made,

and at the end my soule was trewlye paide.

The time I spent awaye with much delight

mongst princes, peers, and many a worthy knight.


The Devill caried me up into the skye,

where I did see how all the world did lye.

I went about the earth in eyght dayes' space,

and then returnd unto my native place.


I wrought such wonders, with my magicke skill,

that all the world may talke of Faustus still.

The secrets of the Starres, and Planets, told;

of earth and sea; with wonders manifould.


When fowre and twenty years were almost run,

I thought of all things that were past and doone-

How that the Devill would come and clame his right,

and carry me to everlasting night.


Then - all too late - I curst my wilfull deed,

the griefe whereof did make my hart to bleed:

All dayes, all howrs, all nights, I mornned sore,

repenting me of all things done before.


At last, when I had but an howre to come,

I turnd my glasse for my best hour to run;

And cald in learned men to comfort me -

But faith was gone, and comfort none could bee.


By twelve a clock my glasse was almost out:

my greeved conscience then began to doubt.

I wisht the students stay in chamber by -

but, as they staid, they heard a dolefull cry.


Then, presently, they came into the hall,

whereas my braines were cast against the wall:

Both armes, and leggs, in peices torne did see;

my bowels gone -t hat was the end of me.


Yow Conjurours, and damned wretches all,

example take by this accursed fall.

Give not your soules and bodyes unto hell:

see that the smallest heare yow do not sell:


Have Over The Water to the

tune of Sellenger's Round
Farewell, adieu to courtly life,

To war we intend to go:

It is good sport to see the strife

Of soldiers in a row.

How merrily they forward march

Their enemies to slay:

With pride, and finely turned out too,

Their banners they display.


Now shall we eat the best of treats,

When others want the same:

And soldiers have full many feats

Their enemies to tame.

With muskets here and longbows there

They break their foes array,

And lusty lads, amid the fields,

Their ensigns do display.


The flute and drum play lustily,

The trumpet blasts again:

Adventurous Knights courageously

March out before their men.

With spears erect, so gleaming decked

In armour bright and gay,

With pride, and finely turned out too,

Their banners they display.



Lie still, my dear
Lie still my dear, why dost thou rise?

The light that shines comes from thine eyes.

The day breaks not, it is my heart,

To think that you and I must part.

Oh stay! or else my joyes will dye,

Or perish in their infancy.


'Tis time, 'tis day, what if it be?

Wilt thou therefore arise from me?

Did we lie down because of night?

And shall we rise for fear of light?

No, since in darkness we came hither,

In spighte of light we'll lye together.

Oh let me dye on thy sweet breast,

Far sweeter then the Phoenix nest.





RICHARD THOMPSON
De voorbije vier decennia manifesteerde Richard Thompson zich als een veelgeprezen performer en tekstschrijver. Als songwriter en vernieuwende gitarist staat hij op een uitzonderlijke hoogte en schreef hij een opmerkelijk repertoire bijeen, waarvan anderen alleen kunnen dromen.
Hij werd geboren in West-Londen in de lente van 1949 en groeide op in het na-oorlogse Engeland in een familie met een brede muzikale smaak. Tot zijn vroegste invloeden behoren o.a. Django Reinhardt, Fats Waller, Les Paul, Duke Ellington en Louis Armstrong. Hij balanceerde tussen de jazzcollectie van zijn vader en de vroege rock ’n roll platen van zijn oudere zuster, met voorop Buddy Holly en Jerry Lee Lewis’ ‘Great ball Of Fire’. Meteen wordt de eclectische verscheidenheid van zijn muzikale carrière iets duidelijker.
Volgens het Rolling Stone Magazine behoort hij tot de Top 20 van de beste gitaristen aller tijden. Ondertussen ontving hij ook de Ivor Novello Award for Song-writing, de BBC Lifetime Achievement Award (2006) en de Winnipeg Folk Festival Artistic Achievement Award (2008). Het werk van deze gerenommeerde Britse songwriter en folklegende wordt bewonderd door artiesten zoals o.a. Bonnie Raitt, David Byrne en Elvis Costello, die sommige van zijn liederen op plaat zetten.
In zijn tienerjaren was hij een van de stichtende leden van de Britse folkpioniers Fairport Convention, die een groot deel van de muzikale scène van de jaren zestig beïnvloedde. Vervolgens trad hij jarenlang op als duo met zijn toenmalige echt-genote Linda Thompson en gedurende meer dan twintig jaar werkt hij ook als solo artiest. In die periode realiseerde hij zo’n 40 albums en leverde hij ook de muziek voor de documentaire ‘Grizzly Man’ van cultregisseur Werner Hertzog (2005).
Richard Thompson werd recent nog aangesteld als artistiek directeur van het Southbank Centre Meltdown Festival in Londen, waar hij tijdens de openingsavond ook de Mojo Honore List Les Paul Award 2010 ontving, een ereprijs die wordt uitgereikt door het muziektijdschrift Mojo voor muzieklegenden die de gitaarmuziek op een hoger niveau hebben getild.
Wat drijft deze uitzonderlijke artiest?

Het gebeurt gewoon … het overkomt je eigenlijk. Als je er niet voor openstaat, moet je er misschien gewoon niet aan beginnen. Wanneer ik een paar weken niet heb geschreven, begint het weer te jeuken … ik word onrustig. Ik ben al meer dan 40 jaar onrustig, en dat is prachtig.



Het is eigenlijk fantastisch dat je nog steeds zo enthousiast kunt blijven over wat in feite je beroep is, en dat het al altijd zo geweest is. Soms blik ik terug op mijn carrière met een zeker schuldgevoel, in de zin van: dit is gewoon te leuk.
Het is ook fascinerend de adem van de geschiedenis te voelen uit vroege muziekperiodes, het is zelfs belangrijk om de oorsprong en herkomst te begrijpen van de muziek die we vandaag spelen. Dit is een van de redenen waarom ik de show ‘1000 Years Of Popular Music’ ben gestart. Hierin benader ik muzieknoten vanuit een heel breed referentiekader aan stijlen en tijdperken. Dit is ook waarom het zo aangenaam en boeiend is om projecten op te zetten samen met Phil Pickett. Omdat ik gewoon weet dat zijn kennis onberispelijk is en dat de muziek die we spelen zo nauwkeurig mogelijk zal aansluiten en beantwoorden aan de geest en uitvoering van de tijd waarin ze geschreven werd.

PHILIP PICKETT
Dirigent en artistiek directeur van dit project, Philip Pickett, is de stichter van de wereldvermaarde ensembles New London Consort en Musicians Of The Globe. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste autoriteiten op het vlak van de oude muziek. Ondertussen kende zijn carrière een hoge vlucht en wordt hij geregeld uitgenodigd als gastdirigent door de meest toonaangevende symfonieorkesten en operahuizen over de hele wereld, waar hij zowel klassieke muziek, als het romantisch- en barokrepertoire deskundig onder handen neemt.
Philip Pickett begon zijn muzikale carrière als trompetspeler, vooraleer hij een van de meest toonaangevende blokfluitspelers van Groot-Brittannië werd. Hij speelde met en maakte opnames voor o.a. The Academy of St Martin-in-the-fields, the Polish Chamber Orchestra, the English Chamber Orchestra, de London Mozart Players en The English Concert.
Hij werkte als dirigent voor o.a. the Hong Kong Philharmonic Orchestra, the Macau Orchestra, het Rotterdam Filharmonie Orkest, het Nederlands Radio Filharmonisch Kamerorkest, het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen, Orquesta Sinfonica de Navarra, Orquesta de Granada, Boston’s Haydn and Handel Society, the Norwegian Chamber Orchestra, Trondheim Symphony Orchestra en the Copenhagen Philharmonic Orchestra. In maart 2009 dirigieerde Philip Pickett een nieuwe productie van Mozarts Don Giovanni voor de Nationale Opera van Mexico. In de nabije toekomst wachten hem als dirigent ook nog nieuwe opdrachten bij o.a. the Porto Symphony Orchestra, Orchestre de Picardie, Orchestre d’Auvergne en een tweede samenwerking met Orquesta de Granada.
Als vaste muzikant van The SouthBank London van 1996 tot 2005 traden Philip Pickett en the New London Consort op in de meest prestigieuze concerttempels over de hele wereld zoals o.a. het Concertgebouw Amsterdam, Lingotto Turijn, Palau de la Musica Barcelona, Royal Festival Hall London en het Lincoln Center. In november 2003 dirigeerde Philip Pickett de New London Consort tijdens zijn algemeen geprezen versie van Monteverdi’s L’Orfeo in de SouthBank, in een productie van Jonathan Miller. Met deze productie ging hij ook op tournee langs alle grote muziekfestivals in Engeland, Noorwegen, China en Frankrijk. Met een wereldwijde tournee in 2007 vierde het ensemble ook de 400ste verjaardag van de eerste uitvoering van Orfeo. In 2011 gaan Philip Pickett en de New London Consort op wereldtour met een nogal controversiële versie van The Fairy Queen van Purcell in een regie van de getalenteerde Mexicaanse regisseur Mauricio Garcia Lozano.

Philip Pickett en de New London Condort hebben al meer dan 15 jaar een exclusiviteitcontract met platenfirma Decca, voor wie zij al meer dan 40 cd’s opnamen, waaronder Monteverdi’s L’Orfeo naast o.a. 1610 Vespers, de Brandenbrugse Concerten, Telemanns Water Music, Gloria van Vivaldi …


Naast tournees met muziek voor Britse theaterstukken zetten Philip Pickett en de Musicians of the Globe ook verschillende van deze werken op cd voor het label Philips Classics, zoals o.a. Timon of Athens van Purcell, stukken uit Dido & Aeneas en The Fairy Queen en Bishops Music van Henry Rowley uit 1820, op basis van teksten van Shakespeare zoals die toen werden opgevoerd in Covent Garden.
De samenwerking tussen Richard Thompson en Philip Pickett is niet uitzonderlijk. Philip Pickett speelde reeds op verschillende albums van Richard Thompson als gastmuzikant. Enkele jaren geleden werkte hij onder impuls van producer Joe Boyd samen met Richard Thompson aan een eclectische en alom geprezen opname van dansmuziek uit de renaissance onder de titel ‘Bones if all men’.
De voorbije 40 jaar specialiseerde Philip Picket zich ook in onderzoek, noteren, bewerken, dirigeren, spelen en opnemen van een breed religieus geïnspireerd repertoire binnen de klassieke muziek: van de middeleeuwse Carmina Burana, tot Praetorius, Monteverdi, Bach, Haydn, Mozart, Beethoven, naar Brahms en Sjostakovitsj, tot Pärt en Taverner.
Vreemd zijn dan ook zijn randprojecten binnen folk, pop, rock, theater, film en bigband. Hij sluit geen enkele muziekstijl uit, houdt van het studiowerk, maar ook van de uitdaging andere sporen te ontdekken en nieuwe te verkennen. Bovendien heeft hij een grote interesse in de samenwerking met andere muzikanten en componisten die in de rand van of zelfs helemaal buiten de gevestigde klassieke mainstream werken. In 1970 was hij zelfs even lid van de Albion Band en tot op vandaag blijft de wereld van de folkrock hem aantrekken, zeker wanneer Richard Thompson, Ashley Hutchings of Fairport Convention in de samenzwering zitten.
Tussen 1996-2003 was Philip Pickett ook directeur van het Early Music Festival van SouthBank. In 1995 werd hij aangesteld als directeur van de afdeling oude muziek bij Shakespeares Globe Theater in Londen en in de lente van 2010 werden Philip Pickett en zijn ensembles aangetrokken door Bridgewater Hall in Manchester als vaste gastmuzikanten.

MUSICIANS OF THE GLOBE
In 1993 kreeg Philip Pickett de vraag van wijlen Sam Wanamaker van The Globe Theatre in Londen om een muziekensemble op te richten om de naam en faam van het Globe Theatre van Shakespeare uit te dragen over de wereld via concerten, opnames en optredens voor televisie en radio.
Vastberaden om dit ensemble uit te bouwen volgens de hoogst mogelijke normen van muzikale utvoering en interpretatie, rekruteerde Philip Pickett van meetaf aan de beste specialisten op het vlak van de oude muziek in Groot-Brittannië. Samen met enkele uitmuntende vocale solisten, exploreerden The Musicians of the Globe een kleurrijk en uitgebreid repertoire aan muziek uit de Elizabethaanse en Jacobijnse periodes, waarvan het meeste werk geïnspireerd werd door William Shakespeare.
Na hun debuut in de Purcell Room kregen de Musicians of the Globe in 1995 een uitnodiging van BBC Radio 3 voor de de reeks middagconcerten in de Purcell Room. Vervolgens ging het snel, met concerten in Sevilla, Aldeburgh en het South-Bank Centre Early Music Festival. In juni 1997 startten zij met een reeks zomerconcerten in The Globe Theatre en verschillende muzikanten van het ensemble verleenden ondertussen ook hun medewerking aan de voorstelling van Henry V in een regie van Richard Olivier. Enkele hoogtepunten waren in die periode o.a. de muzikale omlijsting van de theateropvoeringen van Venus & Adonis in The Globe Theatre, A Restoration Tempest voor The City Of London Festival en concerten in België, Italië, Sicilië, voor de BBC Proms, de Queen Elizabeth Hall, de Accademia Filarmonica in Rome en de Palau de la Música in Barcelona.
Recent waren zij ook te gast in Zuid-Amerika en Hongarije, ondernamen zij twee tournees in Japan, debuteerden ook in het Concertgebouw Amsterdam en Cité de la Musique in Parijs. Hun palmares vermeldt verder optredens in heel Engeland, maar ook in de rest van Europa, o.a. Antwerpen, Turijn, Ravenna, Sienna, Utrecht, Praag …
In juni 2008 werden zij uitgenodigd op het Singapore Arts festival om deel te nemen aan het project Awakening samen met the Singapore Chinese Orchestra en the Northern Kunqu Opera Theatre. Een jaar later, in juni 2009, nodigde niemand minder dan Marianne Faithfull hen uit voor een soort carte blanche programma in Cité de la Musique in Parijs.
The Musicians Of The Globe namen inmiddels 7 cd’s op voor het label Philips Classics, met Shakespeare’s Music over Purcells Fairy Queen tot Bishop’s Music van Henry Rowley en Shakespeare Ode van Linley. Voor hun eerste cd ontvingen zij in de Verenigde Staten een nominatie voor de Grammy Award van Best Small Ensemble Performance. Sinds de lente van 2010 zijn de Musicians Of The Globe ook het vaste gastorkest van Bridgewater Hall in Manchester.

  • WETENSWAARDIG All In A Garden Green
  • Dido Was The Carthage Queen
  • A Cautionary Tale Of Mother Watkins Ale
  • The Wooing of the Baker’s Daughter
  • TEKSTEN
  • Go, silly note [What if a day]
  • A ditty delightfull of Mother Watkins ale A warning wel wayed though counted a tale
  • A pleasant ballad of the Mery Millers wooing of the Bakers daughter of Manchester
  • An excelent Ditty called The Shepheards woing faire Dulcina to a new tune called Dulcina
  • The Judgement of God shewed upon John Faustus Doctor of Divinitie to the tune of Fortune My Foe
  • Have Over The Water to the tune of Sellengers Round

  • Dovnload 166.71 Kb.