Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Myocardperfusie (pag. 4-5)

Dovnload 41.51 Kb.

Myocardperfusie (pag. 4-5)



Datum14.09.2018
Grootte41.51 Kb.

Dovnload 41.51 Kb.

  1. Myocardperfusie (pag. 4-5)



IV toediening van perfusietracers: 201Tl (Thallium) of 99mTc (Technetium).

Werkingsprincipe:



  • Rust: daling opname tracer bij 85% stenose.

  • Stress: daling opname reeds bij 50% stenose, dit is dan ook de drempel om te kiezen voor een conservatieve of invasieve behandeling.

Methoden om perfusie te verhogen:

  1. Inspanning: bijvoorbeeld fietsproef, verhoogd O2 vraag.

  2. Dobutamine: directe stimulatie β1 receptor (OS).

  3. Dipyridamole/adenosine: maximale arteriolaire dilatatie, aangetast bloedvat zal matig dilateren.

Fietsproef (monitoring BD, pols, ECG) wordt verkozen boven medicamenteuze tests omwille van:

  1. Optreden eventuele verandering in ECG.

  2. Fysiologische en prognostische gegevens.

  3. Simulatie dagelijkse bezigheden.

  4. Evaluatie ernst van stenose.

Betrouwbaarheid fietsproef:

  • Maximale fietsproef met ECG

    • Sensitiviteit en specificiteit van 70%

  • Fietsproef i.c.m. isotopen

    • Sensitiviteit en specificiteit van 90%

Cave: 30-40% van de patiënten kan slechts submaximale prestatie leveren omwille van bv. perifere vasculaire afwijkingen, orthopedische aandoeningen, longafwijkingen. Hierdoor daalt de gevoeligheid van de fietsproef fel. Bij deze patiënten is een medicamenteuze stresstest aangewezen.

Extra:


Eisen perfusietracer:

  • Kleine t½

  • Straling compatibel met gammacamera

  • Goede beschikbaarheid

  • Goedkoop

  • Opname tracer evenredig met doorbloeding zonder invloed van het metabolisme



  1. Diagnose longembolen (pag. 10-11)

Gecombineerde ventilatie-perfusiescan (V/Q scan) aangewezen:

  • Zoek naar aanwezigheid perfusiedefecten op perfusiescan: hoge gevoeligheid maar lage specificiteit.

    • Kenmerken:

      • Grootte

      • Configuratie (segmentair/subsegmentair/niet-segmentair)

      • Aantal: longembolen zijn meestal multipel en bilateraal.

  • De specificiteit wordt verhoogd door de gelijktijdige ventilatiescan:

    • Longembolen gaan gepaard met mismatch: namelijk perfusiedefect met normale ventilatie.

  • Altijd i.c.m. recente RX-thorax (<24u).

Probabiliteit longembolen V/Q scan i.c.m. RX-thorax:

  • Lage probabiliteit:

  1. Niet-segmentaire perfusiedefecten.

  2. Één enkele matige mismatch.

  3. Een perfusiedefect dat duidelijk groter is op RX.

  4. Grote/matige match perfusiedefecten.

  5. Kleine segmentaire perfusiedefecten.

  • Hoge probabiliteit:

  1. Twee grote mismatch segmentaire perfusiedefecten.

  2. Één grote, twee matige mismatch segmentaire perfusiedefecten.

  3. Vier matige mismatch segmentaire perfusiedefecten.

V/Q scans moet men altijd interpreteren i.c.m. klinische gegevens.

Perfusiedefecten kunnen lang aanwezig zijn: normaal 50% afname na twee weken en een 75% afname na drie maanden. Een controle is dus aangewezen na 1-3 maanden om eventuele nieuwe embolen tijdig te kunnen opsporen.

Valse V/Q scan bij:

Bronchus carcinoma’s, mediastinale massa’s, postradiotherapie, longvasculitis, tuberculosis. Vetembolen zorgen voor relatief kleine perfusiedefecten.



  1. Onderscheid hibernerend myocard en een infarct (pag. 7-8)

Hibernerend myocard ontstaat door chronische ischemie (of recidiverende acute ischemie). Hierdoor gaat een deel van het myocard in hibernatie:

  • Verdwijnen van contractiele proteinen:

    • Regionale akinesie (dyskinesie).

    • Eventueel hartfalen.

Het onderscheid tussen hibernerend myocard en een infarct is zeer moeilijk met conventionele onderzoeken.

Differentieel diagnose is zeer belangrijk want:



  • Revascularisatie kan akinesie geheel of gedeeltelijk doen verdwijnen na enkele weken/maanden (i.t.t. infarct).

  • Ischemische medicatie veroorzaakt ritmestoornissen bij een ‘gezond’ hart.

Gouden standaard: PET-scan, met PET-scan (met 18F-FDG) is het mogelijk om het glucoseverbruik (mg/min/100g weefsel) te bepalen. Wanneer men dit doet i.c.m. een meting van de hartperfusie kan het functioneel herstel na revascularisatie voorspeld worden.

Werkingsprincipe:

Normaal myocard haalt haar energie voor ⅔ uit vetzuren. Hibernerend myocard verkiest glucose, hierdoor stijgt de FDG opname.

Resultaten:

Daling perfusie + daling glucoseverbruik: MATCH, necrotisch hartweefsel. Geen revascularisatie en recuperatie mogelijk.

Daling perfusie + stijging glucoseverbruik: MISMATCH, hibernerend myocard.



Dringend invasief herstel van perfusie vereist!

  1. Radionuclidentherapie bij kwaadaardige schildklieraandoeningen, wanneer en hoe (pag. 29-30).

Indicaties:

  • Hyperthyreoïdie: Graves/toxisch adenoom.

  • Hypothyreoïdie: multinodulair non toxisch struma.

131I-therapie: dosis van 150-1000 MBq.

Poliklinische of klinische behandeling afhankelijk van de dosis: nationale wetgeving straling, patiënt voor kortdurende verpleging opnemen tot straling is gedaald.

Behandelingsprocedure:


  1. 2-3 maanden geen jodiumhoudende middelen.

  2. Staking schildkliermedicatie: wel thyreostatica 2-3d en thyreomimetica minimaal 2w.

  3. Bepaling van fT4- en TSH-gehalte.

  4. Jodium-uptake meting.

  5. Bepaling grootte schildklier.

Effect van behandeling binnen 3-6 maanden, eventueel herhaling van therapie na 6 maanden.

Bijwerkingen (gaan spontaan over):



  • Thyreoïditis

  • Sialo-adenitis

  • Gastritis

Lange termijn behandeling kan leiden tot hypothyreoïdie, in het eerste jaar is kans 7-25%, daarna neemt de kans met 2-4% toe per jaar.

Nazorg:


  • Advies geven tot polydipsie.

  • Afstand houden t.o.v. anderen (vanwege de straling).

  • Vrouwen: eerste 6 maanden niet zwanger. Mannen: eerste zes maanden geen kinderen verwekken.

131I-therapie voor schildkliercarcinoom:

Na totale of subtotale thyreoïdectomie wegens papillair of folliculair schildkliercarcinoom worden doses 131I (enkele GBq) toegediend als zogenaamde ablatiedosis. Doel: resterend schildklierweefsel uit te schakelen en eventuele metastasen te kunnen opsporen en behandelen.

Postoperatief: geen schildkliermedicatie voor 4-5 weken, wachten tot schildklierhormoon voldoende gedaald is en het TSH-gehalte is gestegen alvorens de 131I toe te dienen. Na ablatie schildklierhormoonmedicatie om schildklierhormoon gebrek te compenseren en de TSH-productie te onderdrukken.

5. Mogelijke metingen nier (pag. 40-42)

Radiofarmaca:



  1. 51Cr-EDTA en 99mTc-DTPA: worden zuiver glomerulair gefiltreerd (GFR).

  2. 99mTc-DMSA: IV toediening:

    • 50% vastgehouden in tubuluscellen.

    • 20% na enkele uren in de urine.

Functioneel nierweefsel gedetailleerd in kaart: links-rechts verhouding, lokale defecten of beschadigingen aan parenchym zichtbaar.

  1. 99mTc-L-EC: meting tubulaire secretie.

Statisch nieronderzoek:

IV 99mTc-DMSA: statische beelden tot 4-6u later, vergelijken opname nieren, normaal 25-30% per nier, controle of parenchym intact is.

Klinisch van belang voor de diagnose van acute/chronische pyelonefritis.

Dynamisch nieronderzoek:

IV 99mTc-DMSA:


  • Direct 30-tal beelden van 2 seconden perfusiefase maken.

  • Beelden van 60 seconden tijdens parenchymfase.

  • Met behulp van ROI: tijd-activiteitcurve/renogram.



  1. Perfusiefase: IV bolus beweegt richting nier.

  2. Parenchymfase: gelijkmatiger, lager en dalend aanbod bolus, tijd-activiteitcurve zal minder steil gaan stijgen.

  3. Excretiefase: na ongeveer 3 minuten: excretie eerst opgenomen deel. Curve zal beginnen te dalen.

Informatie af te lezen in renogram:

  • Grootte en ligging van de nieren

  • Nierfunctie: visueel/kwantitatief

  • Relatieve nierfunctie

  • Afvloei urine naar blaas

  • Functionele nierarteriestenosen

  • Functiestoornissen transplant: vasculaire problemen, urinelekkage, obstructie.

Afwijkingen herkennen op renogram:

  1. Nierfunctie daalt: stijgende fase (1-2) duurt langer en de curve begint later te dalen (3).

  2. Urinewegobstructie: onvoldoende/geen daling curve in fase 3. Eerst mogelijke oorzaak 1 controleren vervolgens mogelijke oorzaak 2:

  1. Functionele oorzaak: furosemide zorgt voor verhoogde urineproductie, bij een functionele stenose zal het renogram dalen.

  2. Anatomische obstructie: diurese nefrogram na chirurgische ingreep om het succes van de ingreep te evalueren.

Extra:

Renografie na niertransplantatie:

Niertransplant in fossa aliaca (anterieur) vlak onder de huid, dus opnames moeten anterieur worden gemaakt. Onderzoek met 100 MBq IV 99mTc-MAG3 of IV 99mTc-EC.

Mogelijke urologische complicaties:



  • Partiele/totale afsluiting nierarterie op plaats van anastomose (inhechting).

  • Lekkage van de ureter door necrose/naaldlekkage op de reimplantatieplaats van de blaas.

  • Obstructie van de ureter.

Nefrologische complicaties:

  • Acute tubulusnecrose (ATN):

  • O2 tekort nier voorafgaand aan transplantatie. Renogram vertoont een normale perfusiefase en parenchymfase maar de excretie fase ontbreekt, geen uitscheiding tracer.

  • Rejectie/afstoting:

Immunologische reactie. Toedienen van immunoseppressiva. Het renogram zal een verstoring tonen van alle drie de fases.

Meting GFR in vitro:

IV 51Cr-EDTA: vier bloedstalen, meting verdwijnen tracer uit het bloed.

Bloedstaal 1, 1u postinjectie; 2, 2u postinjectie; 3, 3u postinjectie; 4, 4u postinjectie.

GFR berekenen met deze gegevens, geen beeldvorming mogelijk met deze tracer (niet de juiste straling).

6. Vergelijking stralingsdosis van nucleaire met radiologie (pag. 46)

Dosis: conventioneel of PET onderzoek: 1-10 mSv.

Dezelfde ordegrootte bij radiologische onderzoeken (alleen 67Gallium geeft meer straling maar wordt zelden gebruikt).

Referentiekader: omgevingsstraling is 2-3 mSv; 86% van de globale stralingsbelasting van de bevolking.

Risico: 10 mSv (straling van twee scans) zorgt voor een verkorting van het leven van twee dagen.

ALARA principe: medisch nut afwegen tegen nadelig effect van de straling.



7. Welke beschermingsmaatregelen bij medisch personeel (pag. 46)

Belangrijkste factoren:



  1. Afstand tot bestralingsbron.

  2. Duur van de bestraling.

  3. Afscherming tegen de straling en grootte van de dosis (cfr. ALARA).

Tevens maatregelen tegen inwendige besmetting door huidcontact, inhalatie of ingestie.

8. Algemene principes nucleaire geneeskunde (pag. 2)

Tracer principe:



  • Met kleine hoeveelheden tracers de functie van organen meten in normale en pathologische omstandigheden en voor bepaalde indicaties ‘metabole therapieen’ instellen.

  • Om de stoffen te kunnen detecteren zijn deze voorzien van een radioactief label.

  • Aanpassing radiofarmaca aan welke fysiologische functie men wilt meten. Cave: 100% specifieke opname in een orgaan is onmogelijk: uitscheiding via nier/GI.

Ziekteprocessen: beginnen op genetisch-moleculair-cellulair niveau alvorens er anatomische veranderingen optreden.

Klassieke beeldvorming: conventionele radiologie, CT, NMR, echo. Anatomische weergave organen.

Nucleaire beeldvorming: Functionele weergave organen.

9. Sentinel node scintography (pag. 38)

Sentinel node: eerste drainerende lymfeknop in de buurt van een tumor.

Principe:

Als SN geen tumorcellen bevat, dan zullen de volgende nodi ook niet aangetast zijn en is het regionaal lymfeklierstelsel ziektevrij. Het chirurgisch verwijderen lymfeklierstelsel is dan overbodig.

Dus eerst moet men de SN opsporen en deze vervolgens anatomo-pathologisch onderzoeken.

Opsporen SN:



  1. Peritumorale injectie van radioactief colloid.

  2. Tracer volgt lymferoutes en zal in de SN door fagocytose van de macrofagen opgenomen worden. De SN wordt en blijft radioactief.

  3. Met behulp van een gamma-probe kan de chirurg de SN peroperatief verwijderen voor histologisch onderzoek.

In 90% van de gevallen vindt men de SN.

Vals negatieve resultaten:



  • Multifocale tumoren.

  • Peritumorale invasie van de lymfewegen (geen lymfetransport).

  • Minder klassieke uitzaaiingswegen.

Enkele dagen ook een muur doorgedreven immunohistochemisch onderzoek. Als dit onderzoek positief is moet een heringreep worden gepland.

10. Rol van PET bij longtumoren (pag. 36-37)

Tumor veroorzaakt verhoogd glucosegebruik lokaal. Men dient gemerkt glucose in de vorm van 18F-FDG IV toe, deze zal B-straling uitstralen. Met de PET-scan detecteert men deze B-straling: positron + elektron = 511 KeV 2x.



Diagnose longtumoren:

Differentiele diagnose bij ‘coin lesions’ of single pulmonary nodes (SPN) berust op de anamnese (leeftijd, rookgedrag) en het radiologisch onderzoek. Op basis van FDG PET kan men de SUV (standard uptake value) bepalen in verhouding met gemiddelde opname in het lichaam. Men gebruikt een SUV van 2,5 als cut-off voor goed of kwaadaardig. Deze test is 94% sensitief en 82% specifiek.



PET en stadiering longtumoren:

Primair letsel T, Lymfeklieruitzaaiingen N, uitzaaiing op afstand M. Indeling van longtumoren in stadia: I, II, IIIa/IIIb. I en II volledig behandelbaar door chirurgie, IIIa soms chirurgisch behandelbaar na chemotherapie. Op basis van de Naruka map die schematisch alle pulmonaire en mediastinale lymfeklieren weergeeft, werd een vergelijking gemaakt tussen de FDG uptake op een PET-scan en de anatomo-pathologie van de klieren die tijdens een heelkundige ingreep werden verwijderd. Tijdens een interne studie werd vervolgens de stadiering met PET of CT vergeleken met de ‘outcome’ van de patienten, dewelke als gouden standaard werden gebruikt. Conclusie: PET en CT combinatie zorgt voor resultaten met een hogere sensitiviteit.`



PET en therapie evaluatie van longtumoren:

PET kan beter evalueren dan CT omdat de activiteit van de tumor belangrijker is dan de grootte van de tumor. Stel dat de CT een verkleining vertoont maar dat er op de PET nog altijd een verhoogde activiteit is. Dit zou betekenen dat de therapie niet succesvol is.



11. Nucleaire geneeskunde bij dementie en bewegingsstoornissen (pag. 32-34)

Tracerprincipe toegepast in de hersenen, volgende metingen mogelijk: perfusie, metabolisme en specifieke functionele delen van de hersenen. Perfusie en metabolisme zijn in normale omstandigheden gekoppeld.



Hersenperfusie: SPECT met lipofiele radiofarmaca. Deze lipofiele radiofarmaca gaan zeer snel (na één passage al weinig over in de veneuze retour) door de BHB en worden gefixeerd in de hersencellen. Gebruikte tracers: 99mTc-ECD of 99mTc-HmPAO. Normale resultaten: homogene activiteitsopname in cortex, witte stof minder opname, liquour fotonarm, basale kernen hogere opname.

Metabolisme: 18F-FDG i.c.m. PET (20-40 min.): gemiddelde opname meten ipv momentopname bij SPECT.

Neurotransmissiesystemen tracers: amines, aminozuren en neuroactieve peptide. Zijn allen zeer specifieke en gevoelige tracers en kunnen hierdoor ideaal voor onderzoek worden gebruikt.

Dementie:

Alzheimer disease (AD): 60-70%

Meest voorkomend patroon: bilateraal, ongeveer symmetrische, temperoparietaal defect dat in meer gevorderde gevallen uitbreidt naar de frontale cortex. Graad van de defecten correleert met aantasting cognitieve functie. Diagnose met FGD-PET geeft bij deze patiënten betere resultaten dan perfusie SPECT metingen.



Lewy body dementia: 10-25%

Gelijkende temperoparietale afwijkende als AD. Tevens hypometabolisme ten hoogte van de occipitale streek. Diagnose met behulp van FDG-PET.

Cave: onderscheid dementie en depressie met behulp van PET en SPECT onderzoek.

Bewegingsstoornissen: Parkinson: Aantasting van de dopaminerge neuronen in basale ganglia.

123I B-CIT en FP-CIT (cocaine analogen): transportmechanisme visualiseren aan het axonale uiteinde van het nigrostriatale neuron. Degeneratie van deze vezel (zoals bij Parkinson) zorgt voor verminderde stapeling van 123I in de basale kernen. Dit defect is vroeg aantoonbaar!

SPECT tracer IBZM (123I gemerkte benzamide) en PET tracer 11C-raclopride: meest gebruikte dopaminereceptor subtype D2 tracers.

DAT-scan: dopamine transport beeldvorming: 95% accuraatheid, onderzoek vereist bij niet neurodegeneratieve Parkinson.

Neuroprotectieve medicatie zo vroeg mogelijk opstarten!

12. Basisprincipes tracers oncologie (pag. 36)

Weergave mogelijk van: perfusie, metabolisme, receptoren, hypoxie, angiogenese, necrose, celproliferatie.

Metabolisme: FDG-PET

Tumoren vertonen een stijging van het glucoseverbruik: toename aantal membraneuze glucose transporters en stijging hexokinase activiteit. 18F-FDG (fluorodeoxyglucose) wordt opgenomen door de cel, omgezet door hexokinase in FDG-6-P en blijft in de cel.

Nuchtere patient; FDG IV; 60 min. opstapelen; ledigen blaas; PET-scan. Normaal fysiologische verhoging in hersenen en blaas. Discrete verhoging ten hoogte van nieren, longen en skelet.

Het is ook mogelijk het glucoseverbruik te meten in aantal mg/min/100g weefsel. Maken van dynamische sequentie beelden: berekenen van inputfunctie en opstapelingsfunctie. Dit wordt enkel gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek.

Tegenwoordig PET-CT scanners in opkomst: visueel en metabole weergave combineren.

13. Indicatie scans en methoden bij goedaardige schildklieraandoeningen (pag. 26-29)

Indicaties:

Thyreotoxicose: overmaat aan schildklierhormoon in de perifere weefsels.


  1. meest voorkomend: toegenomen productie (hyperthyreoidie).

  2. minder vaak: destructie schildklierweefsel (hormoon komt vrij in bloedbaan).

In 90% van de gevallen is de oorzaak: ziekte van Graves of een toxisch multinodulair struma. In gebieden met hoge jodiumopname (USA) is er een lage prevalentie van een toxisch multinodulair struma en hetzelfde geldt omgekeerd.

Symptomen:

- Vermagering bij goede eetlust

- Gejaagdheid

- Kortademigheid (mindere mate)

- Spierzwakte (mindere mate)

- Huid: zacht, warm, vochtig

- Gespreide vingers: fijne tremor

- Snellere hartfrequentie, oudere mensen kunnen boezemfibrillatie vertonen met soms hartfalen.

Graves: multifactorieel bepaalde auto-immuunaandoening gericht tegen de TSH-receptor. Aangetaste organen:

- Schildklier

- Inhoud orbita (exoftalmie)

- Huid

- Zeldzaam: skelet



Diagnose met behulp van kliniek, labo en bepaling van de schildklierstimulerende antilichamen.

Toxisch multinodulair struma (ziekte van Plummer):

Vooral bij >50 jr grote prevalentie. Langzame evolutie van kleine non toxische nodus naar grote palpabele toxische nodus. Verband tussen autonome functie van de nodus en de functie van het overige schildklierweefsel: een actievere autonome nodus (warm op scintigrafie) zorgt voor minder actief schildklierweefsel (koud op scintigrafie). Controle: toedienen T3, I-opname in nodus monitoren, wanneer er geen afname van de I-opname plaatsvindt betekent dit dat de nodus autonoom is.

NOG NIET COMPLEET, zie cursus



14. Indicaties myocardperfusie scintigrafie (pag. 7)

Indicaties:



  • Patiënten met een ischemisch rust ECG. Onmiddelijke katherisatie.

  • Patiënten met typische anamnese en niet ischemische rust ECG worden onderworpen aan fietsproef: kliniek en ECG positief: coronarografie; discordantie kliniek en ECG: persantine MPI; kliniek en ECG negatief: persantine MPI; ECG moeilijk interpreteerbaar: persantine MPI; fietsproef niet mogelijk of te beperkt: persantine MPI.

  • Atypische anamnese en niet ischemische ECG: fietsproef. Kliniek en ECG negatief: hoog risico: persantine MPI; laag risico: follow up.

  • Detectie residuele ischemie na myocard infarct: persantine MPI.

  • Functionele impact van gekende coronaire arterie: persantine MPI.

15. Principes en methoden skeletscintigrafie (pag. 12-14)

Principe: toedienen IV 99mTc-fosfaatcomplex:



  • 20-30% gebonden aan serumeiwitten, vrije en gebonden deel hydrolyseren niet tijdens het transport.

  • 40% wordt na 4u keihard uitgepist.

Vrije fractie passeert de vaatwand, stapelt zich EC op en komt in contact met botoppervlakte. Hier zal het complex dissocieren. Het fosfonaat adsorbeert aan het jonge hydroxyapatiet. 99mTc bindt of aan het hydroxyapatief of aan collageenvezels. Fosfonaat is dus de transporter van 99mTc. 99mTc bindt vooral aan jong hydroxyapatiet dus vooral op plaatsen met veel osteoblastactiviteit.

Beoordeling skeletscintigram:



  • Verdeling radioactiviteit in het skelet.

  • Zeer gevoelig maar helaas ook zeer aspecifiek, weergeeft tevens: oude fracturen, spondylose etc. Combineren met kliniek, labo en RX; aspecificiteit hiermee wegwerken.

In geval van ziekte:

Ontstaan van reactief bot door overactieve osteoblasten, verhoging 99mTc opname.

Stadia:


  1. RX negatief, scintigram positief BEGIN

  2. RX positief, scintigram positief 30-50% van ziekte

  3. RX sclerotische verdikking, scintigram HERSTEL

Scintigram weergeeft de vroege, cellulaire reactie van het skelet op een proces.

Methodologisch:

Statisch skeletonderzoek:

400 MBq IV 99mTc-difosfonaat, bij ouderen 800 MBq (minder osteoblastactiviteit). 2u na toedienen skeletscintigrafie. Goede hydratatie patient is vereist, voor de scintigrafie zou de patient moeten plassen, anders moet de blaas afgedekt worden met lood.

Drie fasen botscan:

IV injectie terwijl de patient onder de gammacamera ligt. Passage radiofarmacon in plaats van interesse bestuderen.



  1. Perfusiefase: direct na injectie 2 min. lang 2-5 sec./opname.

  2. Bloodpool-/wekedelenfase: 2-6 min. postinjectie gedurende 2 min. opnames. Controle of er verhoogde diffusie van circulatie naar interstitieel ruimte plaatsvindt.

  3. Statisch botscintigram: 2-4u later.

Soms 8-24u postinjectie nogmaals een statisch botscintigram, controleren of er een afname van radiofarmacon is in de niet zieke gebieden en behoudt in het aangetaste gebied.

SPECT:


Mogelijk afwijkingen af te beelden met minder storing van omringende activiteit (ten opzichte van scintigrafie). Er vindt een toename van contrast plaats bij verschil in hoge of lage activiteit. Dit is vooral van belang bij ‘koude’ letsels die omgeven worden door een grote massa normaal weefsel.

SPECT-CT:

Met lagere dosis CT een betere lokalisatie van de letsels. Dit geldt zowel voor het axiale skelet als voor opnames van de extremiteiten. Er is tevens mogelijkheid om de hoeveelheid straling te corrigeren.

16. Radionuclidentherapie bij goedaardige schildklieraandoeningen, wanneer en hoe (pag. 29-30).

Indicaties:



  • Hyperthyreoïdie: Graves/toxisch adenoom.

  • Hypothyreoïdie: multinodulair non toxisch struma.

131I-therapie: dosis van 150-1000 MBq.

Poliklinische of klinische behandeling afhankelijk van de dosis: nationale wetgeving straling, patiënt voor kortdurende verpleging opnemen tot straling is gedaald.

Behandelingsprocedure:


  1. 2-3 maanden geen jodiumhoudende middelen.

  2. Staking schildkliermedicatie: wel thyreostatica 2-3d en thyreomimetica minimaal 2w.

  3. Bepaling van fT4- en TSH-gehalte.

  4. Jodium-uptake meting.

  5. Bepaling grootte schildklier.

Effect van behandeling binnen 3-6 maanden, eventueel herhaling van therapie na 6 maanden.

Bijwerkingen (gaan spontaan over):



  • Thyreoïditis

  • Sialo-adenitis

  • Gastritis

Lange termijn behandeling kan leiden tot hypothyreoïdie, in het eerste jaar is kans 7-25%, daarna neemt de kans met 2-4% toe per jaar.

Nazorg:


  • Advies geven tot polydipsie.

  • Afstand houden t.o.v. anderen (vanwege de straling).

  • Vrouwen: eerste 6 maanden niet zwanger. Mannen: eerste zes maanden geen kinderen verwekken.

  • Diagnose longembolen (pag. 10-11)
  • Onderscheid hibernerend myocard en een infarct (pag. 7-8)
  • Radionuclidentherapie bij kwaadaardige schildklieraandoeningen, wanneer en hoe (pag. 29-30).
  • 5. Mogelijke metingen nier (pag. 40-42)
  • 6. Vergelijking stralingsdosis van nucleaire met radiologie (pag. 46)
  • 7. Welke beschermingsmaatregelen bij medisch personeel (pag. 46)
  • 8. Algemene principes nucleaire geneeskunde (pag. 2)
  • 9. Sentinel node scintography (pag. 38)
  • 10. Rol van PET bij longtumoren (pag. 36-37)
  • 11. Nucleaire geneeskunde bij dementie en bewegingsstoornissen (pag. 32-34)
  • 12. Basisprincipes tracers oncologie (pag. 36)
  • 13. Indicatie scans en methoden bij goedaardige schildklieraandoeningen (pag. 26-29)
  • 14. Indicaties myocardperfusie scintigrafie (pag. 7)
  • 15. Principes en methoden skeletscintigrafie (pag. 12-14)
  • 16. Radionuclidentherapie bij goedaardige schildklieraandoeningen, wanneer en hoe (pag. 29-30).

  • Dovnload 41.51 Kb.