Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Naam: Eva Jakobs en Kiki van den Bercken

Dovnload 197.24 Kb.

Naam: Eva Jakobs en Kiki van den Bercken



Pagina2/2
Datum25.10.2017
Grootte197.24 Kb.

Dovnload 197.24 Kb.
1   2



Inhoudsopgave


  • H1 Inleiding 3

    • §1.1 Morfologie 3

    • §1.2 Levenscyclus 3

    • §1.3 Genotype en kruisingen 4

    • §1.4 Fruitvliegje als proefdier 4

  • H2 Probleemstelling 4

  • H3 Hypothese 4

  • H4 Materiaal en Methode 5

  • H5 Resultaten 6

    • §5.1 Kruising 1 6

    • §5.2 Kruising 2 7

  • H6 Conclusie en discussie 7

  • H7 Literatuur 9





H1 Inleiding
§1.1 Morfologie

Het verschil tussen een mannetjes fruitvliegje (Drosophila melanogaster) en een vrouwtje is groot. Een mannetje is namelijk kleiner dan een vrouwtje, dit kun je hier rechts in het plaatje zien. Nog een groter verschil is het achterlijf, bij het vrouwtje is deze helemaal gestreept. Bij het mannetje zijn deze strepen vergroeid waardoor het uiteinde van hun achterlijf helemaal zwart is. Beide hebben rode ogen, een grijs/bruine lichaamskleur en normale vleugels. Als de vlieg er inderdaad zo uitziet is het wildtype. Dit kan ook anders zijn, zo heb je de white eye, ebony en vestigial. Bij white eye heeft het vliegje geen rode, maar witte ogen. Bij ebony is het lijfje donkerder vergeleken met een wildtype. En bij vestigial z ijn de vleugels afwijkend, een soort stompjes.


Figuur 1: Links zie je een mannetjes vlieg en rechts een vrouwtje.

Dit kan ontstaan doordat je kruisingen maakt van vliegjes met verschillende eigenschappen. Deze nakomelingen worden mutanten genoemd, dit betekent dat het DNA is veranderd, en dit kan gebeuren door mutatie. Mutatie is dus het veranderen van het DNA, dit kan door de natuur gebeuren en kan heel snel gaan door kruisingen of heel lang duren door natuurlijke selectie. Echter kan de mens ook voor verandering in het DNA zorgen, ook doormiddel van kruisingen of door dingen te veranderen in het DNA, maar dat is nog een vrij nieuwe techniek.


Figuur 2: Je ziet hier vier verschillende soorten van het fruitvliegje en hun verschillen.

§1.2 Levenscyclus


Figuur 3: De levenscyclus van een fruitvliegje.

Een fruitvliegje doorloopt 4 stadia om van een eitje een volwassen vlieg te worden. Als eerste legt een volwassen vrouw een bevrucht eitje in organisch materiaal. Deze kan alleen bevrucht zijn als het mannetje en het vrouwtje hebben gepaard, en het mannetje dus indruk heeft gemaakt op het vrouwtje door te dansen en met zijn vleugels te schudden. Het mannetje zal dan een paar honder spermacellen aan het vrouwtje geven en telkens als ze een eitje wil leggen zal ze deze eerst bevruchten met een zaadcel. Het eitje zal naar ongeveer 24 uur uitkomen en een larve zijn. Een larve doet niets anders dan eten, en veel dit zal hij 4 dagen lang doen. Dit om veel energie te krijgen wat hij in de volgende stadia kan gebruiken, dit is namelijk het verpoppen. De larve zal dan een droge plek zoeken en zijn vleugels en 6 pootjes gaan ontwikkelen. Als de larve dan klaar is met het ontwikkelen wat ook weer ongeveer 4 dagen zal duren, zal hij zich gaan ontpoppen en is het een vliegje, deze zal naar ongeveer 12uur volwassen zijn. Als het een vrouwtje is kan die zich dus weer opnieuw gaan voortplanten. Ze kan ongeveer 5 eitjes per keer leggen en in totaal zal ze er zo’n 400 tot 800 leggen. Dit betekent dat er dus snel een plaag kan worden geboren. De ontwikkeling van een vliegje wordt sterk beïnvloed door de temperatuur en de hoeveelheid vliegjes bij elkaar. Bij 29C is de ontwikkeling het snelste en de levensduur van een fruitvliegje ongeveer 30dagen. Is het warmer of kouder zal de ontwikkeling langer duren.


§1.3 Genotype en kruisingen
De lichaamskleur grijs/bruin is een dominant allel, dus het allel voor ebony (lichaamskleur zwart) is recessief. Dit wil zeggen dat grijs/bruin altijd tot uiting komt behalve als het gen twee allelen voor ebony bevat. Normale vleugels is dominant over dat van afwijkende vleugels. Het gen voor rode of witte ogen ligt op het X-chromosomaal dit houdt in dat bij een mannetje maar een allel bepaalt of hij rode of witte ogen heeft. Het allel voor rode ogen is hierbij wel dominant over dat van witte ogen.

Als je een kruising hebt tussen een vrouwtje met witte ogen en een mannetje met een donker lichaam zullen de vrouwtjes nakomelingen wildetypes zijn en de vrouwtjes white eye. En als je een kruising hebt tussen een mannetje met witte ogen en een vrouwtje met donker lichaam zullen de vrouwtjes nakomelingen weer wildtypes zijn, maar de mannetjes van deze kruising zullen ook wildtypes zijn.


§1.4 Fruitvliegje als proefdier
De Drosophila melanogaster is een goed fruitvliegje om als proefdier te gebruiken voor erfelijkheid. Ze hebben namelijk een korte levenscyclus, maar een snelle voorplantingscyclus, daardoor heb je in een korte tijd veel vliegjes gekregen. Je kunt dus in een korte tijd veel kruisingen uitvoeren, en deze vliegjes hebben hier geen harde legboor voor nodig, maar een gewoon normaal stuk fruit waar ze in kunnen boren voor eten.
H2 Probleemstelling
Wat zijn de dominante en recessieve eigenschappen in het fenotype en genotype van een fruitvliegje en zijn deze X-chromosomaal?


H3 Hypothese
Kruising 1: Ebony (man.) x White eye (vrouw.)

Uit de F1 ontstaan mannelijke vliegjes met witte ogen en een lichte of een donkere huid, de vrouwtjes hebben rode ogen een lichte of donkere huid. Als je deze vliegjes verder gaat kruisen ontstaan er vliegjes met rode of witte ogen en een lichte of donkere huid.


Kruising 2: White eye (man.) x Ebony (vrouw.)

Uit de F1 ontstaan vrouwtjes vliegen met rode of witte ogen en een lichte of donkere huid, de mannetjes vliegen zullen rode of witte ogen hebben en een lichte of donkere huid. Als je deze vliegjes verder gaat kruisen ontstaan er vrouwelijke vliegjes met rode of witte ogen en met een lichte en donkere huid. Bij de mannelijke vliegjes ontstaan vliegjes met rode of witte ogen en met lichte of donkere huid.


H4 Methode en materiaal
Benodigde materialen:


Methode:
Per duo worden twee kruisingen ingezet.

Kruising één: ♀ White eye x ♂ Ebony

Kruising twee: ♀ Ebony x ♂ White eye


  1. Stop vijf ebony mannetjes/vrouwtjes in een cultuurbuisje, doe dit ook bij de white eye vliegjes. Of je mannetjes of vrouwtjes van een soort moet gebruiken ligt aan je kruising. Op dit cultuurbuisje plak je een kruisingsetiket. De buisjes worden nu in de broedstoof bij een temperatuur van ongeveer 27C weggezet.

  2. Een week later bekijk je het cultuurbuisje goed en de vliegen die je er eerder in hebt gezet moeten nu worden verwijderd. Narcotiseer de vliegen door ze in de trechter met ethanol te doen. Nu de ‘parents’ eruit zijn gehaald worden ze weer in de broedstoof weggezet.

  3. Weer een week later. Narcotiseer alle vliegen zodat ze buiten bewust zijn raken en daarna kun je de vliegen analyseren en tellen. Je gaat letten op oogkleur, huidkleur en of ze vrouwelijk of mannelijk zijn. Nu kun je ze dan ook gaan tellen. Vervolgens neem je vijf vrouwelijke en vijf mannelijke nakomelingen en deze zet je vervolgens in een nieuw cultuurbuisje met voedingsbodem. Deze gaat dan weer in de broedstoof.

  4. Weer een week later herhaal je stap 2.

  5. Weer een week later worden de vliegen weer genarcotiseerd, ze worden lang in het potje gehouden waardoor ze overlijden. Vervolgens op oogkleur, kleur van het lijfje en mannelijk of vrouwelijk gesorteerd en geteld.

H5 Resultaten
§5.1 Kruising 1
Tabel 1: Kruising 1 in de F1 white vrouwtje ♀ met ebony mannetje ♂.

P

White (vrouwtje ♀)

Ebony (mannetje ♂)

F1

Vrouwtje ♀

Mannetje ♂

Naam

Rood

Licht


Wit

Licht


Rood

Donker


Wit

Donker


Rood

Licht


Wit

Licht


Rood

Donker


Wit

Donker


Totaal

592

1

16

0

63

505

3

9

Gemiddeld

34,8

0,06

0,94

0

3,7

29,7

0,2

0,5

Perc. %

49,8

0,1

1,4

0

5,3

42,5

0,3

0,8

Tabel 2: Kruising 1 in de F2 wild type vrouwtje♀ met white eye mannetje ♂.

P

Nakomeling F1(wild type vrouwtje ♀)

Nakomeling F1(white eye mannetje ♂)

F2

Vrouwtje ♀

Mannetje ♂

Naam

Rood

Licht


Wit

Licht


Rood

Donker


Wit

Donker


Rood

Licht


Wit

Licht


Rood

Donker


Wit

Donker


Totaal

349

279

102

64

278

235

103

74

Gemiddeld

18,4

14,7

5,4

3,4

14,7

12,4

5,4

3,9

Perc. %

23,5

18,8

8,9

4,3

18,7

15,8

6,9

5,0


W = rode oogkleur

w = witte oogkleur


E = lichte huid
e = donkere huid


Vergelijking 1: Kruisingsschema kruising 1

P: XwXwEE X XWYee



Geslachtscellen: XwE XWe of Ye





XWe

Ye

XwE

XWXwEe

XwYEe
F1:





XwE

Xwe

YE

Ye

XWE

XWXwEE

XWXwEe

XWYEE

XWYEe

XWe

XWXwEe

XWXwee

XWYEe

XWYee

XwE

XwXwEE

XwXwEe

XwYEE

XwYEe

Xwe

XwXwEe

XwXwee

XwYEe

XwYee
F2:
§5.2 Kruiskruising 2
Tabel 3: Kruising 2 in de F1 ebony vrouwtje ♀ met white mannetje♂.


P

Ebony (vrouwtje ♀)

White (mannetje ♂)

F1

Vrouwtje ♀

Mannetje ♂

naam

Rood

Wit

Rood

Wit

Rood

Wit

Rood

Wit

Licht

Licht

Donker

Donker

Licht

Licht

Donker

Donker

Totaal

748

1

3

0

633

10

0

0

Gemiddeld

41,6

0,05

0,17

0

35,2

0,6

0

0

Perc. %

53,6

0,1

0,2

0

45,4

0,7

0

0


Tabel 4: Kruising 2 in de F2 wild type vrouwtje♀met wild type mannetje ♂.

P

Nakomeling F1(wild type vrouwtje ♀)

Nakomeling F1(wild type mannetje ♂)

F2

Vrouwtje ♀

Mannetje ♂

Naam

Rood

Wit

Rood

Wit

Rood

Wit

Rood

Wit

Licht

Licht

Donker

Donker

Licht

Licht

Donker

Donker

Totaal

664

12

150

2

313

291

67

52

Gemiddeld

31,6

0,57

7,14

0,1

14,9

13,9

3,2

2,5

Perc. %

80,2

1,4

18,1

0,3

43,3

40,2

9,3

7,2

Vergelijking 2: Kruisingsschema kruising 2

P: XWXWee X XwYEE

Geslachtscellen: XWe XwE of YE





XwE

YE

XWe

XWXwEe

XWYEe
F1:




XWE

XWe

YE

Ye

XWE

XWXWEE

XWXWEe

XWYEE

XWYEe

XWe

XWXWEe

XWXWee

XWYEe

XWYee

XwE

XWXwEE

XWXwEe

XwYEE

XwYEe

Xwe

XWXwEe

XWXwee

XwYEe

XwYee

F2:


H7 Conclusie en discussie
Het practicum is bij ons vrij goed verlopen en we hebben het practicum succesvol kunnen afsluiten. Toch waren er wel wat dingen die we beter hadden kunnen doen en we anders hadden kunnen aanpakken als we dit practicum opnieuw zouden moeten doen. Toen we voor de eerste keer moesten gaan tellen, stap 3 van de werkwijze, hadden we de vliegen genarcotiseerd, alleen niet lang genoeg. De vliegen begonnen daardoor alweer te bewegen voordat we ze goed konden tellen, wat het heel ingewikkeld maakte. Gelukkig konden de vliegen nog niet vliegen dus was het wel mogelijk om ze te tellen. Een tweede punt dat beter had gekund was dat het cultuurbuisje op de grond was gevallen. Gelukkig zaten hier geen vliegen meer in en heeft dit geen meetfouten opgeleverd.
Kruising 1: Ebony (man.) x White eye (vrouw.)

Uit de F1 ontstaan mannelijke vliegjes met witte ogen en een lichte of een donkere huid, de vrouwtjes hebben rode ogen een lichte of donkere huid. Als je deze vliegjes gaat verder kruisen ontstaan er vliegjes met rode of witte ogen en een lichte of donkere huid.


Kruising 2: White eye (man.) x Ebony (vrouw.)

Uit de F1 ontstaan vrouwtjes vliegen met rode of witte ogen en een lichte of donkere huid, de mannetjes vliegen zullen rode of witte ogen hebben en een lichte of donkere huid. Als je deze vliegjes verder gaat kruisen ontstaan er vrouwelijke vliegjes met rode of witte ogen en met een lichte en donkere huid. Bij de mannelijke vliegjes ontstaan vliegjes met rode of witte ogen en met lichte of donkere huid.

De hypothese klopte niet helemaal met wat er uit de resultaten is gekomen. Dit komt omdat voor ons nog niet bekend was welke genen dominant waren en welke recessief en dat we nog niet wisten dat het gen voor de oogkleur X-chromosomaal is. We wisten ook nog niet welke genotypes de ouders zouden hebben. Met de resultaten en de informatie die we hebben gevonden konden we voor ons practicum kruisingschema’s maken. Door middel van deze kruisingschema’s konden we terug redeneren wat dan de genen van de ouders moeten zijn geweest. Hieruit hebben we kunnen constateren dat het vrouwtje van kruising 1 dit genotype moet hebben gehad: XwXwEE en het mannetje moet dit hebben gehad: XWYee. Bij kruising 2 heeft het vrouwtje dit genotype moeten hebben gehad: XWXWee en het mannetje dit genotype: XwYEE.
In tabel één, twee, drie en vier kun je de resultaten van ons practicum zien. Het ‘totaal’ geeft aan hoeveel vliegjes van deze ‘soort’ er waren ontstaan van twee klassen samen. Hieronder zie je ‘gemiddeld.’ In deze tabel kun je zien hoeveel elke leerling gemiddeld aan vliegjes had. En de laatste rij ‘percentages’. Hierin zie je in procenten tegenover elkaar hoeveel vliegjes van ‘één soort’ zijn gekruist. Deze laatste rij is het belangrijkst, want hierin kun je het beste zien wat de resultaten inhouden en is het mogelijk om deze resultaten te vergelijken met andere resultaten. Onder de tabellen zie je nog een aantal kruisschema’s, in deze kruisschema’s kun je zien wat er praktisch uit het practicum is gekomen. De kruisschema’s en de tabellen kloppen bij elkaar.

In tabel 1 zie je bij ‘vrouwtje, wit oogkleur en lichte huid’ een percentage staan van 0,1 procent. Dit zet je al aan het denken omdat dit heel erg weinig is. De kans dat dit klopt is daarom ook al minder waarschijnlijk want als dit een mogelijke uitkomst zou zijn geweest zouden er meerdere nakomelingen met deze eigenschap zijn ontstaan. Als je dan naar het kruisingschema kijkt zie je dan ook dat deze nakomeling er helemaal niet hoort te zijn. Dit kan meerder mogelijkheden hebben:



  • Er kan een fout zijn gemaakt met het controleren en het tellen van de F1.

  • Er zou in plaats van een white eye vrouwtje een mannetje zijn in gestopt of in plaats van een ebony mannetje een vrouwtje.

  • Er is iets misgegaan in de genen van de vlieg, heeft een mutatie opgetreden.

De percentages onder de 1% zijn dus hoogst waarschijnlijk fouten.

H8 Literatuur

  1. http://www.collegenet.nl/studiemateriaal/frames_verslagen.php?verslag_id=9136&site

  2. http://www.exploratorium.edu/imaging-station/activities/classroom/wild_mutant/ca_wild_mutant.php

  3. http://www.fruitvliegjes.net/levenscyclus-fruitvlieg/

  4. Practicum blad genitica



~ ~

1   2

  • H1 Inleiding §1.1 Morfologie
  • Figuur 1: Links zie je een mannetjes vlieg en rechts een vrouwtje.
  • Figuur 2: Je ziet hier vier verschillende soorten van het fruitvliegje en hun verschillen. §1.2 Levenscyclus
  • Figuur 3: De levenscyclus van een fruitvliegje.
  • §1.3 Genotype en kruisingen
  • §1.4 Fruitvliegje als proefdier
  • H2 Probleemstelling Wat zijn de dominante en recessieve eigenschappen in het fenotype en genotype van een fruitvliegje en zijn deze X-chromosomaal H3 Hypothese
  • H4 Methode en materiaal Benodigde materialen
  • H5 Resultaten §5.1 Kruising 1 Tabel 1: Kruising 1 in de F1 white vrouwtje ♀ met ebony mannetje ♂.
  • Tabel 2: Kruising 1 in de F2 wild type vrouwtje♀ met white eye mannetje ♂.
  • Vergelijking 1: Kruisingsschema kruising 1
  • §5.2 Kruiskruising 2 Tabel 3: Kruising 2 in de F1 ebony vrouwtje ♀ met white mannetje♂.
  • Tabel 4: Kruising 2 in de F2 wild type vrouwtje♀met wild type mannetje ♂.
  • Vergelijking 2: Kruisingsschema kruising 2
  • H7 Conclusie en discussie

  • Dovnload 197.24 Kb.