Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Neonatologie – K. De winter Vroedkundige aspecten Mogelijke examenvragen

Dovnload 0.54 Mb.

Neonatologie – K. De winter Vroedkundige aspecten Mogelijke examenvragen



Pagina4/7
Datum29.07.2018
Grootte0.54 Mb.

Dovnload 0.54 Mb.
1   2   3   4   5   6   7

Afnavelen

  • Bloedtoevoer wordt gestopt

  • Droogt uit en valt af (= separatie)

  • Muceus vocht wordt geproduceerd

  • Volledige genezing



        1. Proces van uitdrogen en afvallen (= separatie)

     1e dagen na geboorte kunnen navelstrengbloedvaten nog doorgankelijk zijn en rechtstreekse toegang tot bloedstroom geven.

     Navelstreng DROOG en ZUIVER houden = voorkomen van infectie

     valt na 5 à 15 dagen na de geboorte af.

     bij gebruik van antiseptica = verlengde separatietijd

    (door vernietigen van normale flora rond de navel waardoor zich een verminderd aantal leukocyten rond de navelstomp bevinden)


        1. Tijdstip van afnavelen !

     VROEG vs LAAT afnavelen
    LAAT afnavelen van gezonde neonaat:

     3 minuten na de geboorte



     OF nadat de navelstreng is uitgeklopt (geen hartslag meer voelen)
    voordelen:

    • Hoger hematocriet en hemoglobine door toegenomen bloedvolume

     kans op anemie = verkleind (ih 1e levensjaar)

    • Laat afklemmen zou ijzer definciëntie of anemie kunnen voorkomen of uitstellen door het vergroten van de ijzervoorraad.

    • Vader en moeder krijgen uitgebreider de kans om kennis te maken met hun kind en te genieten van de eerste momenten zonder dat er onmiddellijk wordt ingegrepen met handelingen als afklemmen en doorknippen.




        1. Het afnavelen van de navelstreng en de navelstrengverzorging bij de geboorte

     Pijnloos = navelstreng bevat GEEN zenuwen

    • Risico’s bij het afnavelen:

    Infectiegevaar steriel werken

    • navelstreng = rechtstreekse ingangspoort voor bacteriën

    • bij infectie => risico van peritonitis en septicemia


    Ruptuurgevaar niet trekken

    • wegens gevaar voor afscheuren uit inplanting = levensbedreigende bloeding


    Bloedingsgevaar voorzichtig werken en goed observeren

    • bij dikke navelstreng kan door indrogen van de gelei van Wharton dat de navelklem los komt = herhaalde controle is noodzakelijk!




    • Observatie, evaluatie en rapportering !

    • Aspect navelstreng (dikte, lengte, navelvaten

    • Bloeding?

    • Infectietekens?

    • Als de stomp goed droog is wordt na 2à3 dagen de navelklem verwijderd (soms op dag 1) reden: comfort van moeder en baby.

    • Na 6-21 dagen is de navelstomp helemaal ingedroogd en valt af

     als navel vochtig blijft = kinderarts verwittigen


      1. Beoordeling van Apgarscore


    Wat?

    • Ontwikkeld in 1953 door een Amerikaanse arts (Virgina Apgar)

    • Gynaecoloog, vroedvrouw en ev. kinderarts bekijken het kind terwijl het op de buik van de moeder ligt en letten op eventuele grove afwijkingen en vitale functies als ademhaling en kleur om de circulatie te beoordelen.

    • Na 1 min, 5 min en 10 min postnataal worden 5 objectieve criteria geëvalueerd die samen bepalen of het kind op dat moment of in de nabije toekomst hulp nodig heeft.


    APGAR

    1. Een objectief vergelijkend werkinstrument om toestand neonatus te evalueren

    2. Beeld van acute toestand

    3. Blijft een momentopname

    4. Verdere observatie van vitale functies blijft essentieël


    Beoordelingscriteria:

    1. Appearance = huidskleur

    • normale huidskleur = roze rood

    • cyanose = blauw

      • veroorzaakt door ademnood, hartgebrek

      • acrocyanose = blauwe handen en voeten = normaal

      • alle baby’s een beetje blauw bij geboorte door druk tijdens doorgang baringskanaal

    • bleek = ernstige toestand of afwijking

    • gele kleur = ernstige toestand of afwijking

      • hemolytische icterus

      • na 2 à 3 dagen icterus neonatorum = onschuldig fysiologisch verschijning

    • huid = zacht + bedekt met vettige, witte stof: vernix caseosa

      • niet afwassen  beschermt tegen afkoeling en infecties


    1. Pulse = hartfrequenties

    • ausculteren van hart met stethoscoop

    • hartslag na geboorte = 150 – 180 slagen/min.

    • later daling = 120 – 150 slagen/min.




    1. Grimace = reacties op prikkels of reflexen

    • Reflex irritability = respons van pasgeborene op een door arts of vroedvrouw toegediende prikkel  aangespoord om te ademen

    • Droogwrijven thorax of lichtjes prikkelen voetzool




    1. Activity = spiertonus

    • ledematen van gezonde pasgeborene = natuurlijke flexiehouding tegen het lichaam aangehouden

    • strekken = weerstand  veren terug naar normale flexiehouding




    1. Respiration = ademhaling

    • 30 sec na geboorte huilt baby

    • na 1 min = vrije ademhaling

    • 30 tot 50 x per min.

    • synchrone buikademhaling met nauwelijks zichtbare thoraxbewegingen






    0

    1

    2

    A-Huidskleur

    Totale cyanose of bleek

    Lichaam roze, blauwe extremiteiten

    Geheel mooi roos

    P-Hartfrequentie

    Niet voelbaar of afwezig

    Minder dan 100 slagen/min.

    Meer dan 100 slagen/min.

    G-Reacties op prikkel

    Geen reactie

    Zwakke reactie

    Huilen, hoesten en niezen

    A-spiertonus

    Slap

    Zwak aanwezig of hypertonie van spieren

    Beweegt actief

    R-ademhaling

    Zwak of afwezig

    Langzaam of onregelmatig kreunen

    Goed doorhuilen


    Op 1 min:

    - Normale gezonde pasgeborene = score tussen 7 – 10

    - Matige score tussen 4 en 6

    - Slechte score tussen 0 en 3

     Zelden 10 door sprake van perifere cyanose

     4 of minder = onmiddellijke aandacht en aanwezigheid pediater


    Op 5 min:

    - Streven naar score van 6

    - Score minder dan 5  pediator aanwezig

     ernstige cardio-respiratoire depressie


    Op 10 min:

    - Streven naar score van 8 à 9



    Nut van apgarscore:

    • Blijvend document om te beoordelen hoe ernstig pasgeborene in asfyxie heeft verkeerd. Van nut als men zich afvraagt of bepaalde handicap of ontwikkelingsstoornis het gevolg van perinatale asfyxie

    • Hulpmiddel om te beoordelen of wanneer men moet starten met neonatale reanimatie

    • Hoe goed of slecht de respons is van pasgeborene op reanimatie-interventies

    • Best wordt er ook steeds aangeduid welke maatregelen er getroffen werden op welk tijdstip na de geboorte

    • Het probleem is dat men niet vooraf kan voorspelen welke pasgeborene problemen gaat stellen en wie niet




    1. Thermoregulatie


    Inleiding

     baby’s = relatief groter lichaamsoppervlak = sneller warmte verlies

     oppervlak hoofd = relatief groter dan rest va lichaam = warmte verlies via hoofd

     lichaamstemperatuur daalt na partus met 1°C/min. tgv aanpassing aan extra uturiene leven.

     meteen afdrogen na partus = noodzaak

     niet wassen! Afkoeling = extra energie = verhoogde zuurstofnood of hypoglycemie


    Thermoregulatie = Balans tussen warmteproductie en warmteverlies

    Doel: lichaamstemperatuur behouden tussen normale grenzen.


    Neutrale omgevingstemperatuur = temperatuur waarbij kind min. aan zuurstof dient te gebruiken voor het op peil houden van de lichaamstemperatuur waardoor meer energie vrijkomt om te groeien.
    Koudestress en hyperthermie = vermijden in neonatologie! Verhogen kans op morbiditeit (vatbaar voor ziekte) en mortaliteit (sterfelijkheid)


        1. Warmteproductie

    Non-shivering thermogenese = produceren van warmte door middel van metabolisme enige manier om warmte te genereren in lichaam van pasgeborene.

    = uniek voor neonaten


    Warmte komt vrij door verbranden van bruin vet ter hoogte van de schouderbladen en rond de nieren, beschikbaar vanaf 28 weken.


        1. Warmteafgifte

    Vind plaats op huidoppervlak en voor een deel aan slijmvliezen van mond en luchtwegen.

    4 fysiologische processen:




    1. Radiatie – straling

    Gerelateerd aan oppervlakken in omgeving van baby, maar niet in direct contact.
    Warmteverlies kan optreden van een warm lichaam naar een relatief koud voorwerp in de buurt van het kind.
    Voorbeeld: knuffel van buiten naar binnen brengen

    Voorzorgingsmaatregelen:



    • warmtelamp

    • geen relatief koude voorwerpen in buurt van pasgeborene

    • naakte baby in de winter niet te dicht bij raam of deur

    • niet te dicht bij pasgeborene komen als je in de koude buitenlucht bent geweest.




    1. Conductie of geleiding

    Warmteverlies door direct contact via huid met oppervlak dat andere temperatuur heeft dan de lichaamstemperatuur. Transfer van pasgeborene naar oppervlak.
    Voorzorgingsmaatregelen:

    • handen wassen met warm water voor handeling

    • matras van verzorgingstafel door straling laten opwarmen zodat deze aangenaam warm aanvoelt

    • droge warme onderlaag gebruiken

    • crèmes en gels voor verzorging opwarmen indien deze koud aanvoelen

    • badwater op juiste temperatuur

    • opwarmen van kleedjes, sokjes en mutsje tot kamertemperatuur

    • warme doek bij wegen op metalen weegschaal




    1. Convectie of stroming

    Lichaamsoppervlak is warmer dan de omgevingslucht, eerst zal warmte opgenomen worden door lucht en door luchtstroom meegevoerd worden.
    Voorbeeld: voorbijlopen, deuren die open staan
    Voorzorgingsmaatregelen:

    • niet haastig heen en weer lopen langs open verzorgingstafel

    • geen luchtverplaatsing met materialen in de buurt van neonaat

    • aangepaste kamertemperatuur

    • transport van verloskamer naar materniteit zodat er geen koude luchtstroom langs baby stroomt

    • deuren traag openen in de buurt van naakte neonaat

    • neutrale omgevingstemperatuur in incubator




    1. Evaporatie of overgang

    Wanneer kind water verliest ter hoogte van huid.
    Verdampen van vocht = warmte gaat verloren
    Voorzorgingsmaatregelen:

    • kind direct afdrogen na geboorte of wasbeurt

    • lotions goed in de huid wrijven zodat deze geheel worden opgenomen

    • relatieve vochtigheid op verloskamer aanpassen




        1. Lichaamstemperatuur

    Normaal: tussen 35,5 – 37,5 °C en als variatie overdag niet groter dan 0,5°C
    WHO (1997) tussen 36,5 en 37,5°C

    Hypotermie = T° lager dan 36,5°C



    • milde hypotermie = 36 – 36,5 °C

    • gematigde hypotermie = 32 – 36°C

    • ernstige hypotermie = lager dan 32°C

    Hoge lichaamstemperatuur  beginnende infectie

    Tijdelijke verhoging door :


    • warmtelamp

    • te warm badwater.



        1. Observatie van afkoeling

    Symptomen van afkoeling:

    • lichaam voelt centraal warm aan maar extremiteiten niet (handen en voeten)

    • lage lichaamstemperatuur

    • verandering van huidskleur

    • onrustig

    • zwak en klagerig huilen

    • ademhaling gaat sneller




        1. Temperatuurmeting

    3 soorten thermometers:

    1. Kwikthermometer

    = (sinds 2003 niet meer verkocht)

    = breekbaar

    = kwikdampen kunnen verspreiden die giftig zijn


    1. Elektronische of digitale thermometer

    2. Oorthermometer

    = niet gebruiken bij kinderen jonger dan 3 jaar door smalle gehoorsgang
    rectale temperatuursmeting = gouden standaard

    = thermometer ontsmetten voor elk gebruik

    = beentjes vastnemen in vorkgreep

    = metaal deel volledig in de aars

    = niet uitvoering direct na voeding
    axillaire meting van lichaamstemperatuur

    = oksel moet bovenstukje mooi omsluiten

    = arm lichtjes tegen bovenlichaam aandrukken


    1. NLS (Neonatal Life Support)




      1. Zuurstoftoediening




        1. Eerste fase

    Matige asfyxie (Apgar-score 4-6)

    • Gebrek aan zuurstof als ademhaling niet spontaan op gang komt, na tactiele stimulatie en vrijmaken van luchtwegen

    • Co2 stijging = extra prikkel om zelf gaan te ademen

    • Inefficiënte ademhaling

    • Hartfrequentie van 60-100 slagen per minuut

    • Cyanose


    Acties:

    • afdrogen

    • prikkelen

    • warm toedekken

    • extra zuurstof laten ademen door zuurstof voor het gezicht te laten stromen als soort douche

    • kind moet zelf ademen binnen 1 – 2 min

    • geen duidelijk effect = beademing met masker en ballon



        1. Tweede fase

    • niet spontaan ademen

    • hartfrequentie stijgt niet boven 100 slagen/min.

    • kleur herstelt niet

    = verder ingrijpen is noodzakelijk
    Acties:

    • bijblazen met babybeademingsballon (=balloneren)

    • neopuff


    Ernstige asfyxie (Apgar 0-3)

    • Ontbreken van spontane ademhaling

    • Hartfrequentie is minder dan 60 slagen/min.

    • Intubatie = aangewezen

    • Pediater moet aanwezig zijn

    • Kind beademen met ballon en masker en zo nodig hartmassage geven

    • Afkoelen voorkomen




      1. Balloneren of beademing met ballon en masker

    • 100 % zuurstof om hypoxie snel te bestrijden

    • Beademen met 21% omgevingslucht

    • Start beademing met masker en ballon met omgevingslucht

    • Voor adequate gasuitwisseling

     longen moeten voldoende ontplooid zijn

     in de longen aanwezige vocht moet geresorbeerd worden



    • 1e 3-5 inademingen = relatief hoge druk en lange inademfase nodig

    • Eerst 5x beademen met inflatie druk tot max 35 cm H2O (inflatietijd van 2-3sec en expiratietijd van 1sc nodig zijn)

    • Daarna beademingsfrequentie van 40 – 60 inflaties/min.


    Controle:

    • Na enkele inflaties geen thoraxexcursies:

      • Aansluiting tussen masker en gezicht controleren

      • Positie van kind controleren

      • Slijm, vruchtwater of bloed verwijderen

      • Hef kin in verticale voorwaartse richting

    • Als thoraxexcursies waarneembaar zijn baar baby reageert onvoldoende op beademing:

      • Beademing met max beschikbare concentratie zuurstof

      • Kinderarts bellen


    Observatie, evaluatie en rapportering

    • Observatie vitale parameters

    • Gegevens noteren in verpleegdossier en Rapportage van relevante gegevens

    • Ouders geruststellen en gesprek met kinderarts plannen




      1. Zuurstoftoediening met Neopuff

    • Instelbare beademingsdruk (PIP)

    • Instelbare positieve einddruk (PEEP)

    Door instelbare PIP en PEEP bereik je een contante drukbeademing en voorkom je barotrauma tgv. hoge of wisselende beademingsdrukken.




    1. Het eerste klinisch onderzoek door de vroedvrouw of kinderarts




      1. Controle van vitale functies




        1. De lichaamstemperatuur

    • Handpalm voelen op babylichaam

    • Gloeien of koud aanvoelen?

    • Temperatuur rectaal nemen met thermometer

    • Temperatuur meten voor eerste badje




        1. De ademhaling

    • Ademhalingspatroon 1e 24h nog onregelmatig

    • Kleur 1e 24h nog licht roze, bleek met licht perifere cyanose

    • Kleur en ademhaling gedurende eerste dag goed controleren om ev problemen vlug op te merken en aan kinderarts te kunnen doorgeven




        1. De hartfrequentie

    • tussen 120 – 170/min.

    • tachycardie = te snel (meer dan 170/min.

    • bradycardie = te traag (minder dan 100/min.)




      1. Houding van de neonatus

    • Foetushouding

    = neonatus ligt met armen en benen steeds in semiflexie

    = vooral tijdens slaap constant

    = handen gesloten en tot vuistje gebald, duim tegen handpalm


    • Houding na stuitligging

    = beentjes liggen gespreid

    = worden tijdens eerste levensweken weinig bewogen


    = opgeklapte beentjes  extra nakijken = verhoogd risico op heupinstabiliteit


    • Hyperextensie van nek

    = achteruitbuigen van hoofd treedt op als kind in aangezichts- of voorhoofdsligging geboren wordt


      1. Controle op bloedingen

    • Nakijken op bloedingen of bloedverlies  melden aan pediater

      • Uit natuurlijke openingen (neus, oren, mond, anus)

      • Onderhuidse bloedingen (vit. K tekort prenataal)

      • Bindingen in oogbindvlies tgv verhoogde druk op hoofd

    (lange uitdrijvingsperiode en vacuümextractie)


      1. Observatie van de huid

    • kleur blijven observeren:

      • roze

      • bleek,grauw

      • rood (te rood)

      • cyanotische

      • acro-cyanose

      • icterisch

      • harlekijn-fenomeen = ene helft bleek andere rood

    (= onschuldig vasomotorisch verschijnsel, gaat voorbij)


    • Vernix caseosa:

      • Laag witgrijze huidsmeer die uit secreties van talgklieren bestaat

      • Beschermt tegen afkoeling en infectie

      • Verdwijnt spontaan door absorptie en afschilfering

      • Geel of geelgroene = meconiaal vruchtwater  melden aan pediater




    • Lanugobeharing

      • Donshaartjes komen vooral voor op de rug, schouders en wangen

      • Hoe meer preterm neonatus is hoe meer lanugohaartjes

      • Nesthaartjes verdwijnen spontaan




    • Milia

      • Kleine witte puntjes, vaak op neus, kin en voorhoofd

      • Verstopte talgklieren die nog niet optimaal werken

      • Verdwijnen spontaan na 6tal weken




    • Naevi

      • Vaatnaevi of naevus flammatus = abnormale massa bloedvaten van

    de huid die er verkleurd of tumorachtig uitzien.

      • Overblijfselen van foetale bloedvaten

      • 3 vormen:

        • ooievaarsbeet of naevus van Unna = bleekroze fijne wegdrukbare vaatjes of vlekjes in de nek, verdwijnen vanzelf

        • wijnvlek of naevus flammeus = vooral in hals en gezicht, vaak vlak en roze met ouder worden kan wijnvlek donkerder en dikker worden. Verdwijnen niet vanzelf

        • rode hemangiomen = verheven vlekken (aardbeivlek)




    • Gepigmenteerde naevi

      • Naevi pigmentosis (moedervlek) = glas, verheven, met of zonder

    beharing

      • Café au lait vlek = ovale vorm en lichtbruine kleur

      • Mongolenvlek = donkerblauwe vlek boven stuit, niet verheven en vooral

    bij donkerbruine rassen


      1. De schedel




        1. Schedelnaden = raaklijnen

    • Schedelbeenderen van de schedel zijn los van elkaar bij geboorte

    • Normaal liggen schedelbeenderen tegen elkaar aan en zijn deze licht verheven, onregelmatige randen te voelen




    • Moulage = tijdens passage door baringskanaal schuiven schedelbeenderen gedeeltelijk over elkaar, waardoor schedelomtrek kleiner wordt.




        1. Fontanellen

    • Fontanellen:

      • Nakijken of de fontanel open is

      • Pulsaties van fontanel

      • Ingevallen fontanel = dehydratatie

      • Bomberende fontanel = intra-craniële overdruk




    • Grote fontanel:

      • Ruitvorming

      • Ligt vooraan en is 2,5 cm

      • Sluit op 18 maanden

      • Zachte plek (bregma)

      • Bron van info over toestand pasgeborene en zuigeling in 1e levensjaar




    • Kleine fontanel:

      • Driehoekig

      • Ligt achteraan

      • Sluit op 2 maanden




        1. Geboortegezwel of cuput succedaneum

    • Zwelling op achterhoofd dat uit sereus vocht bestaat

    • Lichtjes bloederig

    • Hoofd druk tegen opening, bloed kan niet meer weg via venen terwijl wel nog bloed via arteriën in gebied wordt aangevoerd.

    • Gevolg = vocht sijpelt uit venen

    • Vochtophoping tussen huid en beenvlies (kan schelnaad in midden overschrijden)

    • Verdwijnt na 2 à 3 dagen




        1. Bloedgezwel of cefaal hematoom

    • Na vacuümextractie door tractie uit te oefenen met ventouse verschuift periost tgo bot en het daartussen liggende bloedvat scheurt

    • Resorbeert spontaan na enkele weken




        1. Verwondingen tgv kunstverlossing

    • Schrammen, bloeduitstortingen kunnen veroorzaakt worden bij verlossing met forceps

    • Bij vacuümextractie kan een oedemateuze zwelling ontstaan

     verdwijnen spontaan na enkele dagen


        1. Vorm van de schedel

    • Afgeplatte schedel = door intra-uturiene ligging

    • Niet beoordelen van vorm vooraleer hoofd van beide ouders gezien te hebben




      1. Het aangezicht

    • klein met hoog voorhoofd en groot achterhoofd

      • controle op aanwezigheid van:

        • oedeem

        • aangezichtsverlamming

        • verwondingen bij gebruik van forceps

        • subcutane bloedingen




        1. Ogen

    • oedeem van oogleden

    • kleur van sclerae ogen

    • kleine bloedingen ter hoogte van oogbindvlies

    • conjunctivitis

    • traanoog tgv verstopt traankanaaltje

    • pseudostrabismus

    • tekenen van ondergaande zon, intra-craniële overdruk  pediater verwittigen



        1. Neus

    • controle van doorgankelijkheid van choanen

    • scheefstand

    • vorm

    • ontstoken of geïrriteerde neusslijmvliezen




        1. Oren

    • controle of gehoorgang open is

    • aanwezigheid gehoorschelp

    • vervormde oorschelpen

    • preauriculaire kuiltjes of tuberkels = kleine afwijkingen

    • laag ingeplante oren = geassocieerd met misvorming aan nieren

    • misvormde en afstaande orgen = symptomen van bep syndroom




        1. Mond

    • controle hard en zacht gehemelte

    • parels van epstein

    • tongriempje zit soms vast aan punt van de tong of is soms te kort

    • tong uit mond

    • lippen aanwezigheid van zuigblaartjes

    • scheve schreimond

    • aanwezigheid van één of meer tandjes




        1. Hals

    • scheefstand = halsspier aan één kant korter dan andere kant




      1. De romp

    • controle van wervelkolom (werveluitsteeksels voelen)

    • vorm van thorax (bv. kippenborst)

    • gezwollen borstjes

    • gepigmenteerde tepels

    • surnumeraire tepels

    • claviculafractuur



      1. De navel en abdomen

    • Controle navelstreng en navelvaten:

      • 50 à 60 cm lang

      • Zowel korter als langer

      • Bevat 3 bloedvaten:

        • twee arteriën = voeren afvalstoffen naar chorionvlokken

        • één wijdere vene = zuurstofrijk bloed met voedingstoffen voor kind aanvoert

      • Omhult door gelei van Wharton = beschermt tegen dichtdrukken

    bloedvaten

      • Controle op navelbloeding

      • Aanwezigheid van navelhuid op navelstreng

      • Navelbreuk = door defect in peritoneum en fascia

      • Navelgranuloom = wild vlees op plaats van afgevallen navel,

    aanstippen met zilvernitraatstift

      • Soepele buik = niet opgezet abdomen




      1. De ledematen




        1. Armen en handen

    • Controle beweeglijkheid van gewrichten

    • Controle vingers:

      • Zuigblaartje

      • Syndactylie

      • Polydactylie

      • Kromme pink

    • Controle van handplooien

    • Groei nagels

    • Oedemen

    • Koude, vochtige handjes = normaal

    • Wasvrouwenhandjes




        1. Benen en voeten

    • O benen en platvoetjes

    • Stand voeten  afwijkende standen doorgeven aan pediater

    • Onderscheid tussen lichte scheefstand en intra-uteriene ligging en klompvoetjes

    • Controle tenen

      • Syndactylie

      • Surnumeraire tenen

      • Stand van tenen

      • Ingegroeide teennageltjes

    • Controle heupgewricht of congenitale heupdysplasie

    • Asymmetrie van huidplooien van dijen

    • Neonati van stuitligging = verstijfde gewrichten




      1. Genitaliën


    4.10.1 Meisje:

    • Vulva = geeft slijmerig, wit, bloederig sekreet tgv aanwezigheid van moederlijke hormonen.

    • Controle schaamlippen = aanwezigheid grote en kleine schaamlippen

    (labia minora en clitoris worden overdekt door labia majora)

    • Oedeem van schaamlippen

    • Grootte clitoris




        1. Jongen:

    • Controle scrotum en penis

      • Cryptorchidie = niet ingedaalde penis

      • Phimosis = vernauwde voorhuid

      • Paraphimosis

      • Hydrocoele of scrotumoedeem = sereus vocht tyssen omhullende

    vliezen van teelbal

      • Hypospadia = aangeboren abnormale uitmonding van urethra aan de

    onderkant van penis

      • Epispadia = aangeboren abnormale uitmonding van urethra aan de

    bovenkant van penis

      • Liesbreuk




      1. Anus

    • Controleren van doorgankelijkheid anus dmv thermometer

    • Kleine vezelige aanhangseltjes

    • Sacrococcygeaal kuiltje

    • Sacrococcygeale groeve




      1. Observatie van urinelozing en ontlasting

    • Controle 1e luier op eerste mictie om werking nieren en doorgang urinewegen na te gaan

    • Controle meconiumontlasting in eerste 24h

    • Obstructie in darmtractus = alarmsignaal




      1. Geboortegewicht

    (zie standaardcurven voor jongens en meisjes)
    Vlaamse groeicurven (0-20 jaar)


    • Gemiddeld geboortegewicht (aterme neonaat)

      • Meisje = +- 3250 gr

      • Jongen = +- 3500 gr




    • Gewichtsdaling met dieptepunt rond 4 à 5e dag na geboorte (max. 10% van het geboortegewicht)

    • Na 10 dagen geboortegewicht terug bereikt

    • Op 6 maanden weegt zuigeling dubbel van zijn geboortegewicht

    • Op 1 jaar weegt het kind 3x zijn geboortegewicht

    • Op 2 jaar weegt het kind 4x zijn geboortegewicht




    • Oorzaken gewichtsverlies:

      • volumineuze ontlasting

      • vochtverlies via urine, meconium, ademhaling en huid

      • geringe compensatie van vochtverlies door geringe voedselinname




      1. Lengte- en schedelomtrek

    • Gemiddelde lengte (kruin-hiel lengte) = +- 46 à 54 cm

      • Op het einde van 1e maand met 3 à 4 cm toegenomen

      • Tijdens 1e levensjaar toegenomen met 25 cm

      • Tijdens 2e levensjaar toegenomen met 10 cm

    • Schelomtrek = ¾ lichaamslengte (gemiddelde = +- 35 à 37 cm)


    1. Wegen en meten




      1. Percentielcurven Gewicht/Lengte/Schedelomtrek

    • Normaal voldragen pasgeborene van kaukastische ras:

      • Gewicht = 3400 gr

      • Lengte = 50 cm

      • Schedelomtrek = 34 cm




    • 3 groeiparameters in harmonie

      • Harmonisch gebouw, relatief groot kind zal ook hoog lichaamsgewicht en

    grote hoofdomtrek hebben.


    • Evalueren van groeiparameters via percentielcurven of groeicurven

      • ‘turnrij-systeem’

    = lengte grote groep normale pasgeborenen

    = ingedeeld in groepjes van 100

    = per 100 worden lichaamslengten gerangschikt van klein naar groot

    = p3-punt op curve = gemiddelde lengte van 3e kind

    = P50 = gemiddelde lengte van 50e kind


    • Normaal = tussen P10 en P90

      1. Wegen

    • baby afdeppen

    • meeste bloed wordt verwijderd

    • naakt gewogen op weegschaal die vooraf is geijkt met tertadoek


    Soorten weegschalen:

    • Mechanische weegschalen

    • Elektrische weegschalen

    • Portabele weegschalen en weeghaak


    Aandachtspunten:

    • voor babybadje wegen

    • vermelden dat kind voor of na voeding gewogen is

    • nagaan of weegschaal in evenwicht is, zoniet = ijken

    • methode aangepast in functie van gegevensverzameling

    • weegschaal niet verplaatsen, nakijken of weegschaal recht staat

    • bijkomend gewicht moet afgetrokken worden

    • steeds in zelfde omstandigeheden wegen

    • kindje mag nergens tegenkomen, niets in handen hebben

    • gewicht nauwkeurig aflezen en aanstonds opschrijven of weegschaal vastzetten om achteraf gewicht te noteren


    Observatie, evaluatie en rapportering

    Gewicht vergelijken met standaardgegevens van groeicurve




    1. Schriftelijk

     Geboortegewicht van pasgeborene op identificatiebandje + babyfiche noteren

     Omstandigheden en gewicht juist noteren, afgevallen of bijkomen

     Weergave van evaluatie

     Gewicht aanduiden op gewichtscurve




    1. Mondeling

     Geboortegewicht van pasgeborene aan de ouders meedelen

     Relevante gegevens




      1. Meten van de lichaamslengte




        1. Lintmeter

    • kind op rug

    • beentjes goed gestrekt

    • voetjes loodrecht op onderbeentjes

    • vast voorwerp wordt respectievelijk tegen hoofd en voeten gehouden

    • plank moet loodrecht op onderlaag staan

    • afstand gemeten tussen hielen en plaats waar plank boven het hoofd de onderlaag raakt




        1. Meetlat

    • kind op rug tussen twee plankjes

    • hoofd met kruin tegen vaste plank

    • voetjes loodrecht op onderbeentjes

    • 1 beentje gestrekt en brengt verschuifbare plank tegen voetzool


    Belangrijk!

    • Als men beentjes niet kan strekken = NOOIT forceren! Gemeld worden bij pediatrisch onderzoek

    • Bij stuitbevalling kunnen beentjes niet gestrekt worden, pasgeborenen meten net voor ontslag




        1. Meetbak

    • holle buisvormige bak met aan de zijkant een gradatie

    • onderaan = verschuifbare plank

    • baby op rug in bak op beschermpapier

    • 1 beentje gestrekt en brengt verschuifbare plank tegen voetzool




      1. Schedelomtrek meten

    • Gemeten met lindmeter ter hoogte van bipariëtale diameter

    • Lintmeter strak om grootste omtrek van schedelgedeelte van hoofd gelegd

    • Aantal cm wordt afgelezen

    • Controleert meting en vergelijkt waarden

    • Bij afwijkende waarde, hoofd nadien meten

    • Toename in 1 jaar = 10 cm




    1. Observatie van de spijsvertering


    6.1.3 Braken

    = veel voorkomend verschijnsel


    echt’ braken

    = meer als 2 soeplepels voeding worden teruggegeven

    = voeding heeft geen verteringsproces ondergaan

    = komt onder zelfde vorm terug als ingenomen


    frequent braken van zuigelingen van 1 maand en ouder

    = meestal zuur

    = halfverteerbare melkresten en maagslijm

    = maag is tot meer maagsecretie in staat



    Oorzaken van braken:

    • Aerophagie = slikken van lucht tijdens zuigen




    • Antiperistaltieken in maag = maagcontracties verlopen van uitgang naar ingang  leidt tot braken




    • Gastro-oesophagale reflux = onvolledig sluiten van cardia (spier dient normaal te sluiten bij opname voeding)

      • 2 groepen

        • maaginhoud komt zichtbaar terug uit de mond

        • maaginhoud komt tot in slokdarm of mond = verborgen reflux

      • 20 tot 30% van baby’s hebben reflux

      • 5 %  Refluxziekte = maaginhoud vaker teruggeven




      • Bijkomende symptomen:

        • slokdarmontsteking

        • veel huilen

        • bloedarmoede

        • bloedbraken

        • onregelmatig slaappatroon

        • negatieve gewichtscurve

        • luchtwegproblemen

      • Geneest spontaan, verbetert rond 6 à 9 maanden, de tijd dat kind rechtop leert zitten

      • Behandeling starten als GOR ernstige hinder geeft voor kind

      • Behandeling = Conservatieve therapie

        • Streven naar verbeterde slokdarmklaring, verbeterde functie van onderste slokdarmfunctie en verbeterde maaglediging

    1. Geruststellen ouders

    2. Houding aanpassen (anti-Trendelenburghouding = hoofd hoger dan benen)

    3. Voeding aanpassen (AR-voedingen)

    4. Medicatie:

    Proinetica = bevordert maaglediging en verhoogt rusttonus van onderste oestrophagussfincter. Versnelt maaglediging en darmmotoriek. Min 15 min voor eten en slapengaan

    vb: Motilium en Pre-pulsid


    Antacida = bevat bufferende eigenschappen en vormt fysieke barrière tussen zure maaginhoud en slokdarmslijmvlies

    vb: Graviscon


    H2-Blokkers = geen invloed op GO-reflux zelf maar verhogen pH van maagsap door maagzuurproductie te onderdrukken

    vb: Zantac


  • 1   2   3   4   5   6   7


    Dovnload 0.54 Mb.