Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Nevenwerkingen van nsaid's die rechtstreeks het gevolg zijn van de werking ervan

Dovnload 32.62 Kb.

Nevenwerkingen van nsaid's die rechtstreeks het gevolg zijn van de werking ervan



Datum22.05.2018
Grootte32.62 Kb.

Dovnload 32.62 Kb.

  • Nevenwerkingen van NSAID's die rechtstreeks het gevolg zijn van de werking ervan.

  • Grafiek met 5 curves, op de x-as: log van de concentratie, y-as: relatieve effectiviteit. Welke cruve heeft de grootste potentie? Welke de grootste effectiviteit? Welke is een partiële agonist? Welke heeft grootste intrinsieke activiteit? Curve B= sympatomimeticum, atropine wordt toegevoegd, wat is de nieuwe curve?

  • Verlagen of verhogen de volgende stoffen de convulsiedrempel:

diazepam, domperidone, TCA, neuroleptica, carbamazepine

  • -Welke pijnstiller wanneer een tand getrokken wordt? ASZ of paracetamol

-Pasgeborene van morfine verslaafde: naloxone of pentazocine?

-lokaal anestheticum in weefsel met pH=7.8, beste anestheticum met pKa=8.8 of pKa =7.8



-Welk medicijn bij iemand met depressie en bourgondische levensstijl

  • Welk effect krijg je:

    • Vers bloed in proefbuis + heparine

    • Idem + warfarine

    • Idem + warfarine en Vit K

    • patiënt met hoge bloeddruk, maagulcus en myocardinfarct door trombose, welke strategie pas je toe?

  • geneesmiddelen voor Parkinson & nevenwerkingen

  • paar juist/fout vragen (over De Hoon z'n deel vooral): absorptie = vooral transcellulaire diffusie, tragere opname bij inname samen met de maaltijd, alkaliniseren van urine = meer excretie zwakke base, cyclosporine = enzyminductor, P-gp inhibite leidt tot hogere spiegels (ofzo)

  • boer met extreme salivatie, bradycardie en ademhalingsproblemen: hoe kan dit komen, therapie?

  • waarom tachycardie bij beta2-agonisten (positieve feedback + bloeddrukdaling met reflextachycardie zei ik, en daar kon ge blijkbaar ook zegge dat het nooit 100% specifiek beta2 zal zijn)

  • interacties ?

    • neuroleptica en L-DOPA

    • ibuprofen en codeine

    • TCA en anticholenergica

    • selegiline en ?

    • morfine en buprenorfine

  • Welke mechanismen verlagen de biogische beschikbaarheid van medicijnen na orale opname?

  • Een patient krijgt lithiumzouten voor affectieve stoornis. Welke stoornis? Wat doe je als deze patient een opstoot krijgt van RA? Welke behandeling pas je toe en op welke manier kunnen deze interfereren? Op welke manier zou je deze interferentie dan beinvloeden.

  • Welke geneesmiddelen gebruik je bij de behandeling van

    • Alcoholisch delirium tremens

    • Vasospastisch angor

    • VK fibrillatie met hartfalen

    • Postmenopauzaal borstcarcinoom

    • “Petit mal” epilepsie

  • Juist of fout en leg uit

    • TCA is keuzeproduct bij depressieve bejaarde man.

    • Slapeloosheid kan behandeld worden met een inverse agonist van GABAa receptor.

    • Lokale anesthetica met minder basisch karakter zijn beter voor pijnverdoving.

    • Flumazenil kan epilepsieaanval veroorzaken.




  • Welke zijn de nevenwerkingen bij wegname van geneesmiddel na chronische behandeling?

    • Morfine

    • Corticosteroid

    • Benzodiazepine

    • Betablokker

    • ASA

  • Wat zijn de contra-indicaties voor het gebruik van beta-blokkers?

  • Illustreer het gebruik van biotechnologische geneesmiddelen bij reumatoïde arthritis

  • Bij welke van deze geneesmiddelen is monitoring nodig van de plasmaspiegels of andere parameters?

    • a. digoxine

    • b. coumarine

    • c. lithium

    • d. omeprazole

    • e. fenytoïne

  • Juist of fout bij gebruik van exogeen glucocorticoïden:

    • a. toename spiermassa

    • b. hypoglycemie

    • c. inhibitie leukotriënen

    • d. verbeterde wondheling

    • e. meer water/zout excretie

  • Wat is het effect van gebruik van GM op pathologie/effect?

    • a. neurolepticum --> parkinson

    • b. pentazocine --> analgetisch effect paracetamol

    • c. Imao --> hypertensie door indirecte sympathomimetica

    • d. inverse agonist GABAa-receptor --> convulsies

    • e. xylocaïne --> pijn bij abces

  • Leg aan de hand van het actiemechanisme van lokale anesthetica uit waarom ze niet werken bij een tandabces.

  • Welke farmaca bij angor?

  • meerkeuzevragen: Eén of MEERDERE antwoorden zijn correct van de vier opties! Met giscorrectie!

    • 1. Waar komt er geen nicotinereceptor voor?

      • A. Bronchiale gladde spier

      • B. Orhtosympatisch zenuwstelsel

      • C. Parasympatisch zenuwstelsel

      • D. Skeletspier

    • 2. Effect van exogene glucocorticoïden. Welkeen juist?

    • 3. Bereken het distributievolume. Gegeven: intraveneuze bolus van 100 mg en log (Co)= 2

      • A. 50000 L

      • B. 1000 L

      • C. 100 kg/L

      • D. 5000 kg/L

    • 4. Welke van de volgende geneesmiddelen geeft een vermindering in de opname van medicatie door een vertraging van de maaglediging?

      • A. Neuroleptica

      • B. Anti-eleptica

      • C. Narcotische anesthetica

      • D. Anxiolytica

Meer exacte vragen weet ik niet meer. Er was nog een vraag over de effecten van beta-blokkers bij poor compliance, ene over de clearance van medicatie bij infuus, ene over welke stoffen een acute dyskinesie kunnen uitlokken; ene over interacties en synergisme van ASA, paracetamol, codeïne, coffeïne... en nog ene over gynaecomastie....

  • mening geven over 5 stellingen.

    • bij welke geneesmiddelen is er plasmacontrole nodig: digoxine/ omeprazole/ coumarines

    • Niet sederende H1 antihistaminica worden gebruikt bij reisziekte.

    • Neostigmine is een allostere modulator en vermindert de spierkracht

  • effecten kort uitleggen

    • lithium mag in combinatie met een NSAID gebruikt worden

    • effect van NSAID (ibuprofen) op een zwangere vrouw

    • effect van haloperidol op blaascontractie.

    • Effect ACE-inhibitoren op hartfalen

    • Effect van opioide analgetice op werking perorale GM

  • Bespreek de (nor)adrenerge synaps en alle geneesmiddelenklassen die hier op inwerken

  • A girl (15) is brought into the ER with the following symptoms: dizziness, headache, flushing, blurred vision, polyuria, polydipsia, attention deficit.

Diabetes mellitus and diabetes insipidus have been ruled out. A medical history reveales the use of dexchlorfeniramine, an antihistamine.

a) Explain the symptoms and give other symptoms related to antihistamines.



b) Give possible indications for the prescription of this drug.

  • For the following drugs, give the working mechanism, receptor class and therapeutical use. For the working mechanism, choose from: irreversible inhibitor, competitive antagonist, non-competitive antagonist, agonist, reuptake inhibitor.

Fentanyl, verapamil (CCB), simvastatin, leptocurare, benzodiazepines, ondansetron, metoclopramide, aspirin, venlafaxine (SNRI), naloxone

  • Right or wrong? Explain

    • a) Xylocain is a good local anaesthetic for a tooth abcess

    • b) TDM is needed for treatment with i) digoxin, ii) coumarins, iii) lithium

    • c) Strong anti-emetics such as ondansetron and domperidone can pass the blood brain barrier

    • d) Varenicline, a drug used in smoking cessation, is an antagonist of the muscarinic acetylcholine receptor

    • e) fluoxetine and erythromycine have no effect on CYP metabolism

  • Welk effect hebben volgende stoffen op de gekozen pathologie? Motiveer :

    • a. D2-agonisten op parkinsonisme door antipsychotica

    • b. codeïne op de ductus botalli bij de ongeboren foetus

    • c. ibuprofen bij hartfalen

    • d. TCA bij urinaire incontinentie

    • e. buvacaïne bij tandabces

  • Kies het(de) juiste antwoord(en) en motiveer :

    • a. H1-antihistaminica X en Y. X is 10x potenter dan Y, maar ze hebben dezelfde effectiviteit. De patiënt moet van Y 200 mg per dag innemen. Bijwerkingen en farmacokinetisch profiel spelen geen rol. Welk van beiden kies je voor de behandeling van hooikoorts?

    • b. Bij het gebruik van paracetamol moeten we rekening houden met volgende risicofactoren :

      • gastro-duodenale ulcus

      • bloeding

      • leverfalen

      • jicht

      • sedatie

    • c. Een kind heeft 2 flesjes van een neusdecongestivum opgedronken. Het hoofdbestanddeel was een alfa adrenerge agonist. Welke effecten kunnen optreden bij het kind :

      • bronchodilatatie

      • tachycardie

      • mydriase

      • hyperthermie

  • Geef van volgende geneesmiddel het werkingsmechanisme, de receptor en therapeutisch effect. Voor werkingsmechanisme kan je kiezen uit : competitieve antagonist, antagonist, agonist, inhibitor, ionenkanaal blokker

    • - cetirizine

    • - risperidone

    • - botulinetoxine

    • - captopril

    • - tubocurarine

    • - ethosuximide

    • - L-DOPA

    • - cortisol

    • - celecoxib

  • welke werkingsmechanismen van ACE-inhibitoren zijn gunstig voor chronisch hartfalen?

  • juist/fout en waarom over TCA: ze werken al na 3 dagen, ze verhogen presynaptische opname NA, niet geven bij glaucoom, ze geven geen sedatie, ze zijn aangewezen bij hartlijden.

  • dosis-responscurve met een aantal lijnen: welke is de meest potente? welke is de meest effectieve? welke kan partieel agonist zijn? welke verschuiving verwachten we bij toevoeging van een competitieve antagonist?

  • Bespreek de GM die inwerken op de cholinerge synaps. Bespreek eveneens de klinische indicaties en nevenwerkingen.

  • CASUS: een tekstje over een kind van 11 jaar dat een operatie moest ondergaan, het kreeg twee GM toegediend odansetron en (weetk nimeer, een da we ni gezien hadde alleszinds) na toediening hebben de artsen dan gezien dat er QT verlenging optreedt, maar ook postoperatief werd deze nog waargenomen, weliswaar wel in mindere mate. Dus er werd besloten dat het kind congenitale QT verlenging heeft, maar dat dit nog niet gediagnotiseerd was en dat odansteron ook QT verlenging bewerkstelligt. BESPREEK (gwn de GM en QT vrlenging bespreken ) (bijvraag: weet je waarvoor de afkorting HERG staat)

  • Een dosis-respons curve met 5 grafieken op van de GABAa receptor:

    • a) welke is de meest potente? wat is de relevantie hiervan?

    • b) welke heeft de hoogste effectiviteit?

    • c) welke grafiek kan van een partieel agonist zijn?

    • d) stel dat B de normale grafiek is en we voegen een postieve modulator toe, welke grafiek bekomen we dan bij stimulatie door GABA?

(bijvraag hierbij was dan ken je een postieve modulator van de GABAa receptor)

  • geef van volgende GM de werkingsmodus, receptorklasse en klinische indicatie: laratidine, haloperidol, colecoxib, sumatriptan, fysostygmine, propranolol, theofylline, captopril, fentanyl en spironolactone

  • Bespreek de geneesmiddelen gebruikt bij allergie (toen we er waren heeft ze dat verandert naar: bespreek de geneesmiddelen gebruikt bij hooikoorts, urticaria, angiooedeem)

  • je kreeg een tekstje over secundaire preventie van CVA. en stond iets in over een sartaan, over aspirine, dipyridamole en clopidogrel. en majeure bloedingen. Je moest dat tekstje bespreken en vooral dus die farmaco termen die erin stonden.

Je moest dus eigenlijk vertellen wat een CVA is, wat secundaire preventie is en wat sartanen en die andere daar mee te maken hebben...

  • stelling

    • a) paracetamol en codeine zijn samen sterker analgetisch dan elks apart

    • b) lidocaine is geschikt voor gebruik als lokaal anesteticum bij operatie van een tandabces

    • c) protonpompinhibitoren hebben een halfwaarde tijd van 1,5 uur en worden meestal slechts 1 keer per 24 uur ingenomen

    • d) bij een depressieve patient die behandelt wordt met indirect werkende sympatomimetica worden IMAO verkozen boven SSRIs

    • e) een addison crisis kan alleen ontstaan bij patiënten die reeds gedurende 6 maanden behandeld worden met glucocorticoïden

    • a) TCAs en anti-epileptica kunnen gebruikt worden bij de behandeling van neuropatische pijn

    • b) In de gladde spier van de bronchi vindt met B2 en nicotinereceptoren

  • Bespreek geneesmiddelen bij Parkinsonisme, werkingsmechanisme en nevenwerkingen.

  • Tekst waarin je voornamelijk moest bespreken: exogene nitraten en Botuline toxine.

  • Bespreek kort (Juist/fout):

    • thiaziden, lisdiuretica en digoxine zorgen allemaal voor hypokaliemie

    • Een depresieve bejaarde, ga je deze TCA geven

    • noch haloridol, noch spironolactone kunne gynecomsatie geven

    • sedatie van een indirect GABAa agonist is een typische A nevenwerking

  • bespreek mogelijke interacties

    • fenytoine + fenylbutazone

    • aldronaat + calciumsupplementen

    • orale anitconceptie + sint-janskruid

    • anti-acida + tetracycline

    • Ca supplementen en alendronaat

  • Bespreek geneesmiddelen en nevenwerkingen bij Parkinson.

  • epilepsie : geef de mogelijkheden om GABA te verhogen om zo epilepsie tegen te gaan

  • patiënt neemt lithium: wat heeft die patiënt? Deze patiënt krijgt aanval van reumatoïde artritis wat zijn de geneesmiddelen hiervoor en is er interferentie met lithium. Wat kan in dit geval gedaan worden.

  • kleine vraagjes (van wat ik mij herinner tenminste)

    • -wat gebeurt er met de stolling als je vitamine k antagonist toevoegd aan proefbuisje met vers bloed

    • -wat gebeurt er als je IMAO en indirect sympatomimeticum combineert

    • -ASA is aangewezen product tegen koorts bij kinderen met virale infectie? juist of fout?

    • -lisdiuretica worden ter behandeling van longoedeem best parenteraal toegedient? Juist of fout

    • -neuroleptica, TCA en domperidone zijn drempelverhogend voor epileptische aanvallen? juist of fout

    • -naloxone kan toegediend worden aan de pasgeboren baby van een heroine verslaafde moeder?

  • Anti-epileptica: welke zijn de 4 mechanismen? Geef voorbeelden van GM die werken via deze mechanismen en hun belangrijke farmocokinetische eigenschappen.

  • Patiënt met al jaren myasthenia gravis komt toe op spoed met sterke spierzwakte. Waarom is Edrofonium beter dan Atropine om het verschil duidelijk te maken tussen een myasthene crisis (te weinig Ach) en een cholinerge crisis (te veel Ach).

  • Juist of fout?

    • - Vers bloed in een proefbuis: Vitamine K antagonisten beïnvloeden de stolling niet.

    • - Behandeling van delirium tremens: BDZ kunnen gebruikt worden omdat ze binden op de ethanol-bindingsplaats op de GABA-A receptor.

    • - Bij lang gebruik van aspirine, metoprolol, een BDZ en morfine is plots stoppen tegenaangewezen.

    • - Nifedipine, prazosine (alfa1 antagonist), verapamil en nitroglycerine geven allen tachycardie.

    • - Bij een hartpatiënt verkiest men eerder geen TCA voor de behandeling van depressie.

  • Welk van de twee GM wordt verkozen in de volgende omstandigheden?

    • - Acute dystonien door neuroleptica: centraal-werkend anticholinergicum of centraal-werkende D2-R agonist

    • - Slokdarmulcus en osteoporose: strontiumranelaat of alendronaat

    • - Baby van heroïne-verslaafde moeder: morfine of naloxone

    • - pH van een weefsel is 6: lokaal anestheticum met pKa= 8 of 9

    • - behandeling van depressieve patient die indirect-werkende symptathomimetica neemt: IMAO of SSRI

  • bespreek de autonome effecten van morfine. Vergelijk met Pentazocine

  • casus: artikel over een vrouw met diabetes en manie, waarbij ze een behandeling probeerden te vinden. Enkele dingen om te bespreken die erin stonden: bipolaire stoornis, lithium, anti-epileptica, benzodiazepines. Niet alle namen van geneesmiddelen die erin stonden hadden we gezien, maar bij sommige was het wel af te leiden uit de naam (bvb -zepine, lijkt op carbama-zepine, dus wrs ook wel een anti-epilepticum enzo).

  • Een lijst met geneesmiddelennamen, waarbij je moest invullen hoe ze werkten (antagonist, agonist, irreversiebele ionenkanaalblokker, ...), volgens welke receptorklasse (5HT3, GABAa, ...) en voor wat ze gebruikt werden. De voorbeelden die ik nog weet: simvastatine, ondansetron, benzodiazepines, verapamil, metoclopramide, fentanyl, ...)

Het waren 10 a 15 naampjes

  • Juist/fout (+uitleg geven waarom)

    • -Spironolactone en neuroleptica geven beide gynaecomastie (is juist, blijkbaar heeft spironolactone een steroidstructuur)

    • -furosemide geef je best parenteraal bij acuut longoedeem (wist ik niet, maar staat wel ergens in de cursus)

    • -paracetamol is gecontraindiceerd bij personen met voorgeschiedenis van maagzweren (fout, want remt cox1 veel minder, dus geen problemen da het prostaglandines inhibeert)

    • -lidocaine is een geschikt lokaal anestheticum bij tandabces (fout, want door abces veel te zure pH, moleculen vooral geioniseerd, gaan dus ni over membraan, en dus niet werkzaam!)

  • -glucocorticoiden bevorderen de wondheling doo rhun anti-inflammatoir effect (fout, want voor wondheling heb je eiwitten/spieren nodig, en neveneffecten van glucocorticoiden zijn net dat er minder aanmaak is enzo). Leg de effecten uit:

    • a. Ibuprofen => ductus botalli bij ongeboren baby

    • b. Carbidopa => nausea door L-DOPA

    • c. Dopamine => cardiogene shock

    • d. Propanolol => glycemiecontrole

    • e. Haloperidol (neurolepticum) => uteruscontractie

    • 4. Verklaar de interacties wanneer er zijn:

    • a. Ibuprofen en Li-zouten

    • b. Morfine en buprenorfine

    • c. Fenytoïne en fenylbutazone

    • d. Aldronaat en Ca-supplementen

    • e. (waren er 5, maar er is eentje weg gevallen)





Dovnload 32.62 Kb.