Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Niet-respiratorische functies van het ademhalingsstelsel

Dovnload 190.65 Kb.

Niet-respiratorische functies van het ademhalingsstelsel



Pagina2/4
Datum05.12.2018
Grootte190.65 Kb.

Dovnload 190.65 Kb.
1   2   3   4

° impactie : partikels worden "gevangen" (Eng. : trapped) door het kleverig oppervlak, gevormd door de slijmlaag van de bovenste luchtwegen

° sedimentatie : geleidelijke afzetting van kleinere partikels t.g.v. hun massa, verminderde luchtsnelheid, kleinere diameter van de luchtwegen en plotse veranderingen in stroomrichting van de lucht ; vindt plaats in de kleinere luchtwegen, terminale en respiratoire bronchiolen inbegrepen

° diffusie : "at random" beweging van zeer kleine partikels door voortdurende botsing met gasmoleculen, op bepaald ogenblik gevolgd door afzetting tegen de wand


° een groot deel van de kleine partikels (0,5 μm) worden niet afgezet , maar weer uitgeademd ; tijdens hun transport door de luchtstroom kunnen ze groter worden bvb. door aggregatie of opname van water en daardoor een neiging tot afzetting gaan vertonen
(2) wijze van afzetting is afhankelijk van de ventilatiesnelheid :
° bradypneu (trage en diepe ademhaling) : vergemakkelijkt het diep doordringen van partikels tot in de kleinere luchtwegen en de afzetting ervan door sedimentatie en diffusie

° tachypneu (snelle ademhaling bvb. bij fysische inspanning) : bevordert afzetting van partikels door impactie




        1. Clearance van afgezette partikels.

kan gebeuren via twee verschillende mechanismen :




  1. mucociliair transportsysteem : omvat twee elementen nl. de mucus- of slijmlaag en de ciliën (voortstuwingsmechanisme) :

° mucus :

  • bescherming van de luchtwegen tegen uitdroging

  • slijmerige en kleverige laag bestaande uit water, proteïnen en bronchiale mucoproteïnen ; in feite kunnen twee laagjes onderscheiden worden : een oppervlakkige visceuze gellaag die vnl. de partikels gaat vasthouden en een onderliggende waterige periciliaire laag (Eng. : sol layer) die weinig visceus is en waarin de ciliën zich vlot heen en weer kunnen bewegen

  • afkomstig van plasmatranssudaat, sereuze en muceuze secretie door klieren uit de lamina submucosa van de wand van de bronchen en secretie door cellen uit het oppervlakte-epitheel van de bronchen (sereuze cellen, slijmbekercellen en Clara-cellen)

  • beïnvloeding van de secretie : sereuze en muceuze kliercellen staan onder controle van de parasympathicus : anticholinergica (bvb. atropine) verminderen de secretie, cholinergica (bvb. pilocarpine) en stimulatie van de n.vagus verhogen de secretie, sympathicomimetica (bvb. isoproterenol) gaan bij kat en hond de grootte van de klieren en het aantal secreterende cellen doen toenemen ; mucolytica (bvb. acetylcysteïne) verbreken de disulfidebruggen van de mucoproteïnen en verminderen daardoor de viscositeit (taaiheid) van het slijm

  • wordt ter hoogte van de keelholte (onbewust) ingeslikt

° ciliën :

  • de luchtwegen worden afgelijnd door een ciliair epitheel, behalve ter hoogte van de alveolen, de respiratoire bronchiolen, de stembanden, de epiglottis, de oropharynx, de amandelcrypten, de olfactorische zone en de zone tussen het rostraal uiteinde van de neusschelpen en de neusopeningen

  • bewegen continu en gesynchroniseerd aan een ritme van ongeveer 10 tot 20 maal / sec

  • voorwaartse slag : snel, met de punt raken ze hierbij de onderkant van de gellaag en stuwen deze voort in de richting van de mondholte

  • achterwaartse slag : trager, vindt enkel plaats in het waterige laagje

  • sympathicomimetica verhogen de ciliënactiviteit terwijl parasympathicomimetica de activiteit verminderen




  1. alveolaire macrofagen :

° afkomstig uit het bloed (monocyten) of ter plaatse gevormd door mitose van rijpe macrofagen in het interstitium

° aantal (106 / gram longweefsel); hun fagocytose- en bactericide-werking wordt beïnvloed door verschillende factoren :



  • toename door antioxidantia, immunologische factoren (IgA, IgG, complementfactoren C3a en C4a, lymfokinen van de T-lymfocyten) en koolstof

  • vermindering door virale infecties, dehydratatie, afkoeling, hypoxie, metabole acidose (bij vasten), uremie, oxiderende gassen (O2, O3, SO2 en NO2) en stoffen die het cAMP doen toenemen (ethanol, histamine, methylxanthine, prostaglandine E, cholera endotoxine, β-sympathicomimetica en glucocorticoïden)

° opname van grote hoeveelheden inorganische partikels (silicaat, asbest, glasvezel) vernietigt de macrofaag : ze veroorzaken het vrijstellen van de lysosomen uit de macrofagen en brengen zo een ontstekingsreactie op gang die leidt tot longfibrose

° opgenomen bacteriën worden onmiddellijk gedood dankzij een zeer snelle synthese van waterstofperoxide en een vrije radicaal van superoxide ter hoogte van de macrofaagmembraan ; ook de lysosomen en bepaalde proteïnasen (plasminogeen activatoren) dragen bij tot de bactericide werking van de macrofagen

° na opname van de vreemde partikels migreren de macrofagen naar de bronchen, waar ze worden afgevoerd via het mucociliair transportsysteem, of verlaten ze de longen via het lymfestelsel of eventueel via de bloedbaan ; macrofagen die overladen zijn of geladen met toxische stoffen migreren naar het interstitium : de geïnactiveerde partikels blijven in de longlymfeknopen of komen via de bloedbaan in milt, lever en subpleurale ruimten terecht

° halfwaardetijd is 4 dagen (in vivo)




        1. Immunologische reacties.

Ter hoogte van de longen bestaat een speciaal plaatselijk immuunsysteem, het BALT (bronchus-associated lymfoid tissue), dat het primair verdedigingsmechanisme, de macrofagen, kan ondersteunen. Het is een cellulair en humoraal mechanisme en bestaat uit leucocyteninfiltratie, complementsysteem en chemische mediatoren (leucostatische factoren, lymfokinen en lymfocyt factoren) : zie verder cursus immunologie.




      1. Niet-respiratorische functies van het pulmonair interstitium.

° bevat collageen- en elastinevezels en omvat zo'n 40% van het totale aantal cellen in de longen

° ter hoogte van de bronchen bevat het interstitium lymfevaten, ter hoogte van de alveolen vervult het los collageen bindweefsel deze functie

° sommige cellen bevatten contractiele proteïnen : kunnen de alveoli doen samentrekken en plooien vormen in de capillairwand waardoor de bloedvloei vertraagt (verandering van ventilatie/perfusie-verhouding)

° dysfuncties van het interstitium :


  • longfibrose : overmatige productie van (gewijzigd) collageen met als gevolg verhoogde rigiditeit van het longweefsel, waarschijnlijk veroorzaakt door lymfokinen uit T-lymfocyten

  • longemfyseem : verlies van elasticiteit, verminderde weerstand tegen rek en vernietiging van de alveolen, waarschijnlijk veroorzaakt door een overproductie aan proteolytische enzymen (collagenase en elastase) door longmacrofagen en neutrofielen of t.g.v. een deficiënt enzyme (α1-antitrypsine) waardoor het evenwicht tussen de synthese en de lyse van de proteïnecomponenten van de collageen- en elastinevezels verstoord is

  • longemfyseem en interstitieel oedeem : melkzuurbacteriën in het rumen zetten het L-tryptofaan uit groenvoer om in indolazijnzuur en 3-methylindol (3 MI), die beide in de bloedbaan worden opgenomen ; in de longcirculatie wordt het 3 MI door de Clara-cellen omgezet in een pneumotoxische metaboliet : die veroorzaakt lyse van de pneumocyten type II en doet het aantal macrofagen en neutrofielen in de alveolen (overmaat aan elastase) toenemen ; tenslotte veranderen type I-cellen in gehypertrofieerde type II-cellen en vermindert de productie van longsurfactant (opm. : 3 MI uit weelderig gegroeid weidegras of 4-ipomeanol uit beschimmelde zoete aardappel zijn twee plantsubstanties die toxisch zijn voor rundvee)




      1. Metabole activiteiten van het respiratoir weefsel. (fig. 2.6)

° de longen fungeren als een metabole filter voor het passerende veneuze bloed en beschermen zo de hersenen en het hart tegen mogelijke schade door chemische substanties en dit dankzij :



  • het grote oppervlak van de alveolocapillaire membraan

  • de grote hoeveelheid bloed die als een dunne film doorheen de capillairen stroomt

  • de grote verscheidenheid aan enzymen geproduceerd door de endotheelcellen van de respiratoire membraan

° werkingsmechanismen :

  • enzymen aan het oppervlak van de longendotheelcellen kunnen zeer snel Ang I, kinines (bvb. bradykinine) en AMP, ADP en ATP hydrolyseren

  • sommige substanties uit het bloed worden herkend door en gebonden aan membraanreceptoren van de endotheelcellen en door actief transport in het cytoplasma gebracht waar ze anabole (vorming van cAMP uit ATP) of katabole (serotonine, noradrenaline, PG's E en F) reacties ondergaan

  • de endotheelcellen elimineren sommige PG's (A en F) en synthetiseren zelf PGI2 en PGE2 : de synthese van het PGI2 (inhibitor van bloedplaatjesaggregatie) is belangrijk om een goede vloeibaarheid van het bloed in de longen te garanderen

  • de endotheelcellen produceren het tromboplastine (belangrijk bij het beperken van longbloedingen)

  • de endotheelcellen dragen bij tot de metabolisatie van chylomicronen door de werking van lipoproteïne-lipasen (chylomicronen komen in de longen terecht via de ductus thoracicus en het gemengde veneuze bloed)

  • zenuwuiteinden ter hoogte van de longen produceren het neuropeptide vasoactief intestinaal peptide (VIP : relaxatie van glad spierweefsel in de wand van de luchtwegen) en substantie P (omgekeerd effect)




    1. Mechanica van de respiratie.




      1. Fysica van de respiratiecyclus : inspiratie en expiratie.




        1. Ademhalingsmechanisme (fig. 2.7, 2.8 en 2.9.a).

° gasuitwisseling in de alveolen is enkel mogelijk wanneer er verschillende drukken in dit gebied werkzaam zijn. Bij inademing moet de druk in de alveolen (intrapulmonale druk : Ppulm) lager zijn dan de atmosferische druk van buitenaf, terwijl er bij expiratie een omgekeerd drukverschil moet zijn. Stelt men de atmosferische druk gelijk aan nul, dan heeft Ppulm bij inspiratie een negatieve waarde en bij expiratie een positieve waarde. Dit kan worden bereikt door vergroting van het longvolume tijdens het inademen en verkleining ervan tijdens het uitademen.

° elementen die werkzaam zijn bij het ademen :

INSPIRATORISCH werkzaam :



  • middenrif of diafragma (koepelvormige spier die scheiding vormt tussen borst- en buikholte) : neerwaartse beweging (afplatting) van deze spier verlaagt de intrathoracale druk en doet de intra-abdominale druk toenemen (opm. : bij het paard verplaatst deze spier zich over een afstand van 20 cm bij normale AH, maar dit kan gaan tot 80 cm bij diepe respiratie !)

  • buitenste tussenribspieren (mm. intercostales externi) : verlopen schuin (ventrocaudale vezelrichting) van de achterrand van een rib naar de voorrand van de volgende rib ; bij contractie trekken ze de ribben naar craniaal en dorsaal m.a.w. ze doen de borstkas uitzetten

EXPIRATORISCH werkzaam :

Opm. : bij de meeste diersoorten is uitademing een passief proces t.g.v. de elastische "terugslag" van de longen en de ribben (terugkeer naar rustpositie). Dit passief proces kan ondersteund worden door actieve medewerking van volgende spieren :



  • abdominale spieren (buikpers) : contractie verhoogt de intra-abdominale druk en duwt zo het diafragma craniaalwaarts

  • inwendige tussenribspieren (mm. intercostales interni) : vezelverloop loodrecht op dit van de uitwendige tussenribspieren ; bij contractie trekken ze de ribben naar ventraal en caudaal m.a.w. ze verkleinen de ruimte binnen de borstkas

Actieve ondersteuning van de expiratie gebeurt bij :

  • het paard : naar het einde van de uitademingsbeweging toe (idem voor inademen : begin = passief proces, dat nadien actief ondersteund wordt door spierwerking !)

  • fysische inspanningen

  • "geforceerde" bewegingen bvb. hoesten, braken, defaeceren

° de hierboven beschreven in- en expiratiebewegingen van diafragma en ribben moeten door de longen gevolgd kunnen worden maar tegelijk moeten de longen binnen deze ruimte vrij beweeglijk blijven : dit kan doordat de borstholte en de structuren die erin gelegen zijn afgelijnd zijn door een dubbelbladig borstvlies of pleura (pleura pulmonalis op de longen en pleura parietalis tegen de borstwand aan). Tussen beide bladen bevindt zich een virtuele ruimte ((intra)pleurale of intrathoracale ruimte ; 5 tot 10 μm bij de kat), gevuld met een dunne laag vloeistof (ongeveer 2 ml). Deze vloeistoffilm :

  • zorgt voor adhesie tussen de beide pleurabladen

  • laat glijdende bewegingen toe van de longen binnen de borstholte

  • zorgt dat de longen t.g.v. de aanzuigende kracht (intrapleurale druk of intrathoracale druk : Ppl) tegen het binnenoppervlak van de borstholte aan blijven "kleven" (zie verder 2.2.1.2.)




        1. Subatmosferische druk binnen de pleuraruimte (fig. 2.9.b).

° de elastische terugslagkracht (Eng. : elastic recoil pressure) van de ribben, die de neiging heeft de ribben naar buiten te doen veren, en deze van de longen die de neiging heeft de longen te doen collaberen, zijn met elkaar in evenwicht en creëeren daarbij een subatmosferische (intra)pleurale druk (Ppl) m.a.w. in de borstholte heerst een vacuum waardoor de longen dilateren en de ribben inwaarts getrokken worden.

° bij inspiratie daalt de Ppl (van ongeveer -2,5 tot -6 mm Hg) door het uitzetten van de ribben ; de longen worden gedwongen om (nog meer) uit te zetten en daardoor luchtinstroom (tidaal volume) toe te laten

° bij expiratie keert de Ppl terug naar zijn initiële waarde (van -6 mm Hg terug naar -2,5 mm Hg), waardoor ook de longen naar hun rusttoestand terugkeren




      1. Pulmonaire ventilatie. (fig. 2.10.a en 2.10.b)

° tidaal volume (VT) : het volume lucht dat bij elke inspiratie in de longen terechtkomt (VTI) (of het volume lucht dat bij elke expiratie de longen verlaat : VTE)

° ademminuutvolume (V°) : tidaal volume vermenigvuldigd met ademhalingsfrequentie f (AH/min) :

V° = VT x f (l/min)

° ademhalingsfrequentie vertoont een omgekeerde correlatie aan lichaamsmassa : f = 70 x kg 0,25 ; tidaal volume is rechtevenredig met lichaamsmassa : VT = 7,69 x kg 1,04 (ml) ; VT wordt geschat op 10 ml/kg bij kleine huisdieren en op 8 ml/kg bij grote dieren

° inspiratorisch reservevolume (IRV) : de extra hoeveelheid lucht die, door maximale inspanning te leveren, kan ingeademd worden bovenop het normale ademvolume (dat bij rust wordt ingeademd)

° expiratorisch reservevolume (ERV) : de extra hoeveelheid lucht die, door maximale inspanning te leveren, kan uitgeademd worden bovenop het volume bij normale (passieve) uitademing

° residueel of restvolume (RV) : volume lucht dat nog in de longen achterblijft na maximale uitademing

° functionele residuele capaciteit (FRC) : hoeveelheid lucht die na normale uitademing in de longen achterblijft (FRC = ERV + RV ; komt overeen met het "elastisch evenwichtsvolume" waarbij expiratiebeweging beëindigd is en de inspiratiebeweging begint) ; FRC is proportioneel groter bij grote dan bij kleine dieren : dit zou helpen bij het opvangen van schommelingen in alveolair en arterieel zuurstofgehalte tijdens de ademhaling

° dode ruimte (dood volume : VD) : totale holle ruimte die wel dient voor de geleiding van de lucht maar waar geen gasuitwisseling plaatsvindt (nodig voor zuivering, opwarming en bevochtiging van de lucht)

° expiratoire capaciteit : EC = VT + ERV ; inspiratoire capaciteit : IC = VT + IRV

° vitale capaciteit (VC) : maximale hoeveelheid lucht die kan uitgeademd worden na maximale inademing : VC = IRV + VT + ERV



° totale longcapaciteit (TLC) : som van alle volumina : TLC = RV + ERV + VT + IRV
° Tabel : f, VT, V° en FRC bij verschillende diersoorten


diersoort

massa (kg)

f (AH/min)

VT (ml/kg)

V° (l/min/kg)

FRC (ml)

kalf

155

25

9,7

0,24

3400

koe

490

30

7,3

0,22

15000

geit

32

19

9,7

0,18




cavia

0,52

90

7,4

0,64

4,8

paard

475

12

14,1

0,17

18000

lam (neonat)

4,4

50

10

0,5




varken

30

26

9,2

0,24




big

1,2

36

11,7

0,42




pony

274

24

9,9

0,24




konijn

2,4

39

6,6

0,26

11,3

schaap

42

19

8,2

0,16

1350

° opmerkingen :



  • de alveolaire diameter (maar niet het longvolume) is omgekeerd gecorreleerd aan de metabolismesnelheid : hoe hoger het metabolisme, hoe kleiner de alveolaire diameter, hoe groter de uitwisselingsoppervlakte

  • na unilaterale pneum(on)ectomie bij pups en konijntjes van 10 weken groeit de overblijvende long uit tot ze ongeveer hetzelfde volume en dezelfde massa heeft als beide longen samen van de controledieren, en dit vnl. door alveolaire proliferatie (en niet zozeer door vergroting van de alveolen) : hierdoor verandert TLC niet functioneel, maar RV en FRC nemen toe vanwege de vormverschillen tussen long en thorax




      1. Fysica van het ademen.




        1. Luchtsnelheid en luchtwegresistentie (fig. 2.11).

° de luchtwegen bestaan uit een reeks steeds verder vertakkende buizen ; de totale oppervlakte bij dwarse doorsnede neemt sterk toe van craniaal (conductiezone) naar caudaal (respiratiezone)

° bij inspiratie neemt de luchtsnelheid steeds verder af naarmate de luchtwegen kleiner worden (divergente luchtstroom) en dit vanwege het steeds toenemend aantal vertakkingen (lucht wordt verdeeld over steeds toenemend aantal buisjes ; luchtstroom wordt laminair) ; ter hoogte van de respiratiezone is de luchtsnelheid zeer traag, wat efficiënte gasuitwisseling toelaat

° bij expiratie neemt de luchtsnelheid steeds verder toe (convergente luchtstroom) en wordt daardoor turbulent (ter hoogte van grote bronchen en trachea)

° luchtwegresistentie (Eng. : airway resistance : Raw = perifere (Rp) en centrale (Rc) luchtwegresistentie) is afhankelijk van longvolume en luchtsnelheid ; situeert zich vnl. in de bovenste luchtwegen (nasopharynx, glottis, trachea, grote bronchen) ; enkel extreme constrictie van de kleinere luchtwegen kan daarom Raw doen toenemen (bvb. ozon, stikstofdioxide, rook, histamine, verouderingsprocessen, opstapeling van secreties zoals bij bronchiolitis en allergie)

° parasympathische stimulatie verhoogt Rp meer dan Rc ; sympathicusactiviteit beïnvloedt ook vnl. Rp ; adrenerge stimulatie maakt de gladde spiercellen minder gevoelig aan de constrictie-uitlokkende cholinergica en heft zo een deel van de toename in Rp op t.g.v. vagusstimulatie ; propranolol maakt de gladde spiercellen extra gevoelig voor de werking van parasympathische constrictoren en verhoogt aldus het effect van vagale stimulatie ; histamine heeft een constrictorisch effect op de uiterst perifere luchtwegen (verhoging Rp).




        1. Volume-drukcurve van de longen en longcompliance (fig. 2.12 en 2.13).

° meet men bij verschillende thoraxstanden (d.w.z. bij verschillende volumina lucht in de longen : Vpulm) de bijhorende intrapulmonale druk (Ppulm) dan kan hierbij een statische volume-drukcurve = rustrekkingscurve van longen en thorax getekend worden : gemeten onder statische rustomstandigheden (bij elke meting worden luchtwegen van buitenwereld afgesloten en ademhalingsspieren zijn ontspannen) is deze curve een bijna rechte lijn, waarvan de steilte de statische “compliance” van longen en thorax weergeeft, dit is een maat voor het gemak of de soepelheid waarmee de longen of de thorax kunnen uitzetten (mate van volumetoename bij bepaalde drukstijging) en dus tegelijk de reciproke waarde van de elasticiteit ; op elk punt van de curve is de compliance : dVpulm/dPpulm (ml/cm water/kg LG)

° wordt de rekkingscurve tijdens het ademen gemeten, dan krijgt men een dynamische volume-drukcurve. Hierbij treden echter bij inademing en bij uitademing verschillende waarden op waardoor een lus (Eng. : hysteresis loop) in het diagram ontstaat : bij eenzelfde Ppl is er een groter volume lucht in de longen aanwezig tijdens expiratie dan tijdens inspiratie. Dit is het gevolg van twee factoren :


  • weefselelasticiteit (elastine- en collageenvezels in interstitieel bindweefsel en in de wand van luchtwegen en van bloedvaten)

  • oppervlaktespanning = kracht waarmee een oppervlak zijn grootte tracht te verkleinen ; ontstaat aan het grensvlak tussen gas en vloeistof m.a.w. in de alveolen tussen lucht en surfactant ; bij kleiner worden van de alveolaire diameter tijdens expiratie moet de oppervlaktespanning ook afnemen, zoniet zouden de alveolen collaberen cfr. Wet van Laplace : P = 2 T / R, waarbij P = druk nodig voor distentie, T = oppervlaktespanning en R = straal van de sferische structuur (in dit geval : de alveole)

° afwezigheid van longsurfactant leidt tot hoge oppervlaktespanning in de alveolen en daardoor tot collaps (longatelectase) bvb. bij hyaliene membraanziekte (neonatal respiratory distress)

° de dynamische longcompliance (CLdyn) is verminderd bij "stijve" longen t.g.v. toegenomen veneuze druk in de longen (grotere hoeveelheid bloed in de longen), alveolair oedeem, longatelectase en longfibrose ; CLdyn neemt toe bij veroudering en bij longemfyseem.


      1. Evaporatieve koeling. (fig. 2.14.a-b)

° naast gasuitwisseling heeft de ademhaling ook een functie bij de afgifte van (overtollige) warmte (bij schaap, rundvee, varken en hond) : dit gebeurt door het snel vervangen van de warme, vochtige verdampingslucht door verse , frisse lucht ter hoogte van de bovenste luchtwegen (neus- en mondholte) (verdamping = verbruik van warmte !)

° bij herkauwers en varken gebeurt het snel en ondiep hijgen (met gesloten muil) door diafragma-activiteit ; bij intense hitte wordt bij herkauwers dit snelle hijgen voorafgegaan door trager en dieper hijgen met geopende muil

° bij hitte-overlast gaat het schaap eerst hijgen aan een frequentie van 150 tot 180 AH/min : dit snelle hijgen wordt wel afgewisseld met korte periodes van normale ademhaling (aantal periodes van snel hijgen neemt toe bij toenemende hitte). Tijdens het hijgen is het tidaal volume klein (ongeveer 50 ml) maar voldoende voor alveolaire ventilatie (normale hoeveelheden zuurstof en koolstofdioxide ter hoogte van de alveolen ; enkel de ventilatie van de dode ruimte neemt toe). Bij toenemende hitte wordt het hijgen trager en dieper en gebeurt met open muil : het evaporatief warmteverlies is maximaal maar dit gaat ten koste van de alveolaire PCO2 (daalt), zodat alkalose (alkalemie) ontstaat.

° bij hitte-overlast gaat de hond hijgen , waarbij de ingeademde lucht langs de neus en de uitgeademde lucht bij voorkeur langs de muil passeert ; er wordt geen extra hitte geproduceerd door spierarbeid daar het hijgen gebeurt bij de resonantiefrequentie van longen en thorax d.w.z. longen en thorax zetten uit en contraheren dankzij hun elastische capaciteiten en dus met een minimum aan arbeid.

1   2   3   4

  • Mechanica van de respiratie

  • Dovnload 190.65 Kb.