Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Nieuwe wegen tot geloven

Dovnload 0.64 Mb.

Nieuwe wegen tot geloven



Pagina1/14
Datum25.04.2019
Grootte0.64 Mb.

Dovnload 0.64 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14


Zo gij niet wordt

als kinderen


NIEUWE WEGEN TOT GELOVEN

Irmgard Kuhlmann

Uitgeverij De Ster
Oorspronkelijke titel: So Ihr nicht werdet wie die Kinder... Neue Wege zum Glauben, door Irmgard Kuhlmann, Uitgegeven door Lorber Verlag, 7120 Bietig­heim, BRD, © 1977.
Vertaling: Lua Schram-Ruiter

Copyright © 1995 Uitgeverij De Ster


ISBN 9065560653 NUGI 632
Uit deze uitgave mag uitsluitend iets verveelvoudigd, opgeslagen in een geautoma­tiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotocopie, microfilm, opnamen of op welke andere wijze ook, hetzij chemisch, electronisch of mechanisch, na voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Any part of this book may only be reproduced, stored in a retrieval system and/or transmitted in any form, by print, photoprint, recording or other means, either chemie, electronic or mechanic, with the written permission from the publisher.


INHOUD
Voorwoord bij de vertaling
Voorwoord
Deel 1. Wegen tot geloof
1. Reformatie vanuit de eeuwigheid

2. De ziel

3. Lucifer

4. Adam


5. De zondvloed

6. Christus - De aardse weg

7. Gelijkenissen

8. De nood als leermeester

9. Bewoners van andere werelden

10. Naastenliefde

11. De wederkomst van Christus

Deel 2. God in het leven van alle dag
1. Huwelijksnood

2. Dood en hiernamaals

3. Karma en wedergeboorte

4. Spiritualisme en parapsychologie

5. Rijkdom en armoede

6. Gevangenschap

7. Oorlog en geweld

8. Volkeren en religies

9. De onzichtbare wereld
Onze aarde
Nog eens Lucifer
Literatuur


TITELAFKORTINGEN
GJE = Het grote Johannes Evangelie (11 delen)

HG = Die Haushaltung Gottes (3 delen)

AM = Aarde en Maan

JJ = De jeugd van Jezus

Hi = Himmelsgaben (3 delen)

BM = Bisschop Martinus

HH = Von der Holle bis zum Himmel (2 delen)

Sa = Der Saturn

NS = Die naturliche Sonne

GS = Die geistige Sonne

LGh = Lebensgeheimnisse

SGh = Schbpfungsgeheimnisse




VOORWOORD BIJ DE VERTALING
Waarom was er in mij een sterke innerlijke aandrang om dit boekje van Irmgard Kuhlmann te vertalen? Ik ben, zoals men dat pleegt te zeggen, in de kerk grootgebracht en wist dat ik volgens het eerste en grote gebod God boven alles moest liefhebben.

Maar had ik Hem wel boven alles lief?! Wie was Hij? Hoe kun je iemand boven alles liefhebben? Liefhebben omdat het moet of uit angst is geen liefhebben! Liefhebben doe je met je hele wezen, zoals er ook staat: `met geheel uw hart, met geheel uw ziel, met geheel uw verstand en met alle kracht'.

Dat wil dus zeggen: die liefde vervult je helemaal. En daar zat nu mijn probleem. Zo had ik God beslist niet lief; dat kon ik niet. God... hoog verheven in de hemel, weliswaar in Christus tot ons neergedaald, maar toch... Een Vader van Zijn kinderen... Maar wie waren Zijn kinderen? De kerkmensen? En de mohammeda­nen, boeddhisten en heidenen dan? Daar moesten we dan maar niet aan denken en dat aan God overlaten. En mijn kind dan, als dat niets van Hem wilde weten? Ik kwam er niet uit en ik wilde Hem toch zo graag boven alles liefhebben, want dat was voor mij toch het beste wat er was, het enige wat houvast zou geven in deze wereld waarin alles vergankelijk was. Ik weet nu, dat God allen, die Hem werkelijk boven alles willen liefhebben, voor wie dat het allerbelangrijkste in hun leven is, langs wegen leidt, waarin men Hem leert zien als de eeuwig liefdevolle Vader, die al Zijn schepselen wil omvormen tot Zijn kinderen. Dan is het geloof niet meer een blind aannemen van wat je moet doen en laten, maar dan maakt God ons alles volkomen duidelijk, omdat Hij Zich in Jezus Christus aan ons bekend maakt als de eeuwige Liefde. Zouden wij één van onze kinderen, omdat het door een karakter­eigenschap steeds weer slechte dingen doet, voor altijd van ons kunnen stoten? Misschien zou er zo'n aardse vader of moeder zijn, maar de liefdevolle Vader in de hemel zal Zich eeuwig met Zijn dwalende kinderen bemoeien, totdat het zal zijn één kudde en één herder!

Daarom moeten we worden als een kind, ons hart laten spreken, er als een kind op vertrouwen dat Hij alles zal doen medewerken ten goede voor degenen die Hem liefhebben. Dan zal Hij ons hart verlichten door de vlam van Zijn liefde, zodat wij Hem herkennen in Zijn liefde. God liefhebben is in de eerste plaats een zaak van het hart en niet van het verstand en als het verstand wordt verlicht door de vlam van de liefde in het hart, dan zullen we Hem boven alles kunnen liefhebben en dan zal Hij Zich aan ons openbaren en zullen we Hem kennen, zoals Hij gekend wil zijn, namelijk als de eeuwige Liefde, als de goede Herder, die zegt: Ik ken de Mijnen en de Mijnen kennen Mij.

Om Hem te vinden kunnen we ook veilig alle dingen onderzoe­ken, zoals de apostel Paulus ons opdraagt. Want we zoeken dan immers het goede en het goede zullen we dan ook behouden! Alles wat zich aan ons presenteert zullen we veilig kunnen onderzoeken. We zullen feilloos weten vanuit ons verlichte hart, wat werkelijk van God is en wat valse profeten zijn, want het is Zijn licht waardoor wij ons dan als kinderen laten leiden. `Ik ben het Licht der wereld', zegt Jezus en Hij wil in ons hart wonen. Feilloos zullen we het goede van het slechte en het ware van het valse leren onderscheiden. Daarbij blijft de Bijbel Zijn onveranderlijk Woord tot in eeuwigheid. We zullen die Bijbel dan niet meer lezen als dode letters, maar het levende woord daarin kunnen vinden. We zullen dan kunnen leven! Dit boekje van Irmgard Kuhlmann kan en wil een wegwijzer zijn bij het zoeken naar de levende God. Voorwaarde voor het vinden van God is echter wel, dat er een werkelijk zoeken aanwezig is! Laat u daarbij leiden als een kind.
O Abba, mijn Vader!
Lua Schram


VOORWOORD
Dit boek behandelt de bijna hopeloos lijkende religieuze situatie van onze tijd. Het geeft een heel persoonlijk getuigenis en probeert een weg te wijzen, hoe aan het ongeloof van tegenwoordig het hoofd zou kunnen worden geboden. De aanleiding tot het schrij­ven was het enige tijd geleden verschenen boek van een katholiek theoloog, welk boek je zou kunnen beschouwen als een uitbeel­ding van de pogingen van veel geestelijken om, tegen de vastge­stelde normen en dogma's in, nieuwe wegen te bewandelen en een dringend noodzakelijke reformatie van de starre structuren van de kerk door te voeren. Men maakt echter gebruik van wereldse geleerdheid en redeneerkunst om daarmee het zieke lichaam, dat christendom heet, levendiger en gezonder te maken; dit boek daarentegen zal aantonen, waarom dit soort pogingen uiteindelijk op niets zullen uitlopen.

Als ik hier steeds weer op het boek `Christen zijn' van Prof. Hans Kling inga, doe ik dat met de bedoeling aan te tonen, dat ons door de Heer Zelf wegen zijn aangegeven die tot vernieuwing van het christendom kunnen leiden - wegen die de meesten nog niet bekend zijn of onbegaanbaar toeschijnen. Het boek van Hans Kling is een oprechte poging, maar het maakt ook duidelijk tot hoe weinig mensenwerk uiteindelijk in staat is. Deze gedachte heb ik als prikkel gebruikt en er, zo goed als mij dat als leek mogelijk was, op geantwoord. Het belangrijkste was echter de gedachte de lezer mijn eigen weg te laten zien, die mij tot het licht van het geloof geleid heeft.

Het is een emotioneel boek geworden, dat geen aanspraak wil maken op onfeilbaarheid, me echter wel om zo te zeggen uit het hart is ontsproten en daarom wil ik het de lezer aanbevelen als één van vele wegen, waarlangs de mens zijn heil kan vinden.

Ik vertel mijn persoonlijke mening en ik zeg het duidelijk, zonder te willen uitdagen of te verwonden. Men moet van mij geen hooggeleerde uiteenzettingen verwachten, want die zijn het juist, die in zaken van geloof vaak niet overtuigen. Niet voor niets heb ik mijn boek de titel gegeven: `Zo gij niet wordt als kinderen...' Een boek moet met eenvoudige, simpele woorden geschreven zijn, zoals Jezus tot de mensen van Zijn tijd sprak, wil het troost en hoop geven. De lezer van mijn boek moet ervan uitgaan, dat alle dingen onderzocht mogen worden en dat hij het goede erin moet vasthouden en dat niemand of niets, zelfs de kerk niet, het recht heeft om anderen te verbieden alle dingen te onderzoeken. Men moet dit boek lezen met die kinderlijke onbevangenheid die Jezus van ons vraagt en met de wens zich te willen laten leiden naar een nieuwe manier van denken die moedig boven het tegen­woordige taboe van de kerken uitgaat en in een gebied doordringt dat tot dusverre slechts voor relatief kleine groepen christenen toegankelijk is geweest.

Een zware beproeving waaraan menig mens ten onder zou zijn gegaan, deed mij op zoek gaan naar wat dit leven, deze Christus, te betekenen heeft, waarom het leven van de mens zo moeilijk te dragen is. Maar de kerk was niet in staat mij op deze brandende en vitale levensvragen een antwoord te geven. Ik begon boeken te lezen om informatie te krijgen; daaruit ontstond een ware studie en het had een heilzame uitwerking op mijn leven! Ik spreek dus uit ervaring als ik zeg dat er een weg is die tot inzicht in de wereld en tot inzicht in het plan van God leidt. Maar ik zeg ook dat het een weg is van moeite en twijfel, die na het overwinnen van deze twijfel een weg van geluk en innerlijke vrede wordt.

Ik heb mijn ziekbed sinds jaren niet verlaten en ik ben daarbij een gelukkig mens geworden. Hoe dat zo gekomen is, wil ik de lezer niet onthouden; volg mij daarom op deze weg, die u misschien aanvankelijk onbegaanbaar mag toeschijnen.

Dit boek is geschreven voor diegenen die net als ik met de verkondiging van de kerken niets wisten te beginnen, die zich verveelden tijdens de kerkdiensten waarvan geen overtuigings­kracht uitging. Dit boek is geschreven voor allen die zoeken en tot dusverre niet konden vinden; een boek voor vermoeiden en belasten; een boek dat in staat moet zijn het kruis van dit leven te helpen dragen. Ik beloof de lezer geen gelukkig leven op deze aarde, we gaan immers tijden van rampen en tegenspoed tege­moet; maar ik wil proberen begrijpelijk te maken, waarom de verschrikkingen van de komende tijd noodzakelijk zijn; ik wil proberen de angst weg te nemen voor dat wat op ons af kan komen en ik wil uitleggen waarom de ontwikkeling van de mens tot dusver dit verloop moest nemen. `Wie ogen heeft, die zie; wie oren heeft, die hore', zegt Christus en Hij bedoelt daarmee ook de mens van onze tijd, die niet langer het gevoel moet hebben dat hij aan de rand van het universum voortvegeteert, maar die nu, voorzover hij het wil, mag inzien dat hij hier op aarde is om een kind van God te worden.

Deel 1
WEGEN TOT GELOOF

1. Reformatie vanuit de eeuwigheid
De tijd is rijp voor een hervorming van de reformatie. De refor­matie van Luther voorzag precies in de behoefte van de toenmalige tijd.

Hij was aangepast aan het begrip van de mens uit de zestiende eeuw; ook de mens Luther was door God precies met die eigen­schappen toegerust die hij nodig had om tegen de overheersing van de paapse dictatuur te strijden. Profeten en reformatoren zijn steeds door God beroepen en verlicht. Aldus stelde God de priester Luther in staat het bedrog en het onchristelijke van de kerk te herkennen; Hij inspireerde hem en verleende hem de moed tot rebellie. Hij gaf hem een krachtige gestalte en een strijdlustige geest, maar Hij gaf hem ook slechts zoveel inzicht als voor de mensen van die tijd goed en juist was. De tweestrijd waarin Luther zich bevond en die zich tot op heden in de Lutherse leer doet gevoelen, was bepaald noodzakelijk, want het groeiproces en de geestelijke ontwikkeling van de mensheid had nog eeuwen nodig, tot aan vandaag, om tot het doel van het geestelijk groeien te geraken. Luther wilde de Bijbel woordelijk, in letterlijke zin, doen verstaan en schiep daarmee een nieuw dogma dat het ware inzicht in de weg stond.

Wat heden ten dage nodig is, is een reformatie vanuit de eeuwig­heid, een religieuze vernieuwing vanuit de geest. Als men alleen maar een uiterlijk inzicht in de schrift heeft, voert dat onvermij­delijk tot een ontwikkeling waarin vanaf het begin de kiem van religieuze onvruchtbaarheid aanwezig is en waarin aan het eind het ongeloof staat.

Wij moeten het woord van God weer levend in ons opnemen, het op ons laten inwerken en het gestalte geven. De letter is slechts de uiterlijke vorm van het inwendig geestelijk-goddelijk wezen. Jezus sprak tot de mens van Zijn tijd in gelijkenissen en verhulde beelden. Hij beschermde de heilige betekenis van de woorden door letters, zoals een notedop de kern omsluit, teneinde de hemelse waarheden tegen verontreiniging te beschermen. Daar­om leggen veel mensen de Bijbel teleurgesteld terzijde, omdat men denkt dat deze veel tegenstrijdigheden bevat en men niet in staat is de ware betekenis te onderkennen. Men weet echter niet dat men, ondanks geestelijke verarming, op de tijdgenoten van Luther één ding vóór heeft: men heeft, met name in de laatste eeuw, een ontwikkeling zonder weerga meegemaakt, die de huidige mens in staat stelt de goddelijke dingen dieper te begrijpen als men er op de juiste manier mee vertrouwd wordt gemaakt. Af en toe wordt het mij bang te moede als ik de liefdeloosheid, de gedachteloos­heid, de labiliteit en slapheid in mijn omgeving zie toenemen, hoe de waanzin zich in duivelse excessen kenbaar maakt, hoe de mensen met lawaai en razernij hun nog overgebleven betere ik tot zwijgen proberen te brengen. Toch geloof ik vast, dat het ook het verlangen naar verloren idealen, naar goddelijke waarden is, die hen tot slapheid en razernij drijft, en dat er ook onder hen mensen zijn die de goddelijkheid in ons duister bestaan terughalen, tast­baar maken en kunnen uitleggen. Anders zou ik de moed verliezen om dit boek te schrijven.

De kerk is zich bewust van haar huidige toestand, dat ze zich in de zwaarste crisis van haar geschiedenis bevindt. Door sommige leidinggevende figuren en priesters wordt onder grote inspanning ook geprobeerd het kerkelijk schip te keren; veel van deze pogin­gen zijn voluit te waarderen. Maar moeten ze niet in de kiem blijven steken, zolang de kerken de knoop niet doorhakken? Zeker is, dat het aan positiviteit in onze wereld niet ontbreekt. Denk maar aan de vele anonieme medemensen, zielszorgers en leken in de hele wereld, op alle levensgebieden, die de eisen van Christus door de daad benadrukken. Zij allen hebben de hoop niet verlo­ren, dat christelijk handelen de willekeur en het geweld van vorige eeuwen en van de tegenwoordige tijd kan vervangen. Terwille van deze schare van oprechten zal de mensheid ook niet verloren gaan, zoals Jezus in het Mattheus Evangelie (24:12-22) verkondigt. Maar het woord van God moet ook weer begrijpelijk gemaakt worden, zodat de thans nog kleine schare zich vermeerdert en de mens het bewustzijn van het kindschap van God weer verkrijgt.
Het is mij vroeger niet anders vergaan dan de meeste mensen van onze tijd. Ik heb de boodschap van de Bijbel gehoord en deze als weldadig ervaren; ik heb de Bijbel gelezen zoals men een mooi sprookje leest, heb me echter als overwegend verstandsmens niet kunnen voorstellen, ja, het als ronduit hoogmoedig ervaren, dat uitgerekend wij, onwaardige mensen, die in alles tekort schieten, op deze nietige planeet door God zouden zijn uitgekozen om Zijn kinderen te worden. Van jongs af aan stootten lage menselijke eigenschappen mij af. Ik zag afgunst, nijd en domheid, haat, tweedracht en vechtpartijen, en ik kon dat wat ik zag en beleefde niet rijmen met de uitverkiezing door een nauwelijks voor te stellen God. Deze mensen zouden Gods kinderen heten? En uitgerekend naar deze aarde zou God Zijn Zoon gezonden heb­ben? Wat een aanmatiging deze gedachten alleen maar te denken! Wel geloofde ik onbewust aan de goddelijkheid van Christus, maar ik was niet in staat een concrete relatie tussen Hem en onze tijd te leggen. Was dat alles niet te lang geleden en had sindsdien de mensheid zich ook maar om een haar verbeterd?

Luchtalarm en bomexplosies verstoorden mijn vredige kindertijd volkomen en hoewel ik wilde geloven, was ik er niet toe in staat. Niemand kon mij de tegenstrijdigheden die ik in de Bijbel vond en meende te vinden, uitleggen, maar klaar wakker bleef in mij de dringende vraag naar de zin van deze schijnbare zinloosheid. Tot dit standpunt, zoals ik dat destijds innam, zijn heden ten dage veel mensen gekomen; maar zelfs theologen en praktiserende christenen kunnen daarover geen opheldering geven. Velen vin­den zelfs geen antwoord op de vraag naar de dood en het hierna­maals, op de vraag naar de weg die we moeten gaan. Of het mij zal lukken deze vragen op bevredigende manier te beantwoorden, of dit boek in staat is te overtuigen, kan ik niet weten, maar ik kan laten zien, hoe ik geleerd heb te geloven. Geloven, dat heb ik begrepen, is niet beslist een genade die slechts enkele mensen ten deel valt; geloven kan en moet je leren, en geloven is een harde en taaie arbeid. `U moet het rijk der hemelen met geweld nemen', zegt Christus en Hij bedoelt daarmee, dat wij ons daarvoor moeite moeten getroosten, dat wij er voor moeten vechten, dat het je niet in de schoot valt.

Maar hoe moet de hedendaagse mens dit leren? Daarvoor heeft hij overtuigende hulp nodig! En hier komt mijn eerste verwijt aan de kerken van beide confessies. Ze hebben een ernstig verzuim begaan door zich blind te staren op het in de Bijbel verkondigde woord en volledig genegeerd dat Jezus in Matth. 10:41 benadrukt: `Wie een profeet ontvangt als een profeet, zal het loon van een profeet ontvangen' `...want het hart van een profeet is van God en zijn mond is van God' wordt aanvullend gezegd in de nieuwe openbaring aan Jakob Lorber (GJE II 108:7).
In alle tijden, in elke eeuw, zijn er verlichte boodschappers van Gods woord geweest en de kerken hebben in plaats van zich deze kennis ten nutte te maken, de goddelijke uitspraken meestal als charlatanerie afgedaan. Zodoende heeft de verkondiging door de kerken niet continu gelijke tred kunnen houden met het groeiend inzicht en de eisen om opheldering van de mensheid, zoals het de bedoeling van God was; nee, het dogma loochende elk profetendom buiten de Bijbel, ofschoon de katholieke kerk in sommige gevallen het geloof in na-apostolische openbaringen toestaat. Slechts weinigen konden zich voorstellen, dat God zelfs tot op heden Zich verstaanbaar kan maken aan mensen die Hij daartoe uitverkoren heeft, hoewel juist de kerk als eerste instantie zou moeten weten, dat voor de Schepper van alle dingen niets onmo­gelijk kan zijn. Hoogmoed en bezorgdheid om menselijk opper­gezag wierpen taaie obstakels op tegen zulke 'dwaalleren' en bedreigden iedere propaganda met dodelijke straffen. De dode­lijkste was die van het belachelijk maken. In de inquisitie van de middeleeuwen kunnen wij de scherpste vorm van kerkelijke dictatuur zien. De kerken bepaalden, wat er in het dogma en dus in de verkondiging vanaf de kansel opgeno­men mocht worden. Daar er destijds nog geen massamedia waren, was de preekstoel het belangrijkste middel van communicatie. Wat niet vanaf de kansel werd verkondigd, kwam ook niet onder het volk. Aldus snoerden de kerken zichzelf langzaam maar zeker de navelstreng af, die alleen hen maar met goddelijk voedsel had kunnen verzorgen. Het levende woord werd verminkt. Onze tijd kan slechts geholpen worden door een geweldige operatie waar­door deze navelstreng opnieuw wordt aangesloten, als de kerken de moeite zouden nemen alle profetische getuigenissen van het verleden te onderzoeken en datgene, wat de tegenwoordige tijd aan feiten reeds heeft aangetoond, in de tot nieuw leven gewekte verkondiging te betrekken. Geestelijke en technische vooruitgang hebben het verstand van onze tijdgenoten hongerig gemaakt naar het geloofwaardige. Over zijn kennis uit research en wetenschap, logica en verstand heen moet de hedendaagse mens weer tot geloof gebracht worden. Daar helpt ontkennen van hetgeen moeilijk en hinderlijk is beslist niet.

In het aan Jakob Lorber geopenbaarde Grote Johannes Evangelie zegt Jezus: `Uiteindelijk zal alle bijgeloof door het wapen van wetenschap en kunst van de aarde worden weggevaagd, waarbij de mens toch in zijn vrije wil niet in het minst zal worden belemmerd. Daardoor zal mettertijd wel een totaal gebrek aan geloof onder de mensen ontstaan, maar deze toestand zal slechts een zo kort mogelijke tijd duren. Eerst in die tijd zal Ik de oude boom der kennis zegenen en hierdoor zal de boom des levens in de mens weer zijn vroegere kracht bereiken en dan zal er alleen maar meer zijn één herder en één kudde.' (GJE 1X89:9-1 1)

De wetenschap heeft een groot deel van haar bijdrage reeds geleverd. Waarom maken de kerken zich deze inzichten niet ten nutte? Waarom behoort het bijvoorbeeld niet tot de plicht van iedere theoloog het boek van Keller En de Bijbel heeft toch gelijk te lezen? Waarom wordt aan de kerkelijke gemeente niet uitge­legd, hoe God Sodom en Gomorra weggevaagd heeft, hoe Hij de Israëlieten door de Rode Zee leidde en hoe het kon gebeuren, dat de achtervolgende Egyptische strijdmacht in de vloed ten onder ging? Waarom wordt niet verteld, dat manna ook heden ten dage nog `uit de hemel valt' en waar men het kan vinden? Waarom vertelt men niet, dat archeologen bij Jericho ontdekt hebben dat het een aardbeving was die door de trompetten van de Israëlieten teweeggebracht werd?

Waarom neemt men al deze kennis, die toch in staat zou zijn het woord Gods voor het verlichte mensdom weer levend en geloof­waardig te maken, niet op in de kanselboodschap? Waarom worden de aëro-dynamische tijdgenoten nog altijd belast met de voorstelling, dat de engelen van God, uitgerust met vleugels, door het luchtruim zweven? De beeldende kunst sym­boliseert immers door de vleugels alleen maar de onbegrensde beweeglijkheid van de geest! Het is onontbeerlijk het evangelie aangepast aan de tijd te verkondigen, en daartoe is het noodzake­lijk alles te toetsen en in de prediking mee te betrekken (1 Thess. 5:19-21) wat buiten de Bijbel aan waarheid bekend geworden is. Vergelijkt men heden de staat van de huidige wetenschap met de profetische uitspraken, dan komt men tot de verbijsterende ont­dekking dat veel van deze geschriften, die al één of meer eeuwen geleden geschreven werden, het beeld van onze tijd precies weer­spiegelen.

Zou men daarom dan niet op de gedachte hebben moeten komen, dat niet alle zieners en mystici charlatans geweest kunnen zijn, ja, dat het dwaasheid zou zijn de werken van Bohme, Swedenborg en Lorber niet aan een exact onderzoek te onderwerpen? Wil de kerk in staat zijn een levend woord uit God uit te dragen en weer geloofwaardig worden, dan moet de instantie kerk zich op een breder vlak oriënteren, als de totaliteit van het scheppingsplan zich geleidelijk aan uitkristalliseert.
2. De Ziel
Een christelijk boek moet niet alleen voor theologen geschreven zijn, want juist de gewone man, `de man van de straat' heeft immers een licht in de duisternis nodig. Hoe moet zo iemand, voor wie het toch eigenlijk bestemd is, deze taal verstaan, waarin vreemde woorden, vaktermen en de vocabulaire van academici zich aan elkaar rijgen en waarin nauwelijks een eenvoudige en begrijpelijke zin te lezen valt. Men moet eenvoudige taal spreken, wil men niet het verwijt te horen krijgen, dat zijn boek alleen maar voor een bevoorrechte groep geschreven is. Laten we beginnen met het eerste steentje van het mozaïek, met datgene, wat door veel mensen als ongeloofwaardig, als niet bestaand, als onvoorstelbaar wordt aangeduid: de menselijke ziel. Veel is daar over gezegd en geschreven, maar slechts weinigen zijn in staat zich onder een ziel iets concreets voor te stellen. Er zijn takken van wetenschap die het bestaan van de menselijke ziel compleet loochenen.

Kurt Eggenstein schrijft in zijn boek De profeet Jakob Lorber verkondigt ...: `Aan de beroemde patholoog geheimraad Rudolf Virchow (gest.1902), grondlegger van de cellulaire pathologie, wordt de volgende uitspraak toegeschreven: 'Ik heb sectie verricht op zeer veel lijken, doch een ziel heb ik niet gevonden.' Hij wilde daarmee aangeven dat een ziel niet bestaat.'

Niet alleen de wetenschap gaat van de veronderstelling uit, dat alles wat niet door onze vijf zintuigen begrepen kan worden, als onbewijsbaar en dus als niet bestaand moet worden beschouwd. In de zeventiger jaren deed een Russisch onderzoeksteam van zich spreken dat iets buitengewoons ontdekt had. Men kon met be­hulp van speciale opnametechnieken het onzichtbare zichtbaar maken. Bedoeld is hier de Kirlian-fotografie. Zit ik er ver naast als ik aanneem, dat hier een geweldige macht aan de peilers van het dialectisch materialisme (een filosofie over de materie) begint te wrikken; is het niet eigenaardig dat het uitgerekend aan een Russisch onderzoeksteam voorbehouden zou zijn het exacte be­wijs te leveren, dat er een verder leven na de dood bestaat? Want wat zou het anders moeten zijn dan de ziel, die het echtpaar Kirlian voor het menselijk oog waarneembaar heeft gemaakt, als datgene wat als onvergankelijk deel van de mens na zijn materiële dood verder zal bestaan als zijn onsterfelijk gedeelte? (Ostrander/Schroeder: 'Psi'.)

Het is niet de bedoeling van dit boek wetenschappelijke verhan­delingen over bepaalde resultaten van research te schrijven. Daar­toe ben ik helemaal niet in staat, want ik ben noch wetenschap­pelijk noch academisch gevormd. De bedoeling van dit boek zal zijn een aanzet tot nadenken te geven, om ieder de mogelijkheid te geven zichzelf op de hoogte te stellen. Over de Kirlian-fotografie is veel geschreven en zal nog veel geschreven worden, want het staat, naar het mij toeschijnt, nog aan het begin van haar ontwik­keling.

De logische gevolgtrekking uit dit onderzoek zou moeten zijn, dat men weldra in staat is het stervensproces - waarbij het astrale of fijnstoffelijke lichaam zich van het aardse omhulsel losmaakt en een soort damp boven het dode lichaam vormt - fotografisch zichtbaar te maken. Het is mij bekend dat dit intussen in Amerika gelukt is. Misschien zullen we op een duidelijke uitspraak uit de Sovjetunie nog lang moeten wachten, omdat het resultaat van dit onderzoek immers tegen elk materialistisch atheïsme indruist. Dit stervensproces is door artsen, pastoors en mediamiek aangelegde leken in ontelbare gevallen geloofwaardig beschreven. Alle verkla­ringen waren volkomen eensluidend, dat pas nadat de reeds genoemde `damp' zich gevormd had tot een exact evenbeeld van het verlaten lichaam en de verbindende `navelstreng' losgescheurd was, de klinische dood intrad.

Het oude spreekwoord: `Het leven hangt aan een zijden draad' heeft beslist betrekking op dit gebeuren. Bovendien zegt de Bijbel in Prediker 12:6-7: `voordat het zilveren koord losgemaakt en de gouden lamp verbroken wordt... en het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is en de geest wederkeert tot God die hem geschonken heeft.'


Later we verder gaan zoeken naar wat over het thema ziel nog te zeggen is. Ik heb me vaak afgevraagd waarom de meeste mensen hun vijf zintuigen als maatstaf van alle dingen beschouwen, daar er toch ontelbare voorbeelden uit het dierenrijk zijn, die ondub­belzinnig laten zien dat het menselijk waarnemingsvermogen sterk onderdoet voor dat van veel dieren. Het waarnemingsver­mogen van het `bovenzinnelijke', de mediamiek bij dieren is zelfs een noodzakelijk bestanddeel van hun bestaan. Maar als ik goed nadenk is het juist die voorstelling van het geestelijk leven, die mij in het begin ook onmogelijk voorkwam. Zolang we ons in dit stoffelijk lichaam bevinden, kunnen we slechts het stoffelijke (materiële) begrijpen; de poging om zich het geestelijke voor te stellen en zich een verder-leven na de dood in te denken, moet met name voor de minder fantasierijken onder ons een bijna onoverkomelijke hindernis zijn. Steeds weer wordt mij de zeer begrijpelijke vraag gesteld: maar hoe zal dat leven er zonder een vast lichaam uitzien, zal men zichzelf ergens in het luchtruim zwevend weer tegenkomen, waar geen boven en geen onder is, waar het koud en onaangenaam is, waarin er niets anders is dan een leegte? Ik moet toegeven, dat de belofte van Christus aan Zijn leerlingen moeilijk te geloven is: `In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen. Ik ga heen om u plaats te bereiden.' (Joh. 14:2-3). Waar en hoe moet men zich deze woningen voorstellen, daar er toch voor het onsterfelijke deel van de mens geen materie bestaat?
Geest is voor de materialistisch ingestelde mens heel moeilijk begrijpelijk te maken. Als ik hier de zin lanceer: materie is niets anders dan gefixeerde geest, een gefixeerde, verdichte gedachte van God (GJE VI 107:11), dan moet dit iedere lezer die met zulke gedachtengangen nog niet vertrouwd is, shockeren. Daarom zal ik een eenvoudig voorbeeld nemen om het begrip 'vergeestelij­king' duidelijk te maken. Laten we het eens met de natuurkunde proberen. Wat een aggregatietoestand is, heeft ieder van ons op school geleerd. Het geeft een bestaansvorm van de materie aan. Wij kennen de vormen vast, vloeibaar en gasvormig. Nemen we bijvoorbeeld water, hoe het voor onze ogen door gestadige ver­damping uit meren en rivieren onzichtbaar wordt, schijnbaar in het niets oplost en desondanks als aanwezig bestanddeel omhoog stijgt. Het is pas weer voor ons waarneembaar, als het in koudere luchtlagen afgekoeld, samengeperst en tot wolken verdicht tot zichtbare materie wordt die als regen op de aarde valt. We hebben in de fase van onzichtbaarheid, van de gasvormigheid, weliswaar geen zuiver geestelijke toestand voor ons, maar het komt zeer dicht in de buurt.

De mogelijkheid inzicht te verkrijgen is bij ieder mens verschil­lend ontwikkeld, naar de graad van zijn bewustzijn, maar we moeten allemaal proberen het bestaan van een fijnstoffelijk li­chaam voor mogelijk te houden, want op zekere dag zal elk van ons zichzelf in deze bestaansvorm weer tegenkomen. Het mate­riële lichaam is niets anders dan een werktuig, een noodzakelijke omhulling van de ziel, het substantiële lichaam dat het de ziel mogelijk maakt op deze materiële aarde te vertoeven. Daaruit resulteert reeds dat de fijnstoffelijke ziel niet als een permanente bewoner van deze planeet is bedoeld, maar dat ze hier alleen maar een leerschool te doorlopen heeft om op zekere dag als vrije geest in Gods schepping medescheppend bezig te zijn. De bedoeling van dit boek, zoals reeds gezegd, is niet een totaal overzicht te geven van hetgeen reeds over de ziel is geschreven, doch enkel om duidelijk te maken dat het voor de hedendaagse kritische mens slechts mogelijk is zich `gene zijde', dus dat wat aan de andere zijde van ons waarnemingsvermogen ligt, voor te stellen, indien men boeken ter voorbereiding leest als bijvoorbeeld Wo sind unsere Toten van Erhard Bäzner of het driedelige werk van Prof. Emil Mathiessen Das persönliche Uberleben des Todes. Hierbij richt ik tegelijkertijd een tweede ernstige kritiek aan het adres van de kerken, want hoe kunnen ze de goddelijke opdracht aan de mensen vervullen als ze geen onderzoek doen naar wat er bekend is over het leven na dit leven en het resultaat daarvan als een hartverwarmende troost aan de angstige en verloren mensheid doen toekomen. Dit belangrijke probleem wordt vanaf de kansel en in het godsdienstonderwijs zo weinig en ongeloofwaardig behandeld, dat de kerken als instantie ter voorbereiding op een leven na de dood nauwelijks in aanmerking komen, ja, het valt zelfs veel zielszorgers heden ten dage moeilijk om aan een voort­bestaan na de dood te geloven. Dit is des te wonderbaarlijker, daar juist deze faktor een onbeperkt onderdeel van alle wereldgods­diensten is. Waarom is juist het onderzoek op dit belangrijke punt zo opzettelijk verwaarloosd? De grote Zweedse ziener en weten­schapper Swedenborg noemt als ergste kwaad de theologische vroomheid als oorzaak van scheiding tussen het geloof en de Bijbel. Het verval der kerken treedt steeds dan op als zelfzucht en eigenliefde de plaats van de liefde hebben ingenomen. Volgens hem is het dogma het verraad aan Christus' oorspronkelijke prediking, dat daarmee kerkelijk gelegaliseerd werd. De grootste dwaling ziet Swedenborg in de leer van de zieleslaap, waarin de ziel na het aardse sterven in een wachttoestand, een soort slaap wordt verplaatst, waaruit ze eerst door de bazuinen van het jongste gericht voor het eindoordeel gewekt wordt. Hoeveel duidelijker te begrijpen is dan hetgeen Swedenborg ons vertelt, nl. dat het zielelichaam van de mens als opslagorgaan voor `het innerlijke geheugen' kan worden beschouwd. De psychologie noemt dat het onderbewustzijn. Dit onderbewustzijn slaat met onvoorstelbare nauwkeurigheid alle indrukken, gedachten en ge­voelens van het gehele aardse leven op. Er ontgaat hem niets, hoe zeer de mens ook zijn best doet om slechte en onaangename gedachten of daden uit zijn dagelijks geheugen, uit zijn bewustzijn te verwijderen of te verdringen. Kon men het ieder mens maar duidelijk maken, dat de oogst van zijn aards bestaan juist op dit niet te beïnvloeden geheugen beoordeeld wordt, ja, dat hijzelf op basis van de hem gegeven kennis van goed en kwaad zijn eigen rechter zijn zal, dan zou menigeen begrijpen dat hij iedere verkeerde daad steeds alleen maar zichzelf aandoet. Nadat het zielelichaam van het aardse lichaam is losgemaakt - hetwelk men, zoals reeds vermeld, met hooggevoelige apparatuur zichtbaar maken kan - wordt de innerlijke mens vrij, en zijn innerlijk vertoont zijn zielelichaam in de vorm van een stralend mooie tot een afstotend lelijke gestalte, al naar gelang van zijn zieletoestand, en zijn wezen drijft hem naar datgene waar zijn liefde naar uitgaat; hij wordt door het gelijke aangetrokken. De mens zelf leeft verder, omdat de mens geen mens is vanwege zijn aardse lichaam, maar vanwege zijn ziel. Die is het immers die in de mens denkt en zijn neigingen bepaalt. De overgang van de ene in de andere levensvorm, d.w.z. de scheiding tussen zielelichaam en het aardse kleed is tegelijkertijd de `jongste dag', want het is de jongste, de eerste dag in de werkelijkheid aan gene zijde. `Religie' betekent terugvoering, terugvoering naar God. De mens wordt dus niet door een vreemde rechter geoordeeld, maar door zichzelf, in zijn binnenste. De naar buiten zichtbaar geworden zieletoestand is ook zichtbaar voor de andere geesten en die zieletoestand bepaalt zijn voor- of achteruitgang. De mens is dus identiek aan zijn liefde; wat hij liefheeft, dat is hij! Met griezelige precisie schetst prof. Kung in zijn boek Christen zijn een analyse van onze aardse misère. Als vanzelf dringt zich hierbij de gedachte op aan Goethe's 'Zauberlehrling'. Op mees­terlijke wijze heeft hier een groot denker met profetische blik het lot van deze wereld getekend, de vooruitgang van onze dagen, die aan de menselijke controle ontglipt is en nu tot bedreiging wordt. `...de geesten die ik opriep, raak ik nu niet kwijt!' Wie zal het' ...in die Ecke, Besen, Besen, seid's gewesen!' bevelen? Zal te rechter tijd het reddende woord gesproken worden? Terwijl ik me weer in het boek Christen zijn verplaats, verschijnt nog een ander beeld in mijn gedachten. Verheft zich daarachter niet het reusachtige schrikbeeld dat de Spanjaard Goya eens schilderde en wiens visie van het mensetende monster heden zo afschuwelijk werkelijkheid is geworden? Maar nog zie ik uit dit boek niet de heldere, lichtende gestalte die alleen de macht heeft deze reusachtige nachtmerrie te verjagen, naar voren treden. Of zal aan de horizon van dit apoka­lyptisch tafereel slechts een lichte streep verschijnen, nauwelijks waarneembaar voor zoekende ogen? Troost kan men niet geven met behulp van redeneerkunst. Ik waag daarom een poging om op de heden ten dage door velen gestelde brandende vragen te antwoorden. Een van de dringendste vragen die mij altijd weer gesteld wordt, is die naar de goedheid van God. Wie zou, met het oog op de grauwe werkelijkheid van onze dagen, nog weten wat hij aan deze God heeft die onze aarde schijnbaar aan zichzelf overlaat en niets onderneemt om aan deze waanzin een einde te maken? Ik moet toegeven dat ikzelf ook heel lang nodig heb gehad om een waarachtig antwoord te vinden. De lezer zal merken dat de weg naar boven steeds smaller en moeilijker te begaan zal worden; maar voor diegene die de moed niet verliest, zal het helderder worden hoe hoger hij stijgt.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

  • INHOUD Voorwoord bij de vertaling Voorwoord Deel 1. Wegen tot geloof
  • Deel 2. God in het leven van alle dag
  • TITELAFKORTINGEN
  • VOORWOORD BIJ DE VERTALING
  • Deel 1

  • Dovnload 0.64 Mb.