Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Nominatief (in veel talen naamval voor het subject, maar zie hoofdstuk 6)

Dovnload 46.27 Kb.

Nominatief (in veel talen naamval voor het subject, maar zie hoofdstuk 6)



Datum18.10.2017
Grootte46.27 Kb.

Dovnload 46.27 Kb.

  • NOMINATIEF (in veel talen naamval voor het subject, maar zie hoofdstuk 6)

  • ACCUSATIEF (naamval voor Theme/Patient)

  • GENITIEF (naamval voor bezitter)

  • DATIEF (naamval voor Experiencer, Recipient, Beneficiary, in sommige talen ook Goal)

  • ALLATIEF (naamval voor Goal)

  • ABLATIEF (naamval voor Source)

  • ERGATIEF (naamval voor Agens)

Ergatieve talen gebruiken dezelfde naamval voor een lijdend voorwerp als voor het onderwerp van een zin zonder lijdend voorwerp.




  1. In accusatieve talen wordt accusatief naamval uitgedeeld aan het direct object van een transitief werkwoord (O).

  2. In ergatieve talen wordt ergatieve naamval uitgedeeld aan het subject van een transitief werkwoord (A)

  3. In beide typen systemen is de naamval van het subject van een intransitief werkwoord (S) “ongemarkeerd”.

  4. De ongemarkeerde naamval van een accusatiefsysteem wordt nominatief genoemd, de ongemarkeerde naamval van een ergatiefsysteem absolutief (soms ook nominatief).

  5. Accusatief systeem: A, S, O

    1. A = NOM

    2. S = NOM

    3. O = ACC

  6. Ergatief systeem: A, S, O

    1. A = ERG

    2. S = NOM

    3. O = NOM

  7. “Tripartite” systeem: A, S, O

    1. A = ERG

    2. S = NOM

    3. O = ACC


Accusatief naamval afhankelijk van de animacy en definietheid (bepaaldheid) van het object.

Ergatief naamval afhankelijk van de verleden tijd (perfectief) van het werkwoord.



  • Nominatief (= absolutief)

    • Vaak de onverbogen vorm (het woord zoals het in het woordenboek terechtkomt)

    • Geen ‘vaste’ semantische rol (kan Agens zijn, maar ook Patiens, Experiencer etc.)

    • Geen ‘vaste’ grammaticale functie (het is het transitieve subject in accusatieve talen, maar het transitieve object in ergatieve talen)

    • Nominatieve naamval kun je vaak ook opvatten als geen naamval.

Als je nominatieve naamval opvat als het ontbreken van naamval, dan zijn naamval en agreement hier complementair.



  • Er is in talen een verband tussen de rijkdom van werkwoordvervoeging en de al dan niet verplichte aanwezigheid van een onderwerp.




  • De relatie tussen het werkwoord en zijn argument-NP’s (subject en object) kan op verschillende manieren worden uitgedrukt:

  • Woordvolgorde (SVO, SOV)

  • Naamval (accusatieve en ergatieve talen)

  • Agreement (agreement met het subject, met het subject en het object of met het nominatieve/absolutieve argument)

“Ergativiteit” gaat niet alleen over naamval.



  • Een grammaticaal systeem of patroon heet ergatief als S en O zich hetzelfde gedragen/ er hetzelfde uitzien, en A daarvan afwijkt.

Bij “labiele” werkwoorden hebben S en O hebben dezelfde thematische rol

  • The enemy sank the ship

  • The ship sank

In een accusatieve taal hebben S en O hebben dezelfde thematische rol (“patiens”), maar een andere naamval.

Actieve zin (transitief, 2 argumenten)  Passieve zin (intransitief, 1 argumentNiet alle talen hebben passieve zinnen. Passivisatie komt vooral voor in accusatieve talen en veel minder in ergatieve talen.

Er zijn wel ergatieve talen die passieve zinnen kunnen maken, bijvoorbeeld West-Groenlands.


  • “Promotie” van het object (de Patient)

  • “Demotie” van het subject (de Agent)

  • Demotie van de Agens is cross-linguïstisch hét kenmerk van passieve zinnen.

Als er geen object in de actieve zin staat (dus met intransitieve werkwoorden), kun je in sommige talen toch passieve zinnen krijgen.

Bijvoorbeeld: Het Engels heeft geen onpersoonlijke passieven, het Welsh wel.


  • *There was danced (by the children)

  • Dannswyd gad y plant

gedanst door de kinderen

Talen die onpersoonlijke passieven hebben, hebben ook altijd ‘gewone’ (van transitieve zinnen afgeleide) passieven.


Twee klassen intransitieve werkwoorden: Wat is het verschil?

  • werken, rennen, snurken, roken, lachen, … onergatief

  • zakken, sterven, smelten, arriveren, … onaccusatief

Onaccusatieve intransitieve werkwoorden hebben geen Agens. Er kan dus ook geen demotie (degradatie) van de Agens plaatsvinden. Dus is een passieve zin uitgesloten.


Drie testjes in het Nederlands om onaccusatieve en onergatieve intransitieve werkwoorden van elkaar te onderscheiden:

Passieven komen veel vaker voor in accusatieve talen dan in ergatieve talen.

Maar ergatieve talen hebben ook hun ‘eigen’ voice-alternantie (argumentreductie), namelijk de antipassief!


  • Actieve zin (transitief, 2 argumenten) 

Antipassieve zin (intransitief, 1 argument)

‘Echte’ antipassieven (morfologisch) komen vrijwel uitsluitend voor in ergatieve talen.

Maar demotie/degradatie van het object (de Patiens) vind je ook in accusatieve talen.
Antipassief maken  demotie (degradatie) van Patient (object)

hansi-p arnaq tuqup-paa

Hansi-ERG woman kill-IND.3sg.3sg

“Hansi killed the woman.”

hansi arna-mik tuqut-si-vuq

Hansi woman-INSTR kill-ANTIP-IND.3sg

“Hansi killed a woman.”

Verschil in bepaaldheid/definietheid:

Patient in antipassief is onbepaald (indefiniet).
Accusatieve zinnen  passieve zinnen

Transitief NOM – ACC 

Intransitief NOM

Ergatieve zinnen  antipassieve zinnen

Transitief ERG – NOM 

Intransitief NOM

Gemarkeerd argument wordt ‘gepromoveerd’ tot ongemarkeerd (nominatief/absolutief) argument

Differential Object Marking and Differential Subject Marking.



  • Net zoals je DOM hebt (vaak in accusatieve talen), heb je ook DSM (vaak in ergatieve talen). Differential Subject Marking kent wel meer variatie dan DOM.

  • Factoren die een rol kunnen spelen bij DSM:

    • Pronoun/ Noun (pronomen wordt niet gemarkeerd, nomen wel; óf: 1e en 2e persoon pronomen wordt niet gemarkeerd, 3e persoon wel)

    • Agentivity, animacy, volitionality (het subject wordt wel gemarkeerd als het een “echte” Agens is, anders niet)

    • Tense/aspect/mood (subject van transitieve zin in verleden/voltooide tijd wordt wel gemarkeerd, in tegenwoordige/onvoltooide tijd niet)

    • Main/dependent clauses (het subject van een bijzin krijgt wel markering, het subject van een hoofdzin niet)




Accusatieve taal

Ergatieve taal

Agens

Actief - Passief

DSM

Patiens

DOM

Actief - Antipassief


Voice-alternanties:

Actief - Passief

Actief – Antipassief


Bij passieve en antipassieve zinnen verdwijnt er een argument naar de achtergrond (argumentreductie). Accusatieve talen kennen geen antipassief-constructie, maar wel andere vormen van “gedifferentieerde objectmarkering” (DOM). Ergatieve talen hebben vaak geen passief-constructie, maar wel “gedifferentieerde subjectmarkering” (DSM).
Causatieve zinnen in een ergatieve taal (voorbeeld Baskisch):

ERG DAT NOM  3 argumenten

ERG DAT OBL NOM 4 argumenten

causer causee

Causatief:


  • Subject wordt object of oblique argument, de ‘causee’

  • Introductie nieuw subject, de ‘causer’

CAUSATIEF VOORBEELDEN

Fins

Mies syö-tt-i liha-n laps-i-lle



man.NOM eat-CAUS-3SG.PAST meat-ACC child-PL-ALL

“The man fed the meat to the children”

Mies syö-täty-tt-i liha-n laps-i-lle

man.NOM eat-CAUS-CAUS-3SG.PAST meat-ACC child-PL-ALL

“The man made someone feed the meat to the children”

Mies syö-täty-tä-tt-i liha-n laps-i-lle

man.NOM eat-CAUS-CAUS-CAUS-3SG.PAST meat-ACC child-PL-ALL

“The man made someone make someone feed the meat to the children”


APPLICATIEF

  • Creek

John-t istaha.kocí-n ha.y-ís

John-NOM doll-OBJ make-IND

“John is making a doll”

John-t Jim-n istaha.kocí-n ín-ha.y-ís

John-NOM Jim-OBJ doll-OBJ APPL-make-IND

“John is making a doll for Jim”





  • Wh-elementen verplaatsen in het Engels (en in veel andere talen) naar de zinsinitiële positie. In de boom is dit de specifier-positie van de CP [Spec,CP]. Deze positie gaat vooraf aan de C-positie. In het Engels kan er dan geen complementizer (voegwoord) meer in de C-positie staan.

  • Wh- in situ: als de woordvolgorde niet veranderd

  • Focus = nieuwe informative. Wh-woorden vragen naar nieuwe informatie

  • In sommige talen staat focus in dezelfde syntactische positie als een wh-woord

RELATIEVE BIJZINNEN



Head-final of head-initial?

  • Relatieve (betrekkelijke) bijzin volgt op N, dus head-initial.

  • Merk op: dubbele markering van de relatieve zin (aan het begin en aan het eind een relative clause marker).

  • ‘Resumptive pronoun’ in plaats van gat.

  • ‘Resumptive pronoun’  ‘Relative pronoun’

  • Accusatieve taal Ergatieve taal

  • Dovnload 46.27 Kb.