Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Notitie Groei, armoede en ongelijkheid Inhoudsopgave Inleiding 2 Groei, armoede en ongelijkheid

Dovnload 0.5 Mb.

Notitie Groei, armoede en ongelijkheid Inhoudsopgave Inleiding 2 Groei, armoede en ongelijkheid



Pagina1/3
Datum06.12.2018
Grootte0.5 Mb.

Dovnload 0.5 Mb.
  1   2   3

Notitie Groei, armoede en ongelijkheid

Inhoudsopgave
1. Inleiding 2

2. Groei, armoede en ongelijkheid 3

2.1 Internationale trends in groei, armoede en ongelijkheid 5

2.2 Mondiale ongelijkheid: het vinden van het juiste groeipad 7

2.3 Economische groei en armoedevermindering 9

2.4 Inkomensongelijkheid, economische groei en armoedevermindering 12

2.5 Herverdeling 13


3. Beleidsingrediënten en Nederlandse beleidsinterventies 15

3.1 Overzicht van Nederlandse beleidsinterventies 15

3.2 Bevorderen van macro-economische stabiliteit 16

3.3 Investeren in landbouw en rurale werkgelegenheid 18

3.4 Technologische verandering en innovatie 19

3.5 Ontwikkelen van de financiële sector 21

3.6 Hervormen van belastingstelsels en sociale zekerheidssystemen 23

3.7 Toewerken naar een open en eerlijk internationaal handelssysteem 24

3.8 Verbeteren van infrastructuur 26

3.9 Bevorderen van onderwijs en gezondheid 28

3.10 Verbeteren van de toegang tot land en rechtszekerheid 30

3.11 Verbeteren van arbeidsmarkten en sociaal beleid 32

3.12 Werken aan effectieve staten en beter bestuur 33

3.13 Milieubeheer en klimaatadaptatie 36

3.14 Beleidscoherentie voor ontwikkeling 38

3.15 Multilaterale ontwikkelingssamenwerking 41



4. Samenvatting 45
Literatuurlijst 47

Januari 2010



Hoofdstuk 1 Inleiding
In de beleidsbrief ‘Een zaak van iedereen – investeren in ontwikkeling in een veranderende wereld’ van oktober 2007 worden vier beleidprioriteiten geïdentificeerd: veiligheid en ontwikkeling, groei en verdeling, gelijke rechten en kansen voor vrouwen en meisjes, en klimaat en energie. Deze notitie gaat dieper in op de prioriteit groei en verdeling. Zoals ik eerder heb aangegeven in (1) “Een zaak van iedereen”, (2) de “Kamerbrief inzake private sectorontwikkeling in ontwikkelingslanden” en (3) de notitie “Landbouw, rurale bedrijvigheid en voedselzekerheid in ontwikkelingslanden”, ben ik ervan overtuigd dat in moderne ontwikkelingssamenwerking te weinig aandacht wordt besteed aan de centrale noodzaak duurzame groei en werkgelegenheid te stimuleren als essentiële voorwaarde om landen zelfstandig te maken in een scherp concurrerende wereldeconomie en de MDG’s te bereiken. Dit vereist een politiek-economische en landenspecifiekere benadering om “bottlenecks” voor groei te identificeren en deze te koppelen aan verdeling en armoedebestrijding.
De wereld van vandaag wordt kenmerkt door een mondiale economische recessie en (sluimerende) voedsel-, energie-, en klimaatcrises. In deze context zijn zaken als economische groei, armoedevermindering en ongelijkheid actueler dan ooit. De economische crisis heeft een grote invloed op de groei in veel ontwikkelingslanden. Ook de wereldwijde financiële crisis laat zijn sporen na. In eerste instantie leek deze crisis niet direct de lage inkomenslanden te raken door hun beperkte integratie in internationale financiële systemen. De economische krimp in de ontwikkelde landen heeft echter geleid tot een wereldwijde afname van de vraag en dalende prijzen, vooral als het gaat om grondstoffen. Daardoor zijn ook de buitenlandse investeringen in ontwikkelingslanden teruggelopen. De stijgende werkloosheid als gevolg van terugkerende arbeidsmigranten en de afname van geldoverboekingen naar ontwikkelingslanden, hebben eveneens bijgedragen aan economische teruggang in deze landen. Tenslotte heeft de economische krimp in ontwikkelde landen geleid tot een afname van de ontwikkelingssamenwerking. Al deze factoren hebben disproportionele gevolgen voor de armen in ontwikkelingslanden. Het leidt tot stijgende werkloosheid en toenemende armoede. Opkomende economieën die getroffen waren door de crisis laten in veel gevallen al weer tekenen van herstel zien. De vrees bestaat echter dat de lage inkomenslanden achter zullen blijven wanneer de mondiale economie weer aantrekt.
Sociale uitgaven zijn essentieel voor het voorkomen van verlies van menselijk kapitaal, het beschermen van kwetsbare groepen en het verzekeren van gelijke toegang tot onderwijs en gezondheidszorg. De druk op overheidsuitgaven voor sociale doeleinden is aanzienlijk toegenomen door de economische crisis. Overheden in ontwikkelingslanden hebben echter minder budgettaire ruimte. Fiscale tekorten, die overigens in veel landen al hoog waren door de voedsel- en energiecrises, lopen verder op. In een poging de tekorten binnen de perken te houden hebben sommige overheden bezuinigd op sociale voorzieningen als gezondheidszorg en onderwijs. Het onvermogen om sociale uitgaven te continueren gaat ten koste van armoedevermindering en het behalen van de Millennium Ontwikkelingsdoelen.
Hoofdstuk 2 biedt een kader voor groei en verdelingsvraagstukken en schetst de relaties tussen armoedevermindering, economische groei en inkomensongelijkheid. In hoofdstuk 3 zijn de beleidsingrediënten van strategieën gericht op groei en verdeling weergegeven zoals vermeld in de literatuur en worden deze gespiegeld aan het Nederlandse beleid. Hoofdstuk 4 bevat een samenvatting.

Hoofdstuk 2 Groei, armoede en ongelijkheid
In het theoretisch debat over groei en ongelijkheid kan een onderscheid gemaakt worden tussen de internationale en de nationale dimensie. Op internationaal niveau is de groei ongelijk verdeeld tussen landen en regio’s. Sommige ontwikkelingslanden maakten een sterke groei door, terwijl anderen achterblijven. Daardoor is de ongelijkheid tussen landen toegenomen.
Naast de internationale dimensie is het belangrijk om de factoren te analyseren die op het nationale niveau een rol spelen. De effecten van groei op ongelijkheid verschillen per land. Het debat in de literatuur over groei en ongelijkheid draait om de fundamentele vraag of ontwikkelingsbeleid primair gericht moet zijn op economische groei of armoedevermindering en/of ongelijkheid. De uitdaging voor beleidsmakers is niet zozeer hoe om te gaan met de relatie tussen groei en armoedevermindering en armoedevermindering en ongelijkheid, maar vooral met de relatie tussen groei en inkomensverdeling. Dit hoofdstuk probeert een helder inzicht te verschaffen in het debat over groei versus (her)verdelingsstrategieën aan de hand van het onderstaande schema van Bourguignon.
De Armoede-Groei-Ongelijkheid Driehoek (gebaseerd op: Bourguignon, 2003)

Dit hoofdstuk beslaat vijf thema’s:

  1. Internationale trends in groei, armoede en ongelijkheid;

  2. Mondiale ongelijkheid en de juiste groeistrategie;

  3. De relatie tussen economische groei en armoedevermindering;

  4. De relatie tussen inkomensongelijkheid, economische groei en armoedevermindering;

  5. Herverdeling.

In deze notitie worden de volgende definities gehanteerd: economische groei is de gemiddelde inkomensgroei gedefinieerd in BBP per hoofd van de bevolking. Het concept van ongelijkheid kan gedefinieerd worden in termen van inkomensongelijkheid en ongelijkheid in kansen. Inkomensongelijkheid (“income inequality”) heeft betrekking op de manier waarop inkomen verdeeld is. Ongelijkheid in kansen (“inequality of opportunities”) heeft te maken met de ongelijke toegang tot gezondheidszorg en onderwijsmogelijkheden, het vermogen om in verbinding te staan met de rest van de wereld, de kwaliteit van de beschikbare dienstverlening en de wijze waarop instellingen mensen behandelen (World Development Report, 2006). Ongelijke kansen leiden tot (toekomstige) inkomensongelijkheid. Onrechtvaardigheid (“inequity”) heeft betrekking op ongelijke kansen én vooraf vaststaande omstandigheden. Vooraf vaststaande omstandigheden bepalen de kansen op twee manieren. Ten eerste bepalen de omstandigheden bij iemand’s geboorte, zoals materiële welvaart, familieachtergrond en toegang tot publieke diensten en infrastructuur, in belangrijke mate wat de kansen zijn die iemand heeft. Ten tweede beïnvloeden groeplidmaatschap en initiële omstandigheden hoe mensen behandeld worden door de instellingen met wie ze moeten samenwerken. In beleidstermen betekent dit dat het principe van gelijke kansen uitgaat van omstandigheden bij de geboorte die niet moeten uitmaken voor iemand’s kansen in het leven (WDR, 2006, p. 19).


Multidimensionale definities van armoede zijn opgesteld door het Development Assistance Committee (DAC), de OESO/DAC-richtlijnen voor armoedevermindering (OESO, 2001). De kerndimensies van armoede en welzijn zijn beschermende, politieke, sociaal-culturele, menselijke en economische omstandigheden. Volgens de Wereldbank wordt extreme armoede gemeten door de absolute armoede headcount index, dat wil zeggen het percentage individuen in ontwikkelingslanden dat van minder dan USD 1,25 per dag leeft (gebaseerd op koopkracht pariteiten 2005 constante prijzen), zoals op te maken uit data van onderzoeksgegevens van huishoudens.
De verschillende benaderingen: Pro-Poor Growth, Equitable Growth en Inclusieve Groei1

Pro-Poor Growth is een bekende ontwikkelingsstrategie geworden aan het begin van dit decennium. Het is een intuïtief herkenbaar concept, maar de definities ervan variëren sterk tussen de gebruikers. Volgens de OESO/DAC is duurzame economische groei een essentiële voorwaarde om armoede te verminderen, maar bepalen het tempo en patroon van groei de mate van armoedevermindering (OESO, 2001). Pro-poor growth kan gedefinieerd worden in absolute zin, relatieve zin en op een enkelvoudige-multidimensionale manier (OESO, 2006). Economische groei is pro-poor in absolute zin als het resulteert in een zo groot mogelijk aantal (extreem) arme mensen dat boven de armoedegrens van een land wordt getild. Dit betekent dat groei pro-poor is als armoede daalt, ook al kan de ongelijkheid toenemen. Het is ééndimensionaal als het op inkomensongelijkheid slaat. Economische groei is pro-poor in relatieve zin als arme mensen disproportioneel profiteren van deze groei en hun aandeel in het nationaal inkomen stijgt. De relatieve definitie slaat daarom op een vermindering in ongelijkheid. Het is opnieuw één-dimensionaal als het alleen inkomensongelijkheid beschouwt. Op deze manier kan relatieve pro-poor growth een negatief effect hebben op zowel arme als rijke huishoudens, en op de groei in het algemeen, omdat een focus op gelijkheid kan leiden tot algemene suboptimale beleidsoplossingen2.
OESO’s DAC Povnet roept op tot een multi-dimensionale benadering van pro-poor growth, waarin welvaart, gezondheidszorg, onderwijs, sociale zekerheid en politieke participatie zijn meegenomen. Al deze elementen bepalen het vermogen van de armen om hogere inkomens in de toekomst te genereren. Zonder een multi-dimensionale benadering zal ongelijkheid (“inequity”) de overhand krijgen.
Equitable Growth is pro-poor growth in relatieve zin (UNDP International Poverty Centre, 2005). De Wereldbank gebruikte in haar beleidsdocumenten vaak de term equitable growth in aanvulling op pro-poor growth, voordat de Wereldbank de term inclusieve groei ging gebruiken. Equitable growth wordt niet langer gebruikt.
Inclusieve Groei is het nieuwste begrip dat in ontwikkelingsbeleid wordt gebruikt. De Growth Commission (2008) is een van de voorlopers. De Wereldbank is een voorstander van deze benadering voor ontwikkelingsstrategieën, en donoren zoals de UNDP en DFID volgen. De UNDP heeft zelfs haar International Poverty Centre hernoemd tot International Poverty Centre for Inclusive Growth (IPC-IG).
Inclusieve groei en pro-poor growth vertonen veel overeenkomsten. Beiden benadrukken het tempo en patroon van groei en beiden focussen op werkgelegenheidsmogelijkheden en de rol van de publieke en private sector. Echter, pro-poor growth richt zich ook op sociale zekerheid en vangnetten, beleidsterreinen die afwezig zijn in inclusieve groei. Volgens de Wereldbank houdt inclusieve groei zich bezig met mogelijkheden voor de meerderheid van de beroepsbevolking, zowel de arme als de midden-klasse, terwijl pro-poor growth voornamelijk geïnteresseerd is in de welvaart van de armen (World Bank, 2009). Inclusieve groei legt een sterke focus op productieve werkgelegenheid, waarbij groei van de werkgelegenheid nieuwe banen creëert en productiviteitsgroei zorgt voor hogere lonen. Dit is een aantrekkelijk concept, gezien de wereldwijde economische crisis.


2.1 Internationale trends in groei, armoede en ongelijkheid
De laatste vier decennia hebben een uitzonderlijke groei in mondiale output laten zien, maar elk land en regio heeft niet dezelfde vooruitgang gemaakt. In Sub-Sahara Afrika en Latijns Amerika is de groei veel lager, zelfs al heeft Latijns Amerika beter gepresteerd dan andere regio’s voor wat betreft de inkomensgroei per hoofd van de bevolking (grafiek 1). Het BBP per hoofd van de bevolking in Sub-Sahara Afrika is de afgelopen 40 jaar nauwelijks verbeterd. Dit komt mede door de hoge bevolkingsgroei. Vanaf het midden van de jaren 90 is de economische groei in Sub-Sahara Afrika duidelijk omhoog gegaan en heeft het het hoogste niveau in decennia bereikt, totdat de economische crisis het continent raakte in 2008. China en andere landen in Oost-Azië lopen de achterstand met geïndustrialiseerde landen snel in. Ze lieten hoge groeicijfers zien gedurende de afgelopen 15 tot 20 jaar.
Grafiek 1: Divergentie in Economische Prestaties, 1960-2006



Bron: World Bank (2009)
Tijdens de afgelopen decennia was er een wereldwijde afname van extreme armoede, van 1,9 miljard mensen in 1981 tot 1,5 miljard in 2005 (grafiek 2). Deze positieve resultaten zijn voornamelijk te danken aan de prestaties van Oost-Azië, China in het bijzonder. In andere regio’s is het absolute aantal mensen in extreme armoede ongeveer constant gebleven over de laatste 20 jaar. Een groot aantal mensen is niet in staat geweest om deel te nemen aan en te profiteren van de globalisering. Ze zitten vast in extreme armoede (zie ook paragraaf 2.2). In Sub-Sahara Afrika zijn de absolute armoedecijfers zelfs gestegen in de afgelopen 25 jaar.
Wereldwijde armoede zal waarschijnlijk verder toenemen als gevolg van de economische crisis. De Verenigde Naties (VN) (2009) verwacht dat wereldwijd het aantal mensen in ontwikkelingslanden dat in extreme armoede leeft in 2009 met 55 tot 90 miljoen stijgt door de crisis.
  1   2   3

  • 3. Beleidsingrediënten en Nederlandse beleidsinterventies
  • 4. Samenvatting 45 Literatuurlijst 47 Januari 2010 Hoofdstuk 1 Inleiding
  • Hoofdstuk 2 Groei, armoede en ongelijkheid
  • De Armoede-Groei-Ongelijkheid Driehoek (gebaseerd op: Bourguignon, 2003)
  • De verschillende benaderingen: Pro-Poor Growth, Equitable Growth en Inclusieve Groei 1
  • 2.1 Internationale trends in groei, armoede en ongelijkheid
  • Grafiek 1: Divergentie in Economische Prestaties, 1960-2006

  • Dovnload 0.5 Mb.